Wijzigingen Officiële bron
Aanvulling Circulaire functielijst buitengewoon opsporingsambtenaarAanvulling Circulaire functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar De Minister van Justitie, namens deze: De Directeur-Generaal Rechtshandhaving, J. van derVlist

In mijn Circulaire functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar d.d. 8 december 2004, kenmerk 5324449/504 heb ik mijn beleid inzake de functies en bevoegdheden van buitengewoon opsporingsambtenaren uiteengezet. In hoofdstuk 3, onderdeel b., wordt beschreven dat buitengewoon opsporingsambtenaren ‘in beginsel in bezoldigde dienst dienen te zijn van een publieke rechtspersoon of een private rechtspersoon die 100% in overheidshanden is.’ In de praktijk is gebleken dat deze passage onvoldoende duidelijkheid biedt. In de afgelopen tijd zijn er op lokaal en regionaal niveau diverse constructies opgezet, waarbij toezichthoudende taken in het publieke domein, al dan niet met opsporingsbevoegdheid, worden ondergebracht bij stichtingen of andersoortige publieke en privaatrechtelijke organisatievormen, waarbij niet duidelijk is of voldaan wordt aan de regelgeving. Voor de beoordeling van aanvragen van boa-akten door de Dienst Justis van het Ministerie van Justitie en voor een duidelijke beleidsbepaling in de richting van derden, is een nadere duiding dan ook van belang.

Het criterium ‘100% in overheidshanden’ sluit aan bij het beleid zoals geformuleerd in het Veiligheidsprogramma ‘Naar een veiliger samenleving’ en mijn brief aan de Tweede Kamer d.d. 7 mei 2004, kenmerk 5266617/504. In deze beleidsstukken is als uitgangspunt genomen dat opsporing primair een overheidstaak is.

Deze circulaire moet worden beschouwd als een vervanging van hoofdstuk 3, onderdeel b., van de Circulaire functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar.

Het belangrijkste criterium voor de toekenning van een akte van opsporingsbevoegdheid is het noodzaakcriterium. Opsporingsbevoegdheid wordt slechts verleend indien wordt aangetoond dat de gevraagde opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van de desbetreffende persoon of de dienst en een beroep op de reguliere politie voor het uitoefenen van de opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is (artikel 4, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar).

Algemeen uitgangspunt is en blijft dat opsporing een overheidstaak is. Dit betekent dat buitengewoon opsporingsambtenaren in beginsel in bezoldigde dienst moeten zijn van een publieke dan wel private rechtspersoon die voldoet aan de navolgende voorwaarden:

In het geval van een BV of NV is hiervan sprake indien de aandelen volledig in handen zijn van de betreffende gemeente(n). In het geval van een stichting of vereniging dienen in de statuten te zijn opgenomen dat het stichtings- of verenigingsbestuur wordt gevormd door afgevaardigden van gemeente(n) die de stichting of vereniging heeft (hebben) opgericht.

In het geval van een stichting of vereniging dienen de bestuursposities voorts functiegebonden te zijn, dat wil zeggen dat, indien er bijvoorbeeld een burgemeester in het bestuur zitting heeft, hij die functie ambtshalve bekleedt en niet als privé-persoon.

Hiertoe dienen tevens de voorwaarden 1 en 2, maar ook overigens zal bij een aanvraag worden getoetst of de democratische controle gewaarborgd is. Deze toetsing vindt plaats aan de hand van het uitgangspunt dat de democratische controle op de handhavings- en opsporingsactiviteiten van de rechtspersoon in volle omvang uitgeoefend moeten kunnen worden.

Dit vereiste komt terug bij het toetsen van de boa-aanvraag, doch betreft dan alleen het verlenen van de bevoegdheden. Het is raadzaam om voor de organisatorische inbedding instemming van de lokale driehoek te vragen. Dit sluit aan op het vereiste van inbedding in het lokale veiligheidsbeleid.

Op het hiervoor beschreven algemene uitgangspunt dat buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst moeten zijn van een overheidsorgaan zijn twee uitzonderingen mogelijk:

Voor de inwerkingtreding van de nieuwe beleidsregel inzake de ‘100% overheidseis’ als gesteld in deze circulaire geldt een overgangstermijn van 1 jaar. De publieke/private rechtspersonen dienen uiterlijk op 1 februari 2007 te voldoen aan de in deze circulaire gestelde regels.