Beleidsregel · BWBR0021581

Aanwijzing opsporingsbevoegdheden

Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing opsporingsbevoegdhedenAanwijzing opsporingsbevoegdheden

De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) is op 1 februari 2000 in werking getreden. Deze wet is een uitvloeisel van het onderzoek dat door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (PEC) is verricht naar de praktijk van de opsporing en de door deze commissie gedane normeringvoorstellen.

De Wet BOB bevat:

Met deze wet krijgen opsporingsmethoden die risicovol zijn voor de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die naar huidig inzicht een meer dan beperkte inbreuk kunnen maken op grondrechten van burgers, een specifieke basis in het Wetboek van Strafvordering.

Het openbaar ministerie heeft op grond van art. 148 Sv het gezag en de verantwoordelijkheid over de opsporing. Deze lijn is in de Wet BOB consequent doorgetrokken. Dit betekent dat bijzondere opsporingsbevoegdheden uitsluitend kunnen worden toegepast op bevel van het openbaar ministerie. Bij zeer ingrijpende opsporingsbevoegdheden is bovendien machtiging van de rechter-commissaris vereist.

Het doel van deze aanwijzing is te bewerkstelligen dat in de praktijk van de opsporing en de vervolging op uniforme wijze uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in de Wet BOB.

Daartoe is in deze aanwijzing een normatief kader geformuleerd in de hoofdstukken 1, 2 en 4. Hierin zijn de voor de (bijzondere) opsporingsbevoegdheden geldende regels beschreven. Deze regels zijn, afhankelijk van de daar geboden beleidsvrijheid, meer of minder directief van aard. Zij zijn in de lay-out van de tekst uitgelicht door middel van een lichtgrijze verticale markering in de kantlijn.

De aangehaalde wetteksten, de overige regelgeving en de jurisprudentie hebben een zelfstandige normatieve werking, d.w.z. buiten deze aanwijzing om. De voorbeelden hebben daarentegen slechts een toelichtend karakter. Dit laatste geldt eveneens voor de procedures waaraan geen specifieke invulling is gegeven door de wetgeving of politiek en die lokaal door de officier van justitie kunnen worden ingevuld.

De modellen, waarnaar in de hoofdstukken 1, 2 en 4 wordt verwezen, zijn als bijlage opgenomen in hoofdstuk 6.

2.3.1 Regelgeving

Wettekst

Wetboek van Strafvordering

Artikel 126n

Artikel 126na

Artikel 126nb

Artikel 126u

Artikel 126ua

Artikel 126ub

Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel 126t of artikel 126u kan de officier van justitie bevelen dat met behulp van de apparatuur, bedoeld in artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet het nummer waarmee een gebruiker van telecommunicatie kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen. Artikel 126nb, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Overige regelgeving

2.3.2 Begripsbepaling

Op vordering van de officier van justitie moet een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk een aanbieder van openbare telecommunicatiediensten gegevens verstrekken over een gebruiker en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. Welke gegevens hier precies onder vallen wordt uitgewerkt in het Besluit vorderen gegevens telecommunicatie. Telecommunicatie omvat zowel conventionele spraaktelefonie als bijvoorbeeld ook datatransmissie door middel van internet.

2.3.3 Betekenis

2.3.4 Procedure

Algemeen

Vorderen gegevens telefonie

Vorderen gegevens internet

De Internet Service Providers (ISP) zijn niet aangesloten bij het CIOT. De vordering wordt dus ‘gewoon’ naar de ISP gestuurd. Zie voor het Telecommunicatieaanbieders overleg met de ISP’s onder 2.3.6. ‘Bijzonderheden’.

2.3.5 Uitvoering

Besluit bewaren en vernietigen nietgevoegde stukken

2.3.6 Bijzonderheden

2.3.7 Jurisprudentie

HR 07.04.1998, NJ 1998, 559

Art. 125f (oud) Sv kan betrekking hebben op inlichtingen inzake telecommunicatieverkeer dat nog moet plaatsvinden en waarvan het vermoeden bestaat dat verdachte er aan zal gaan deelnemen. Informatie over een semafoonoproep kan eerst worden verkregen nadat de oproep is gedaan en er dus verkeer in de zin van art. 125f Sv heeft plaatsgevonden. Onder gevorderde inlichtingen terzake van het verkeer (art. 125f Sv) vallen inlichtingen omtrent de wijze van totstandkoming en afwikkeling van het telecommunicatieverkeer, waaronder de bij het verkeer betrokken aansluitnummers, de bij het verkeer gebruikte apparatuur, het tijdstip van de aanvang en de duur van het verkeer en de vraag of daadwerkelijke communicatie heeft plaatsgevonden. Niet onder zodanige inlichtingen vallen gegevens die betrekking hebben op de al dan niet gecodeerde inhoud van telecommunicatieverkeer. Alsdan is art. 125g (oud) Sv van toepassing. NB In de nota van toelichting bij het Besluit vorderen gegevens telecommunicatie wordt verwezen naar deze uitspraak. De in deze uitspraak genoemde gegevens zijn onder de in het Besluit genoemde categorieën verkeersgegevens begrepen.

2.3.8 Schematisch overzicht

Vorderen gebruikersgegevens

(NAW-gegevens, nummer en soort dienst van een gebruiker van telecommunicatie)

• Elk misdrijf: 126na Sv / georganiseerd verband zoals bedoeld in art. 126o: 126ua Sv

Vordering t.a.v. vaste/mobiele telefonie (via CIOT), door aangewezen opsporingsambtenaar:

model nr. 7, 126na

model nr. 9, 126ua jo. 126o

Vordering t.a.v. internet, door aangewezen opsporingsambtenaar:

model nr. 8, 126na

model nr. 10, 126 ua jo. 126o

Proces-verbaal t.a.v. vaste mobiele telefonie (via CIOT), door aangewezen opsporingsambtenaar:

model nr. 15, 126na/ua, lid 3 jo. 126n/u, lid 5

Proces-verbaal van justitie t.a.v. internet, door aangewezen opsporingsambtenaar:

model nr. 15, 126na/ua, lid 3 jo. 126n/u, lid 5

• Indien de aanbieder niet zonder meer in staat is NAW-gegevens te leveren, dan heeft deze op vordering van de officier van justitie een haal-/ zoekplicht (bestandsanalyse) als het gaat om toepassing van 126m/126t (tappen) of van 126n/126u (verkeersgegevens).

Vordering door officier van justitie:

model nr. 11, 126na lid 2 jo.126m/n

cq126ua lid 2 jo. 126t/u

Proces-verbaal door officier van justitie:

model nr. 16, 126na/ua, lid 3 jo.

126n/u, lid 5

• Indien een bestandsanalyse onvoldoende het belang van strafvordering dient kan de IMSI-catcher worden ingezet (126nb).

Vordering door officier van justitie:

model nr. 12, 126 nb/ub

Vorderen verkeersgegevens

(gegevens over de gebruiker en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker; de categorieën gegevens die hier onder vallen zijn aangewezen bij AMvB)

• Misdrijf voorlopige hechtenis: 126n Sv / georganiseerd verband zoals bedoeld in art. 126o Sv: 126u Sv

Vordering door officier van justitie:

model nr. 1, mobiele/vaste telefonie, 126n

model nr. 2, internet, 126n

model nr. 3, mobiele en vaste telefonie, 126u

model nr. 4, internet 126u

Proces-verbaal door officier van justitie:

model nr. 13, 126n/u, lid 5

2.3.9 Modellen

Zie paragraaf 6.5:

4.1.1 Taak CTC

De Centrale Toetsingscommissie (CTC), samengesteld uit leden van het openbaar ministerie en politie, is een intern adviesorgaan van het openbaar ministerie, dat het College van procureurs-generaal (College) adviseert omtrent de voorgenomen inzet van een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden en methodieken, daaronder begrepen getuigenbescherming en toezeggingen aan getuigen in strafzaken. Verder adviseert de CTC gevraagd en ongevraagd het College.

Stukken die deel uitmaken van deze interne adviesprocedure zijn in beginsel geen processtukken.

4.1.2 Verplichte toetsing

Het College beslist, na advies van de CTC, over de inzet van de navolgende opsporingsbevoegdheden:

Inkomende en uitgaande rechtshulpverzoeken waarin de uitvoering van een van bovengenoemde opsporingsactiviteiten wordt verzocht, dienen eveneens voor goedkeuring aan het College na advies van de CTC te worden voorgelegd.

4.1.3 Procedures

Algemeen

Doorlaten van voorwerpen en personen

• Indien een hoofdofficier van justitie van oordeel is dat op het verbod tot doorlaten als bedoeld in art. 126ff Sv een uitzondering moet worden gemaakt, dient hij zich rechtstreeks te wenden tot het College. Als het College de doorlating niet op voorhand afwijst, vraagt het eerst advies van de CTC. Op basis van dit advies beslist het College, nadat het zijn voorgenomen beslissing heeft voorgelegd aan de Minister van Justitie.

Spoedprocedure

Vervolgtoetsing en afloop

Opbouw van het advies

Het advies bestaat o.a. uit:

Toetsingscriteria

De CTC toetst de voorgenomen bijzondere opsporingsmethodiek, voor zover van toepassing, o.a. aan (eisen van):

Besluitvorming door het College

4.1.4 Jurisprudentie

Rb Den Bosch 14.04.1998, nr. 01/089083/96 (Shoarma)

Bij de beslissing tot het inzetten van deze methode gaat de rechtbank er vanuit dat de officier van justitie de daarvoor voorgeschreven interne procedure volgt tot het verkrijgen van een extra waarborg met betrekking tot de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en zorgvuldigheid. Deze procedure bestaat er in dat binnen het openbaar ministerie het advies wordt ingewonnen van de CTC. Dit is overigens geen rechtens bindend advies. De CTC-rapportages en CTC-journaals en de stukken die aan de CTC ter hand zijn gesteld worden door de rechtbank beschouwd als interne stukken, die voor de rechtbank voor de beoordeling van de inzet van infiltratie in deze zaak niet van belang zijn.

Hof Amsterdam 08.03.1999, Nieuwsbrief strafrecht 1999, 057

De infiltratie was gestart in een onderzoek naar voorgenomen geweldsdelicten tegen leden van het openbaar ministerie, voor welke infiltratie door middel van een of meer politie-infiltranten toestemming was verleend door het College van procureurs-generaal na positief advies van de CTC. Ten aanzien van de toestemming overwoog het hof dat deze van intern bestuurlijke aard is; het ontbreken van toestemming betekent niet zonder meer dat de resultaten van een infiltratie niet voor het bewijs bruikbaar zijn of de strafvervolging van de verdachte verhinderen. De aanwezigheid van toestemming brengt anderzijds niet mee dat deswege de infiltratie rechtmatig is. Niettemin valt niet op voorhand uit te sluiten dat gebreken of verzuimen in de interne besluitvorming een factor kunnen vormen die voor enige door het hof in deze zaak te nemen beslissing van belang kan zijn. Aan het eigen beleid mag het openbaar ministerie immers worden gehouden en het is bij uitstek de strafrechter, door wie deze beoordeling van het optreden van het openbaar ministerie moet worden verricht. (In deze zaak waren de stukken van de CTC overigens bij het strafdossier gevoegd.)

HR 18.05.1999, NJ 2000, 104 (4M)

Het Hof Arnhem had overwogen dat het in het kader van de zelfstandige beoordeling door de zittingsrechter van de toelaatbaarheid van het opsporingsmiddel infiltratie en andere opsporingsmethoden niet noodzakelijk achtte de eventueel door de CTC gemaakte op- en aanmerkingen naar aanleiding van de betrokken zaak in het geding te brengen. De verdediging stelde met een beroep op art. 6, eerste en derde lid onder b EVRM in cassatie dat hiermee in strijd met het beginsel van equality of arms aan de verdediging een verdedigingsmiddel was onthouden. De HR verwierp dit middel en overwoog conform de conclusie van de AG HR mr Keijzer het volgende: De Centrale Toetsingscommissie, ingesteld bij besluit van de vergadering van procureurs-generaal van 1 december 1994, is een centraal lichaam binnen het openbaar ministerie en heeft voor zover hier van belang tot taak het al dan niet onder voorwaarden verlenen van toestemming voor de toepassing van opsporingsmethoden met een bijzonder karakter of met een groot afbreukrisico ten aanzien van personen of zaken. Het is van algemene bekendheid dat de beslissingen van de Centrale Toetsingscommissie vertrouwelijk zijn en niet worden verspreid.

HR 20 juni 2000, NJ 2000,502

Het middel in cassatie was gericht tegen de weigering van het openbaar ministerie om de stukken van de Centrale Toetsingscommissie (CTC) inzake de toetsing van een infiltratietraject aan het strafdossier toe te voegen. De HR overwoog, dat moet worden aangenomen, dat stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs (stukken behelzende de resultaten van het opsporingsonderzoek) door de officier van justitie bij het dossier worden gevoegd. Dit laat onverlet de bevoegdheid van de verdediging om harerzijds stukken in het geding te brengen, alsook het bepaalde in art. 414 Sv. Indien een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld heeft de rechter-commissaris een soortgelijke taak ten aanzien van de resultaten van een gerechtelijk vooronderzoek. Het gaat hierbij telkens om stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin. De rechter kan ambtshalve, op verzoek van de verdediging dan wel op vordering van het openbaar ministerie, alsnog de toevoeging aan het dossier van bepaalde stukken gelasten (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1996, 687).

Het oordeel van het hof in deze dat de stukken van de CTC niet zijn aan te merken als stukken die – in aanvulling op de reeds in het dossier aanwezige stukken – redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat zich in het dossier het proces-verbaal van verhoor van de politie-infiltranten bevindt alsmede het stamproces-verbaal waarin het optreden van de politie-infiltranten is gerelateerd, en, dat de toetsing door de CTC in zoverre niet van belang is dat de rechter in het gegeven geval zelfstandig de gebezigde opsporingsmethoden dient te beoordelen.

4.1.5 Meldingsformulier ter toetsing door de CTC

Om een zaak bij de CTC ter toetsing aan te melden, wordt gebruik gemaakt van een meldingsformulier. Dit formulier kan worden opgevraagd bij de secretaris van de CTC. Het meldingsformulier dient met een onderliggende rapportage door de betrokken hoofdofficier van justitie, voorzien van zijn/haar oordeel, in een dubbele envelop te worden verzonden naar, of afgeleverd te worden bij:

Landelijk Parket / CTC

t.a.v. mw. mr. A.M. van Hoorn / de heer F.J.M. Sebregts

Postbus 395

3000 AJ Rotterdam

telefoon: 010 - 496 6700 / 6708

fax: 010 - 496 6011