Ministeriële regeling · BWBR0017959
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Gelet op artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
Besluit:
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, M.C.F.VerdonkVoor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
Onze Minister: de Minister van Asiel en Migratie;
- b.
het COA: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
- c.
asielaanvraag: een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000;
- d.
asielzoeker: een vreemdeling wiens vrijheid niet rechtens is ontnomen, door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend;
- e.
alleenstaande minderjarige vreemdeling: een asielzoeker die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en die zonder begeleiding of verzorging van een ouder of voogd in Nederland verblijft;
- f.
gezinsleden: de volgende leden van het gezin van de asielzoeker die in verband met de asielaanvraag in Nederland aanwezig zijn, voor zover het gezin reeds bestond vóór de asielzoeker op het grondgebied van de lidstaten aankwam:
- 1°.
echtgenoten of aan gehuwden gelijkgestelde partners;
- 2°.
hun minderjarige of meerderjarige kinderen, mits zij ongehuwd en van hen afhankelijk zijn;
- 3°.
de vader, moeder, of een andere volwassene, met inbegrip van een meerderjarige zus of broer, die volgens het recht of de praktijk in Nederland verantwoordelijk is voor de minderjarige en ongehuwde asielzoeker.
Bij toepassing van 2° en 3° wordt een minderjarige op basis van een individuele beoordeling als ongehuwd beschouwd, indien er naar Nederlands recht geen sprake is een rechtsgeldig huwelijk, met name gelet op de wettelijke huwelijksleeftijd;
- 1°.
- g.
minderjarig: de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt hebbende;
- h.
uitgenodigde vluchtelingen: vreemdelingen die, na een verzoek daartoe van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) op uitnodiging van de Nederlandse regering in Nederland verblijven;
- i.
Opvangrichtlijn: Richtlijn 2024/1346/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming;
- j.
contra-expertise: een onderzoek dat op verzoek van de asielzoeker wordt verricht door een door de asielzoeker zelf geselecteerde, onafhankelijke deskundige, die niet betrokken was bij het onderzoek door of ten behoeve van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, op basis van hetzelfde materiaal dat voor dat onderzoek werd gebruikt;
- k.
handhavings- en toezichtlocatie: een aparte opvangvoorziening voor asielzoekers van 16 jaar en ouder met een streng regime, waar zij door het COA kunnen worden geplaatst als zij overlast veroorzaken in de reguliere opvangvoorziening waar zij verblijven, dan wel wanneer zij een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd hebben gekregen als bedoeld in artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000, die strekt tot verblijf in het in de maatregel aangegeven gebied in en om de handhavings- en toezichtlocatie;
- l.
exploitatie: de uitvoering van alle taken die behoren bij het voorzien in de materiële en immateriële opvang van asielzoekers in de opvangvoorziening, bedoeld in de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, en het faciliteren van de taken die voor de uitvoeringsorganisaties in de migratieketen voortvloeien uit de Vreemdelingenwet 2000, de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers en Unierechtelijke verplichtingen;
- m.
materiële opvangvoorzieningen: de opvangvoorzieningen met inbegrip van huisvesting, voedsel, kleding en producten voor persoonlijke hygiëne, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt of een combinatie van deze drie, alsmede een dagvergoeding;
- n.
immateriële opvang: de immateriële aspecten van het leven in een opvangvoorziening, met inbegrip van medische en psychische behandeling en verzorging, recreatieve activiteiten en sociaal-culturele activiteiten;
- o.
persoon met bijzondere opvangbehoeften: een asielzoeker die bijzondere omstandigheden of waarborgen behoeft om gebruik te kunnen maken van de rechten en te kunnen voldoen aan de verplichtingen die in de Opvangrichtlijn zijn vastgesteld;
- p.
Procedureverordening: Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU;
- q.
Asiel- en migratiebeheerverordening: Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en (EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013.
Deze regeling heeft uitsluitend betrekking op een asielzoeker en de daarmee gelijkgestelde categorieën, als bedoeld in artikel 3 derde en vierde lid van deze regeling, die niet beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, als bedoeld in de Participatiewet.
Het COA kan deze regeling tevens van toepassing verklaren op een asielzoeker die beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, indien dringende redenen daartoe noodzaken.
Het COA verstrekt aan de asielzoeker, bedoeld in artikel 3, binnen een redelijke termijn van ten hoogste drie dagen na de indiening van de asielaanvraag informatie over:
- a.
de geldende rechten en de verplichtingen die hij moet nakomen in verband met de opvangvoorzieningen;
- b.
organisaties of groepen van personen die specifieke rechtsbijstand verlenen met inbegrip van informatie over organisaties of groepen van personen die dit kosteloos doen;
- c.
de opvangvoorzieningen, waaronder medische zorg.
Het COA zorgt ervoor dat de in het derde lid bedoelde informatie schriftelijk wordt verstrekt in een beknopte, transparante, begrijpelijke en toegankelijke vorm en in een taal die de asielzoeker begrijpt of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt. Indien nodig wordt de informatie ook mondeling of in visuele vorm verstrekt.
In het geval van een alleenstaande minderjarige vreemdeling verstrekt het COA de in het derde lid bedoelde informatie op een leeftijdsgeschikte en passende wijze, zodanig dat de vreemdeling die informatie begrijpt, door in voorkomend geval gebruik te maken van speciaal op minderjarigen afgestemd informatiemateriaal. Die informatie wordt verstrekt in aanwezigheid van de vertegenwoordiger of van de persoon die voorlopig geschikt is om op te treden als de vertegenwoordiger.
In uitzonderlijke gevallen kan het COA de in het derde lid bedoelde informatie aan de asielzoeker verstrekken door middel van een mondelinge vertaling of, in voorkomend geval, in een visuele vorm zoals video’s of pictogrammen, indien:
- a)
het COA niet in staat is om die informatie binnen de in het derde lid gestelde termijn schriftelijk te verstrekken, omdat de taal die een asielzoeker begrijpt of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, een zeldzame taal is, en
- b)
die asielzoeker vervolgens bevestigt dat hij de verstrekte informatie begrijpt.
In de gevallen, bedoeld in het zesde lid, verstrekt het COA zo snel mogelijk alsnog een schriftelijke vertaling van de in het derde lid bedoelde informatie aan de asielzoeker, tenzij duidelijk is dat een dergelijke verstrekking niet meer nodig is.
Het COA draagt zorg voor de centrale opvang van asielzoekers door erin te voorzien dat hen opvang wordt geboden in een opvangvoorziening.
Tot de in het eerste lid bedoelde categorieën asielzoekers aan wie opvang wordt geboden behoren:
- a.
de asielzoeker als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d van deze regeling;
- b.
de asielzoeker als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e van deze regeling.
Met de in het vorige lid bedoelde categorieën asielzoekers worden gelijkgesteld:
- a.
de vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen en ten aanzien van wie een daartoe strekkend en tijdig ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om de behandeling van het beroeps- en hoger beroepsschrift in Nederland te mogen afwachten, is toegewezen;
- b.
een alleenstaande minderjarige vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen;
- c.
de vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 of 28 van de Vreemdelingenwet 2000, is verleend en die, met inachtneming van artikel 12, reeds in de centrale opvang verblijft, dan wel verblijft in de handhavings- en toezichtlocatie in afwachting van het betrekken van woonruimte in een gemeente;
- d.
de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ingediend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid indien sprake is van gezinshereniging met een asielzoeker aan wie met toepassing van deze regeling opvang wordt geboden;
- e.
de vreemdeling die niet in een opvangvoorziening verblijft als bedoeld in artikel 1 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, en die in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, of in het bezit wordt gesteld van een asielgerelateerde verblijfsvergunning, vanaf het moment van vergunningverlening tot het moment waarop huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, of vanaf het moment dat een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt, tenzij de vreemdeling reeds van overheidswege in een opvangvoorziening is gehuisvest;
- f.
de vreemdeling wiens uitzetting op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 achterwege blijft, met uitzondering van de vreemdeling die in afwachting is van de definitieve beslissing op zijn verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 en die niet een uitgeprocedeerde asielzoeker is en die evenmin een vreemdeling is die in afwachting is van de uitspraak in hoger beroep in zijn asielprocedure;
- g.
de vreemdeling aan wie in verband met het onderzoek naar de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke zorg in zijn land van herkomst voorlopig uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend in afwachting van de definitieve beslissing op zijn verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;
- h.
de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of h van de Vreemdelingenwet 2000, en zich, naar het oordeel van Onze Minister, feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;
- i.
de vreemdeling op wie een besluit als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is;
- j.
de vreemdeling op wie een besluit als bedoeld in artikel 45, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is;
- k.
de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 wordt verstrekt;
- l.
de uitgenodigde vluchteling, ook en indien reeds een verblijfsvergunning is verleend;
- m.
de vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen en die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van een door de president van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens getroffen voorlopige maatregel (‘interim measure’) waarin is bepaald dat de vreemdeling vooralsnog niet mag worden uitgezet;
- n.
de uitgeprocedeerde asielzoeker of de vreemdeling die in afwachting is van de uitspraak in hoger beroep in zijn asielprocedure met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000, die voorafgaand aan de indiening van een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking ‘medische behandeling’ zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd;
- o.
de uitgeprocedeerde asielzoeker aan wie een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking ‘verblijf voor het ondergaan van medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ is verleend op basis van voorafgaand aan de aanvraag overgelegde complete en actuele medische gegevens;
- p.
de uitgeprocedeerde asielzoeker of de vreemdeling die in afwachting is van de uitspraak in hoger beroep in zijn asielprocedure met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000, die voorafgaand aan de aanvraag om verblijf op medische gronden zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd;
- q.
de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder m, van de Vreemdelingenwet 2000;
- r.
de vreemdeling die in het bezit is gesteld van een machtiging tot voorlopig verblijf als bedoeld in artikel 1a, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 en voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van die wet;
- s.
de vreemdeling aan wie op grond van de Afsluitingsregeling Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend.
Het COA draagt zorg voor de centrale opvang van andere categorieën vreemdelingen, als bedoeld in artikel 3, tweede, lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, na een verzoek hiertoe van Onze Minister.
In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Minister andere regels inzake materiële opvangvoorzieningen vaststellen en aan het COA de bevoegdheid verlenen om bepaalde categorieën asielzoekers uit te sluiten van opvang indien:
- a.
de gewoonlijk beschikbare huisvestingscapaciteit tijdelijk uitgeput is;
- b.
een beoordeling van de specifieke situatie en bijzondere opvangbehoeften van een kwetsbare asielzoeker vereist is.
Aan een asielzoeker op wie het eerste lid is toegepast, worden vervangende verstrekkingen verleend, die in elk geval de basisbehoeften dekken.
Er bestaat geen recht op opvang:
- a.
indien de asielzoeker niet binnen 24 uur na doorverwijzing door het COA naar de opvang in de opvangvoorziening arriveert;
- b.
indien de asielzoeker een onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of Zwitserland;
- c.
indien de asielzoeker tot ongewenst vreemdeling als bedoeld in artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 is verklaard, of tegen de asielzoeker een inreisverbod als bedoeld in artikel 66a van die wet is uitgevaardigd en hij geen rechtmatig verblijf heeft;
- d.
door het enkele beroep van de asielzoeker op artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 of op de daarmee gelijkgestelde feitelijk situatie, bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder h.
Het recht op opvang van een asielzoeker wiens asielaanvraag die recht op opvang heeft gegeven is afgewezen, eindigt indien de vertrektermijn als bedoeld in artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 is verstreken, tenzij de uitzetting van betrokkene ingevolge de Vreemdelingenwet 2000, de Procedureverordening of een rechterlijke uitspraak achterwege dient te blijven.
Het recht op opvang van een alleenstaande minderjarige vreemdeling eindigt:
- a.
indien de asielaanvraag die recht heeft gegeven op opvang is afgewezen en de uitzetting kan worden geëffectueerd, op de dag waarop de uitzetting wordt geëffectueerd;
- b.
indien vervolgopvang kan worden geboden door of in opdracht van de rechtspersoon, als bedoeld in artikel 1:302, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, op de dag waarop vervolgopvang kan worden geboden;
- c.
op de dag na de dag waarop de 18-jarige leeftijd is bereikt, dan wel indien in de vreemdelingrechtelijke procedure onaantastbaar is vastgesteld dat de vreemdeling meerderjarig is, en de vreemdeling ook op grond van zijn asielaanvraag geen recht op opvang heeft.
- d.
indien het een alleenstaande minderjarige vreemdeling betreft die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen, wiens aanwezigheid in Nederland gelet op artikel 17, vierde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, niet langer vereist is, en dit in overeenstemming is met artikel 18 van de Asiel- en migratiebeheerverordening, met dien verstande dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling tot het moment van feitelijke overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat recht houdt op de verstrekkingen, genoemd in artikel 9. Ook duren de verplichtingen die de alleenstaande minderjarige vreemdeling gedurende zijn verblijf in de opvang heeft op grond van Hoofdstuk V voort.
Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen:
- a.
indien het een asielzoeker betreft aan wie een verblijfsvergunning is verleend:
- •
op de dag waarop naar het oordeel van het COA huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, of;
- •
op de dag waarop een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt, met dien verstande dat de vreemdeling aan wie een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt buiten de opvangvoorziening nog gedurende een periode van maximaal zes maanden recht heeft op de in artikel 9b, vierde lid, genoemde verstrekkingen;
- •
- b.
indien het een asielzoeker betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag die recht geeft op opvang: op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden;
- c.
indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder d van deze regeling opvang is geboden:
- •
op de dag waarop voor de asielzoeker met wie gezinshereniging wordt beoogd naar het oordeel van het COA huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, of;
- •
op de dag waarop een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt, met dien verstande dat de vreemdeling aan wie een gemeente tijdelijk onderdak ter beschikking stelt buiten de opvangvoorziening nog gedurende een periode van maximaal zes maanden recht heeft op de in artikel 9b, vierde lid, genoemde verstrekkingen;
- •
- d.
indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder f en g van deze regeling opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;
- e.
indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder h van deze regeling opvang is geboden: op de dag na de dag waarop naar het oordeel van Onze Minister niet langer sprake is van feitelijk dezelfde situatie, als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;
- f.
indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder i van deze regeling opvang is geboden: vier weken na de dag waarop het besluit, als bedoeld in artikel 45 vierde lid van de Vreemdelingenwet 2000, is ingetrokken;
- g.
indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder j van deze regeling opvang is geboden: vier weken na de dag waarop het besluit, als bedoeld in artikel 45, zesde lid van de Vreemdelingenwet 2000 is ingetrokken;
- h.
indien een asielzoeker tot ongewenst vreemdeling als bedoeld in artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 is verklaard of indien het een asielzoeker betreft jegens wie een inreisverbod als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van die wet geldt en de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft: onmiddellijk;
- i.
indien het een asielzoeker betreft die niet binnen 48 uur na overplaatsing in een opvangvoorziening dan wel in de handhavings- en toezichtlocatie, arriveert: op het moment waarop deze termijn verstrijkt;
- j.
indien het een asielzoeker betreft die twee opeenvolgende malen niet heeft voldaan aan de meldplicht bij de Vreemdelingenpolitie: twee weken nadat hij voor de eerste maal heeft verzuimd zich bij de Vreemdelingenpolitie te melden;
- k.
indien een asielzoeker onjuiste gegevens heeft verstrekt danwel gegevens heeft achtergehouden, met het oogmerk om aldus voor zichzelf of voor degenen voor wie hij zorgt, ten onrechte een aanspraak te doen ontstaan op de verstrekkingen bedoeld in artikel 9 van deze regeling, danwel ten onrechte de hoogte van de verstrekkingen te doen stijgen;
- l.
indien een asielzoeker niet de instemming heeft verkregen als bedoeld in artikel 12 van deze regeling;
- m.
indien het een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder o, van deze regeling opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h,van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;
- n.
indien het een vreemdeling betreft die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen, wiens aanwezigheid in Nederland gelet op artikel 17, vierde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, niet langer vereist is, en dit in overeenstemming is met artikel 18 van de Asiel- en migratiebeheerverordening, met dien verstande dat de vreemdeling tot het moment van feitelijke overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat recht heeft op de verstrekkingen, genoemd in artikel 9a. Minderjarige vreemdelingen in gezinsverband behouden recht op de verstrekkingen, genoemd in artikel 9. Ook duren de verplichtingen die een vreemdeling gedurende zijn verblijf in de opvang heeft op grond van Hoofdstuk V voort.
