ZBO-regeling · BWBR0021864
Beleidsregel boete werknemer
Gelet op artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 27a van de Werkloosheidswet, artikel 45a van de Ziektewet, artikel 29a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 48 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 40 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, artikel 91 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de artikelen 3:16 en 3:27 van de Wet arbeid en zorg, artikel 14a van de Toeslagenwet en het Boetebesluit socialezekerheidswetten;
Besluit:
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Amsterdam2 april 2007Voorzitter Raad van Bestuur UWV, J.M.LinthorstIn dit besluit wordt verstaan onder:
- a.
WW: Werkloosheidswet;
- b.
ZW: Ziektewet;
- c.
- d.
- e.
Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
- f.
Wet WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
- g.
Wazo: Wet arbeid en zorg;
- h.
TW: Toeslagenwet;
- i.
Wet Suwi: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- j.
UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
- k.
basis boetebedrag: het boetebedrag vastgesteld volgens artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten;
- l.
afstemming: de verplichting om in elk individueel geval het boetebedrag vast te stellen in evenredigheid tot de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten;
- m.
inlichtingenverplichting: de verplichting, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet Suwi, artikel 25 van de WW, de artikelen 31, eerste lid, en 49 van de ZW, artikel 80 van de WAO, artikel 70 van de WAZ, artikel 62 van de Wajong, artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 12 van de TW;
- n.
boete: de boete, bedoeld in artikel 27a, eerste lid van de WW, artikel 45a, eerste lid, van de ZW, artikel 29a, eerste lid, van de WAO, artikel 48, eerste lid, van de WAZ, artikel 40, eerste lid, van de Wajong, artikel 91, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 14a, eerste lid, van de TW;
- o.
waarschuwing: de waarschuwing, bedoeld in artikel 27a, derde lid, van de WW, artikel 45a, derde lid, van de ZW, artikel 29a, derde lid, van de WAO, artikel 48, derde lid, van de WAZ, artikel 40, derde lid, van de Wajong, artikel 91, derde lid, van de Wet WIA en artikel 14a, derde lid, van de TW.
Bij de verhoging of verlaging van de boete, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, hanteert het UWV dit besluit.
Indien aan de belanghebbende schriftelijk is bekend gemaakt dat een boete wordt opgelegd of een strafrechtelijke sanctie is opgelegd, en dezelfde persoon binnen 5 jaren na de dag van bekendmaking opnieuw de inlichtingenverplichting overtreedt, wordt het basis boetebedrag met 50% verhoogd.
Het basis boetebedrag wordt met 50% verhoogd, indien sprake is van verhoogde verwijtbaarheid.
Van verhoogde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake indien:
- a.
de belanghebbende, zonder daarvan mededeling te doen, tenminste nagenoeg twee jaar onafgebroken inkomsten uit arbeid heeft genoten en in de betreffende periode tenminste twee maal door het UWV is gevraagd om de juiste en volledige informatie te verstrekken;
- b.
de overtreding heeft plaatsgevonden in een zogenaamde fraudeconstructie, waarin de belanghebbende gezamenlijk met anderen geen, onvolledige of onjuiste informatie heeft verstrekt met de bedoeling het UWV te benadelen.
Het basis boetebedrag wordt met 50% verlaagd indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Van verminderde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake indien:
- a.
de overtreding, gelet op de geestelijke toestand van de belanghebbende, hem niet volledig valt aan te rekenen;
- b.
de belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft overtreden, maar uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt, voordat het UWV de overtreding constateert.
De boete, die met inachtneming van de voorgaande artikelen is vastgesteld, wordt verlaagd, indien de belanghebbende voldoende aannemelijk maakt dat, gelet op de financiële omstandigheden waarin hij verkeert, de boete niet binnen twaalf maanden na oplegging kan zijn voldaan, rekening houdend met het eventuele vermogen en de aflossingscapaciteit van de belanghebbende.
De termijn voor het nakomen van de spontane inlichtingenverplichting, genoemd in artikel 29, eerste lid, van de Wet Suwi, artikel 25 van de WW, artikel 49 van de ZW, artikel 80 van de WAO, artikel 70, eerste lid, van de WAZ, artikel 62, eerste lid, van de Wajong, artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 12 van de TW, is één week.
De in het eerste lid bedoelde termijn vangt aan op het moment dat het te melden feit of omstandigheid zich voordoet of bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn aan de belanghebbende.
Indien de belanghebbende de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 25 van de WW of artikel 12 van de TW juist vermeldt op het werkbriefje WW wordt geen boete opgelegd.
De boete bedraagt minimaal de helft van het basisbedrag dat genoemd is in het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden wordt niet volstaan met het geven van een waarschuwing.
Het Besluit afstemming boete werknemers, de Beleidsregel afbakening maatregel en boete en de Beleidsregel zwijgrecht worden ingetrokken.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel boete werknemer.