Wijzigingen Officiële bron
Regeling bekostiging, rechtspositie en samenvoeging leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs Regeling bekostiging, rechtspositie en samenvoeging leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs De staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen,Mede namens de minister van landbouw, natuurbeheer en visserij,

Gelet op artikel II, vierde en zesde lid, artikel IV, tweede lid, artikel V, derde lid, artikel VIII, vierde lid, artikel XVI, tweede lid, van de Wet van 25 mei 1998 (Stb. 1998 337 );

Besluit:

De staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappendrs. K.Y.I.J.Adelmund

Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven met betrekking tot de verantwoording van de besteding van de in artikel 6 bedoelde vergoeding ten behoeve van het praktijkonderwijs.

Op een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel V, eerste lid, dan wel artikel VIII, eerste en tweede lid, van de wet, zijn ten aanzien van de bekostiging en rechtspositie de voorschriften, vastgesteld bij of krachtens de WVO, deel II, wat betreft het voortgezet speciaal onderwijs voor moeilijk lerende kinderen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

Op een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel II, vijfde lid, van de wet zijn ten aanzien van de bekostiging en rechtspositie de voorschriften, vastgesteld bij of krachtens de WVO, deel I, van toepassing met dien verstande dat:

Bij een samenvoeging van een school of afdeling als bedoeld in artikel III, eerste of tweede lid, en artikel VII, eerste of tweede lid, van de wet, en een school voor mavo of vbo, al dan niet in een scholengemeenschap met andere scholen, wordt een overgangsbudget vastgesteld als bedoeld in de bijlage behorende bij deze regeling.

De vaststelling van de vergoeding voor de exploitatiekosten voor de school met een afdeling leerwegondersteunend onderwijs, voortkomend uit het speciaal voortgezet onderwijs, vindt voor het eerste schooljaar van de samenvoeging in afwijking van artikel 2, plaats op grond van de formule A + B, waarbij:

A = de voor de afzonderlijke school voor voortgezetonderwijs berekende exploitatiekosten vergoeding voor het schooljaar, indien er geen samenvoeging in dat schooljaar zou hebben plaatsgevonden,

B = de voor de svo-school of -afdeling berekende vergoeding voor de kosten van de materiële instandhouding voor het kalenderjaar waarin de samenvoeging plaatsvindt. Dit bedrag kan in verband met prijsontwikkelingen worden verhoogd met het percentage voor de overige exploitatiekosten, dat voor dat schooljaar is vermeld in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel XV, derde lid, van de Wet van 27 februari 1992 (Stb 112 ).

De vaststelling van de vergoeding voor de personeelskosten van de samengevoegde school in verband met anderstalige leerlingen vindt, in afwijking van artikel 2, voor het eerste schooljaar van de samenvoeging plaats op grond van de formule A x Z, waarbij:

A =(B + C) x D, waarbij:

B= het aantal formatieplaatsen ten behoeve van het onderwijs aan svo-leerlingen met niet-Nederlandse culturele achtergrond dat berekend wordt voor de svo-school of -afdeling, indien deze school of afdeling in dat schooljaar niet zou zijn sameng evoegd. Dit aantal formatieplaatsen wordt berekend door het met toepassing van artikel 22b van het Formatiebesluit WEC berekende aantal formatierekeneenheden dat voor de svo-school of -afdeling wordt vastgesteld ten behoeve van het onderwijs aan leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond, indien deze school of afdeling in dat schooljaar niet zou zijn samengevoegd:

De uitkomst van de deling wordt afgerond op vier decimalen, waarbij de vierde decimaal met 1 wordt verhoogd, indien de vijfde decimaal 5 of hoger is;

C= het ingevolge de vigerende bepalingen berekendeaantal formatieplaatsen in verband met anderstalige leerlingen van de afzonderlijke school voor voortgezet onderwijs exclusief de vigerende opslagpercentages, indien deze school in dat schooljaar niet zou zijn samengevoegd met een svo-school of -afdeling;

D= de voor het schooljaar van de samenvoeging vigerende opslagpercentages ten behoeve van de formatie anderstalige leerlingen, ingevolge artikel 4 van het Formatiebesluit W.V.O.;

Z= de vigerende gemiddelde personeelslast van de leraren die behoort bij de samengevoegde school.

Voor het eerste schooljaar van de samenvoeging geldt bij de controle van de telling van de anderstalige leerlingen, in afwijking van de regeling administratie leerlinggegevens WVO, kenmerk CFI/FR-95/5648N (Uitleg OCenW-Regelingen 29, 29-11-1995), voor de groep leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond, op grond waarvan de in artikel 19, onder B genoemde formatie wordt berekend, het volgende. De samengevoegde school moet met betrekking tot de gegevens van die groep leerlingen voldoen aan de bepalingen, zoals deze op 31 juli voorafgaand aan de samenvoeging ingevolge de WVO, deel II, van toepassing waren.

Voor de groep anderstalige leerlingen op grond waarvan de in artikel 19, onder C bedoelde formatie van de afzonderlijke school voor voortgezet onderwijs is berekend, blijven de voor schriften ingevolge de WVO, deel I, van toepassing.

Aan een school voor praktijkonderwijs die is ontstaan met toepassing van artikel V of artikel VIII van de wet wordt een aanvullende vergoeding voor exploitatiekosten toegekend van € 11.344,51. Deze aanvullende vergoeding wordt toegekend in het eerste schooljaar na de toepassing van artikel V of VIII van de wet.

Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na plaatsing in Uitleg OCenW-regelingen en werkt wat betreft artikel 22 terug tot 1 augustus 1998.

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling bekostiging, rechtspositie en samenvoeging leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs.

Deze bijlage bevat de wijze van vaststelling van een overgangsbudget in verband met sa menvoegingen die op 1 augustus 1999, respectievelijk 1 augustus 2000, 2001 en 2002 plaatsvinden.

In onderdeel II van deze bijlage worden de bekostigingstechnische elementen genoemd waarmee het overgangsbudget wordt berekend. De bekostiging en het overgangsbudget hebben tot doel opheffingen van betrekkingen door de samenvoeging te voorkomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de Gezamenlijke afspraken ’Over de zorgverbreding in het Voortgezet Onderwijs’ uit het zogenoemde Technisch Overleg (VO/BJA/ 1997/9411 van 25 juni 1997), die luidden dat het departement de schoolbesturen financieel in staat stelt om te voldoen aan de salaris- en werkgelegenheidsgarantie. Het overige deel van de bekostiging waarmee zorg gedragen wordt voor deze garantie is onder meer neergelegd in de extra vaste formatieplaatsen die structureel verstrekt worden aan het bevoegd gezag van de samenvoegde school. Het Technisch Overleg is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Organisaties voor bestuur en management, de Vereniging voor het management in het Voortgezet Onderwijs (VVO), de vakorganisaties, de landelijke organisaties voor ouders in het onderwijs, de Landelijke Werkverbanden en het Ministerie van Onder wijs, Cultuur en Wetenschappen.

Onderdeel III (procedure) gaat over de wijze waarop het overgangsbudget aan de school bekend wordt gemaakt.

De vaststelling van de vergoeding van een op 1 augustus 1999, respectievelijk 1 augustus 2000, 2001, of 2002 door samenvoeging ontstane school of scholengemeenschap geschiedt wat betreft het personele deel ingevolge het Formatiebesluit W.V.O., deel I. Daarbij worden wat betreft het aantal formatieplaatsen in verband met een afdelingvoor leerweg ondersteunend onderwijs, artikel 2, eerste lid, en artikel 3 van paragraaf 2, de artikelen 16, eerste en tweede lid, 17 en 19 van paragraaf 4 van de onderhavige regeling in acht geno men. In verband met een afdeling voor praktijkonderwijs worden artikel 2, tweede lid, en artikel 4 van paragraaf 2 en de artikelen 16, eerste en derde lid, 17 en 19 van paragraaf 4 van de onderhavige regeling in acht genomen.

De vaststelling van het eenmalig vast te stellen personele overgangsbudget van een op 1 augustus door samenvoeging ontstane vo-school of scholengemeenschap met een afdeling leerwegondersteunend onderwijs of afdeling praktijkonderwijs geschiedt volgens de for mule: (A + B) – C = D waarbij:

A = De personele uitgaven van de bij de samenvoegingbetrokken svo-school, of -afdeling in het schooljaar voorafgaand aan de samenvoeging. Deze uitgaven zijn de som van:

B = Het budget voor personele uitgaven van de bij de samenvoeging betrokken vo-school dat gedurende het schooljaar voorafgaand aan de datum van samenvoeging aan de vo-school is verstrekt. Dit budget betreft de personele vergoeding inclusief de aanvullende vergoeding ten behoeve van de anderstalige leerlingen en het nascholingsbudget dat de vo-school gedurende het schooljaar voorafgaand aan de samenvoeging heeft ontvangen.

C = Het budget voor personele vergoeding dat de samengevoegde vo-school zou hebben ontvangen, indien de samenvoeging in het schooljaar voorafgaand aan de daadwerkelijke samenvoeging (het zogenoemde semi-fusie-jaar) plaats zou hebben gevonden. Het budget betreft de personele vergoeding inclusief het vast aantal extra formatie plaatsen en wordt verder aangeduid als semi-fusie-budget. Voor de school wordt het semi-fusie-budget berekend met:

D = het overgangsbudget waarin tevens zijn verwerktincidentele loonontwikkelingen en algemene salarismaatregelen op de datum van de samenvoeging.

Het met toepassing van II.2.1 berekende verschil in de personele bekostiging (D) kent een gevarieerd opbouw en afbouw traject. Dit traject is als volgt.

Om voor de vergoeding als bedoeld in deze regeling, in aanmerking te komen, behoeft het schoolbestuur geen (afzonderlijke) aanvraag in te dienen. De directie CFI van het ministerie voert de berekeningen uit en voegt -voor zover van toepassing- het budget als bedoeld onder II.2 toe aan de voor de nieuwe school berekende lumpsum-bekostiging.

Voor de scholen die een vermindering op het budget zullen ondergaan, voert de directie CFI eveneens de berekening uit en brengt jaarlijks het eenmalig berekendebedrag in mindering op de voor de nieuwe school jaarlijks berekende lumpsum-vergoeding