Ministeriële regeling · BWBR0009581

Regeling permanente eisen

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van april 1998, nr. DGP/WJZ/V-821175 houdende permanente eisen voor voertuigenRegeling permanente eisenDe Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement;

Besluit:

Deze regeling zal in een bijlage bij de Staatscourant worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. boekwerk "APK-milieukeuringseisen":

de editie van het door de minister vastgestelde boekwerk "APK-milieukeuringseisen", die geldig is op het moment van de keuring;

b. Mc Pherson-wielophangingsysteem:

een wielgeleidend systeem waarin elementen van de sturing, vering en schokdemping zijn gecombineerd.

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

Onderdelen als bedoeld in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement, alsmede de bevestiging van onderdelen van personenauto's, bedrijfsauto's, driewielige motorrijtuigen met een massa van het ledig voertuig van meer dan 400 kg en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moeten voor wat betreft corrosie voldoen aan de in afdeling 1, 2 en 3 gestelde eisen.

Roestschade wordt per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat uitgedrukt in de schade-eenheid "E".

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden "E" moet de volgende procedure worden gevolgd:

Figuur 1 Lengte langs- of dwarsligger tussen de draagpunten
Figuur 2 Sectieverdeling bodemplaat personenruimte

De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden "E" moet de volgende procedure worden gevolgd:

Figuur 3 Lengte dwars- of langsligger tussen de draagpunten

De roestschade in het gebied buiten de denkbeeldige lijn wordt buiten beschouwing gelaten.

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.

De langs- en dwarsliggers die deel uitmaken van het chassisraam, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 2, mogen niet zijn gerepareerd met plaatdelen welke over de roestschade zijn aangebracht.

De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:

De bevestiging van de onderdelen van het brandstofsysteem en de motor genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

Het geluidsniveau moet worden gemeten met gebruikmaking van de in de artikelen 2.3.4 en 2.3.5 genoemde meetapparatuur, waarbij de in artikel 2.3.6 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.

Figuur 4 Afmetingen proefterrein

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

Figuur 5 Plaatsing microfoon

Het koolmonoxidegehalte van de uitlaatgassen van de in artikel 5.2.11, zevende lid, en artikel 5.3.11, zesde lid, van het Voertuigreglement bedoelde personenauto's en bedrijfsauto's, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, mag het in het boekwerk "APK-milieukeuringseisen" voor het desbetreffende type motorrijtuig aangewezen gehalte bij het bij die aanwijzing aangegeven stationaire toerental niet overschrijden.

De bevestiging van de onderdelen van de aandrijving genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

De bevestiging van de assen moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

Figuur 6 Fuseespeling
Figuur 7 Fuseekogelspeling

De onderdelen van het veersysteem en de bevestiging daarvan genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moeten voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

De bevestiging van de onderdelen van de stuurinrichting genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

Figuur 10 Flexibele koppeling stuurinrichting
Figuur 11 Stuurkogelspeling

De bevestiging van de onderdelen van de reminrichting genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 12.

Figuur 12 Remleiding

Remslangen mogen:

Kunststofremleidingen van bedrijfsauto's mogen zich niet bevinden op:

De in deze afdeling gestelde eisen gelden niet voor driewielige motorrijtuigen.

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter, moet de kracht die na het intrappen van het rempedaal daarop wordt uitgeoefend nagenoeg constant worden gehouden.

Bij gebruik van een mechanische zelfregistrerende remvertragingsmeter moet de bij de remproef behaalde remvertraging met behulp van de daarbij vervaardigde kaart als volgt worden vastgesteld:

Bij gebruik van een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter moet de bij de remproef behaalde remvertraging als volgt worden vastgesteld:

Indien de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter, moet het voertuig aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een platenremtestbank, moet:

Indien de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een platenremtestbank, moet:

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank,

Tabel 1

Indien de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank, moet de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten aan de wielen te delen door de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter wordt verstaan onder:

Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een hydraulisch remsysteem dan wel van een mechanisch remsysteem, moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden overeenkomstig artikel 2.8.23 waarbij wordt verstaan onder:

Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een drukluchtremsysteem, moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden overeenkomstig artikel 2.8.25 waarbij wordt verstaan onder:

Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een gecombineerd remsysteem, moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden overeenkomstig artikel 2.8.27 waarbij wordt verstaan onder:

Indien de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter, moet het voertuig aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

Bij de categorie voertuigen bedoeld in deze paragraaf wordt de rolweerstand bij de extrapolatie meegerekend.

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen zodanig wordt gesimuleerd dat de ingestuurde remcilinderdruk de drukfactor bereikt, bedoeld in artikel 2.8.33, derde lid,

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, wordt verstaan onder:

Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een hydraulisch remsysteem dan wel van een mechanisch remsysteem, moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden overeenkomstig artikel 2.8.36 waarbij wordt verstaan onder:

Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een gecombineerd remsysteem, moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden overeenkomstig artikel 2.8.39 waarbij wordt verstaan onder:

Indien de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank, moet de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten aan de wielen te delen door de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

De bedrijfsrem van de aanhangwagen moet regelbaar en onafhankelijk van het trekkende motorrijtuig kunnen worden bediend; dit geschiedt door middel van de strekrem die de volledige druk van de bedrijfsrem kan doorsturen of met behulp van een inrichting waarmee vanuit het trekkende motorrijtuig door middel van de bedrijfsrem van de aanhangwagen het samenstel van voertuigen kan worden afgeremd, waarbij het functioneren van de bedrijfsrem van het samenstel niet mag worden beïnvloed.

Indien de remvertraging van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg en die voorzien is van een drukluchtremsysteem wordt gecontroleerd door middel van een beproeving van het voertuig op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter waarbij extrapolatie wordt toegepast, moet:

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen zodanig wordt gesimuleerd dat de ingestuurde remcilinderdruk de drukfactor bereikt, bedoeld in artikel 2.8.51, tweede lid:

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voordat tot extrapolatie wordt overgegaan, voor iedere as worden vastgesteld:

Bij de beoordeling van het uitbreken moet bij een beproeving op de weg een beremming worden uitgevoerd waarbij:

Indien bij de beoordeling van het verschil in remwerking gebruik wordt gemaakt van een remtestinrichting moeten de artikelen 2.8.55 en 2.8.56 in acht worden genomen.

Indien gebruik gemaakt wordt van een platenremtestbank:

Tabel 2 Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank.

Indien bij de beoordeling van de overberemming van de achterste as of het achterste asstel van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg gebruik gemaakt wordt van een remtestinrichting moeten de artikelen 2.8.58 tot en met 2.8.60 in acht worden genomen.

In afwijking van artikel 2.8.52, tweede lid, mag de beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel niet plaatsvinden op een twee-plaatsremtestbank; de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald in paragraaf 1 van deze afdeling.

De beoordeling van de overberemming van de achterste as of het achterste asstel van een driewielig motorrijtuig moet plaatsvinden door middel van een remproef op de weg zoals bepaald in paragraaf 1 van deze afdeling; het gebruik van een remvertragingsmeter is niet noodzakelijk.

De bevestiging van de onderdelen van de carrosserie genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moeten voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

Voorruiten van personenauto's, bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg alsmede driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg mogen in de artikel 2.9.3 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 2.9.4 en 2.9.5.

Figuur 13 VoorruitFiguur 14 Centrale wisser
Figuur 15 Toegestane scheuren

De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 2.9.4, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Voorruiten van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg mogen in de artikel 2.9.8 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 2.9.9 en 2.9.10.

A is gelijk aan B

H=geprojecteerde hoogte op de voorruit

Figuur 16 Voorruit

Figuur 17 Toegestane scheuren

De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 2.9.9, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

De spiegels van bedrijfsauto's moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 2.9.13 tot en met 2.9.16 kan overzien.

De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 23a, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008 moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 24, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.

De in deze afdeling gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.

Bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1974 met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moeten ten aanzien van de wielafscherming voldoen aan de artikelen 2.9.19 tot en met 2.9.22.

De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 24.

Figuur 24 Projectievlak
Figuur 25 Uiteinde wielafscherming

Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.

Bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1969 en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1969 moeten ten aanzien van de zijdelingse afscherming voldoen aan de artikelen 2.9.24 tot en met 2.9.29.

Figuur 26 BedrijfsautoFiguur 27 MiddenasaanhangwagenFiguur 28 OpleggerFiguur 29 Tussen de wielenFiguur 30 Na achterste achterwiel
Figuur 31 Breedte-afname na breedste punt

De in artikel 2.9.25 en artikel 2.9.26 bedoelde zijdelingse afscherming mag zijn onderbroken, echter de onderbreking mag, gemeten in lengterichting:

Indien het voertuig aan beide zijden is voorzien van een afzonderlijk doorlopend spatbord over alle wielen van het samenstel van assen, is ter plaatse van het samenstel voldaan aan de artikelen 2.9.23 tot en met 2.9.28.

Het EG-typegoedkeuringsmerk voor frontbeschermingsinrichtingen is vormgegeven overeenkomstig figuur 31-a, in gemonteerde toestand duidelijk leesbaar en onuitwisbaar aangebracht.

Figuur 31-a EG-typegoedkeuringsmerk

waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:

De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.

Zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst

Niet-driehoekige ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.

Niet-driehoekige ambergele retroreflectoren moeten op de volgende wijze zijn geplaatst:

Niet-driehoekige ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek.

De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:

De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

De bevestiging van de verlichtingsarmaturen genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Het goedkeuringsmerk voor het markeringsmateriaal dient onuitwisbaar te zijn en te zijn vormgegeven overeenkomstig het voorbeeld in figuur 31-a.

figuur 31-a Goedkeuringsmerk

Waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd.

Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.

Op de installatie van opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, zijnde artikelen 2.10.16, eerste en derde lid, 2.10.17 en 2.10.18, van overeenkomstige toepassing.

De bevestiging van de koppeling genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet ten aanzien van corrosie voldoen aan titel 2 van dit hoofdstuk.

Indien de bedrijfsauto is voorzien van een schotelkoppeling met een verticaal beweegbare pen, mag:

Figuur 32 KoppelingspenFiguur 33 Onvlakheid koppelingsplaatFiguur 34 Onvlakheid koppelingsplaat

Indien de bedrijfsauto is voorzien van een haakkoppeling zoals weergegeven in figuur 35:

Figuur 35 Haakkoppeling

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog welke is bestemd voor een haakkoppeling als genoemd in artikel 2.11.4, moet de diameter van het trekoog ten minste 38 mm bedragen.

Figuur 36 Onvlakheid koppelingsplaat meer dan 3000 kg koppelingsdrukFiguur 37 Onvlakheid koppelingsplaat meer dan 3000 kg koppelingsdrukFiguur 38 Onvlakheid koppelingsplaat meer dan 3000 kg koppelingsdrukFiguur 39 Verdeling koppelingsplaat
Figuur 40 Onvlakheid koppelingsplaat niet meer dan 3000 kg koppelingsdrukFiguur 41 Onvlakheid koppelingsplaat niet meer dan 3000 kg koppelingsdrukFiguur 42 Onvlakheid koppelingsplaat niet meer dan 3000 kg koppelingsdrukFiguur 43 Verdeling koppelingsplaat

De in deze titel gestelde eisen worden getoetst:

Personenauto’s of bedrijfsauto’s, niet zijnde bussen, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig richtlijn 77/541/EEG voor die plaatsen die worden gebruikt voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel.

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

Het geluidsniveau moet worden gemeten met gebruikmaking van de in de artikelen 3.2.2 en 3.2.3 genoemde meetapparatuur, waarbij de in artikel 3.2.4 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.

Figuur 1 Afmetingen proefterrein

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

Figuur 2 Plaatsing microfoon

Driewielige motorrijtuigen met een massa van het ledig voertuig van niet meer dan 400 kg moeten voldoen aan de in hoofdstuk 2 ten aanzien van driewielige motorrijtuigen opgenomen eisen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De maximum constructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de in deze paragraaf gestelde eisen.

De maximale fout bedraagt bij een snelheid:

Een bromfietsrollentestbank simuleert een weerstand die overeenkomt met de wegweerstand.

De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout bedoeld in artikel 3.4.9b.

De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.

Een bromfietsrollentestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de bromfietsrollentestbank op grond van het aanwijsbereik is bestemd.

Het oppervlak van de rollen is zodanig dat in de diameter niet meer dan 0,5% varieert.

Een bromfietsrollentestbank stelt ten minste de volgende waarden vast:

Dynamische effecten zijn op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde verwerkt.

De afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave van een digitale aanwijzing zijn zodanig, dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is.

Een gepresenteerde resulterende meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over minimaal 2 seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert.

Indien een bromfietsrollentestbank bedoeld is voor installatie in de vloer, wordt een verzegeling aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.

In de handleiding behorende bij een bromfietsrollentestbank is opgenomen:

Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximum constructiesnelheid te meten:

Het geluidsniveau moet worden gemeten met gebruikmaking van de in artikel 3.4.11 genoemde meetapparatuur, waarbij de in artikel 3.4.12 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

Figuur 5b Plaats van de microfoon

Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 6.

Figuur 6

Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 7.

Figuur 7

Niet-driehoekige rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen alsmede achterlichten moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 8.

Figuur 8

Niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 9.

Figuur 9

Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg doch niet meer dan 3500 kg moeten voldoen aan de in hoofdstuk 2 ten aanzien van aanhangwagens opgenomen eisen, met uitzondering van de artikelen 2.7.2 tot en met 2.7.4, 2.8.41 tot en met 2.8.54, alsmede de artikelen 2.8.56 en 2.10.9.

Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 10.

Figuur 10

Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 11.

Figuur 11

Niet-driehoekige rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen alsmede achterlichten moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 12.

Figuur 12

Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 13.

Niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.

De linkerbuitenspiegel van het motorrijtuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 1 of 2, waarbij de bestuurder:

Figuur 1 LinkerbuitenspiegelFiguur 2 Linkerbuitenspiegel

De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto bestemd voor het vervoer van goederen, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 3 of 4, waarbij de bestuurder:

Figuur 3 RechterbuitenspiegelFiguur 4 Rechterbuitenspiegel

De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto bestemd voor het vervoer van goederen, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 5 of 6, waarbij de bestuurder:

Figuur 5Figuur 6

De rechterbuitenspiegel van een bedrijfsauto bestemd voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, en van een bedrijfsauto bestemd voor het vervoer van goederen, met een toegestane maximum massa van meer dan 2000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 7 of 8, waarbij de bestuurder:

Figuur 7Figuur 8

De markering van in de lengte uitstekende lading moet bestaan uit:

De markering van in de breedte uitstekende lading moet bestaan uit:

Achterlichten van fietsen en aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 1994, nr. R 185867, houdende permanente eisen voor voertuigen (Supplement bij Stcrt. 231), wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling permanente eisen.

Roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat

Figuur 1 Lengte deurstijl en raamstijl

Langs- en dwarsliggers

Roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel

Loadindex

Variatie in aslast

Vervallen