Regeling · BWBR0004053

Besluit operationalisering RDBZ

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 24 november 1986, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken en van de regelen van overgangsrecht betreffende dat reglementBesluit operationalisering RDBZWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 2 juni 1986, nr. HDBZ/SF-140960;

Gelet op de artikelen 125 en 134 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 530) en artikel 149 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken;

De Raad van State gehoord (advies van 6 augustus 1986, nr. WO 2.86.0284);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 19 november 1986, nr. HDBZ/SF-305425;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

’s-Gravenhage24 november 1986BeatrixDe Minister van Buitenlandse Zaken,H. van den Broekde drieëntwintigste december 1986De Minister van Justitie,F. Korthals Altes

Het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken treedt in werking met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op het tijdvak van zes maanden aansluitend aan de dag van plaatsing daarvan in het Staatsblad, met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gegeven regelen van overgangsrecht.

Het Reglement van de Buitenlandse Dienst 1951 (Stb. 1970, 74) is ingetrokken op de dag van inwerkingtreding van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken.

In dit besluit wordt verstaan onder:

Degenen die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst zijn genomen op basis van het AOB of het RBD worden werknemers van de DBZ als bedoeld in:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Degenen die als overplaatsbaar ambtenaar zijn overgegaan naar de DBZ, worden op de dag van effectuering van hun keuze, bedoeld in de artikelen 12 en 13, ingepast in het rangenstelsel, bedoeld in artikel 35 van het RDBZ, volgens het volgende schema.

1 Inclusief degenen in bijzondere dienst.

Tijdelijke bezoldigingselementen, zoals waarnemingstoelage en tijdelijke bevordering, behouden hun tijdelijke karakter.

Voor ambtenaren op wie voorheen het RBD van toepassing was, zijn bij effectuering van de overgang naar de DBZ als niet-overplaatsbaar ambtenaar de salarisschalen van het BBRA 1984 van toepassing; de inpassing geschiedt alsdan op analoge wijze als geregeld in de artikelen 14 tot en met 19.

Degene aan wie reeds vóór de inwerkingtreding van het RDBZ een titel was verleend op de voet van het RBD, behoudt deze titel voor de duur van diens werkzaamheden op de huidige standplaats.

Bij de benoeming van de plaatsvervangend voorzitter van de Commissie van Beroep kan, in afwijking van artikel 145, eerste lid, onderdeel a, derde volzin, van het RDBZ, eenmalig worden afgeweken van het vereiste dat deze tot de Nederlandse rechterlijke macht dient te behoren of te hebben behoord.

Uitvoeringsvoorschriften, zoals deze door Onze Minister vóór de inwerkingtreding van het RDBZ zijn vastgesteld, en regelingen met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 8, zevende lid en 12, derde lid, van het RDBZ, blijven van overeenkomstige toepassing totdat deze door nieuwe voorschriften krachtens het RDBZ zijn vervangen.

De eed of belofte die is afgelegd door degenen, bedoeld in artikel 4, wordt gelijkgesteld met de op hen van toepassing zijnde eed of belofte, als geregeld in het RDBZ. Hetzelfde geldt voor de eed of belofte krachtens het RBD afgelegd door de in artikel 10 bedoelden.

Degenen die bij hun aanstelling de integratieclausule hebben ondertekend treden, wanneer zij op grond van het daarin bepaalde bezwaar aantekenen en hun bezwaar gegrond wordt verklaard, alsdan toe als niet-overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ wanneer voor hen het ARAR van toepassing was, en als overplaatsbaar ambtenaar van de DBZ als voor hen het RBD van toepassing was; in dit geval zijn de artikelen 5, eerste lid, 11, 12 en 13 op hen van toepassing.

Arbeidsovereenkomsten welke door of namens Onze Minister zijn gesloten op de voet van het AOB dan wel het RBD, worden geacht te zijn gesloten op de voet van het RDBZ overeenkomstig het gestelde in artikel 8 van dit besluit.

In afwijking van artikel 18, vierde lid onder a, van het RDBZ, kan Onze Minister bepalen, dat de proeftijd wordt verlengd tot ten hoogste vijf jaar ten aanzien van de ambtenaar bedoeld in artikel 6 van dit besluit op wie voorheen artikel 146a, tweede lid, van het RBD van toepassing was.

Onze Minister kan regelen treffen in gevallen waarin de artikelen 4 tot en met 33 van dit besluit niet voorzien.