Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 4 februari 1994, houdende vaststelling van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel en wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel en het Kaderbesluit rechtspositie HBO i.v.m. Convenant II Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneelWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 6 oktober 1993, nr. 93063184, directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op artikel 20, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs; de artikelen 28, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs; de artikelen 38, 39, 61 en 76, van de Wet op het voortgezet onderwijs; artikel 4 van de Experimentenwet onderwijs; artikel 9 van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991; artikel 58, van de Wet op de onderwijsverzorging; de artikelen 2.45, 2.55, 2.75, 2.76 en 2.77 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; de artikelen 4.5, eerste lid, 4.6, 9.74, tweede lid, 10.10, derde lid, 11.12, eerste lid, 12.5, 13.1.5, 13.3.5, 16.23, derde lid, en 16.27 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; de artikelen 14, eerste lid, en 35 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek; de artikelen 125 en 126 van de Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 8 december 1993, nr. WO5.93.0662);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 19 januari 1994, nr. 93085743, directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage 4 februari 1994 Beatrix De Minister van Onderwijs en Wetenschappen, J. M. M. Ritzen De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, P. Bukman de vierentwintigste februari 1994 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin

In dit besluit wordt verstaan onder:

Vervallen

Met inachtneming van de artikelen 3 tot en met 7 en de daarop berustende bepalingen heeft de betrokkene die werkloos is recht op uitkering.

Recht op uitkering ontstaat voor een betrokkene, indien hij:

Het uitvoeringsorgaan stelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden, vast of een recht op uitkering bestaat, nadat daartoe een aanvraag is ingediend.

Het recht op uitkering kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor de 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het uitvoeringsorgaan is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de eerste volzin.

De betrokkene is verplicht:

Bij ministeriële regeling kunnen voor alle betrokkenen dan wel bepaalde categorieën van betrokkenen reïntegratiebevorderende regelingen worden gesteld.

De uitkering die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen drie maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het uitvoeringsorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste van de betrokkene afwijken van de in de eerste volzin genoemde drie maanden.

Indien de werkloze betrokkene arbeid als betrokkene gaat verrichten gedurende minder dan vijf en minder dan de helft van de arbeidsuren, bedoeld in artikel 3, wordt de uitkering verminderd met 70% van hetgeen hij met de arbeid verdient.

Indien de betrokkene deelneemt aan een voor hem naar het oordeel van Onze minister noodzakelijke opleiding of scholing en het recht op uitkering op grond van artikel 35 blijft bestaan, worden op de uitkering 70% van de inkomsten uit of in verband met de opleiding of scholing in mindering gebracht, voor zover deze inkomsten meer bedragen dan een nader door Onze minister vast te stellen bedrag.

Indien de betrokkene op grond van geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor betaling van de uitkering, kan het uitvoeringsorgaan de uitkering betalen aan een door het uitvoeringsorgaan aan te wijzen persoon of lichaam.

De loongerelateerde uitkering in deze paragraaf wordt berekend naar het dagloon.

De minister is bevoegd regels te stellen met betrekking tot de vaststelling van het dagloon. Deze regels bevatten voor zover nodig bepalingen op grond waarvan voor een betrokkene die naast een loongerelateerde uitkering op grond van dit besluit, een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten ontvangt, dan wel een uitkering ontvangt die naar aard en strekking daarmee overeenkomt, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, een evenredige verlaging van het dagloon plaatsvindt, overeenkomend met een percentage dat gelijk is aan het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse, waarin de werknemer is ingedeeld.

De vervolguitkering gaat in zodra het einde van de duur van de loongerelateerde uitkering is bereikt.

Met inachtneming van de artikelen 3 en 34b tot en met 34d en de daarop berustende bepalingen heeft de betrokkene die werkloos is recht op kortdurende uitkering.

De artikelen 4a, 4c, 5, 6 en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.

De artikelen 8 tot en met 13, 14, eerste lid, en de daarop berustende bepalingen, zijn van overeenkomstige toepassing.

De artikelen 15 tot en met 23, alsmede de daarop berustende bepalingen, zijn van overeenkomstige toepassing.

De duur van de kortdurende uitkering is zes maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan.

In afwijking van het bepaalde in artikel 5, eerste lid, onder j, eindigt het recht op uitkering ingevolge dit besluit op de dag waarop de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

Vervallen

Na het overlijden van betrokkene, aan wie een werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 24, 34g, 36 en artikel II, eerste lid, een loonsuppletie als bedoeld in artikel 38, een ziekteuitkering als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van dit besluit, dan wel artikel 42, vierde lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is toegekend, wordt een overlijdensuitkering door Onze minister betaald, berekend volgens het bepaalde in artikel 44.

Op de ingevolge de voorgaande artikelen berekende uitkering bij overlijden wordt de reeds vóór zijn overlijden aan de betrokkene uitbetaalde loon of bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen tijdvak, in mindering gebracht.

Indien de overledene geen nabestaanden als bedoeld in artikel 43 nalaat, kan het bedrag, bedoeld in artikel 44, door het uitvoeringsorgaan geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, voor zover nalatenschap voor de betaling ontoereikend is.

Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een algemeen neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien in de Sectorcommissie Onderwijs en Wetenschappen, als bedoeld in artikel 2 van het Overlegbesluit onderwijs- en onderzoekpersoneel, overeenstemming wordt bereikt, binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van betrokkene, vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na datum van het Staatsblad.

Dit besluit wordt aangehaald als Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.

In afwijking van het bepaalde in artikel 7, vierde lid, begint de termijn van anderhalf jaar op 1 januari 1996 voor de betrokkene die op 31 december 1995 reeds werkzaam was in de uitoefening van een bedrijf dan wel de zelfstandige uitoefening van een beroep. Voor de betrokkene, bedoeld in de vorige volzin, voor wie dit tot een gunstiger resultaat leidt herleeft de BWOO-uitkering binnen vier jaar na de aanvang van zijn uitkeringsrecht, doch uiterlijk op 31 december 1997.

De betrokkene die recht heeft op een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, het Rechtspositiebesluit KO/LO, het Rechtspositiebesluit WVO, de Rechtspositieregeling Vormingswerk voor jeugdigen, het B3-reglement onderwijs, hoofdstuk H van het Rechtspositiebesluit WLW, het Rijkswachtgeldbesluit en de Uitkeringsregeling, zal niet worden gekort op zijn uitkering wegens prijsgegeven inkomsten, zoals bedoeld in voornoemde regelingen in verband met ontslag op eigen verzoek uit een korttijdelijke betrekking waarvan de duur minder bedraagt dan 3 maanden of waarvan nog een duur resteert van minder dan 3 maanden, wegens het volgen van een opleiding of scholing, indien:

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Dit besluit treedt in werking voor wat betreft: