Beleidsregel · BWBR0013042

Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 27 november 2001, Directie Arbeidsomstandigheden, Arbo/AIS 0174663, tot vaststelling van beleidsregels op het gebied van de arbeidsomstandighedenwetgeving (Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving)Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgevingDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst,

Besluit:

De Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving zullen met de toelichting en de bijlagen in een bijlage bij de Staatscourant worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

's-Gravenhage27 november 2001De Staatssecretaris van Sociale Zaken en WerkgelegenheidJ.F.Hoogervorstnamens deze, De Directeur-Generaalw.g. drs. R.IJ.M.Kuipers

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

*Ten aanzien van de feiten waar een asterisk (*) achter de boetenormbedragen is geplaatst, kan ook een werknemer worden beboet, indien deze op grond van de desbetreffende bepalingen:

1 Artikel 4.54d, zevende lid, is volgens artikel 9.37b Arbobesluit tot 1 januari 2008 niet van toepassing en tot die datum dus ook niet beboetbaar.

In de lijst van ernstige overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden gegeven (voorts: ernstige beboetbare feiten) zijn werkzaamheden en situaties benoemd die ernstig gevaar (kunnen) opleveren voor personen.

Indien een dergelijke werkzaamheid of situatie wordt geconstateerd, dan zal indien er sprake is van ernstig gevaar voor personen worden overgegaan tot stillegging van werk zoals bedoeld in artikel 28 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Volgens artikel 28 is de Arbeidsinspectie bevoegd te bevelen dat:

indien naar zijn of haar redelijk oordeel dat verblijf of die werkzaamheden ernstig gevaar opleveren voor personen. Een inspecteur zal dit bevel pas intrekken als dit gevaar is weggenomen.

De omschrijvingen in de lijst zijn een verbijzondering van het onderliggende artikel uit de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit, of de Arbeidsomstandighedenregeling. Ze moeten dan ook in het licht daarvan worden bezien. De formuleringen zijn over het algemeen in een directe actieve vorm gesteld, zoals: ‘het werken op ..., het gebruiken van ... en het blootstellen aan ....’.

Indien de ernstige beboetbare feiten zoals geformuleerd ook daadwerkelijk door een inspecteur worden geconstateerd, dan is er sprake van ‘heterdaad’. Behalve het geven van een bevel tot stillegging, zegt de inspecteur direct een boete aan.

Wanneer er geen sprake is van heterdaad, maar wel bewezen kan worden dat er sprake was van een situatie zoals beschreven in de lijst (op basis van getuigenverklaringen en onderzoek), wordt eveneens ook een boete aangezegd.

Treft de inspecteur situaties aan die naar zijn redelijk oordeel zouden kunnen leiden tot ernstige feiten zoals geformuleerd in de lijst, terwijl er op het moment van constateren niet wordt gewerkt, dan is deze bevoegd om op basis van artikel 28 van de Arbeidsomstandighedenwet te bevelen dat werkzaamheden niet mogen worden aangevangen zolang het potentiële gevaar aanwezig is. In dergelijke situaties wordt echter geen boete aangezegd.

Vooral de werkgever zal op het niet naleven van de ernstige beboetbare feiten worden aangesproken. Indien ook werknemers een ernstig beboetbaar feit ten laste kan worden gelegd, dan is dit in de lijst als volgt aangegeven:

Ten aanzien van de feiten waar een asterisk (*) achter de tekst is geplaatst, kan ook een werknemer worden beboet, indien deze op grond van de desbetreffende bepalingen

De Arbeidsinspectie zal overigens terughoudend omgaan met het opleggen van een boete aan werknemers. Indien aan de orde zal het veelal in combinatie zijn met een ten laste legging aan de werkgever.

Het niet of onjuist gebruiken van ter beschikking gestelde noodzakelijke beveiligingen of persoonlijke beschermingsmiddelen door een werknemer, waardoor ernstig gevaar bestaat voor de werknemer zelf of voor andere personen dan de werknemer.*

(artikel 11, Arbowet 1998)

Het blootstellen van werknemers die plaatsonafhankelijke arbeid verrichten, aan concentraties van stoffen in de individuele ademhalingszone van een werknemer aan meer dan twee maal de (wettelijke of door de werkgever vastgestelde) grenswaarde of aan meer dan de ceilingwaarde.

(artikel 1.46, vijfde lid, Arbobesluit)

Het door werknemers die plaatsonafhankelijke arbeid verrichten, laten werken met stoffen als bedoeld in artikel 1.46, zesde lid, waarbij direct contact met huid en ogen mogelijk is en die kunnen leiden tot ernstige schade aan de gezondheid.

(artikel 1.46, zesde lid, Arbobesluit)

Onvoldoende of onjuiste maatregelen of voorzieningen treffen bij plaatsonafhankelijke arbeid met gevaarlijke stoffen waardoor ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen.

(artikel 1.46, achtste lid, Arbobesluit)

Het bij plaatsonafhankelijke arbeid ontbreken of het onjuist toepassen van voorgeschreven beveiligingen, alsmede het overbruggen dan wel buiten werking stellen van noodzakelijke beveiligingen aan arbeidsmiddelen.

(artikel 1.49, tweede lid, Arbobesluit)

Het werken op, aan of in de nabijheid van wegen waarbij ernstig gevaar bestaat voor aanrijden.1

(artikel 3.2, lid 1, Arbobesluit)

Het werken in gebouwen, waarvan wanden, vloeren, plafonds of installaties in zodanige staat verkeren, dat ernstig gevaar bestaat voor instorten, verschuiven, omvallen of kantelen.

(artikel 3.3, lid 1, Arbobesluit)

Het werken op plaatsen, waar ernstig gevaar bestaat voor instorten, verschuiven, omvallen of kantelen van opgeslagen voorwerpen en stoffen.

(artikel 3.3, lid 2, Arbobesluit)

Het aanwezig zijn van niet afgeschermde, direct aanraakbare spanningvoerende delen met een spanning hoger dan 50 volt bij wisselspanning of 120 volt bij zuivere gelijkspanning.

(artikel 3.4, lid 2, Arbobesluit)

Het verrichten van werkzaamheden aan of in de nabijheid van onder spanning staande elektrische installaties, toestellen of leidingen met een spanning van hoger dan 50 volt bij wisselspanning of 120 volt bij zuivere gelijkspanning zonder het treffen van de nodige veiligheidsmaatregelen.*

(artikel 3.5, lid 3, Arbobesluit)

Het ontbreken van doeltreffende maatregelen om het ontstaan van een explosieve atmosfeer op de arbeidsplaats te voorkomen.

(artikel 3.5d, lid 1, Arbobesluit)

Het niet nemen van de volgende maatregelen in de hieronder aangegeven volgorde, indien het voorkomen van het ontstaan van een explosieve atmosfeer, gezien de aard van het werk, niet mogelijk is:

(artikel 3.5d, lid 2, Arbobesluit)

Het ontbreken van de volgende maatregelen in de gevarenzones, bedoeld in artikel 3.5d, vijfde lid, en met betrekking tot de installaties in gebieden zonder explosiegevaar die vereist zijn voor, of bijdragen tot het explosieveilig gebruik van installaties die zich op plaatsen bevinden waar explosiegevaar heerst:

(artikel 3.5e, onder a. en b., Arbobesluit)

Het in de gevarenzones niet gebruiken en toepassen van apparaten en beveiligingssystemen overeenkomstig de categorieën als bedoeld in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel volgens de navolgende principes:

(artikel 3.5e, onder e, Arbobesluit)

Het schoonmaken, onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen, zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring van een gasdeskundige.

(artikel 3.5h, lid 3, Arbobesluit)

Het werken op arbeidsplaatsen waar een doeltreffende vluchtweg ontbreekt of is geblokkeerd en waarbij ernstig gevaar bestaat op brand, explosie of plotselinge blootstelling aan gevaarlijke stoffen.

(artikel 3.6, lid 1, en artikel 3.7, lid 1, Arbobesluit)

Het werken op hoogten van meer dan 2.50 meter waarbij geen of onvoldoende voorzieningen zijn getroffen tegen vallen.

(artikel 3.16, lid 1, Arbobesluit)

N.B. Indien het valgevaar gepaard gaat met risicoverhogende omstandigheden, zoals het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen, de aanwezigheid van verkeer, het vallen in water e.d., dan kan er, afhankelijk van de toename van het risico, ook bij geringere werkhoogte sprake zijn van een ernstig feit.

Het zodanig ingericht zijn van een arbeidsplaats dat daardoor ernstig gevaar bestaat getroffen of geraakt te worden door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan.

(artikel 3.17, Arbobesluit)

Het toepassen van een laadplatform dat niet is afgestemd op de te vervoeren lading.

(artikel 3.18, lid 2, Arbobesluit)

Het werken op hoogten van meer dan 2.50 meter op instabiele en onvoldoende stevige werkplekken op bouwplaatsen.

(artikel 3.28, lid 1, Arbobesluit)

Het werken op een bouwplaats indien bovengrondse elektriciteitsleidingen niet omgeleid zijn of spanningsloos zijn gemaakt of, indien dit niet mogelijk is, hekken of waarschuwingsborden ontbreken.

(artikel 3.29, lid 2, Arbobesluit)

Het werken op bouwplaatsen waarbij ernstig gevaar bestaat voor personen als gevolg van beschadiging van ondergrondse elektriciteitsleidingen en -kabels.

(artikel 3.29, lid 5, Arbobesluit)

Het werken in bouwputten, tunnels, bij uitgravingen of andere ondergrondse werkzaamheden waarbij onvoldoende stut- of taludvoorzieningen zijn getroffen tegen instortings- of overstromingsgevaar.

(artikel 3.30, lid 1, Arbobesluit)

Het bij grondverzetwerkzaamheden niet op veilige afstand houden van de uitgegraven aarde, gebruikte materialen en voertuigen, waardoor werknemers ernstig gevaar lopen bedolven te worden.

(artikel 3.30, lid 2, Arbobesluit)

Onvoldoende draagkrachtige bekistingen, tijdelijke stutten of schoren op een bouwwerkplek, waardoor werknemers ernstig gevaar lopen bekneld te raken of bedolven te worden.

(artikel 3.31, lid 2, Arbobesluit)

Het ontbreken van twee afzonderlijke uitgangen in verbinding met de oppervlakte bij een ondergrondse ontginning.

(artikel 3.37c, lid 1, Arbobesluit)

Het niet zo spoedig mogelijk na het delven ondersteuningen aanbrengen, terwijl dit vanwege de instabiliteit van het terrein noodzakelijk is voor de veiligheid van de werknemers.

(artikel 3.37e, lid 1, Arbobesluit)

Het werken met stoffen, waarbij direct contact met huid en ogen mogelijk is, die voldoen aan de criteria genoemd onder artikel 4.1c onderdeel f, Arbobesluit, en die kunnen leiden tot ernstige schade aan de gezondheid.

(artikel 4.1c, lid 1, Arbobesluit)

Het blootstellen van werknemers aan concentraties van stoffen in de inademingslucht van een werknemer van meer dan twee maal de (wettelijke of door de werkgever vastgestelde) grenswaarde of van meer dan de ceilingwaarde.

(artikel 4.4, lid 1, juncto artikel 4.3, lid 3, Arbobesluit)

Het ontbreken van maatregelen bij aanwezigheid van kankerverwekkende of mutagene stoffen waarbij ernstig gevaar bestaat voor plotselinge blootstelling.

(artikel 4.6, lid 1 Arbobesluit)

Het ontbreken van maatregelen bij aanwezigheid van gevaarlijke stoffen waardoor ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen.

(artikel 4.6, lid 1, Arbobesluit)

Na een onvoorziene toename van het blootstellingsniveau aan kankerverwekkende of mutagene stoffen, er niet voor gezorgd hebben dat werknemers uit de gevarenzone zijn verwijderd.

(artikel 4.7, lid 3, Arbobesluit)

Het niet werken volgens een vooraf opgesteld werkplan, als bedoeld in Bijlage VB van de Arbeidsomstandighedenregeling, met betrekking tot opbouw, installeren, monteren, assembleren, dan wel verwijderen na ontbranding, van professioneel vuurwerk.

(artikel 4.9, lid 1, Arbobesluit)

Het blootstellen van werknemers aan concentraties van kankerverwekkende en mutagene stoffen in de inademingslucht boven de (wettelijke of door de werkgever vastgestelde) grenswaarde.

(artikel 4.16, lid 3, Arbobesluit)

Het niet of onvoldoende zorgen voor doeltreffende maatregelen bij overschrijding van de grenswaarde waarbij werknemers worden blootgesteld aan concentraties van kankerverwekkende en mutagene stoffen in de inademinglucht.

(4.16, vierde lid, Arbobesluit)

Het niet zo laag mogelijk onder de grenswaarde (0,01 vezel per kubieke centimeter berekend over een referentieperiode van 8 uur) houden van de concentratie van asbeststof in de lucht, door:

- het niet zo inrichten van de werkmethoden dat er geen asbeststof wordt geproduceerd of indien dat technisch niet mogelijk is, dat er geen asbeststof in de lucht vrijkomt;*

- het niet doeltreffend en regelmatig reinigen van gebouwen, installaties en uitrustingen die dienen voor het toepassen of het bewerken van asbest of asbesthoudende producten;*

- het niet opbergen en vervoeren in daarvoor geschikte en gesloten verpakking van asbest, een asbesthoudend product of een product waaruit asbeststof vrijkomt*, of

- het niet zo spoedig mogelijk verzamelen en afvoeren van asbesthoudende afvalstoffen in voor asbest geschikte, gesloten en gekenmerkte verpakking*.

(artikel 4.45, lid 1, Arbobesluit, juncto lid 2)

Het blootstellen van werknemers aan concentraties van asbeststof in de lucht boven de grenswaarde van 0,01 vezel per kubieke centimeter, berekend over een referentieperiode van acht uur.

(artikel 4.46, lid 1, Arbobesluit)

Het niet opsporen van de oorzaken van de overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, en het niet zo spoedig mogelijk nemen van doeltreffende maatregelen om de concentratie asbeststof terug te brengen tot beneden die waarde.

(artikel 4.47a, lid 1, Arbobesluit)

Het laten voortzetten van de arbeid op een arbeidsplaats met overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, waar de maatregelen om de concentratie terug te brengen nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd, zonder de betrokken werknemers doeltreffend te beschermen tegen blootstelling aan asbeststof.

(artikel 4.47a, lid 3, Arbobesluit)

Het niet nemen van doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers, indien, gelet op de aard van de werkzaamheden, overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, kan worden verwacht ondanks preventieve technische maatregelen ter beperking van de asbestconcentratie in de lucht.

(artikel 4.48a, lid 1, Arbobesluit)

Het niet verwijderen van het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbesthoudende producten, voordat wordt aangevangen met andere werkzaamheden.

(artikel 4.48a, lid 4, Arbobesluit)

Het bij slopen, verwijderen, reinigen en opruimen van asbest of van producten die deze stof bevatten, niet conform het werkplan uitvoeren van de maatregelen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van de betrokken werknemers.

(artikel 4.50, lid 5 Arbobesluit)

N.B. Als een werkplan ontbreekt of onvolledig is, wordt gehandhaafd op basis van de in artikel 4.50, lid 3, en artikel 4.50 lid 4 onder a genoemde artikelen. Overtreding daarvan wordt bij het slopen en verwijderen, reinigen en opruimen van asbest of van producten die asbest bevatten, altijd aangemerkt als een ernstig beboetbaar feit

Het na reiniging van de arbeidsplaats niet op de desbetreffende arbeidsplaats in een binnenruimte uitvoeren van een eindbeoordeling, waarbij de monsterneming wordt uitgevoerd door een persoon als bedoeld in artikel 4.47, lid 7, Arbobesluit, en de monsteranalyse door een laboratorium als bedoeld in artikel 4.47, lid 8, Arbobesluit.

(artikel 4.51a, lid 1, Arbobesluit)

Het bij de eindbeoordeling bedoeld in artikel 4.51a, lid 1, Arbobesluit, niet uitvoeren van een visuele inspectie gevolgd door een eindmeting, om vast te stellen of de concentratie van asbeststof in de lucht niet hoger is dan 0,01 vezel per cm3, uitgaande van een referentieperiode van twee uur.

(artikel 4.51a, lid 2, Arbobesluit)

Het na het reinigen van de arbeidsplaats, op de betreffende arbeidsplaats in de buitenlucht geen visuele inspectie uitvoeren met vaststelling dat de aanwezigheid van asbest niet meer visueel waarneembaar is door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust, voordat met andere werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt.

(artikel 4.51a, lid 3, Arbobesluit)

Het na het beëindigen van werkzaamheden in de buitenlucht met asbesthoudende grond, niet uitvoeren van een visuele inspectie op de aanwezigheid van asbest teneinde vast te stellen dat de concentratie asbest niet hoger is dan honderd milligram per kilogram droge stof als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest, door een bedrijf dat daartoe adequaat is toegerust.

(artikel 4.51a, lid 4, Arbobesluit)

Het niet uitvoeren van een eindbeoordeling in aanvulling op artikel 4.51a, lid 1 en lid 2, in de naast de arbeidsplaats gelegen ruimten in een binnensituatie bij risicoklasse 3.

(artikel 4.54 Arbobesluit)

Het bij risicoklasse 3 – in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 – niet volledig inventariseren van de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten voordat wordt aangevangen met de volgende werkzaamheden:

(artikel 4.54a, lid 1, Arbobesluit)

Het verrichten van handelingen, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit door een bedrijf dat niet in het bezit is van een certificaat voor asbestverwijdering.

(artikel 4.54d, lid 1, Arbobesluit)

Het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit zonder voortdurend toezicht van (of niet door) een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest.

(artikel 4.54d, lid 5, Arbobesluit)

Het mede verrichten van de handelingen, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit door een persoon die niet in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest.

(artikel 4.54d, lid 7, Arbobesluit).

Het ontzanden van gietstukken, door middel van stralen, buiten de voor dat doel bestemde gesloten toestellen of ruimten.*

(artikel 4.61, lid 3, Arbobesluit)

Het bij ontzanden van gietstukken, door middel van stralen, afvoeren van afgezogen lucht naar ruimtes waar personen moeten verblijven.*

(artikel 4.61, lid 5, Arbobesluit)

Het blootstellen van werknemers aan biologische agentia waarbij ernstig gevaar bestaat voor schade aan de gezondheid.

(artikel 4.87a, lid 1, Arbobesluit)

Het verrichten van werkzaamheden zonder individuele gehoorbescherming in situaties waarbij de dagelijkse blootstelling aan lawaai 85 dB(A) of hoger is of de piekgeluidsdruk 140 Pa of hoger is.

(artikel 6.8, lid 9, Arbobesluit)

Het verrichten van werkzaamheden in situaties waarbij de dagelijkse blootstelling aan lawaai, rekening houdend met de dempende werking van de door de werknemer gedragen individuele gehoorbeschermers, hoger is dan 87 dB(A) of de piekgeluidsdruk hoger is dan 200 Pa

(artikel 6.8, lid 10, Arbobesluit)

Het blootstellen van werknemers aan trillingen boven de grenswaarde voor blootstelling, bedoeld in artikel 6.11 a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a Arbobesluit.

(artikel 6.11c, lid 2, Arbobesluit)

Het niet onverwijld treffen van maatregelen om de blootstelling terug te brengen tot onder de grenswaarde voor blootstelling, bij overschrijding van de grenswaarde voor blootstelling aan trillingen, bedoeld in artikel 6.11 a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a Arbobesluit.

(artikel 6.11c, lid 3 onder a, Arbobesluit)

Het niet onderzoeken van de oorzaak van de overschrijding bij overschrijding van de grenswaarde voor blootstelling aan trillingen, bedoeld in artikel 6.11 a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a Arbobesluit.

(artikel 6.11c, lid 3 onder b, Arbobesluit)

Het niet aanpassen van de beschermings- en preventiemaatregelen om te voorkomen dat de grenswaarde opnieuw wordt overschreden bij overschrijding van de grenswaarde voor blootstelling aan trillingen, bedoeld in artikel 6.11 a, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a Arbobesluit.

(artikel 6.11c, lid 3 onder c, Arbobesluit)

Het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid of overige arbeid onder overdruk zonder dat aan de beperkende voorschriften volgend uit een arbeidsgezondheidskundig onderzoek wordt voldaan.

(artikel 6.14a, lid 5, Arbobesluit)

Het niet aan werknemers ter beschikking stellen van materiaal dat in deugdelijke staat verkeert en van voldoende ademgas van goede kwaliteit.

(artikel 6.15, lid 1, Arbobesluit)

Het verrichten van duikarbeid zonder te worden bijgestaan door een reserveduiker.

(artikel 6.16, lid 1, Arbobesluit)

Het verrichten van duikwerkzaamheden op een diepte van 15 meter (of bij een druk van 1,5 maal 105 Pascal) of meer waarbij geen geschikte compressiekamer aanwezig is.

(artikel 6.18, lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van een compressiekamer bij het verrichten van duikwerkzaamheden op een locatie waarbij de reistijd naar de dichtstbijzijnde behandelfaciliteit met compressiekamer meer dan twee uur bedraagt.

(artikel 6.18, lid 2, Arbobesluit)

Het door één persoon verrichten van caissonarbeid.*

(artikel 6.19, lid 1, Arbobesluit)

Het verrichten van caissonwerkzaamheden onder een druk van meer dan 1,5 maal 105 Pascal zonder een geschikte compressiekamer.

(artikel 6.20, lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van een compressiekamer bij het verrichten van caissonarbeid op een locatie waarbij de reistijd naar de dichtstbijzijnde behandelfaciliteit met compressiekamer meer dan twee uur bedraagt.

(artikel 6.20, lid 2, Arbobesluit)

Het gebruiken van arbeidsmiddelen op een andere wijze of plaats dan waarvoor zij zijn ingericht en bestemd.

(artikel 7.3, lid 2, Arbobesluit)

Het niet of onvoldoende treffen van beschermende maatregelen bij het gebruik van een arbeidsmiddel, waardoor ernstig gevaar bestaat voor persoonlijk letsel.

(artikel 7.3, lid 4, Arbobesluit)

Het zodanig geplaatst of ingericht zijn van een arbeidsmiddel dat daardoor ernstig gevaar bestaat voor verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit.

(artikel 7.4, lid 3, Arbobesluit)

Het zodanig geplaatst of ingericht zijn van een arbeidsmiddel dat daardoor ernstig gevaar bestaat getroffen of geraakt te worden door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan.

(artikel 7.4, lid 4, Arbobesluit)

Het onderhouden, repareren en reinigen van arbeidsmiddelen die ingeschakeld zijn en onder druk of elektrische spanning staan.*

(artikel 7.5, lid 2, Arbobesluit)

Het afstellen van arbeidsmiddelen die ingeschakeld zijn en onder druk of elektrische spanning staan.*

(artikel 7.5, lid 3, Arbobesluit)

Het op niet veilige wijze (de)monteren van arbeidsmiddelen.

(artikel 7.5, lid 5, Arbobesluit)

Het ontbreken of onjuist toepassen van voorgeschreven beveiligingen en afschermingen, alsmede het overbruggen dan wel buiten werking stellen van noodzakelijke beveiligingen van arbeidsmiddelen.

(artikel 7.7, lid 1, Arbobesluit)

Het kunnen aanraken van (onderdelen van) arbeidsmiddelen met een zeer hoge of lage temperatuur.

(artikel 7.9, Arbobesluit)

Het loskoppelen en opnieuw aansluiten van een arbeidsmiddel van en op een krachtbron.

(artikel 7.11, lid 2, Arbobesluit)

Het ontbreken van een noodstopvoorziening op arbeidsmiddelen waarbij dit noodzakelijk is.

(artikel 7.16, Arbobesluit)

Het vervoeren van personen met een mobiel arbeidsmiddel dat daartoe niet is uitgerust.

(artikel 7.17a, lid 1 Arbobesluit)

Het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen (m.u.v. heftrucks) waarmee personen kunnen worden vervoerd zonder beschermingsconstructies ter voorkoming van kantelen of de gevolgen daarvan.

(artikel 7.17a, lid 2, Arbobesluit)

Het gebruik van heftrucks waarmee personen kunnen worden vervoerd zonder beschermingsconstructies ter voorkoming van kantelen of de gevolgen daarvan.