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is niet van invloed op het moment van het eindigen van het recht op opvang.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder e, eindigt het recht op opvang indien het een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft, die voorafgaand aan de aanvraag op medische gronden zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd, aan wie met toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder g, van deze regeling opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd.
Vervallen
De opvang in een opvangvoorziening omvat in elk geval de volgende verstrekkingen:
- a.
onderdak in opvangvoorzieningen die een toereikend huisvestingsniveau bieden of in particuliere huizen, appartementen, hotels of andere voor de huisvesting van asielzoekers aangepaste ruimten;
- b.
een wekelijkse financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding, producten voor persoonlijke hygiëne en andere persoonlijke uitgaven;
- c.
openbaar vervoerskaarten voor reizen van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure afgezien van de dagen die beschikbaar zijn voor het onderzoek naar de asielaanvraag gedurende de algemene asielprocedure;
- d.
recreatieve en educatieve activiteiten;
- e.
de dekking van de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling;
- f.
een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid;
- g.
betaling van buitengewone kosten.
Zo spoedig mogelijk nadat een asielzoeker voor de eerste keer in een opvangvoorziening is opgevangen, vindt een eerste onderzoek naar zijn gezondheidstoestand plaats.
Het COA zorgt ervoor dat tijdens het verblijf in de opvangvoorziening:
- a.
de asielzoeker bescherming van zijn gezinsleven geniet;
- b.
de asielzoeker de mogelijkheid heeft om te communiceren met familieleden, juridisch adviseurs of raadslieden en vertegenwoordigers van de Hoge Commissaris der Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) en andere relevante nationale, internationale en niet-gouvernementele organisaties en instanties;
- c.
familieleden, juridisch adviseurs of raadslieden, vertegenwoordigers van de UNHCR en relevante door de Minister erkende niet-gouvernementele organisaties toegang hebben tot de opvangvoorziening zodat zij de asielzoeker kunnen bijstaan;
- d.
de asielzoeker een programma voor educatie en ontwikkeling wordt geboden.
De toegang, bedoeld in het derde lid, onder c, kan slechts worden beperkt om redenen die verband houden met de veiligheid van de opvangvoorziening en van de asielzoekers.
Elke opvangvoorziening heeft een door het COA opgesteld huishoudelijk reglement waarin tenminste passende maatregelen zijn opgenomen om geweldpleging, met inbegrip van geweld met seksuele, gender-, racistische of religieuze motieven, te voorkomen.
Onze Minister kan een uitzondering maken op het vijfde lid indien de materiële opvang wordt verstrekt in particuliere huizen, appartementen, hotels of andere voor de huisvesting van asielzoekers aangepaste ruimten.
Het aanbieden van recreatieve en educatieve activiteiten en het in bruikleen geven van gebruiksvoorwerpen kan afhankelijk worden gesteld van de betaling van een waarborgsom door de asielzoeker.
Het personeel dat in de opvangvoorziening werkt moet een passende opleiding hebben. Personen die met personen met bijzondere opvangbehoeften werken, moeten passend onderricht over hun behoeften gevolgd hebben en blijven volgen.
Een vreemdeling die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen heeft recht op de volgende verstrekkingen:
- a.
onderdak in opvangvoorzieningen die een toereikend huisvestingsniveau bieden;
- b.
voedsel, kleding en producten voor persoonlijke hygiëne, middels een wekelijkse financiële toelage als bedoeld in artikel 14, dan wel in natura;
- c.
reiskosten voor noodzakelijk medisch vervoer en voor vervoer van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure;
- d.
dekking van de noodzakelijke medische zorgkosten.
Behoudens de uitzonderingen in het tweede tot en met vijfde lid is, op de vreemdeling aan wie een gemeente tijdelijk onderdak beschikbaar stelt, deze regeling van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 10, 12, 18 en 19.
Een vreemdeling als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder c, e, k en I, van deze regeling, aan wie de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 14 of 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend, waarvoor een gemeente tijdelijk onderdak beschikbaar stelt, is uitgesloten van de verstrekkingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, c en d, van deze regeling.
De uitsluiting van de verstrekkingen, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats vanaf het moment dat het tijdelijk onderdak voor de vreemdeling beschikbaar is.
Het COA verstrekt aan de vreemdeling aan wie een gemeente tijdelijk onderdak beschikbaar stelt, de verstrekkingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, e, f en g, van deze regeling, gedurende een periode van maximaal zes maanden.
In afwijking van het derde lid wordt de financiële toelage ten behoeve van voedsel, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van deze regeling, niet verstrekt aan de vreemdeling indien hij in het tijdelijk onderdak niet zelf zijn eigen maaltijden kan verzorgen. In dat geval worden de maaltijden van de vreemdeling verzorgd door de gemeente die het tijdelijk onderdak beschikbaar stelt.
Het COA verstrekt aan een vreemdeling waarvoor een gemeente tijdelijk onderdak beschikbaar stelt gedurende een periode van maximaal zes maanden een wekelijkse financiële toelage van € 75,–.
Indien het tijdelijk onderdak ter beschikking is gesteld aan een gezin, verstrekt het COA gedurende een periode van maximaal zes maanden aan het eerste gezinslid een wekelijkse financiële toelage van € 75,–, aan een tweede gezinslid een wekelijkse financiële toelage van € 25,– en aan een derde en vierde gezinslid een wekelijkse financiële toelage van € 12,50. De wekelijkse financiële toelage per gezin bedraagt in totaal niet meer dan € 125,–.
Het COA kan de verstrekkingen als bedoeld in artikel 9 beperken, en de wekelijkse financiële toelage als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, beperken of intrekken, indien de asielzoeker:
- a.
de door het COA vastgestelde opvangvoorziening heeft verlaten zonder het COA op de hoogte stellen of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming;
- b.
gedurende twee weken niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder e, dan wel gedurende twee opeenvolgende keren niet heeft voldaan aan de verplichting bedoeld in artikel 19, tweede lid;
- c.
gedurende twee weken niet heeft voldaan aan verzoeken van het COA om informatie te verstrekken, met inbegrip van gegevens die nodig zijn voor het realiseren van de opvang, waaronder in elk geval zijn naam geboortedatum, nationaliteit, land van herkomst, gezinssamenstelling, vermogenspositie en de datum waarop door of ten behoeve van hem een asielaanvraag is ingediend;
- d.
twee opeenvolgende malen niet is verschenen voor een gehoor betreffende de asielprocedure;
- e.
een opvolgende asielaanvraag, als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000, heeft ingediend nadat een definitieve beslissing, met inbegrip van een expliciete of impliciete intrekking, over een vorige asielaanvraag is genomen;
- f.
financiële middelen verborgen heeft gehouden en daardoor ten onrechte van de opvangvoorzieningen gebruik heeft gemaakt;
- g.
een hem overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, tweede lid, in rekening gebrachte tegemoetkoming in de kosten van opvang niet betaalt;
- h.
ernstig of herhaaldelijk inbreuk maakt op de verplichtingen, bedoeld in artikel 19, eerste lid;
- i.
zich in de opvangvoorziening op gewelddadige of dreigende wijze heeft gedragen.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, kunnen ook andere materiële opvangvoorzieningen dan de wekelijkse financiële toelage als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, worden ingetrokken.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d, wordt, wanneer de asielzoeker zich bij het COA meldt, een gemotiveerde, op de redenen voor de verdwijning gebaseerde beslissing genomen inzake het opnieuw verstrekken van sommige of alle beperkte of ingetrokken verstrekkingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, mits de asielzoeker recht heeft op opvang als bedoeld in artikel 3.
De beslissing, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt gemotiveerd en genomen op grond van de specifieke situatie van de asielzoeker.
De verstrekkingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, worden niet beperkt of ingetrokken voordat de beslissing, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid is genomen.
Een asielzoeker wordt alleen overgeplaatst indien dit noodzakelijk is.
De asielzoeker aan wie een verblijfsvergunning is verleend en die in afwachting is van het betrekken van woonruimte in een gemeente krijgt de verstrekkingen, bedoeld in artikel 9 eerste lid van deze regeling, aangeboden indien het COA hiermee heeft ingestemd.
De asielzoeker, bedoeld in het eerste lid, zal zich iedere twee weken bij het COA moeten melden en de instemming bedoeld in het eerste lid moeten hebben verkregen.
Vervallen
De door de asielzoeker te ontvangen wekelijkse financiële toelage, bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van deze regeling, bestaat uit een bedrag ten behoeve van voedsel en een bedrag ten behoeve van kleding, producten voor persoonlijke hygiëne en andere persoonlijke uitgaven.
De hoogte van het bedrag ten behoeve van voedsel, bedoeld in het eerste lid, in de opvangvoorziening waarin de bewoners volledig zelf het eigen eten verzorgen, wordt berekend aan de hand van de volgende bedragen per persoon, per week:
- a.
bij een één- of tweepersoonshuishouden: volwassene en alleenstaande minderjarige vreemdeling: € 60,27, kind tot 18 jaar: € 49,98;
- b.
bij een driepersoonshuishouden: volwassene: € 51,23, kind tot 18 jaar: € 42,48;
- c.
bij een huishouden van vier of meer personen: volwassene: € 45,20, kind tot 18 jaar: € 37,49.
De hoogte van het bedrag ten behoeve van voedsel, bedoeld in het eerste lid, in de opvangvoorziening waarin de bewoners het ontbijt en een tweede maaltijd zelf verzorgen en niet de hoofdmaaltijd, wordt berekend aan de hand van het volgende bedrag per persoon, per week:
- a.
bij een één- of tweepersoonshuishouden: volwassene en alleenstaande minderjarige vreemdeling: € 41,02, kind tot 18 jaar: € 34,93;
- b.
bij een driepersoonshuishouden: volwassene: € 34,87, kind tot 18 jaar: € 29,69;
- c.
bij een huishouden van vier of meer personen: volwassene: € 30,77, kind tot 18 jaar: € 26,20.
De hoogte van het bedrag voor kleding, producten voor persoonlijke hygiëne en andere persoonlijke uitgaven, bedoeld in het eerste lid, is: € 15,19 per persoon, per week.
De financiële toelage wordt iedere week op door het COA vastgestelde tijdstippen en plaats aan de asielzoeker beschikbaar gesteld.
Geen financiële toelage wordt verstrekt aan een kind drie maanden nadat het recht op een uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet is ontstaan.
De financiële toelage voor een asielzoeker jonger dan 18 jaar, die een kind is van, of verzorgd wordt door een of meer in de desbetreffende opvangvoorziening verblijvende asielzoekers wordt uitbetaald aan één van die asielzoekers.
Het COA draagt zorg voor de maaltijden in centra waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn deze zelf te verzorgen.
In afwijking van het eerste lid wordt geen financiële toelage verstrekt ten behoeve van voedsel aan asielzoekers die hun maaltijden in natura ontvangen.
Vervallen
Het treffen van een ziektekostenregeling bedoeld in artikel 9 eerste lid, onderdeel e van deze regeling, houdt in het afsluiten van een ziektekostencontract ter dekking van de kosten van het door Onze Minister vastgestelde pakket medische verstrekkingen.
Het verzekeren tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel f van deze regeling, houdt in het ten behoeve van de asielzoeker afsluiten van een verzekering voor de wettelijke aansprakelijkheid van de asielzoeker jegens een derde voor een som van maximaal € 453.780 per gebeurtenis per jaar, alsmede het betalen van de daarvoor verschuldigde premie.
Een asielzoeker kan een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g van deze regeling, die hij heeft gemaakt.
Buitengewone kosten zijn noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.
Buitengewone kosten worden slechts betaald voorzover vooraf door het COA aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming.
De toestemming, bedoeld in het derde lid, wordt uitsluitend verleend indien en voor zover de kosten noodzakelijk zijn en niet op andere wijze in de betaling kan worden voorzien.
Kosten die samenhangen met een door de asielzoeker ingediende aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel met een door de asielzoeker gepleegde onrechtmatige daad, gepleegd misdrijf of begane overtreding zijn in ieder geval geen buitengewone kosten, als bedoeld in het eerste lid.
Het Orgaan kan op een daartoe strekkend verzoek van een vreemdeling afwijken van het bepaalde in het vijfde lid, uitsluitend voor zover het betreft:
- a.
de leges ter zake van de afdoening van een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden, mits betrokkene op het moment van de aanvraag nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;
- b.
de leges ter zake van de afdoening van een aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden in een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, mits betrokkene voor het bereiken van de leeftijd van 15 jaar in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden en nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;
- c.
de leges ter zake van de afdoening van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, in de gevallen waarin de statushouder de ouder is van de aanvrager en deze op het moment van de aanvraag niet minimaal evenveel verdient als de normbedragen uit de Participatiewet;
- d.
de leges ter zake van de afdoening van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid ingediend door of namens een in Nederland geboren kind dat op grond van artikel 3, derde lid, onder d, opvang wordt geboden.
Onder buitengewone kosten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder g, worden niet verstaan de kosten voor:
- a.
een contra-expertise indien het een asielzoeker betreft wiens asielaanvraag is afgewezen;
- b.
de huur van een woning dan wel de aan de huur van een woning gerelateerde kosten;
- c.
een onderzoek, als bedoeld in artikel 3.109e, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Een asielzoeker kan door het COA nader aan te wijzen werkzaamheden verrichten in en rondom de opvangvoorziening, voor de uitvoering waarvan een vergoeding kan worden gegeven.
Het COA zorgt voor een evenredige verdeling van het aanbod van werkzaamheden bedoeld in het eerste lid over de in de opvangvoorziening verblijvende asielzoekers die daarvoor in aanmerking wensen te komen.
De vergoeding die een asielzoeker ontvangt voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, bedraagt in totaal niet meer dan € 18,30 per week.
Via een representatieve adviesraad van bewoners van een opvangvoorziening kan het COA asielzoekers betrekken bij het beheer van de materiële middelen en bij de immateriële opvang.
Het COA zorgt ervoor dat tijdens het verblijf in de opvangvoorziening rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van personen met bijzondere opvangbehoeften als bedoeld in artikel 24, alsmede vreemdelingen die een die een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 hebben ontvangen van de Opvangrichtlijn.
Ter uitvoering van het eerste lid beoordeelt het COA zo spoedig mogelijk na indiening van de asielaanvraag of de asielzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft. De uitkomst wordt opgenomen in zijn dossier, met vermelding van een beschrijving van de zichtbare tekenen of de verklaringen of gedragingen die relevant zijn voor de beoordeling van de bijzondere opvangbehoeften, alsmede de maatregelen die zijn vastgesteld om in die behoeften te voorzien.
Indien de asielzoeker overeenkomstig het tweede lid bijzondere opvangbehoeften heeft, wordt naast de verstrekkingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 9a specifieke steun en begeleiding geboden.
De in het tweede lid bedoelde beoordeling wordt afgerond binnen 30 dagen na indiening van de asielaanvraag.
Indien er aanwijzingen zijn dat de mentale of fysieke gezondheid van invloed kan zijn op de opvangbehoeften wordt de asielzoeker ter nadere beoordeling van zijn psychologische en fysieke toestand doorverwezen naar een geschikte arts of psycholoog. Indien nodig wordt een mondelinge vertaling verzorgd.
Bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 3a, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, zorgt het COA ervoor dat:
- a.
minderjarige kinderen van asielzoekers of minderjarige asielzoekers worden gehuisvest bij hun ouders, bij hun ongehuwde broers of zussen of bij de volwassene die krachtens het recht of de praktijk van Nederland voor hen verantwoordelijk is, mits het in het belang van de betrokken minderjarige is;
- b.
afhankelijke volwassen asielzoekers met bijzondere opvangbehoeften in de regel worden ondergebracht bij volwassen nauwe verwanten die zich reeds in Nederland bevinden en die volgens het recht of de praktijk voor hen verantwoordelijk zijn;
- c.
alleenstaande minderjarige vreemdelingen worden ondergebracht:
- 1°.
bij volwassen bloedverwanten;
- 2°.
in een pleeggezin;
- 3°.
in speciale opvangvoorzieningen voor minderjarigen; of
- 4°.
in andere huisvesting die geschikt is voor minderjarigen.
- 1°.
In afwijking van het eerste lid, onder c, mogen alleenstaande minderjarigen die ten minste 16 jaar oud zijn in opvangvoorzieningen voor meerderjarige asielzoekers worden ondergebracht, indien dit in hun belang is.
Voor zover mogelijk worden broers en zussen bij elkaar gehuisvest, rekening houdend met het belang van de betrokken minderjarige en in het bijzonder met zijn leeftijd en maturiteit.
Het COA zorgt er tijdens het verblijf in de opvangvoorziening voor dat:
- a.
minderjarigen kunnen deelnemen aan vrijetijdsactiviteiten, met inbegrip van spel- en recreatieve activiteiten die passen bij hun leeftijd en aan activiteiten in de open lucht;
- b.
minderjarigen zo nodig toegang hebben tot lesmateriaal;
- c.
minderjarigen die het slachtoffer zijn geweest van enige vorm van mishandeling, verwaarlozing, uitbuiting, foltering of wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of die hebben geleden onder gewapende conflicten, toegang hebben tot de rehabilitatiediensten en waar nodig gekwalificeerde begeleiding wordt verstrekt;
- d.
personen die zijn blootgesteld aan mensenhandel, foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld, met inbegrip van geweld met een seksueel, gender-, racistisch of religieus motief, ontvangen voor hun daardoor veroorzaakte letsel de vereiste medische en psychologische behandeling, zo nodig met inbegrip van revalidatiediensten en begeleiding. Tot dergelijke behandeling en zorg wordt zo snel mogelijk na de vaststelling van de behoeften van die personen toegang gegeven.
Onze Minister kan een uitzondering maken op het eerste lid, onder a, indien de materiële opvang wordt verstrekt in particuliere huizen, appartementen, hotels of andere voor de huisvesting van verzoekers aangepaste ruimten.
Behoudens de uitzondering genoemd in lid 2 is de asielzoeker die onderdak heeft in een opvangvoorziening verplicht:
- a.
de huisregels na te leven die zijn neergelegd in het reglement van de desbetreffende opvangvoorziening;
- b.
gevolg te geven aan de aanwijzingen van het personeel van de desbetreffende opvangvoorziening;
- c.
schoonmaakwerkzaamheden te verrichten in en rond de woonruimte;
- d.
toegang te verlenen aan het personeel van de opvangvoorziening tot zijn woonruimte indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de asielzoeker de huisregels overtreedt of indien dit voor het beheer van de opvangvoorziening redelijkerwijs noodzakelijk is;
- e.
te voldoen aan de COA inhuisregistratie door zich wekelijks te melden bij het COA teneinde te kunnen vaststellen of hij nog in de opvangvoorziening verblijft en aanspraak maakt op opvangvoorzieningen;
- f.
deel te nemen aan programma’s gericht op het voorlichten over en het stimuleren en bewustmaken van terugkeer;
- g.
deel te nemen aan de programma’s in de handhavings- en toezichtlocatie;
- h.
zijn huidige adres, een telefoonnummer waarop hij kan worden bereikt en, indien beschikbaar, een e-mailadres door te geven. Bij eventuele wijzigingen in deze gegevens dient hij dit zo spoedig mogelijk door te geven.
In afwijking van het eerste lid, onder e, dient de asielzoeker te voldoen aan de COA inhuisregistratie door zich dagelijks te melden bij het COA indien de asielzoeker:
- a.
is overgeplaatst naar de handhavings- en toezichtlocatie vanwege overlast in de reguliere opvangvoorziening;
- b.
een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 heeft ontvangen, tenzij het een minderjarige vreemdeling betreft;
In afwijking van het eerste lid, onder e, en het tweede lid dient de asielzoeker wiens asielaanvraag versneld zal worden afgedaan en een daartoe strekkende aanwijzing van de IND heeft gekregen in de zin van artikel 55, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zich dagelijks tweemaal te melden bij het COA, ten einde vast te stellen dat de vreemdeling gebruik maakt van de faciliteiten van het COA en hij daarmee beschikbaar is voor de afhandeling van zijn asielprocedure.
De asielzoeker is verplicht onverwijld uit eigen beweging, of op verzoek van het COA, mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op verstrekkingen, het geldend maken van het recht op verstrekkingen, de duur van verstrekkingen of de hoogte van de toelagen die aan hem worden betaald. Indien deze feiten of omstandigheden betrekking hebben op een kind dan wordt de mededeling gedaan door de asielzoeker te wiens laste het kind komt en in het geval dit meer dan één asielzoeker betreft, door één van die asielzoekers.
Indien een asielzoeker of vergunninghouder die verblijft in een opvangvoorziening, daaronder begrepen de tijdelijke onderdakvoorziening en de handhavings- en toezichtlocatie, dan wel de vergunninghouder bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens, bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet of inkomsten heeft, anders dan kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of deze regeling, is die asielzoeker of vergunninghouder aan het COA een vergoeding verschuldigd in de kosten van zijn opvang alsmede van de opvang van zijn gezinsleden waaronder de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling. De tegemoetkoming bedraagt per maand ten hoogste de economische waarde van de aan een asielzoeker of vergunninghouder feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat de vergoeding niet meer bedraagt dan het bedrag van het in de eerste volzin bedoelde vermogen of de in de eerste volzin bedoelde inkomsten.
Indien na zijn verblijf in een opvangvoorziening, de tijdelijke onderdakvoorziening of de handhavings- en toezichtlocatie blijkt dat een vreemdeling tijdens dit verblijf beschikte over een vermogen of inkomsten, bedoeld in het tweede lid, kan het COA de kosten van de opvang van deze vreemdeling alsmede de kosten van opvang van zijn gezinsleden, waaronder de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling, van hem terugvorderen. De terug te vorderen kosten per maand zijn niet hoger dan de economische waarde van de aan de vreemdeling feitelijk geboden verstrekkingen, vermeerderd met de economische waarde van de aan ieder gezinslid feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat het terug te vorderen bedrag niet meer bedraagt dan het bedrag van het in het tweede lid bedoelde vermogen of de in het tweede lid bedoelde inkomsten.
Wanneer het COA een beoordeling verricht van de middelen waarover een asielzoeker of vergunninghouder beschikt, wanneer zij van een asielzoeker of vergunninghouder vereist dat hij de kosten van de materiële opvangvoorzieningen en van de verkregen gezondheidszorg dekt of daaraan een bijdrage levert, of wanneer zij een asielzoeker of vergunninghouder om terugbetaling vraagt overeenkomstig het derde lid van deze regeling, neemt het COA het evenredigheidsbeginsel in acht door rekening te houden met de individuele omstandigheden van de asielzoeker of vergunninghouder en vanwege de noodzaak om zijn waardigheid en persoonlijke integriteit te eerbiedigen, ook wat de bijzondere opvangbehoeften van de asielzoeker of vergunninghouder betreft.
Indien blijkt dat een asielzoeker in strijd met de waarheid gegevens heeft verstrekt of verzwegen, waardoor hij of zijn gezinsleden ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, de verstrekkingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, hebben verkregen, dan wel dit op andere wijze heeft bewerkstelligd, is het COA bevoegd de waarde van de ten onrechte toegekende verstrekkingen terug te vorderen en in het geval van de vergunninghouder bedoeld in artikel 3, derde lid, en onder c, de verstrekkingen tevens direct stop te zetten.
Voor de verstrekkingen op basis van deze regeling geldt een beslagvrije voet ten aanzien van alle verstrekkingen die in natura geschieden en viervijfde deel van de verstrekkingen op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b van deze regeling.
Indien het COA met het college is overeengekomen dat het college verantwoordelijk is voor de exploitatie van een opvangvoorziening en het COA de asielzoeker heeft geplaatst in of overgeplaatst naar een door het college geëxploiteerde opvangvoorziening zijn van toepassing of van overeenkomstige toepassing de artikelen 1, 3, eerste lid, tweede lid, onder a, derde en vierde lid, 4, eerste lid, met dien verstande dat uitsluitend het COA bepaalde categorieën kan uitsluiten van opvang, tweede lid en derde lid, onder a, 5, 7, 9, eerste, derde en vierde lid, achtste tot en met elfde lid, 10, eerste tot en met derde lid, vijfde en zesde lid, 12, 14, eerste tot en met achtste lid, 16, 17, 18, 18a, 18c, 19, eerste lid, 20, 21 en 22.
Van exploitatie door het college zijn uitgezonderd de opvangvoorzieningen met opvangplaatsen van bijzondere aard, bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen.
Het college faciliteert de taken die voor de relevante uitvoeringsorganisaties in de migratieketen voortvloeien uit de Vreemdelingenwet 2000, de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of uit Unierechtelijke verplichtingen, zodat zij deze taken doelmatig en doeltreffend kunnen uitvoeren.
De tussen het college en de uitvoeringsorganisaties in de migratieketen gemaakte werkafspraken worden schriftelijk vastgelegd.
Indien het college voornemens is derden in te zetten bij het voorzien in de materiële en immateriële opvang van asielzoekers, legt het Centraal Orgaan opvang asielzoekers dat voornemen voor aan Onze Minister. Derden worden niet ingezet dan na toestemming van Onze Minister.
Onze Minister verleent de toestemming slechts indien naar zijn oordeel is voldaan aan de normen in Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking), deze regeling en de Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008.
Indien het college derden inzet bij de exploitatie van een opvangvoorziening is artikel 22c van toepassing.
Indien er ten aanzien van een asielzoeker
- a.
voor 1 januari 2000 op diens asielaanvraag in eerste aanleg in negatieve zin is beslist;
- b.
een last tot uitzetting is gegeven; en
- c.
door de korpschef van de politieregio waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfsplaats heeft is meegedeeld dat hij Nederland moet verlaten,
eindigen de verstrekkingen, in afwijking van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van deze regeling, op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge de mededeling van de korpschef dient te verlaten.
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van deze regeling is, in afwijking van artikel 23 van deze regeling, eveneens van toepassing op de vreemdeling ten aanzien van wie:
- a.
op of na 1 januari 2000 een niet inwilligende beslissing op de asielaanvraag is genomen, of;
- b.
op of na 29 december 2000 een negatieve beslissing op het ingediende bezwaar tegen de niet inwilligende beslissing op de asielaanvraag is genomen, of;
- c.
op of na 1 januari 2000 de vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, is ingetrokken of niet is verlengd, of de toelating als vluchteling is ingetrokken.
De Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 wordt ingetrokken.
Deze regeling treedt in werking de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst
Deze regeling kan wordt aangehaald als de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.