Ministeriële regeling · BWBR0009549

Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffen

Wijzigingen Officiële bron
Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffenRegeling verbranden gevaarlijke afvalstoffenDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,de Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op richtlijn nr. 94/67/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1994 (PbEG L 365/34) betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen, op richtlijn nr. 80/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1979 (PbEG L 20/43) betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door lozing van bepaalde gevaarlijke afvalstoffen, op de artikelen 8.44, 8.45 en 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer en, voor zover het betreft artikel 8, op de artikelen 2a en 2d van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

Besluiten:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, M. deBoerDe Minister van Verkeer en Waterstaat,A.Jorritsma-Lebbink

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. vergunning:

vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer;

b.vergunning voor het lozen van afvalwater:

vergunning als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

c.bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning voor een inrichting te verlenen;

d.bevoegd gezag voor het verlenen van een vergunning voor het lozen van afvalwater:

het bestuursorgaan dat op grond van artikel 3 of artikel 6, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevoegd is tot het verlenen van een vergunning voor het lozen van afvalwater;

e.infectieus ziekenhuisafval:

gevaarlijke afvalstoffen die in de afvalstoffenlijst, bedoeld in artikel 1 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, worden aangeduid met de afvalstoffencodes 18.01.03* of 18.02.02*;

f.C

gas- en dampvormige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof;

g.zware metalen:

de scheikundige elementen Sb, As, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V en Sn, alsmede hun verbindingen, berekend als de onderscheidene elementen;

h.cadmium:

het scheikundige element Cd, alsmede de Cd-verbindingen, berekend als Cd;

i.kwik:

het scheikundige element Hg, alsmede de Hg-verbindingen berekend als Hg;

j.thallium:

het scheikundige element Tl, alsmede de Tl-verbindingen berekend als Tl;

k.installatie:

elke technische installatie die binnen een inrichting voor de verbranding door oxidatie van gevaarlijke afvalstoffen wordt gebruikt; daarbij worden ook installaties voor de voorbehandeling, pyrolyse of andere thermische behandelingsprocessen inbegrepen voor zover de producten daarvan vervolgens worden verbrand.

l.bijlage I, II, III:

de bij deze regeling behorende bijlage I, II onderscheidenlijk III.

Deze regeling is van toepassing op:

In een aanvraag om een vergunning voor het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of voor het in werking hebben van een inrichting waarbinnen zich een installatie bevindt, als bedoeld in artikel 2, vermeldt de aanvrager:

Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voor een inrichting, waarbinnen zich een installatie bevindt als bedoeld in artikel 2, onder a en c, voorschriften, inhoudende dat:

Vervallen

Het bevoegd gezag kan in de vergunning voor een inrichting, waarbinnen zich een installatie bevindt als bedoeld in artikel 2, nadere eisen stellen met betrekking tot voorschriften die in bijlagen I, II en III zijn opgenomen, voor zover dit uitdrukkelijk in deze bijlagen is vermeld.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffen.

De gevaarlijke afvalstoffen moeten zo volledig mogelijk worden verbrand.

Vafvalstoffen:

volume rookgas ten gevolge van de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen, uitsluitend bepaald op basis van de gevaarlijke afvalstof met de laagste calorische waarde, gespecificeerd in de vergunning, en herleid tot de in 1 en 2 van bijlage III, bedoelde omstandigheden.

Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10% bedraagt van de totale in de installatie vrijkomende warmte, wordt Vafvalstoffen berekend op basis van een (theoretische) hoeveelheid gevaarlijke afvalstoffen die bij de verbranding, bij een vastgestelde totale vrijkomende warmte, 10% van de vrijkomende warmte zou opleveren.

Cafvalstoffen:

emissie-eisen voor installaties die uitsluitend gevaarlijke afvalstoffen verbranden.

Vproces:

volume rookgas dat volgt uit de werkwijze van de installatie, met inbegrip van de verbranding van de toegestane normaal in de installatie gebruikte brandstoffen niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, bepaald op basis van het zuurstofgehalte waartoe de emissies herleid moeten worden.

Cproces:

emissie-eisen van de relevante verontreinigde stoffen en koolmonoxide in het rookgas van installaties die aan de voor die installaties geldende wettelijke en bestuursrechtelijke nationale bepalingen voldoen, wanneer daarin de normaal toegestane brandstoffen, zijnde geen gevaarlijke afvalstoffen, worden gestookt. Bij ontbreken van dergelijke bepalingen worden de in de vergunning vermelde emissie-eisen gebruikt. Bij het ontbreken van een vergunning worden de werkelijke massaconcentraties gebruikt.

C:

totale emissie-eis- of richtwaarde voor koolmonoxide en de relevante verontreinigde stoffen ter vervanging van de emissie-eisen en de richtwaarden, bedoeld in 4.1 en 4.2. Het totale zuurstofgehalte dat het zuurstofgehalte voor de herleiding, bedoeld in 4.1 en 4.2, vervangt, wordt berekend op basis van het bovenstaande gehalte, rekening houdend met de partiële volumes.

1

In de voorschriften in deze bijlage wordt verstaan onder:

3

Het zuurstofgehalte wordt herleid op droog rookgas.

4

Bij de installatie worden zodanige voorzieningen aangebracht, dat het uitvoeren van de metingen op verantwoorde wijze mogelijk is.

