Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 18 juni 1998, houdende regels voor de hardheidsgevallen bij de toepassing van hoofdstuk II en artikel 24 van de Wet herstructurering varkenshouderij (Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij)Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderijWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 27 april 1998, nr. J. 983658;

Gelet op de artikelen 25 en 33 van de Wet herstructurering varkenshouderij en op de artikelen 7, derde lid, 55, zesde lid, en 61, eerste lid, van de Meststoffenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 3 juni 1998, no. W11.98.0173);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 15 juni 1998, nr. J. 985482;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage18 juni 1998 Beatrix De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. J. van Aartsen de dertigste juni 1998 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager

De vergroting van het varkensrecht, bedoeld in artikel 10, betreft het grondgebonden deel van het varkensrecht, voorzover het aantal varkenseenheden dat overeenkomt met de vergroting groter is dan het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door 90% van het in de aanhef van artikel 10, tweede lid, bedoelde niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen te delen door 7,4 kilogram fosfaat en de uitkomst te verminderen tot ten minste nihil met het verschil tussen het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht en het grondgebonden deel daarvan.

Het varkensrecht van het bedrijf, bedoeld in artikel 13, komt overeen met het bij de melding, bedoeld in artikel 2, aangegeven deel van het aantal varkenseenheden, dat wordt bepaald door de som van het grondgebonden mestproductierecht geldend met betrekking tot 1996 en 90% van het met 11% verminderde niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot dat jaar, te delen door 7,4 kilogram fosfaat.

Het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde fokzeugenrecht van een daartoe aangemeld bedrijf wordt overeenkomstig deze paragraaf vergroot, indien met betrekking tot het desbetreffende bedrijf na 1992 en vóór 15 november 1997 ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden fokzeugen onder vermindering van het aantal te houden andere varkens dan fokzeugen:

Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing indien het varkensrecht en het fokzeugenrecht van een bedrijf worden bepaald overeenkomstig paragraaf 1, 2, 3, 6, 6B, 7, 7A, 7B of 7C van dit hoofdstuk, met dien verstande dat, indien deze rechten worden bepaald overeenkomstig paragraaf 3, voor de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van het fokzeugenrecht vóór de vergroting overeenkomstig artikel 11.

De vergroting van het varkensrecht en het fokzeugenrecht betreft het grondgebonden deel van het varkensrecht, onderscheidenlijk het fokzeugenrecht.

In zoverre in afwijking van artikel 2, eerste lid, worden het varkensrecht en het fokzeugenrecht van een daartoe aangemeld bedrijf bepaald overeenkomstig deze paragraaf indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

Het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van een daartoe aangemeld bedrijf wordt overeenkomstig deze paragraaf vergroot, indien de mestproductie afkomstig van varkens in 1994, 1995 en 1996 gemiddeld minder dan 5% en in 1997 ten minste 25% was van de som van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot het desbetreffende jaar en het met betrekking tot dat jaar geldende grondgebonden mestproductierecht.

Het varkensrecht en het fokzeugenrecht van een daartoe aangemeld bedrijf worden bepaald overeenkomstig deze paragraaf, indien ten aanzien van het bedrijf de mestproductie afkomstig van varkens in 1994, 1995 en 1996 gemiddeld ten minste 25% en in 1996 ten minste 5% was van de som van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot het desbetreffende jaar en het met betrekking tot dat jaar geldende grondgebonden mestproductierecht.

Voor producenten van dierlijke meststoffen op een bedrijf met op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15 van de Wet herstructurering varkenshouderij een niet-gebonden mestproductierecht voor andere diersoorten dan varkens en kippen wordt voor de toepassing van artikel 55a, eerste lid, van de Meststoffenwet in plaats van de tweede volzin van dat artikellid gelezen: De vermindering geschiedt ten aanzien van het de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15 van de Wet herstructurering varkenshouderij geldende niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen.

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij.