Beleidsregel · BWBR0023568

Aanwijzing witwassen

Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing witwassenAanwijzing witwassen

Door het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum van het Ministerie van Justitie is evaluatie-onderzoek verricht naar de werking van de keten Melding ongebruikelijke transacties. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport met de titel ‘Uit onverdachte bron’. Naar aanleiding van dit rapport is een beleidsreactie opgesteld, waarin een aantal maatregelen ter intensivering van de bestrijding van witwassen is geformuleerd. In dit kader heeft het kabinet het Openbaar Ministerie verzocht om een aanwijzing op te stellen, met als doel vaker over te gaan tot opsporing en vervolging van witwasdelicten.

In de kabinetsreactie op het Nationaal Dreigingsbeeld 2004, zware of georganiseerde criminaliteit, is de aanpak witwassen genoemd als een van de speerpunten in de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Witwassen is onlosmakelijk verbonden met zeer ernstige vormen van criminaliteit, zoals drugshandel, mensenhandel en mensensmokkel. Uit de passages in het Nationaal Dreigingsbeeld over de verweving van onder- en bovenwereld, en de investering van criminele verdiensten in (legale) bedrijven en panden, blijkt dat witwassen de kern vormt van de schijnbare onkwetsbaarheid van een relatief stabiele top van toonaangevende criminelen in Nederland. Er bestaan sterke vermoedens dat bij witwassen legale sectoren worden betrokken waar grote stromen (cash) geld in omgaan, zoals de horeca, autobedrijven en de handel in onroerend goed. Daarbij kan nog worden gevoegd de rol van het semi-legale circuit, zoals coffeeshops en de informele economie rond bijvoorbeeld belhuizen, waar in een aantal gevallen underground banking plaatsvindt. Ook deze netwerken lenen zich voor gebruik door de georganiseerde criminaliteit.

Vast te stellen valt ook dat op de geldstromen die samenhangen met de internationale drugshandel en de productie van (synthetische) drugs nog steeds weinig zicht bestaat.

Bij de noodzakelijke prioriteitstelling in de opsporing, werd dikwijls voorrang gegeven aan meer zichtbare kanten van georganiseerde criminaliteit en de opsporing van gronddelicten (bijv. Opiumwetdelicten), in plaats van het witwassen van het geld dat met deze misdrijven wordt verdiend. Aandacht voor de financiële invalshoek was er doorgaans minder, waardoor kennis over en inzicht in de geldstromen dreigden achter te blijven.

De criminele winsten die het plegen van zware misdrijven opleveren moeten effectief en efficiënt worden ontnomen, aangezien de drijfveer van de plegers vrijwel altijd financieel gewin zal zijn. Een intensieve bestrijding van witwassen is daarnaast nodig om te voorkomen dat netwerken van geldkoeriers, maar ook professionele dienstverleners, hun voor de georganiseerde criminaliteit cruciale ondersteuningsrol kunnen blijven vervullen.

Op termijn zou verminderde aandacht voor witwassen en financiële geldstromen, die gepaard gaan met georganiseerde criminaliteit, leiden tot een gevaar voor de integriteit van de samenleving en daarmee tot aantasting van de pijlers van de rechtsstaat.

Deze aanwijzing regelt de aanpak van witwassen.

De volgende onderwerpen worden aan de orde gesteld:

1. Het wettelijk kader

1.1 Drie vormen van witwassen

1.2 Zelfstandige grond voor vervolging

1.3 Geen verwarring met gronddelict

1.4 Veroordeling voor gronddelict niet nodig

2. Opsporing en financieel onderzoek

3. Het MOT-bevragingstraject

3.1 Het raadplegen van het Intranet Verdachte Transacties (IVT)

3.2 Het opvragen van MOT-informatie middels een zogeheten Lovj-sub 2 of sub3-verzoek

3.3 Het opvragen van transactie-informatie bij buitenlandse meldpunten

4. Vervolgingsbeleid

5. Landelijk officier van Justitie inzake MOT

Bijlagen

De volgende drie vormen van witwassen zijn sinds 6 december 2001 opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (‘WvSr’):

Voordat de artikelen 420bis, 420ter en 420quater WvSr in werking traden, werd witwassen gezien als een species van heling (artikel 416 en 417 WvSr). Het afgelopen decennium is echter het belang van een zelfstandige strafbaarstelling van witwassen in groeiende mate onderkend, niet in de laatste plaats door het toegenomen belang dat er binnen politie en justitie wordt gehecht aan het opsporen van misdaadgelden en het aanpakken van financiële facilitators in de georganiseerde criminaliteit (dit kunnen criminele wisselaars, geldkoeriers, maar ook professionele dienstverleners zijn).

Teneinde witwassen beter te kunnen bestrijden is onder de witwasbepalingen de heler-steler-regel niet van toepassing, zoals dat bij de artikelen 416 en 417 WvSr wel het geval is. Dit betekent dat ook handelingen met betrekking tot voorwerpen die afkomstig zijn uit misdrijven die de witwasser zelf heeft gepleegd, onder de bepalingen van artikel 420 bis en 420 ter van het Wetboek van Strafrecht vallen. De wetgever heeft hier de zelfstandige strafwaardigheid van witwassen mee willen uitdrukken. Van belang is voorts dat de Hoge Raad in zijn arrest van 2 oktober 2007, NJ 2008, 16, bepaalde dat de opvatting dat het enkele voorhanden hebben van een voorwerp onvoldoende is om dit als witwassen aan te merken geen steun vindt in de wet.

Het geld of andere voorwerpen die worden witgewassen, dienen afkomstig te zijn uit enig voorafgaand misdrijf. Niet vereist is dat het voorwerp geheel uit misdrijf afkomstig is: ook een voorwerp dat gedeeltelijk met crimineel geld en gedeeltelijk met legaal geld is gefinancierd, wordt beschouwd van misdrijf afkomstig te zijn. Van belang is voorts dat de Hoge Raad in zijn arrest van 28 september 2004 (LJN nr.AP2124, HR 02679/03) bepaalde dat om te bewijzen dat het voorwerp ‘afkomstig is uit enig strafbaar feit’ niet uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dat betekent ook dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan1.

Overigens lijkt er niets in de weg te staan om ook een fiscaal delict als gronddelict voor witwassen te bezigen. Op het moment van het opstellen van deze Aanwijzing heeft de Hoge Raad zich nog niet hoeven te buigen over een strafzaak waarin dit voorkwam. In de lagere rechtspraak zijn al wel voorbeelden te vinden van strafzaken waarin veroordeling plaatsvond wegens onder meer het witwassen van gelden die door middel van het plegen van fiscale feiten waren gegenereerd (zie bijvoorbeeld Rb Amsterdam, 3 februari 2005; LJN nr. AT5766).

Om witwassen strafrechtelijk te kunnen vervolgen en eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen, dient bij elk opsporingsonderzoek naar georganiseerde criminaliteit, drugshandel, mensenhandel, mensensmokkel, wapenhandel en andere lucratieve vormen van criminaliteit, onderzoek te worden verricht naar de geldstromen die gepaard gaan met deze misdrijven. Vaak zullen uit dit onderzoek aanwijzingen van witwaspraktijken naar voren komen.

Signalen van witwassen ontstaan verder door meldingen van ongebruikelijke transacties, die na onderzoek door de Financial Intelligence Unit ( FIU.NL) (organisatorische samenvoeging van MOT en BLOM) verdacht zijn verklaard en ter kennis van politie en Bijzondere Opsporings Diensten worden gebracht.

Teneinde witwassen beter te kunnen bestrijden zijn de volgende drie punten van belang:

Indien bij opsporingsonderzoek verdachte geldstromen en vermogensbestanddelen worden aangetroffen, dient overwogen te worden om een Strafrechtelijk financieel onderzoek (‘SFO’) in te stellen. Dit breidt de strafvorderlijke bevoegdheden inzake het vorderen van financiële gegevens en het leggen van conservatoir beslag verder uit.

Bij de hierboven aangegeven vormen van opsporingsonderzoek, alsmede in het kader van een Strafrechtelijk financieel onderzoek dient standaard gebruik te worden gemaakt van het MOT-bevragingstraject zoals hieronder vermeld.

Informatie die wordt gegenereerd uit verdachte transacties kan in alle fasen van een opsporingsonderzoek haar waarde hebben. De informatie kan onder andere van belang zijn voor de ontdekking van misdrijven, voor de vaststelling van de modus operandi in bepaalde zaken,voor de bewijsvoering in witwaszaken en als bewijs voor andere misdrijven, ter voorbereiding van een ontnemingsvordering en ten slotte voor analysedoeleinden.

De politiële pijler van FIU.NL beheert een Intranet Verdachte Transacties (‘IVT’). De ongebruikelijke transacties die de administratieve pijler van FIU.NL, onder andere door een automatische match met het VROS (MRO/CIE) bestand, verdacht verklaart, komen door middel van een geautomatiseerd doormeldsysteem terecht in dit IVT. Alle politiekorpsen beschikken over een online-aansluiting en autorisatie tot dit intranet en hebben de mogelijkheid te allen tijde te bekijken of er verdachte transacties staan opgenomen in het systeem die relevant zijn voor lopende opsporingsonderzoeken. Daarnaast is een aantal personen werkzaam bij de FIOD-ECD, SIOD en de Koninklijke marechaussee geautoriseerd om het IVT te raadplegen. Dit gaat in de nabije toekomst ook gelden voor het BOOM, de AID en de Rijksrecherche.

Op grond van artikel 2:13, tweede lid, onder b, van het Besluit politiegegevens verstrekt het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (thans organisatorisch onderdeel van FIU.NL, maar wettelijk nog steeds het meldpunt) informatie uit het register wanneer uit het informatieverzoek (het zogenaamde Lovj sub 2 verzoek) een redelijk vermoeden voortvloeit dat een bepaald persoon een misdrijf heeft begaan. Omdat 2:13, tweede lid, onder b, van het Besluit politiegegevens niet voorschrijft dat het verzoek door het Openbaar Ministerie moet worden ingediend, kan het verzoek worden opgesteld door de opsporingsambtenaar die met het onderzoek naar de te bevragen persoon is belast. Het meldpunt bepaalt of aan de voorwaarden van 2:13, tweede lid, onder b, van het Besluit politiegegevens is voldaan en of het derhalve de gevraagde informatie kan verstrekken. Er is een standaardformulier ontwikkeld waarmee een Lovj-sub 2-verzoek kan worden ingediend. Dit formulier zal worden opgenomen in het ABRIO-model2.

In ‘zwaardere’ onderzoeken (zie hieronder in welke gevallen hiervan sprake is) maakt de zaaksofficier van justitie gebruik van de mogelijkheid door middel van een zogenoemd Lovj sub 3-verzoek MOT-gegevens te raadplegen. Volgens 2:13, tweede lid, onder c, van het Besluit politiegegevens vindt (verplichte) verstrekking plaats van persoonsgegevens die worden verwerkt door het meldpunt:

De zaaksofficier van justitie, die het onderzoek leidt waarin behoefte bestaat aan informatie uit het MOT-register, dient bij de Lovj schriftelijk en gemotiveerd een sub 3 verzoek in. De Lovj controleert of er is voldaan aan de eisen die artikel 2:13, tweede lid, onder c, van het Besluit politiegegevens stelt aan het verzoek. Is er inderdaad voldaan aan de eisen, dan dient de Lovj het sub 3 verzoek vervolgens in bij het meldpunt. Op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel c, van de Wet politiegegevens is het meldpunt verplicht de informatie, door tussenkomst van de Lovj, te verstrekken aan de zaaksofficier van justitie die de leiding heeft over het betreffende onderzoek. Er is een standaardformulier ontwikkeld waarmee een Lovj sub 3 verzoek kan worden ingediend. Dit formulier zal worden opgenomen in het ABRIO-model3.

Door middel van het indienen van een Lovj sub 2 of sub 3 – verzoek, kunnen ook buitenlandse meldpunten (zogenoemde Financial Intelligence Units (FIU’s)) worden bevraagd. In het Lovj-verzoek dient te worden aangegeven dat de vragende partij niet slechts is geïnteresseerd in transactie-informatie die aanwezig is in de MOT-database, maar tevens in informatie die mogelijk in land X aanwezig is. Deze FIU’s hebben zich wereldwijd verenigd in de zogeheten Egmont Groep waarin zij afspraken hebben gemaakt over een uniform verstrekkingsregime op basis waarvan informatie kan worden uitgewisseld. Binnen de Egmont Groep bestaat een online-systeem door middel waarvan de meldpunten elkaar kunnen bevragen om te bezien of personen die onderwerp zijn van strafrechtelijk onderzoek, in de eigen systemen voorkomen met ongebruikelijke en/of verdachte transacties. Van deze bevragingsmogelijkheid zal gezien de internationalisering van de criminaliteit en het door criminelen veelvuldig gebruikte internationaal betalingsverkeer in veel onderzoeken gebruik dienen te worden gemaakt.

Indien uit een opsporingsonderzoek aanwijzingen naar voren komen van criminele geldstromen, het verrichten van financiële handelingen of het eenvoudig voorhanden hebben van geld of voorwerpen die afkomstig zijn van enig misdrijf, dient de zaaksofficier van justitie nadrukkelijk de afweging te maken een vervolging in te stellen terzake van het misdrijf witwassen. Dit geldt ook in het geval verdachten al terzake van andere strafbare feiten, bijvoorbeeld het plegen van de gronddelicten waarmee het criminele geld is verkregen, zullen worden vervolgd. In dat geval dient overwogen te worden tevens een vervolging terzake van witwassen in te stellen.

Bij ieder parket wordt ‘witwasbestrijding’ benoemd als prioriteit en als taak opgenomen in de organisatie. Ieder parket zal in het kader van deze taak zorg moeten dragen voor een aanspreekpunt, waar informatie kan worden verkregen aangaande witwasonderzoeken die bij het parket draaien, witwasonderzoeken die hebben gedraaid en de resultaten van die witwasonderzoeken. Daarnaast zal het aanspreekpunt de zaaksofficieren van justitie van expertise en advies op het gebied van witwassen voorzien, gelijk de ontnemingsofficier van justitie dit op zijn vakgebied doet.

Uit jurisprudentie zoals deze is ontwikkeld sinds de inwerkingtreding van de witwasartikelen, alsmede uit de jurisprudentie uit inzichten die zijn af te leiden uit jurisprudentie uit de periode dat de helingbepalingen artikel 416 en 417 Sr nog werden gebruikt om witwassen te vervolgen, lijken de volgende elementen te kunnen worden afgeleid die van belang zijn voor de bewijsvoering:

N.B. Er wordt een lijst bijgehouden bij het Functioneel Parket met typologieën, gebaseerd op eigen waarnemingen van FIU.NL, alsmede in internationaal ( Financial Action Task Force: ‘FATF’) verband vastgestelde typologieën, die te raadplegen is door alle officieren van justitie die deze nodig hebben ten behoeve van de bewijsvoering in witwasonderzoeken4.

De Landelijk officier van justitie inzake MOT-aangelegenheden (hierna: Lovj) bevordert een efficiënt en effectief gebruik van gegevens over verdachte transacties die de administratieve pijler van FIU.NL doormeldt.

Sinds 1999 meldt het MOT verdachte transacties door aan het BLOM, dat staat voor Bureau voor politiële ondersteuning van de Lovj inzake MOT-aangelegenheden. Het BLOM opereert onder gezag van de Lovj en is gevestigd bij de Dienst NRI van het Korps Landelijke Politie Diensten.

Met ingang van 1 januari 2006 zijn het MOT en het BLOM samengevoegd tot de projectorganisatie Financial Intelligence Unit Nederland (FIU.NL) voor de duur van tweeënhalf jaar. De projectorganisatie is beheersmatig ondergebracht bij de KLPD. Medio 2008 zal de projectorganisatie worden geëvalueerd met het oog op defintieve besluitvorming over de samenvoeging en beheersmatige plaatsing.

De politiële pijler van FIU.NL (voorheen BLOM) ontplooit ten behoeve van de opsporing van witwassen de volgende activiteiten:

De Lovj is belast met het uitoefenen van het gezag over de politiële pijler van FIU.NL. Voorts ziet hij erop toe dat binnen het Openbaar Ministerie voldoende aandacht wordt besteed aan witwasbestrijding, en ook ziet hij toe op de mate waarin door FIU.NL voorbereide zaken door de opsporingsdiensten worden opgepakt. Teneinde deze taak adequaat te kunnen uitvoeren, is het belangrijk zicht te houden op de vervolgen die worden gegeven aan deze aangeboden zaken.

Op deze wijze is de informatiepositie van de Lovj van dien aard dat hij in staat is het College van procureurs-generaal adequaat te informeren over de aanpak van witwaszaken.

Gezien het feit dat de Lovj mede bepalend is voor de aandachtsgebieden van FIU.NL, is het daarnaast van belang dat veronderstelde nieuwe typologieën en werkwijzen van verdachten die zich bezighouden met financiële transacties, worden gemeld vanuit de opsporingsteams bij de Lovj, teneinde te beoordelen of het noodzakelijk is dat FIU.NL daar nader onderzoek naar verricht.

Deze aanwijzing heeft gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.

Contactpersoon bij het Functioneel Parket

Landelijk officieren van justitie Wet MOT

Mr. E.W. Noordhoek

Mr. C.P.W. Kok

Postbus 19518

2500 CM Den Haag

Telefoon: 070 - 3023200

Fax: 070 - 3023222

De typologieën zoals die op dit moment gelden:

wanneer een concreet geval kenmerken vertoont als hieronder beschreven kan daaraan een vermoeden van witwassen worden ontleend.