5

De voorzieningen, bedoeld in 4, worden aangebracht na goedkeuring van het bevoegd gezag of na goedkeuring van een door het bevoegd gezag aan te wijzen instelling.

6

De ter controle van een emissie-eis geïnstalleerde monstername- en analyse-apparatuur, alsmede de apparatuur voor de registratie en automatische verwerking van de meetresultaten dient, nadat de emissie-eis op de installatie van kracht is geworden, te allen tijde goed te functioneren. De apparatuur wordt jaarlijks getest.

7

Bij een continue meting wordt aangetoond dat met goed functionerende apparatuur is gemeten.

8

Ingeval bij de werking van de apparatuur, bedoeld in voorschrift 6, een storing optreedt, worden:

9

De storing, bedoeld in 8, dient onverwijld aan het bevoegd gezag te worden gemeld.

10

De continue metingen voor de bepaling van de concentratie aan:

11

Het bevoegd gezag kan bepalen dat mag worden afgeweken van voorschrift 10 onder a, b, c, e, en g, indien meetresultaten worden verkregen die niet meer dan de meetonnauwkeurigheid, bedoeld in 29, verschillen van meetresultaten verkregen met de metingen volgens de bij die onderdelen vermelde normen of richtlijnen en indien ten minste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de metingen volgens de in 10, onder a, b, c, e en g bedoelde normen of richtlijnen.

12

De afzonderlijke metingen van de concentraties aan:

13

Het bevoegd gezag kan bepalen dat mag worden afgeweken van het voorschrift 12, a en b, indien meetresultaten worden verkregen die niet meer dan de meetfout verschillen van meetresultaten verkregen met de metingen volgens de bij die onderdelen vermelde normen of richtlijnen en ten minste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de metingen volgens de in 12, onder a en b bedoelde normen of richtlijnen.

14

Een afzonderlijke meting bestaat uit een serie van ten minste drie metingen.

15

De duur van een afzonderlijke meting bedraagt niet meer dan één uur.

16

Het bevoegd gezag kan bepalen dat mag worden afgeweken van voorschrift 15, indien het meettechnisch niet mogelijk is om de meting in maximaal één uur uit te voeren, mits de duur van een afzonderlijke meting voor zware metalen, cadmium, thallium, kwik en de PCDD’s en PCDF’s maximaal acht uur bedraagt en het uitvoeren van de meting in een zo kort mogelijk tijdsbestek geschiedt.

17

De afzonderlijke metingen, bedoeld in 12, worden uitgevoerd bij een belasting die door het bevoegd gezag is vastgesteld.

18

De bepaling van de concentratie aan zuurstof wordt uitgevoerd tegelijkertijd met de in 17 bedoelde metingen.

19

De bepaling van het waterdampgehalte wordt uitgevoerd tegelijkertijd met de in 17 bedoelde metingen.

20

De temperatuurmetingen worden uitgevoerd volgens een methode in overeenstemming met de algemeen aanvaarde meetpraktijk.

21

De temperatuurmetingen worden uitgevoerd op een niveau in de installatie dat overeenkomt met ten minste het 2-secondenniveau bij de maximum toegestane ovenbelasting volgens de ontwerpspecificaties.

22

Het 2-secondenniveau, bedoeld in 21, wordt aan de hand van de constructiegegevens van de installatie vastgesteld.

23

De zuurstofmetingen worden uitgevoerd als een netmeting op een niveau in de installatie dat overeenkomt met ten minste het 2-secondenniveau bij de maximum toegestane ovenbelasting volgens de ontwerpspecificaties.

24

Het aantal meetpunten in het meetvlak bij de netmeting als bedoeld in 23, wordt, voor zover mogelijk, volgens NEN-ISO 9096 (1994) bepaald.

25

Op de meetpunten, bedoeld in 24, worden de zuurstofmetingen uitgevoerd gedurende ten minste 15 minuten per meetpunt.

26

De omrekening van het gehalte van een rookgascomponent naar standaardcondities moet op de volgende wijze geschieden:

27

De gemeten concentraties voor PCDD’s en PCDF’s worden vermenigvuldigd met de internationale toxiciteitsequivalentie factoren (I-TEF) zoals aangegeven in tabel A.1 van NEN-EN 1948 (1996).

28

Alleen die detectoren mogen worden toegepast waarvan kan worden aangetoond dat de relatieve standaardafwijking van de responsiefactoren van butaan, heptaan, cyclohexaan, isopropanol, tolueen, aceton, butylacetaat en ethylacetaat niet meer bedraagt dan 15%; de responsiefactor van butaan wordt hierbij op 1,00 gesteld.

Het bevoegd gezag kan bepalen dat mag worden afgeweken van de in VDI 3481 Blatt 3 (1992) opgenomen eis, dat de responsiefactoren van de te meten componenten liggen tussen de waarden 0,85 en 1,15.

29

Als gevolg van te verwachten meetonnauwkeurigheden worden voor het bepalen van de emissie-eisen bedoeld in bijlage I, onder 4.1 en 4.2, en in bijlage II, onder 4.1 en 4.2, specifieke percentages in mindering gebracht. Deze percentages bedragen maximaal:

van de emissie-eis voor daggemiddelden.