Ministeriële regeling · BWBR0014319

Regeling Bouwbesluit 2003

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 november 2002, nr. MJZ2002 085861 tot vaststelling van nadere voorschriften voor bouwwerkenRegeling Bouwbesluit 2003De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op de artikelen 1.3, 1.4, 1.10, 2.49, 2.55, 2.71, 2.74, 2.104, 2.105, 2.106, 2.111, 2.112, 2.146, 2.151, 2.173, 3.107, 3.111, 3.122, 3.126, 3.130, 3.132, 4.88 en 4.96 van het Bouwbesluit 2003, op richtlijn nr. 83/477/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 september 1983 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk (PbEG L 263, tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 8 van richtlijn nr. 80/1107/EEG), op richtlijn nr. 91/382/EEG van de Raad van 25 juni 1991 (PbEG L 206) tot wijziging van richtlijn nr. 83/477/EEG en artikel 1 van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning;

Besluit

's-Gravenhage 22 november 2002 De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, H.G.J.Kamp

In deze regeling wordt verstaan onder:

asbest:

stoffen of producten, die een of meer van de volgende vezelachtige silicaten bevatten:

besluit:

Bouwbesluit 2003;

CE-markering:

CE-markering als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn bouwproducten;

conformiteitscertificaat:

verklaring als bedoeld in artikel 13 in verbinding met artikel 14, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, van de richtlijn bouwproducten;

conformiteitsverklaring:

verklaring als bedoeld in artikel 13 in verbinding met artikel 14, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van de richtlijn bouwproducten;

Europese technische goedkeuring:

Europese technische goedkeuring als bedoeld in hoofdstuk III van de richtlijn bouwproducten;

geharmoniseerde norm:

Europese norm of geharmoniseerd document als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn bouwproducten, hetwelk door CEN of CENELEC in opdracht van de Commissie van de Europese gemeenschappen is aangenomen overeenkomstig de richtlijn nr. 98/34/EG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juni 1998 (PbEG L 217);

giftige stoffen:

stoffen of preparaten waarvan reeds een geringe hoeveelheid bij inademing of opneming via de mond of via de huid acute of chronische aandoeningen of de dood kan veroorzaken;

hoge spanning:

hoge spanning als bedoeld in NEN 1041 en V 1041;

hoofdweg:

hoofdweg als bedoeld in de Tracéwet;

hoofdvaarweg:

hoofdvaarweg als bedoeld in de Tracéwet;

lage spanning:

lage spanning als bedoeld in NEN 1010;

landelijke spoorweg:

landelijke spoorweg als bedoeld in de Tracéwet;

minister:

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

nationale technische specificatie:

technische specificatie als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de richtlijn bouwproducten en vastgesteld overeenkomstig de in dat lid en in artikel 5, tweede lid, van die richtlijn beschreven procedure;

rijbaan:

rijbaan als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

rijbaanvloer:

voor een rijbaan bestemd gedeelte van een vloer van een wegtunnelbuis;

tunnelbuislengte:

lengte van het omsloten gedeelte van een tunnelbuis;

V:

door de Hoofdcommissie voor de Normalisatie (een voorloper van de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut) uitgegeven leidraad;

ve:

vezelequivalent is een maat voor de carcinogene potentie van de soorten asbest en de vezellengte, waarbij geldt:

wegtunnelbuis:

gedeelte van een wegtunnel voor een rijbaan;

zeer giftige stoffen:

stoffen of preparaten waarvan reeds een zeer geringe hoeveelheid bij inademing of opneming via de mond of via de huid acute of chronische aandoeningen of de dood kan veroorzaken.

Een voorziening voor elektriciteit of noodstroom als bedoeld in artikel 2.55 van het besluit voldoet voor lage spanning aan NEN 1010 en voor hoge spanning aan V 1041.

Vervallen

Een voorziening voor drinkwater of warmwater als bedoeld in de artikelen 3.122 en 3.130 van het besluit voldoet aan NEN 1006.

Een voorziening voor drinkwater of warmwater als bedoeld in de artikelen 3.126 en 3.132 van het besluit voldoet aan NEN 1006.

