U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-04-1993.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 1 november 1983, tot vaststelling van regelen van overgangsrecht met betrekking tot het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 25 mei 1983, nr. AB83/U578, Directoraat-Generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden;

Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 530);

De Raad van State gehoord (advies van 2 augustus 1983, nr. W04.83.0322/10.3.30);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, van 25 oktober 1983, nr. AB83/1436, Directoraat-Generaal voor Overheidspersoneelsbeleid, Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Financiële Arbeidsvoorwaarden;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage1 november 1983BeatrixDe Minister van Binnenlandse Zaken,Rietkerkde negenentwintigste november 1983De Minister van Justitie,F. Korthals Altes

Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 treedt, met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gegeven regelen van overgangsrecht, in werking met ingang van 1 januari 1984.

Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 (Stb. J 261) is, behoudens het bepaalde bij of krachtens de volgende artikelen, ingetrokken.

Voor zover toepassing van het bepaalde in artikel 5, tweede en derde lid van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 niet kan geschieden met ingang van 1 januari 1984 zal zulks plaatsvinden ingaande een later tijdstip, doch uiterlijk binnen vier jaren na vorengenoemde datum.

Vervallen

Zolang de nadere regels als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 nog niet zijn vastgesteld, geschiedt de toekenning van een toelage op grond van het eerste lid van dat artikel op de wijze zoals is aangegeven in de leden 1 en 2 van artikel 40 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948.

Ten aanzien van de ambtenaar die op 31 december 1983 een garantietoelage als bedoeld in artikel 20a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 genoot en die ambtenaar is in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1979, 679) wordt voor de toepassing van het eerste lid van artikel 16 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 het salaris niet vermeerderd met 7,1%.

Ten aanzien van de in het artikel 5 van dit besluit bedoelde ambtenaren zijn de artikelen 17 en 23 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 van toepassing, voor zover voor hen een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11 van bijlage B van dat besluit.

Vervallen

Bevorderingen en toelagen, voor zover die betrekking hebben op een tijdvak, gelegen vóór 1 januari 1984, en die op deze datum nog niet tot stand zijn gekomen, kunnen tot 1 januari 1986 tot stand worden gebracht op grond van de desbetreffende bepalingen van het BBRA 1948, met inachtneming van de daarmee samenhangende nadere regels.

Zolang Ons Besluit van 17 maart 1982 (Stb. nr. 94) niet is vervallen of ingetrokken, vindt de toepassing van artikel 21 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 plaats met inachtneming van de bepalingen van het eerstgenoemde besluit, zoals dit laatstelijk is gewijzigd.

Dit besluit kan worden aangehaald als: Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1984.