(artikel 7.17a, lid 5, Arbobesluit)

Het ontbreken van een rem- en stopvoorziening, alsmede een noodstopvoorziening voorzover deze noodzakelijk is, op een mobiel arbeidsmiddel met eigen aandrijving.

(artikel 7.17b, lid 2, Arbobesluit)

Het meerijden op mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving zonder speciaal daartoe ingerichte veilige plaatsen.*

(artikel 7.17c, lid 2, Arbobesluit)

Het zwaarder belasten van een hijs- of hefwerktuig, dan de toegelaten bedrijfslast of dan een veilig gebruik toelaat.*

(artikel 7.18, lid 2, Arbobesluit)

Het vervoeren van personen met een hijs- of werktuig, dat daarvoor niet is bestemd of ingericht. *

(artikel 7.18, lid 4, Arbobesluit)

Het zodanig opgesteld zijn van hijs- en hefwerktuigen, dat daardoor ernstig gevaar bestaat dat lasten werknemers kunnen raken.*

(artikel 7.18, lid 6, Arbobesluit)

Het zich bevinden van werknemers onder hangende lasten.*

(artikel 7.18, lid 7, Arbobesluit)

Het zodanig gebruik van een mobiel hijs- of hefwerktuig dat daardoor ernstig gevaar bestaat voor kantelen, ongewild in beweging komen of wegglijden.*

(artikel 7.18a, lid 3, Arbobesluit)

Het gebruik van hijs- en hefwerktuigen in slechte weersomstandigheden.*

(artikel 7.18a, lid 13, Arbobesluit)

Het hijsen of heffen van personen op een onbeveiligd platform.

(artikel 7.18b, lid 1, Arbobesluit)

Het overbelasten van laad- en losgerei met meer dan 10%.*

(artikel 7.20, lid 4, Arbobesluit)

Het ontbreken van technische of organisatorische maatregelen, indien zich in een schacht twee of meer liften bevinden, om te voorkomen dat personen bij werkzaamheden aan een van de liften, getroffen worden door een naastliggende lift.

(artikel 7.21, lid 1, Arbobesluit)

Het niet stilzetten van de naastgelegen lift tijdens werkzaamheden in een liftschacht waarbij gevaren veroorzaakt door deze lift niet zijn tegengegaan.*

(artikel 7.21, lid 2, Arbobesluit)

Het niet kiezen van de meest geschikte arbeidsmiddelen bij tijdelijke werkzaamheden op hoogte, waardoor:

Het ontbreken van een valbeveiliging om de aan een arbeidsmiddel verbonden valrisico’s voor werknemers te minimaliseren.

(artikel 7.23, lid 5, Arbobesluit)

De bij een arbeidsmiddel behorende valbeveiliging is niet van een zodanige configuratie en sterkte dat vallen van hoogte wordt voorkomen of dat een eventuele val wordt gestopt, zodanig dat letsel bij de werknemers zoveel mogelijk wordt voorkomen.

(artikel 7.23, lid 6, Arbobesluit)

Het onderbreken van collectieve valbeveiligingen op andere plekken dan daar waar zich een toegang tot een ladder of trap bevindt.

(artikel 7.23, lid 7, Arbobesluit)

Het laten werken op plaatsen waar geen doeltreffende, vervangende veiligheidsvoorzieningen, zijn getroffen en waarbij de collectieve valbeveiliging – in verband met de werkzaamheden – tijdelijk is verwijderd.

(artikel 7.23, lid 9, Arbobesluit)

Het laten uitvoeren van tijdelijke werkzaamheden op hoogte wanneer de weersomstandigheden de veiligheid en gezondheid van de werknemers in gevaar brengen.

(artikel 7.23, lid 11, Arbobesluit)

N.B. Indien het valgevaar gepaard gaat met risicoverhogende omstandigheden, bijvoorbeeld het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen, de aanwezigheid van verkeer, het vallen in water, het vallen in hete of bijtende vloeistoffen, het vallen tussen bewegende delen van machines [dit is geen limitatieve opsomming], dan kan er, afhankelijk van de toename van het risico, ook bij geringere werkhoogte sprake zijn van een ernstig feit.

Het gebruiken van ladders of trappen, zonder maatregelen om de stabiliteit te waarborgen.

(artikel 7.23a, lid 1, Arbobesluit)

Ladders en trappen gebruiken zonder dat:

(artikel 7.23a, lid 2, Arbobesluit)

Het (laten) gebruiken van ladders en trappen waarbij niet ten minste een hand aan de ladder kan worden gehouden.

(artikel 7.23a, lid 3, Arbobesluit)

De ondersteuningen van een steiger zijn niet beveiligd tegen wegglijden, hetzij door bevestiging aan het steunvlak, hetzij door een antislipinrichting of een andere, even doeltreffende oplossing.

(artikel 7.23b, lid 3, Arbobesluit)

De steunpunten van de steiger zijn niet op een stabiele, stevige ondergrond van voldoende omvang geplaatst, waardoor de stabiliteit niet wordt gewaarborgd.

(artikel 7.23b, lid 4, Arbobesluit)

Niet verzekerde stabiliteit van steigers door onvoldoende verankering en/of schoren.

(artikel 7.23b, lid 5, Arbobesluit)

Het niet zodanig monteren van de vloeren van steigers dat hun onderdelen bij normaal gebruik niet kunnen bewegen.

(artikel 7.23b, lid 7, Arbobesluit)

Tussen de onderdelen van de vloeren en de verticale inrichtingen van de collectieve valbeveiligingen komen gevaarlijke openingen voor.

(artikel 7.23b, lid 7, Arbobesluit)

Het werken aan één enkele lijn, waarbij geen sprake is van een afzonderlijk verankerde veiligheidslijn die als reservelijn fungeert en is uitgerust met een beweegbaar valbeveiligingsmechanisme dat de werknemer in zijn beweging volgt.

(artikel 7.23c, lid 1, Arbobesluit)

Het vervoeren van werknemers met behulp van een werkbak die is bevestigd aan een mobiel hefwerktuig waarbij de belasting van de volbelaste werkbak méér bedraagt dan de helft van de maximaal toegestane belasting van het hefwerktuig in zijn meest ongunstige stand.

(artikel 7.18, lid 4, juncto artikel 7.23d, lid 2, Arbobesluit)

Het vervoeren van werknemers met behulp van een werkbak die is bevestigd aan een mobiel hijswerktuig waarbij de belasting van de volbelaste werkbak en het bijbehorend hijsgereedschap méér bedraagt dan één kwart van de maximaal toelaatbare werklast van het hijswerktuig in zijn meest ongunstige stand.

(artikel 7.18, lid 4, juncto artikel 7.23d, lid 2, Arbobesluit)

Het vervoeren van werknemers met behulp van een werkbak die is bevestigd aan een vast opgesteld of railrijdend hijswerktuig waarbij de belasting van de volbelaste werkbak en het bijbehorend hijsgereedschap méér bedraagt dan driekwart van de nominale belasting waarvoor het hijswerktuig is ontworpen.

(artikel 7.18, lid 4, juncto artikel 7.23d, lid 2, Arbobesluit)

Het verblijf van werknemers in een werkbak waarbij de bedieningsplaats van het hijs- of hefwerktuig niet bezet is.

(artikel 7.18, lid 4, juncto artikel 7.23d, lid 3, Arbobesluit)

Horizontale verplaatsing van werknemers in een boven 0,2 meter geheven werkbak aan een mobiel hefwerktuig met grotere snelheid dan 2,5 km/uur.

(artikel 7.18, lid 4, juncto artikel 7.23d, lid 4, Arbobesluit)

Rijden met een mobiele hijskraan waaraan een bemande werkbak is bevestigd.

(artikel 7.18, lid 4, juncto artikel 7.23d, lid 5, Arbobesluit)

Rijden over een kraanbaan met hogere snelheid dan 2,5 km/uur van een hijskraan met een bemande werkbak.

(artikel 7.18, lid 4, juncto artikel 7.23d, lid 5, Arbobesluit)

Ontbreken van doeltreffend(e) communicatie(middel(en)) bij vervoer en verblijf van werknemers in een werkbak aan een hijs- of hefwerktuig.

(artikel 7.18, lid 4, juncto artikel 7.23d, lid 6, Arbobesluit)

Het hijsen of heffen van luiken van schepen zonder dat deze daartoe geschikte bevestigingen hebben voor het vastmaken van hijsgereedschap.

(artikel 7.25, lid 1, Arbobesluit)

Het plaatsen of verwijderen van luiken op schepen terwijl in het ruim onder de luikopening wordt gewerkt.*

(artikel 7.25, lid 6, Arbobesluit)

Het laden en lossen van schepen zonder dat luiken die niet afdoende tegen verplaatsing kunnen worden geborgd, verwijderd zijn.

(artikel 7.25, lid 7, Arbobesluit)

Het opnieuw gebruiken van voor eenmalig gebruik bestemde bind- of hijsmiddelen.

(artikel 7.27, lid 2, Arbobesluit)

Het niet aanwezig zijn van middelen zodat werknemers bij het aanbrengen of verwijderen van sjorringen van containers aan ernstig gevaar worden blootgesteld.

(artikel 7.28, Arbobesluit)

Het werken op een overbelaste steiger.

(artikel 7.34, lid 2, Arbobesluit)

Het werken op verrijdbare steigers die niet zijn beveiligd tegen ongewilde verplaatsing.

(artikel 7.34, lid 3, Arbobesluit)

Het verrichten van trekkerarbeid, het werken met wilde, giftige of andere dieren die gevaar opleveren, het industrieel slachten of werken onder tempodwang door jeugdige werknemers zonder toezicht.

(artikel 7.39, Arbobesluit)

Het niet ter beschikking stellen van doeltreffende persoonlijke beschermingsmiddelen aan werknemers bij werkzaamheden, waardoor ernstig gevaar bestaat voor veiligheid of gezondheid van betrokken werknemers.

(artikel 8.3, lid 1, Arbobesluit)

Het onvoldoende er voor zorgen dat werknemers aan hen beschikbaar gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen (juist) gebruiken, waardoor ernstig gevaar bestaat voor de veiligheid of gezondheid van betreffende werknemers.

(artikel 8.3, lid 2, Arbobesluit)

Het blootstellen van werknemers aan kunstmatige optische straling boven de grenswaarde voor blootstelling genoemd in artikel 6.12c van het Arbobesluit.

(artikel 6.12e, lid 4 juncto artikel 6.12c Arbobesluit)

Het niet onverwijld treffen van maatregelen om de blootstelling aan kunstmatige optische straling terug te brengen tot onder de grenswaarde voor blootstelling.

(artikel 6.12e, lid 4 onder a, Arbobesluit)

Er bestaat in de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling een aantal overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden gegeven dat niet tot de categorie ernstige overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden gegeven (zie bijlage 2, hiervoor), kan worden gerekend, maar waarvoor bij niet naleving toch direct een sanctie moet worden opgelegd. In een aantal gevallen moeten ook (direct) maatregelen worden getroffen. Het gaat om belangrijke overtredingen waarvoor naar huidige inzichten het eerst geven van een waarschuwing of het eerst stellen van een eis als inadequaat is te beschouwen.

Het gaat hierbij om overtredingen met betrekking tot:

Dergelijke overtredingen waarvoor direct eenbestuurlijke boete wordt gegeven(voorts: direct beboetbare feiten) die enerzijds de onveiligheid van werknemers vergroten en anderzijds het werk van de Arbeidsinspectie ernstig belemmeren, moeten leiden tot het direct corrigeren van werkgevers. In voorkomende gevallen wordt dus direct overgegaan tot het aanzeggen van een bestuurlijke boete.

De lijst van overtredingen waarvoor direct eenbestuurlijke boete wordt gegevenis op voorhand niet limitatief. De lijst kan worden uitgebreid met feiten waarvan het politiek, maatschappelijk, beleidsmatig of inhoudelijk nodig wordt geacht deze direct door middel van een boete aan te pakken.

Ten aanzien van de met een asterisk (*) gemarkeerde feiten kan ook een werknemer worden beboet, indien deze de betreffende verplichting(en) niet naleeft.

Het onvoldoende toezien op de naleving van instructies en voorschriften bij werkzaamheden waaraan risico’s voor werknemers zijn verbonden.

