Wijzigingen Officiële bron
Regeling van 25 juli 2002 tussen de bevoegde autoriteiten met betrekking tot de Nederlands-Duitse overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting Winsttoerekening aan in Duitsland gelegen vaste inrichtingen van Nederlandse bloemenhandelarenDe plv. directeur-generaal voor Fiscale Zaken heeft namens de staatssecretaris van Financiën in overleg met de bevoegde autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland het volgende besloten.

Toepassing van de artikelen 2, 5 en 23 de Overeenkomst met de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting juncto artikel 5, onderdeel 7, van het Slotprotocol bij de Overeenkomst

Dit besluit treedt in werking op 25 juli 2002.

De Staatssecretaris van Financiën, namens deze,De plv. directeur-generaal voor Fiscale Zaken.

Regeling inzake de winsttoerekening aan in Duitsland gelegen vaste inrichtingen van Nederlandse bloemenhandelaren

Inleiding

Tussen Nederland en Duitsland heeft overleg plaatsgevonden over de vraag of Nederlandse handelaren in bloemen en planten onder bepaalde omstandigheden geacht zouden moeten worden hun onderneming te drijven met behulp van een in Duitsland gelegen vaste inrichting in de zin van artikel 2 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied (hierna te noemen `het belastingverdrag' of `het verdrag'). Daarnaast heeft overleg plaatsgevonden over de vraag op welke wijze winst aan een in Duitsland gelegen vaste inrichting van een Nederlandse handelaar zou moeten worden toegerekend voor de toepassing van het verdrag en de uit hoofde daarvan door Nederland te verlenen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting.

Vaste inrichting en afhankelijke vertegenwoordiger

De activiteiten van handelaren in bloemen en planten kunnen worden onderscheiden in detailhandelsactiviteiten en groothandelsactiviteiten.

In Nederland gevestigde detailhandelaren die hun handelswaar in Duitsland verkopen zullen aldaar veelal over een vaste inrichting in de zin van artikel 2 van het verdrag beschikken. Een dergelijke vaste inrichting kan bestaan uit een winkel, een verkooppunt in een warenhuis, een vaste standplaats op een markt of een ander soortgelijk vast verkooppunt. Een dergelijk ander vast verkooppunt kan bijvoorbeeld bestaan uit een opslagruimte met een kantoor voorzien van communicatieapparatuur, die de handelaar ter beschikking staan.

In Nederland gevestigde groothandelaren kunnen voorts nog op een andere wijze over een in Duitsland gelegen vaste inrichting beschikken. Het is niet ongebruikelijk dat een groothandelaar of zijn werknemer voor de verkoop van zijn handelswaar in Duitsland een bepaalde route (een zogenoemde `lijn') rijdt om zijn klanten (Duitse detaillisten) te bezoeken. Deze groep van groothandelaren wordt ook wel aangeduid als `lijntjesrijders'. Wanneer een werknemer van een lijntjesrijder de handelswaar in Duitsland verkoopt zal deze in zoverre worden beschouwd als een zogenoemde afhankelijke vertegenwoordiger als gevolg waarvan zijn Nederlandse werkgever geacht zal worden in Duitsland te beschikken over een vaste inrichting in de zin van artikel 2 van het verdrag. Als, daarentegen, een dergelijke werknemer voor zijn werkgever slechts bloemen of planten bij Duitse klanten aflevert wordt hij in zoverre niet als een afhankelijke vertegenwoordiger beschouwd en is uit dien hoofde evenmin sprake van een (Duitse) vaste inrichting van zijn werkgever. Het enkele afleveren in Duitsland kan zich voordoen als bloemen en planten door de afnemers rechtstreeks bij de handelaar in Nederland worden besteld.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het verkopen van handelswaar door de ondernemer (lijntjesrijder) zelf, die ook niet uit andere hoofde over een in Duitsland gelegen vast verkooppunt beschikt, niet leidt tot de aanwezigheid van een in Duitsland gelegen vaste inrichting in de zin van het verdrag.

Basis voor een bijzondere regeling inzake winsttoerekening

Met betrekking tot de vraag op welke wijze winst aan een in Duitsland gelegen vaste inrichting van een Nederlandse handelaar in bloemen en planten moet worden toegerekend, is eveneens overleg gepleegd tussen de Nederlandse en Duitse bevoegde autoriteiten. De verwevenheid van de te onderscheiden activiteiten binnen dit soort ondernemingen maakt het in de praktijk vaak bijzonder lastig vast te stellen welk deel van de ondernemingswinst aan een bepaalde activiteit moet worden toegerekend. In artikel 5, onderdeel 7, van het Slotprotocol bij het verdrag is uitdrukkelijk de mogelijkheid voorzien dat de bevoegde Nederlandse en Duitse autoriteiten in onderlinge overeenstemming voor bijzondere gevallen een regeling treffen voor de toerekening van inkomsten waarbij de totale winst van de onderneming wordt verdeeld. Een en ander is uitgemond in de, op de voet van het verdrag totstandgekomen, overeenkomst tussen de Nederlandse en Duitse bevoegde autoriteiten van 25 juli 2002, die als bijlage bij dit besluit in de Staatscourant zal worden gepubliceerd. Daarbij is enerzijds beoogd recht te doen aan het verschil tussen de winstgenererende bedrijfsactiviteiten van een detailhandelaar en die van een groothandelaar, alsmede de wijze waarop de functies en risico's die samenhangen met deze te onderscheiden bedrijfsactiviteiten zijn toe te rekenen aan het Nederlandse hoofdhuis en de Duitse vaste inrichting. Anderzijds is er naar gestreefd voor de fiscale praktijk een relatief eenvoudig hanteerbaar instrument ten behoeve van de winstverdeling tussen vaste inrichting en hoofdhuis te ontwikkelen.

Inhoud van de regeling inzake winsttoerekening

In de overeenkomst van 25 juli 2002 is een winsttoerekening neergelegd voor enkele van de meest voorkomende wijzen waarop Nederlandse handelaren in bloemen en planten hun onderneming drijven in de relatie tot Duitsland.

Algemeen

Geen vaste inrichting in Duitsland (onderdeel 1 van de regeling van 25 juli 2002)

Afhankelijke vertegenwoordiger (onderdeel 2 van de regeling van 25 juli 2002)

Vaste inrichting (onderdeel 3 van de regeling van 25 juli 2002)

Vermindering ter vermijding van dubbele belasting

Uitwisseling van inlichtingen (onderdeel 5 van de regeling van 25 juli 2002)

Inwerkingtreding en toepassing(onderdelen 6 en 7 van de regeling van 25 juli 2002)

De in dit besluit beschreven regeling zal na verloop van drie jaar door Nederland en Duitsland gezamenlijk op haar doelmatigheid worden beoordeeld. De regeling kan worden toegepast voor belastingjaren die aanvangen op of na 1 januari 2003. De regeling kan tevens worden toegepast op alle gevallen waarin op het moment van de inwerkingtreding van de regeling de belastingheffing in Duitsland en in Nederland nog niet onherroepelijk vaststaat of welke onderwerp van een overlegprocedure zijn. Als in een van de landen de belastingheffing onherroepelijk vaststaat en dat in het andere land nog niet het geval is, kan over de toepassing van deze regeling onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Duitsland plaatsvinden.

Op basis van artikel 25, tweede lid, van de Overeenkomst tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, van 16 juni 1959, zoals laatstelijk gewijzigd bij het Tweede Aanvullend Protocol van 21 mei 1991, zijn de bevoegde autoriteiten van de twee Overeenkomstsluitende Staten ten behoeve van de belastingheffing van bloemenhandelaren, die in Nederland wonen of gevestigd zijn en die hun handelswaar aan klanten in Duitsland verkopen, voor de verschillende situaties het volgende overeengekomen:

Voor het Bondsministerie van Financiën, Bondsrepubliek Duitsland Berlijn, in opdracht, Dr.Lasars.Voor het Ministerie van Financiën, Koninkrijk der Nederlanden 's-Gravenhage, Drs. P.Vlaanderen .