De minister kan ten aanzien van bouwproducten als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de richtlijn bouwproducten, die niet vallen onder artikel 4, tweede lid, van die richtlijn, toestemming verlenen voor het in de handel brengen daarvan.

Een instelling die overeenkomstig artikel 16 van de richtlijn bouwproducten door de lidstaat van oorsprong is erkend met het oog op het afgeven van kwaliteitsverklaringen voor andere lidstaten, wordt gelijkgesteld met een door de minister aangewezen onafhankelijk deskundig instituut als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet.

De minister wijst een instelling aan die het in artikel 1.18 bedoelde stelsel coördineert en zorgdraagt voor de bekendmaking van de in dat artikel bedoelde kwaliteitsverklaringen.

Vervallen

De getalswaarde van de stijging van de concentratie van formaldehyde in de binnenlucht van een verblijfsgebied ten opzichte van de concentratie van formaldehyde in de buitenlucht, uitgedrukt in μg/m³, mag, voorzover deze concentratie afkomstig is uit een of meer constructie-onderdelen die dat verblijfsgebied begrenzen, dan wel uit een of meer in dat verblijfsgebied gelegen constructie-onderdelen, niet groter zijn dan:

2 + 3,17 • 10-6 • t4 • R + 0,86 • 10-3 • A • t • R + 1,5 • 10-3 • R²

waarin:

t is de getalswaarde van de luchttemperatuur in het te meten gebied onderscheidenlijk de te meten woonwagen, uitgedrukt in °C;

R is de getalswaarde van de relatieve luchtvochtigheid in het te meten gebied onderscheidenlijk de te meten woonwagen, uitgedrukt in %; en

A is de getalswaarde, uitgedrukt in m², van de verticale doorsnede van:

Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft afhankelijk van de oppervlakte van de daarop aangewezen ruimten en van de bezettingsgraadklasse van die ruimten een zodanige opvang- en doorstroomcapaciteit dat in geval van brand snel en veilig kan worden gevlucht. Daarbij kan rekening worden gehouden met gefaseerde ontruiming.

Bij de toepassing van NEN 1010 geldt het volgende:

Waar in artikel 3.81, eerste en tweede lid, van het besluit wordt verwezen naar NEN 1087 is bedoeld onderdeel 5.1 en onderdeel 5.3 van die norm.

Waar in artikel 2.193, eerste lid, van het besluit wordt verwezen naar NEN 1594 is bedoeld onderdeel 4.2 van die norm.

Bij de toepassing van NEN 2057 geldt het volgende:

Onderdeel 6.1 wordt gelezen als:

Projecteer de delen van de daglichtopening loodrecht op het projectievlak.

Vervallen

Bij de toepassing van NEN 2916 geldt het volgende:

Bij toepassing van NEN 5077 in de artikelen 3.1 tot en met 3.5 van het besluit worden de artikelen 4.6 tot en met 4.11 in acht genomen.

Bij de bepaling van de geluidwering ten gevolge van nachtelijk vliegverkeer wordt onderscheid gemaakt in de geluidwering voor startend en landend vliegverkeer. Hierbij wordt uitgegaan van de herleidingswaarden Ci volgens het spectrum voor startend en landend vliegverkeer, zoals opgenomen in tabel 4.1.

Tabel 4.1 - Herleidingswaarden(Ci) voor specifiek soorten buitengeluid

Waar in artikel 3.16 van het besluit wordt verwezen naar NEN 5078, is bedoeld: NEN-EN 12354-6.

Bij toepassing van de norm geldt, dat de in onderdeel 5.2.1 van die norm bedoelde waarde voor de correctie ten opzichte van de vorige norm, CEPC 1,12 is.

Waar in artikel 1.1, tweede lid, van het besluit wordt verwezen naar NEN 6090, is bedoeld:

Bij verbouw van een bouwwerk geen gebouw zijnde als bedoeld in artikel 2.4a van het besluit, geldt het volgende:

Tabel 1 Veiligheidsklassen voor bouwconstructies met betrekking tot bezwijken

Bij de toepassing van NEN-EN 81-72 geldt het volgende:

Bij de toepassing van NEN 2057 geldt het volgende:

Onderdeel 6.1 wordt gelezen als:

Projecteer de delen van de daglichtopening loodrecht op het projectievlak.

Bij de verwijzing in onderdeel 4.3.3 van NEN 2608 naar NEN 6700, NEN 6710, NEN 6760 en NEN 6770, zijn de artikelen 4.24, 4,27, 4,29 respectievelijk 4.30 van toepassing.

Waar in paragraaf 3.14.2 van het besluit wordt verwezen naar NEN 2757, is bedoeld: NEN 8757.

Bij de toepassing van NEN 3859 geldt het volgende:

Bij de toepassing van NEN 6068 geldt het volgende:

in de onderdelen 6.3, 6.4, 7.1.1, 7.2.1 en 7.2.2 blijven de verwijzingen naar de normen NEN 6071, NEN 6072 en NEN 6073, buiten toepassing.

Bij toepassing van NEN 6069 zijn bij de verwijzing in de onderdelen A.A.1.1, A.A.1.2 en A.A.2.1 van deze norm naar NEN 6700, NEN 6710, NEN 6720, NEN 6760, NEN 6770 en NEN 6790 de artikelen 4.24, 4.27, 4.28, 4.29, 4.30 respectievelijk 4.31 van deze regeling van toepassing.

Waar in artikel 1.1, tweede lid, van het besluit is verwezen naar NEN 6090, is bedoeld:

Bij de toepassing van NEN 6707 geldt het volgende:

Bij de toepassing van NEN 6710 geldt het volgende:

Bij de toepassing van NEN 6720 geldt het volgende:

Bij de toepassing van NEN 6760 geldt het volgende:

Bij de toepassing van NEN 6770 geldt het volgende:

Bij de toepassing van NEN 6790 geldt het volgende:

Waar in artikel 3.89 van het besluit is verwezen naar NEN 8087, is bedoeld onderdeel 4.1 of 4.3 van die norm.

Vervallen

Vervallen

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.9, zevende lid, van het besluit voldaan, indien een uiterste grenstoestand van een hoofddraagconstructie van een wegtunnelbuis gedurende 60 minuten, en voorzover deze onder open water ligt 120 minuten, niet wordt overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.12, vijfde lid, van het besluit voldaan, indien een uiterste grenstoestand van een hoofddraagconstructie van een wegtunnelbuis gedurende 30 minuten, en voorzover deze onder open water ligt 60 minuten, niet wordt overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.24, tweede lid, van het besluit voldaan, indien:

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.26, tweede lid, van het besluit voldaan, indien:

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.27, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.28, vijfde lid, 2.29, eerste lid, 2.30, eerste en tweede lid, en 2.31 van het besluit.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.46, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.47, 2.48, 2.49 en 2.50 van het besluit.

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.52, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.53, 2.54 en 2.55 van het besluit.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.56, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.58, 2.59, derde en vierde lid, 2.60 en 2.61, tweede lid, van het besluit en van artikel 5.9.

Een wegtunnel heeft een verlichtingsinstallatie die een vloer, een trap en een hellingbaan kan verlichten met een verlichtingssterkte van ten minste 10 lux.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.59, derde lid, van het besluit voldaan, indien een verlichtingsinstallatie als bedoeld in artikel 5.9 is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, van het besluit.

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.63, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.65, 2.66, derde en vierde lid, en 2.67 van het besluit en van artikel 5.12.

Een wegtunnel heeft een verlichtingsinstallatie die een vloer, een trap en een hellingbaan kan verlichten met een verlichtingssterkte van ten minste 10 lux.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.66, derde lid, van het besluit voldaan, indien een verlichtingsinstallatie als bedoeld in artikel 5.12 is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.53, tweede lid, van het besluit.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.103, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.104, eerste en derde lid, 2.105, eerste en achtste lid, 2.106, eerste en vijfde lid, 2.107 van het besluit en van artikel 5.17.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wordt de eerste volzin van artikel 2.104, eerste lid, van het besluit als volgt gelezen:

Een besloten ruimte en een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m liggen in een brandcompartiment.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wordt artikel 2.105, achtste lid, van het besluit als volgt gelezen:

8. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen, ten minste iedere 20 m gemeten in de lengterichting roosters of andere voorzieningen die deze stoffen voldoende kunnen afvoeren.

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.110, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.111, eerste en derde lid, 2.112, eerste en zevende lid, 2.113 en 2.114 van het besluit en van artikel 5.21.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wordt de eerste volzin van artikel 2.111, eerste lid, van het besluit als volgt gelezen:

Een besloten ruimte en een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m liggen in een brandcompartiment.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wordt artikel 2.112, zevende lid, van het besluit als volgt gelezen:

7. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen op een afvoervoorziening aangesloten voorzieningen die deze stoffen voldoende kunnen afvoeren.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.134, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.135, eerste lid, 2.137 en 2.138 van het besluit.

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.140, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.141, 2.143 en 2.144 van het besluit.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.145, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.148, tweede tot en met vierde lid, van het besluit en van artikel 5.25.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m, worden het tweede tot en met vierde lid van artikel 2.148 van het besluit als volgt gelezen:

2. De loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een toegang van het rookcompartiment is ten hoogste 150 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. Deze route heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2.1 m. De breedte geldt niet voorzover deze route over een trap voert. De afstand tussen twee toegangen is ten hoogste 250 m.

3. Een toegang van een rookcompartiment heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2.1 m.

4. Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.150, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.152, eerste tot en met derde lid, van het besluit en artikel 5.27.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m worden het eerste tot en met derde lid van artikel 2.152 van het besluit als volgt gelezen:

1. De loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een toegang van het rookcompartiment is ten hoogste 150 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. Deze route heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,7 m en een hoogte van ten minste 1,9 m. De afstand tussen twee toegangen is ten hoogste 250 m.

2. Een toegang van een rookcompartiment heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,7 m en een hoogte van ten minste 1,9 m.

3. Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.153, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.154, eerste lid en 2.156, eerste lid, van het besluit.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m, wordt artikel 2.156, eerste lid, van het besluit als volgt gelezen:

1. Ter plaatse van een toegang van een rookcompartiment begint een rookvrije vluchtroute.

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.160, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.161, eerste lid, en 2.163, eerste lid van het besluit.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m, wordt artikel 2.163, eerste lid, van het besluit als volgt gelezen:

1. Ter plaatse van een toegang van een rookcompartiment begint een rookvrije vluchtroute.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.166, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.167, eerste en tweede lid, 2.168, 2.169, 2.170, eerste lid, 2.171, eerste lid, 2.173 en 2.174, van het besluit.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m worden het eerste en tweede lid van artikel 2.167 van het besluit als volgt gelezen:

1. Een toegang waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2,1 m.

2. Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m en een hoogte van ten minste 2,1 m. De breedte geldt niet voor een verkeersroute voorzover deze over een trap voert en niet voor een toegang.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wordt artikel 2.171, eerste lid, van het besluit als volgt gelezen:

1. Een deur die in een rookvrije vluchtroute ligt draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.176, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.176, eerste en tweede lid, 2.177, 2.178, 2.179, 2.180, eerste lid, en 2.182 van het besluit.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m worden het eerste en tweede lid van artikel 2.176 van het besluit als volgt gelezen:

1. Een toegang waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,7 m en een hoogte van ten minste 1,9 m.

2. Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,7 m en een hoogte van ten minste 1,9 m.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wordt artikel 2.180, eerste lid, van het besluit als volgt gelezen:

1. Een deur die in een rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.183, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van artikel 2.186, tweede lid, van het besluit en van artikel 5.39.

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.188, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.189 van het besluit en van artikel 5.41.

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.190, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.191, eerste lid, 2.192, eerste lid, en 2.193, eerste lid, van het besluit.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.191, eerste lid, van het besluit voldaan, indien een wegtunnelbuis een blusleiding heeft.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wordt artikel 2.192, eerste lid, van het besluit als volgt gelezen:

1. Een in artikel 2.191 van het besluit bedoelde blusleiding heeft een brandslangaansluiting in een hulppost als bedoeld in artikel 5.39.

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.196, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 2.197, tweede lid, 2.198 en 2.199 van het besluit.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.197, tweede lid, van het besluit voldaan, indien een wegtunnelbuis een blusleiding heeft.

Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m wordt artikel 2.198 van het besluit als volgt gelezen:

Artikel 2.198

Een in artikel 2.197 van het besluit bedoelde blusleiding heeft een brandslangaansluiting in een hulppost als bedoeld in artikel 5.41.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 3.67, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 3.68, vijfde lid, en 3.69, vijfde lid, van het besluit en van de artikelen 5.49 en 5.50.

Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de component voor afvoer van lucht als bedoeld in de in artikel 3.68, vijfde lid, van het besluit bedoelde voorziening voor luchtverversing mechanisch.

Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht als bedoeld in artikel 3.68, vijfde lid, van het besluit rechtstreeks van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

Voor een bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 3.74, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 3.75, vijfde lid, en 3.76, vijfde lid, van het besluit en van de artikelen 5.52 en 5.53.

Bij een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de component voor afvoer van lucht als bedoeld in de in artikel 3.75, vijfde lid, van het besluit bedoelde voorziening voor luchtverversing mechanisch.

Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht als bedoeld in artikel 3.75, vijfde lid, van het besluit rechtstreeks van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

Voor een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 4.65, tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan door toepassing van de artikelen 4.66, eerste lid, 4.67, derde lid, en 4.69 van het besluit.

Een buiten de bebouwde kom gelegen te bouwen wegtunnel voor twee rijrichtingen met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft ten minste twee wegtunnelbuizen.

Een te bouwen wegtunnelbuis met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een rijbaanvloer met een helling van ten hoogste 1 : 20.

Een te bouwen wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een voorziening die een uit oogpunt van verkeersveiligheid voldoende geleidelijke overgang van daglicht naar kunstlicht waarborgt.

Een te bouwen wegtunnelbuis met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft, voor een doelmatige doorgang voor wegvoertuigen, een vloer met een breedte van ten minste 7 m en een hoogte boven die breedte van ten minste 4,2 m.

Een buiten de bebouwde kom gelegen bestaande wegtunnel voor twee rijrichtingen met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft ten minste twee wegtunnelbuizen.

Een buiten de bebouwde kom gelegen bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een voorziening die een uit oogpunt van verkeersveiligheid voldoende geleidelijke overgang van daglicht naar kunstlicht waarborgt.

De Regeling Bouwbesluit nieuwbouw 1998, de Regeling Bouwbesluit bestaande bouw 1998, de Regeling Bouwbesluit materialen 1998, de Regeling Bouwbesluit aansluitvoorwaarden en de Regeling Bouwbesluit CE-markeringen en erkende kwaliteitsverklaringen worden ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2003.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Bouwbesluit 2003

Toetsingscriteria voor certificatie- en inspectie-instellingen en testlaboratoria in het kader van de richtlijn bouwproducten.

De basis voor de toetsing van te notificeren instellingen is de EN 45000 serie, of NEN-EN-ISO/IEC 17025:2000 (onderdeel 3.3 van het Guidance Paper A, Construct 00/402 Rev 1, `The designation of notified bodies in the field of the construction products directive', d.d. 1 augustus 2002.

Niet alle onderdelen van bovengenoemde normen zijn van toepassing voor de toetsing. Hieronder is een nadere specificatie van de relevante onderdelen gegeven.

Aan artikel 1.13, eerste lid, onder c, wordt voldaan indien voor:

Aan artikel 1.13, eerste lid, onder d, wordt voldaan indien voor:

Aan artikel 1.13, eerste lid, onder e, wordt voldaan indien voor:

Aan artikel 1.13, eerste lid, onder f, wordt voldaan indien voor:

Aan artikel 1.13, eerste lid, onder g, wordt voldaan indien voor:

Voorwaarden met betrekking tot het uitbesteden van werkzaamheden in het kader van artikel 16 of 18 van de richtlijn bouwproducten.