(artikel 8, lid 4, Arbowet)

Het niet (direct) melden van een dodelijk arbeidsongeval of een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname.

(artikel 9, lid 1, Arbowet)

Het ontbreken van adequaat deskundig toezicht op jeugdige werknemers.

(artikel 1.37, lid 1 Arbobesluit)

Het ontbreken van adequaat deskundig toezicht op jeugdige werknemers om specifieke gevaren voor jeugdige werknemers te voorkomen.

(artikel 1.37, lid 2 Arbobesluit)

Het aanvangen met werkzaamheden op een bouwplaats zonder schriftelijke kennisgeving aan de Arbeidsinspectie over de voorgenomen totstandbrenging van het bouwwerk.

(artikel 2.27, lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van een veiligheids- en gezondheidsplan ten aanzien van bouwwerken zoals gedefinieerd in het Arbobesluit.

(artikel 2.28, lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van een veiligheids- en gezondheidsdocument ten aanzien van werkzaamheden verricht in de winningsindustrie in dagbouw, ondergronds of met behulp van boringen.

(artikel 2.42, lid 2, Arbobesluit)

Het ontbreken van trainingen voor het uitvoeren van noodhandelingen bij winningindustrieën met behulp van boringen.

(artikel 2.42h Arbobesluit)

Het niet beschikbaar en gebruiksklaar houden van vluchtmiddelen zodat werknemers de gevaarlijke gebieden snel en veilig kunnen verlaten.

(artikel 3.5f onder f. Arbobesluit)

Het verrichten van onderzoek naar de veiligheid aan, op of in tankschepen door een persoon die niet beschikt over het certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige.*

(artikel 3.5h, lid 4, Arbobesluit)

Het ontbreken van voldoende geschikte reddingsmiddelen op een mijnbouwinstallatie.

(artikel 3.37t, lid 1, Arbobesluit)

Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar voor instorting bestaat.

(artikel 3.46, sub a, Arbobesluit)

Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers die arbeid verrichten aan, met of in de directe nabijheid van een hoogspanningsinstallatie.

(artikel 3.46, sub b, Arbobesluit)

Gebruik van springstoffen zonder dat hierop voortdurend toezicht plaatsvindt door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid springmeester.*

(artikel 4.8, lid 2, Arbobesluit)

Het verrichten van werkzaamheden bestaande uit het springen van materialen ten behoeve van de opsporing of winning van delfstoffen door personen die niet in het bezit zijn van een getuigschrift van schietmeester *

(artikel 4.8, lid 3, Arbobesluit)

Het niet door een gecertificeerd persoon toezicht houden op opbouw, installeren, monteren, assembleren, dan wel verwijderen na ontbranding, van professioneel vuurwerk.

(artikel 4.9, lid 2 Arbobesluit)

Het niet door een gecertificeerd persoon toezicht houden op het bewerken van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit

(artikel 4.9, lid 2 Arbobesluit)

Het werken met asbest of asbesthoudende producten zonder dit tijdig en (volledig) op correcte wijze te hebben gemeld aan de Inspectie SZW.

(artikel 4.47c, lid 1, Arbobesluit)

Het niet opnieuw melden aan de Inspectie SZW, telkens wanneer een verandering in de arbeidsomstandigheden kan leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling aan asbeststof of asbesthoudende producten.

(artikel 4.47c, lid 2, Arbobesluit)

Het niet beschikken over een, overeenkomstig artikel 4.50 Arbobesluit opgesteld, schriftelijk werkplan door de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit, voordat wordt aangevangen met de werkzaamheden.

(artikel 4.50, lid 1, Arbobesluit)

Bij blokkenstellen ruwbouw, blokken van 14 kilogram of meer hanteren zonder gebruik van een elementenstelselmachine of zonder mechanisch opperen en/of zonder verhoogde plaatsing van de blokken en de lijmkuip op minimaal 20 cm hoogte. Blokkenstellen boven 150 cm met uitzondering van de binnenmuren net onder de verdiepingsvloer; blokkenstellen onder staoppervlak, met uitzondering van het vloer- en funderingsniveau

(artikel 5.3, onderdeel a, Arbobesluit)

Bij betonstaalvlechten als volgt werken: meer dan 25 kilo tillen; boven schouderhoogte binden; handmatig knippen van 8 mm met een handschaar korter dan 75 cm, handmatig knippen boven de 8 mm met een handschaar korter dan 90 cm; handmatig knippen van meer dan 10 mm; werken zonder werktafel waar dit wel mogelijk is.

(artikel 5.3, onderdeel a, Arbobesluit)

Metselen zonder verhoogde plaatsing van de te verwerken metselstenen en speciekuip op 20 cm hoogte; metselen boven 170 cm met uitzondering van de binnenmuren onder de verdiepingsvloer; metselen onder 20 cm, met uitzondering van het vloer- en funderingsniveau; een stenentang met één hand gebruiken; een kruiwagen (inclusief de last) van meer dan 60 kilo hanteren; eenhandig pakken van stenen met een steenbreedte van meer dan 105 mm.

(artikel 5.3, onderdeel a, Arbobesluit)

Bij het monteren van metalen dak- en gevelelementen als volgt werken: platen handmatig lostrekken of omklappen; platen boven 118 kg niet mechanisch in het werk brengen; platen onder de 118 kg handmatig verslepen zonder een daartoe aangewezen hulpmiddel; platen onder 118 kg verder dan gemiddeld 8 meter handmatig verslepen. Platen onder 118 kg door één werknemer verslepen.

(artikel 5.3, onderdeel a, Arbobesluit)

Bij glaszetten als volgt werken: glas door één werknemer boven de 25 kilo handmatig tillen/plaatsen, met twee werknemers meer dan 50 kilo’s handmatig tillen/plaatsen; glas zonder mechanische hulpmiddelen boven de 50 kilo’s plaatsen; geen gebruik maken van transportmiddelen voor het (ver)plaatsen van glas boven de 25 kg door één werknemer, met twee werknemers boven 50 kg; geen gebruik maken van persoonsgebonden hulpmiddelen voor het plaatsen van glas.

(artikel 5.3, onderdeel a, Arbobesluit)

Het in het werkplan ontbreken van voorgeschreven gegevens, zoals beschreven in artikel 4.50 lid 4 onder a tot en met d.

(artikel 4.50, vierde lid, Arbobesluit).

Het niet treffen van doeltreffende maatregelen om blootstelling aan asbeststof te voorkomen als het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 4.10a, daartoe aanleiding geeft.

(artikel 4.52, lid 3 Arbobesluit)

Het niet voor aanvang van de werkzaamheden volledig inventariseren van de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten, bij het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten of het verwijderen en opruimen van asbest of asbesthoudende producten.

(artikel 4.54a, lid 1, Arbobesluit)

Het niet op grond van de uitgevoerde inventarisatie, als bedoeld in artikel 4.54a, lid 1, bepalen van de daarbij behorende risicoklasse als bedoeld in de artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a Arbobesluit.

(artikel 4.54a, lid 2)

Het door het bedrijf dat asbest verwijdert niet beschikken over een afschrift van een inventarisatierapport waarin de resultaten zijn neergelegd van de inventarisatie van de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten, voordat wordt aangevangen met het verwijderen van asbest.

(artikel 4.54d, lid 3, Arbobesluit)

Het bij een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf niet werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het verwijderen van asbest.

(artikel 4.54d, lid 6, Arbobesluit)

Het niet begeleiden van de handelingen als bedoeld in artikel 5, onderdelen e en f, van het Productenbesluit asbest die betrekking hebben op werkzaamheden met asbesthoudende grond, door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidhygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid.

(artikel 4.54d, lid 8, Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32a, lid 4 tot en met 6, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32a, lid 2, Arboregeling (lijmen en verven in binnensituaties), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32b, lid 2 tot en met 4, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32b, lid 1, Arboregeling (offset drukken), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32c, lid 2 en 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32c, lid 1, Arboregeling (zeefdrukken), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32d, lid 2, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32d, lid 1, Arboregeling (illustratiediepdrukken), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32e, lid 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32e, lid 2, Arboregeling (verpakkingsdiepdrukken en flexodrukken), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32f, lid 4, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32f, lid 2, Arboregeling (herstellen van autoschade), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het werken met producten die niet voldoen aan het criterium genoemd in artikel 4.32g, lid 3, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32g, lid 2, Arboregeling (coating timmerwerk in binnensituaties), niet is toegestaan.

(artikel 4.62b Arbobesluit)

Het voor de eerste maal werken met biologische agentia van de 2e, 3e of 4e categorie, zonder dit tijdig en op correcte wijze te melden aan de Inspectie SZW.

(artikel 4.94, lid 1, Arbobesluit)

Het werken met een nieuw biologisch agens van de 3e of 4e categorie, zonder dit tijdig en op correcte wijze te melden aan de Inspectie SZW.

(artikel 4.94, lid 2, Arbobesluit)

Het werken met biologische agentia van de 2e, 3e of 4e categorie na veranderingen in procedés of procedures met mogelijke gevolgen voor veiligheid en gezondheid, zonder dit opnieuw te hebben gemeld aan de Inspectie SZW.

(artikel 4.94, lid 5, Arbobesluit)

Het niet tijdig en op correcte wijze hebben gemeld aan de Inspectie SZW van een ongeval of incident dat (mogelijkerwijs) heeft geleid tot het vrijkomen van een of meer biologische agentia van de 3e of 4e categorie.

(artikel 4.95 Arbobesluit)

Het ontbreken van deskundig toezicht op jeugdige werknemers ter voorkoming van specifieke gevaren bij het werken met gevaarlijke stoffen of gassen of artikelen die ontplofbare stoffen bevatten.

(artikel 4.106 Arbobesluit)

Het voor de aanvang van de arbeid uitvoeren van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een arts, die niet in het bezit is van een certificaat duikerarts.

(artikel 6.14a, lid 3, Arbobesluit)

Het optreden als duikploegleider zonder in het bezit te zijn van een certificaat duikploegleider met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht.

(artikel 6.16, lid 3, Arbobesluit)

Het duiken zonder in het bezit te zijn van het certificaat duikarbeid met betrekking tot de soort duikarbeid die wordt verricht.

(artikel 6.16, lid 6, Arbobesluit)

Het verrichten van duikarbeid zonder de aanwezigheid van een persoon die in het bezit is van een certificaat duikmedische begeleiding met betrekking tot de soort arbeid die hij verricht*

(artikel 6.16, lid 7, Arbobesluit)

Het uitvoeren van duikarbeid:

zonder (tijdige) melding aan de toezichthouder

(artikel 6.17, lid 1, Arbobesluit)

Het verrichten van caissonarbeid zonder de Inspectie SZW daarvan tijdig en op correcte wijze in kennis te stellen, onder overlegging van een deugdelijk werkplan.

(artikel 6.19, lid 2, Arbobesluit)

Het werken met mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving, zonder dat de bedieners daartoe specifieke deskundigheid bezitten.

(artikel 7.17c, lid 1, Arbobesluit)

N.B. uitsluitend aan de orde indien criteria bestaan (en in projecten zijn aangegeven) wanneer en in welke situatie er sprake is van dit feit.

Het onvoldoende adequaat en specifiek opgeleid zijn van werknemers voor het werken aan lijnen.

(artikel 7.23c, lid 1, Arbobesluit)

Werknemers zijn niet op de hoogte van de reddingsprocedures voor het werken aan lijnen.

(artikel 7.23c, lid 1, Arbobesluit)

Het niet door een certificerende instelling laten onderzoeken en beproeven van hijs- of hefwerktuigen en hijs- of hefgereedschappen aan boord van schepen, die gebruikt worden bij het laden en lossen.

(artikel 7.29, lid 7, Arbobesluit)

Het bedienen van een torenkraan, mobiele kraan of mobiele hei-installatie als bedoeld in artikel 7.6 Arboregeling, door een persoon die niet in het bezit is van een certificaat van bekwaamheid.

(artikel 7.32, lid 1, Arbobesluit)

Het op de openbare weg besturen van een trekker en het in rechtstreeks verband daarmee aan- of afkoppelen van aanhangwagens of werktuigen door een jeugdige werknemer die niet in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid.

(artikel 9.36, lid 1, Arbobesluit)

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen