Ministeriële regeling · BWBR0024261

Regeling voorzieningenplanning VO

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 juli 2008, nr. VO/B&B/2008/26204, houdende regels voor de voorzieningenplanning bij scholen in het voortgezet onderwijs (Regeling voorzieningenplanning VO)Regeling voorzieningenplanning VO De Staatssecretaris van Onderwijs,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de artikelen 71, tweede lid, 72, derde lid, 76 en 85a van de Wet op het voortgezet onderwijs;

Besluit:

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,J.M.van Bijsterveldt-Vliegenthart

In deze regeling wordt verstaan onder:

agrarisch opleidingscentrum: agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

bevoegd gezag: het bevoegd gezag bedoeld in artikel 1 van de wet en wat betreft het voorbereidend beroepsonderwijs in een agrarisch opleidingscentrum het bevoegd gezag bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel w, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, de Minister van Economische Zaken;

profiel: profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid, of 10d, derde lid, van de wet;

samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de wet;

school: een school als bedoeld in artikel 1 van de wet;

scholengemeenschap: een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet;

tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet;

wet: de Wet op het voortgezet onderwijs.

Het bevoegd gezag meldt voor 1 april van enig kalenderjaar schriftelijk aan de Dienst Uitvoering Onderwijs het voornemen van de omzetting van een bijzondere school in een school van een andere richting per 1 augustus van dat kalenderjaar.

Het bevoegd gezag meldt voor 1 april van enig kalenderjaar schriftelijk aan de Minister het voornemen van de omzetting van een bijzondere school in een openbare school per 1 augustus van dat kalenderjaar. Bij de melding toont het bevoegd gezag aan dat het overleg heeft gevoerd met burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente.

Het percentage, bedoeld in artikel 71, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet, bedraagt twintig.

Het bevoegd gezag dat een vestiging van een school of scholengemeenschap verplaatst over een hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie kilometer van de vorige vestigingsplaats, doet hiervan schriftelijk melding aan de Dienst Uitvoering Onderwijs uiterlijk vier maanden voorafgaande aan de daadwerkelijke verplaatsing.

Het bevoegd gezag van een school, scholengemeenschap of agrarisch opleidingscentrum maakt voor een aanvraag voor een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdelen a tot en met g, van de wet gebruik van het aanvraagformulier dat is opgenomen in bijlage 6.

Het percentage, bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel b, van de wet, bedraagt twintig.

De methodiek voor het berekenen van het leerlingverlies, bedoeld in artikel 72, zesde lid, van de wet, wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage 7.

Bij het opstellen van een prognose van het aantal leerlingen per vestiging, bedoeld in artikel 72, tweede lid onder 3°, van de wet, wordt uitgegaan van de gegevens, vermeld onder punten A tot en met D, van bijlage 1.

De bekostiging van een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdelen c tot en met f, van de wet, vangt aan op 1 augustus van het kalenderjaar volgend op de aanvraag of op 1 augustus van een later kalenderjaar indien het bevoegd gezag daarom heeft verzocht, met dien verstande dat de bekostiging niet later aanvangt dan op 1 augustus volgend op het verstrijken van de looptijd van het desbetreffende regionaal plan onderwijsvoorzieningen.

Indien het bij koninklijke boodschap van 14 december 2007 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Kamerstukken II 2007/08, 31 310, nr. 2) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde tijdstip in werking.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voorzieningenplanning VO.

Een profiel (in de betekenis van vmbo-profiel), school of scholengemeenschap komt voor bekostiging in aanmerking indien met een prognose aannemelijk wordt gemaakt dat het profiel, de school of scholengemeenschap zal worden bezocht door de aantallen leerlingen als genoemd, in de artikelen 65, eerste en tweede lid, en 68 van de wet (de zogenaamde stichtingsnormen). Het schoolbestuur kan op twee manieren aantonen dat het gevraagde profiel, de school of scholengemeenschap voldoet aan de stichtingsnormen: met een indirecte meting of met een directe meting.

Als in het voedingsgebied van het aangevraagde profiel, de aangevraagde school of scholengemeenschap een basisschool van dezelfde richting(en) als het aangevraagde profiel, de aangevraagde school of scholengemeenschap aanwezig is, toont het schoolbestuur de belangstelling voor de gevraagde richting(en) aan op basis van een indirecte meting.

Alleen als er in het voedingsgebied van het aangevraagde profiel, de aangevraagde school of scholengemeenschap geen basisschool van (een of meer van) dezelfde richting(en) als de aangevraagde school of scholengemeenschap aanwezig is, toont het schoolbestuur de belangstelling uitsluitend voor die gevraagde richting(en) aan op basis van een directe meting. De uitkomst van de directe meting wordt gecorrigeerd met een factor 0,7.

Netto potentieel

Om te komen tot het netto potentieel van een gemeente, wordt allereerst het bruto potentieel van een gemeente (E) vastgesteld volgens de formule A×B×C×D=E, waaronder het volgende wordt verstaan.

Het netto potentieel van een gemeente(n) (G) wordt vervolgens vastgesteld volgens de formule E-F=G, waarbij wordt verstaan onder:

Het totale potentieel voor de nieuwe school is de optelling van de netto potentiëlen over het voedingsgebied. Het totale potentieel moet gelijk zijn aan of groter zijn dan het aantal leerlingen per schoolsoort of profiel als bedoeld in artikel 65, eerste en tweede lid, of artikel 68, eerste lid, van de wet.

Termijn

Aan het vereiste aantal leerlingen wordt zowel in het zesde als in het tiende schooljaar na de datum van de aanvraag voldaan.

De berekeningsmethode bij directe meting is dezelfde als bij indirecte meting, met dien verstande, dat het deelnamepercentage voor de verlangde richting(en) wordt gebaseerd op een meting van de belangstelling voor die richting(en) via een onderzoek naar de voorkeur van ouders van leerlingen van 10 en 11 jaar, woonachtig in het voedingsgebied van de het aangevraagde profiel, de aangevraagde school of de aangevraagde scholengemeenschap

Criteria waaraan het onderzoek directe meting moet voldoen:

In de praktijk blijkt dat de feitelijke realisatie lager uitvalt dan de belangstelling – anders gezegd het deelnamepercentage – voor de verlangde richting(en), gebaseerd op de directe meting. Dit doet zich zowel bij het primair onderwijs als bij het voorgezet onderwijs voor. De feitelijke realisatie ligt voor het voortgezet onderwijs op ongeveer 70% van het deelnamepercentage op basis van de directe meting. Daarom wordt de uitkomst van de directe meting vermenigvuldigd met 0,7.

Onder splitsing wordt verstaan het opsplitsen van een bestaande school of scholengemeenschap in twee scholen of scholengemeenschappen van dezelfde schoolsoort(en) en van dezelfde richting. De vraag naar splitsing van een school of scholengemeenschap in twee gelijksoortige scholen of scholengemeenschappen doet zich met name voor bij een zodanige groei van het aantal leerlingen van de school of scholengemeenschap dat het totaal aantal leerlingen ten minste tweemaal de stichtingsnorm bedraagt. Bij een splitsing is het mogelijk een nieuwe school of scholengemeenschap te vormen die niet alle schoolsoorten of niet alle vbo-profielen omvat van de te splitsen school of scholengemeenschap.

Bij splitsing is artikel 66, eerste tot en met het derde lid, van de wet van toepassing, met dien verstande dat in het tweede lid ‘de verlangde richting’ wordt uitgezonderd en voor ‘prognose over de te verwachten omvang’ wordt gelezen: ‘splitsingsplan’. Artikel 66, vierde lid, van de wet is slechts onverkort op splitsing van toepassing indien voor de nieuwe school of scholengemeenschap nieuwe huisvesting benodigd is. Indien de nieuwe school in een reeds bestaand schoolgebouw wordt gehuisvest, dient bij splitsing voor artikel 66, vierde lid, te worden gelezen: De bekostiging vangt aan op 1 augustus van het eerste kalenderjaar na het besluit van Onze Minister.

In afwijking van de definitie van het voedingsgebied in bijlage 1 geldt bij splitsing de volgende definitie:

Voedingsgebied bestaande school of scholengemeenschap: de viercijferige postcodegebieden waarin de huidige leerlingen van de school woonachtig zijn op de teldatum in het jaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag.

Indien er door de splitsing een nieuwe vestiging ontstaat die meer dan 3 kilometer hemelsbreed is verwijderd van de vestigingen van de moederschool, dan dient het bevoegd gezag – naast het splitsingsplan – bij de aanvraag een verklaring te voegen waaruit blijkt dat de bestaande scholen van dezelfde schoolsoort en richting waarvan het voedingsgebied geheel of gedeeltelijk binnen een gebied van 10 kilometer hemelsbreed van de vestigingsplaats van de nieuwe vestiging gelegen is, instemmen met de splitsing.

Als de splitsing neerkomt op het verzelfstandigen van een reeds bestaande vestiging, of als er een nieuwe vestiging ontstaat gelegen op minder dan 3 kilometer afstand hemelsbreed van de vestigingen van de moederschool, geldt dit niet.

De viercijferige postcodegebieden die behoren tot het voedingsgebied van de te splitsen school worden per viercijferig postcodegebied verdeeld over de nieuw te vormen school en de overblijvende school.

Vervolgens wordt voor de twee afzonderlijke voedingsgebieden aangetoond dat er zowel in het zesde als in het tiende schooljaar na het jaar van de aanvraag wordt voldaan aan de stichtingsnorm. Dit gebeurt op basis van het percentage leerlingen van de basisgeneratie dat de te splitsen school heeft bezocht op de teldatum voorafgaand aan het jaar van de aanvraag. De prognose van de basisgeneratie over respectievelijk zes en tien jaar na het jaar de aanvraag wordt per postcodegebied voor dit percentage aan de school toegekend.

Voorbeeld (fictieve postcodes en cijfers):

1 Definitie zoals in bijlage 1 bij deze regeling.

Verdeling van bovenstaande postcodegebieden tussen nieuwe en overblijvende school:

Prognoses voor beide scholen over 6 jaar:

Prognoses voor beide scholen over 10 jaar: Zie boven maar dan met basisgeneraties voor t+10.

De splitsing wordt goedgekeurd als de totale uitkomsten van de prognoses voor zowel het zesde als het tiende jaar gelijk zijn aan of groter zijn dan de stichtingsnorm.

Op grond van artikel 69, tweede lid, van de wet is het mogelijk dat een school of scholengemeenschap in aanmerking komt voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs, de zogenaamde licentie leerwegondersteunend onderwijs.

In dit verband wordt een tweetal situaties onderscheiden, namelijk de aanvraag door een school of scholengemeenschap die tot nu toe niet over een licentie beschikt, of de aanvraag voor verbreding van de bestaande licentie naar meer leerwegen of vestigingen.

Een school of scholengemeenschap die tot nu toe niet over een licentie beschikt

Voor het verkrijgen van bekostiging is een aantal van 40 leerlingen vereist. Dit kan op twee manier worden aangetoond:

Voor beide wijzen van aantonen worden bij de berekening van het potentieel niet meegenomen, leerlingen die woonachtig zijn binnen een straal van 10 kilometer van het vestigingsadres van omliggende scholen met leerwegondersteunend onderwijs van dezelfde richting en dezelfde schoolsoort als de aanvrager.

Voor verbreding hoeft geen minimum aantal leerlingen te worden aangetoond.

Voor zowel een nieuwe als een bestaande licentie geldt de eis dat de aanvraag vergezeld gaat van een document waaruit blijkt dat de meerderheid van de overige scholen en scholengemeenschappen in het desbetreffende samenwerkingsverband instemt met de aanvraag.

De vorming van een nieuwe nevenvestiging leidt tot wijziging van de leerlingstromen. Dat geldt ook voor de uitbreiding van het onderwijsaanbod op een bestaande vestiging (als gevolg van een aanvraag ex artikel 72, derde of vierde lid WVO) met dezelfde schoolsoort(en) als op een in de nabijheid gelegen andere school. De reden daarvoor is dat de afstand tussen het woonadres van een leerling en de (vestiging van een) school een van de belangrijkste motieven vormt bij de schoolkeuze. Met andere woorden: leerlingen van een bestaande school kiezen wellicht voor een nieuwe (vestiging van een) school – met de zelfde schoolsoort(en) – als die laatste school dichter bij hun woonadres gelegen is. Voor de bestaande school levert de nieuwe vestiging of uitbreiding van het onderwijsaanbod mogelijk leerlingverlies op.

Een nieuwe nevenvestiging of uitbreiding van het onderwijsaanbod komen tot stand in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen (RPO). De mogelijk benadeelde school kan zijn bedenkingen tegen de voorgenomen nieuwe onderwijsvoorziening kenbaar maken (zie artikel 72, zesde lid van de WVO). Het bestuur van de bestaande school dat niet deelneemt aan het RPO, moet het leerlingverlies aantonen. Bedraagt het leerlingverlies meer dan 10%, dan wordt de aanvraag voor de nieuwe voorziening in het RPO door de Minister afgewezen, tenzij het bewuste bestuur heeft verklaard met het leerlingverlies in te stemmen. De Minister zal de geuite bedenkingen pas meewegen in zijn besluit als het adres van de nieuwe nevenvestiging vaststaat. Zo lang dat niet het geval is, kan een exacte verliesberekening immers niet plaats vinden.

a. Algemeen

Begripsbepalingen.

Hieronder wordt verstaan onder:

Onderbouw: voor vbo en mavo de eerste twee leerjaren en voor havo en vwo de eerste drie leerjaren;

Bovenbouw: de overige leerjaren van vbo, mavo, havo en vwo.

Het leerlingverlies voor de bestaande school wordt berekend op basis van de leerlingtelling in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van de aanvraag van de nieuwe voorziening. Dit gebeurt door de leerlingen van de bestaande school per schoolsoort en per postcodegebied toe te rekenen aan de bestaande school of aan de nieuwe school op basis van de hemelsbreed gemeten, kortste afstand.

Toelichting

Op basis van hemelsbreed de kortste afstand rekent men de leerlingen van de betreffende schoolsoort(en) per groep uit hetzelfde postcodegebied (dus niet individueel) toe aan de bestaande of de nieuwe school. Voor de bepaling van de afstand gaat men uit van het middelpunt van het postcodegebied. Het bestuur van de bestaande school kan informatie inwinnen over aantallen leerlingen per schoolsoort per postcodegebied alsook over de hemelsbreed gemeten afstand vanuit een postcodegebied tot bepaalde adressen, bij:

DUO, Onderwijsdiensten,

Postbus 606,

2700 ML in Zoetermeer.

b. Nadere uitwerking berekeningsmethode bij verplaatsing, uitbreiding met afsluitend onderwijs, gemengde leerweg of een vbo-profiel (tevens voor een nieuwe nevenvestiging waaraan bij de totstandkoming ook afsluitend onderwijs wordt toegestaan)

Bij een voorziening als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdelen a, d, e, en f van de WVO geldt voor de berekening van het leerlingverlies stapsgewijs de volgende methode.

Uitbreiding met afsluitend onderwijs, gemengde leerweg of een vbo-profiel heeft formeel slechts gevolgen voor de leerjaren in de bovenbouw. De veronderstelling is echter dat een dergelijke uitbreiding ook aanzuigende werking heeft op de leerjaren in de onderbouw. Vandaar dat ook leerlingverlies in de onderbouw mag worden meegerekend.

Bij een categorale school wordt het leerlingverlies berekend op basis van alle leerjaren. Dit wil zeggen dat alle leerlingen van die bepaalde schoolsoort die (vanwege de kortere afstand) voor de nieuwe school zouden opteren, bij elkaar worden opgeteld. Dat totale leerlingverlies wordt afgezet tegen het totaal aantal leerlingen van de (betreffende vestiging van de) categorale school en in het leerlingverliespercentage uitgedrukt.

Rekenvoorbeeld

Stel school A wil op vestiging 01 (A01) een uitbreiding met havo afsluitend onderwijs. Op korte afstand ligt vestiging 02 van school B (B02) waar – naast vwo – ook havo wordt aangeboden. Vestiging B02 kent de volgende samenstelling van leerlingen:

Gelet op de kortste afstand kan het leerlingverlies voor de vestiging B02 voor havo, leerjaren vier en vijf, berekend worden op 34 van de in totaal 200 havo-leerlingen in de bovenbouw van B02, zijnde 17% (stappen 1 en 2 onder b).

Vervolgens wordt aangenomen, dat ook voor de leerjaren één en tot en met drie van het havo op vestiging B02 een leerlingverlies van 17% geldt (stap 3 onder b). Het aantal leerlingen havo in de onderbouw bedraagt in de verhouding havo-vwo in de bovenbouw: 2/3 x 360 = 240 leerlingen. Het leerlingverlies havo voor de onderbouw is dan 17% van 240 = 41 leerlingen (stappen 4a en b onder b). Daarmee komt het totale leerlingverlies voor het havo op 75 leerlingen (stap 5 onder b).

Vestiging B02 omvat in totaal 660 leerlingen. Het leerlingverliespercentage voor de vestiging met havo en vwo is 11% (75 gedeeld op 660). Het leerlingverlies wordt namelijk berekend over het totaal aantal leerlingen van alle goedgekeurde schoolsoorten op vestiging B02 (stap 6 onder b).

Daarvan wordt, als de bestaande vestiging B02 van een andere richting is dan het aangevraagde havo afsluitend onderwijs, 25% afgetrokken (zie d). Het leerlingverliespercentage is dan 8%. Eventuele bedenkingen van het bevoegd gezag van school B tegen de uitbreiding wordt dan niet meegewogen in het besluit, omdat het leerlingverlies immers kleiner is dan 10%.

Zou B02 van dezelfde richting zijn als het aangevraagde havo afsluitend onderwijs dan wordt de aanvraag afgewezen (verliespercentage is 11% en dus hoger dan de grens van 10%).

c. Nadere uitwerking berekeningsmethode bij een nieuwe nevenvestiging met alleen onderbouw

Bij de vorming van een nieuwe nevenvestiging, als bedoeld in artikel 72, derde lid onderdeel b van de WVO, wordt het leerlingverlies van een bestaande vestiging van een school of scholengemeenschap berekend op basis van de onderbouw. Hier gelden de volgende methoden:

Rekenvoorbeeld

Stel school A wil een nieuwe nevenvestiging met alleen onderbouw mavo en vbo starten. Op korte afstand ligt de hoofdvestiging van school B (B00) waar, naast vwo en havo, ook mavo en vbo worden aangeboden. Vestiging B00 kent de volgende samenstelling van leerlingen:

*: leerjaren een en twee gemeenschappelijk

Gelet op de kortste afstand kan het leerlingverlies voor de vestiging B00 voor mavo en vbo, leerjaren drie en vier, berekend worden op 80 van de in totaal 400 mavo/vbo-leerlingen in de bovenbouw van B00, zijnde 20% (stappen 1 en 2 cf onder b). Vervolgens wordt aangenomen, dat ook voor de leerjaren één en twee van het vbo en mavo op vestiging B02 een leerlingverlies van 20% geldt (stap 3 cf onder b). Het aantal leerlingen mavo in de gemeenschappelijke leerjaren vwo/havo/mavo bedraagt in de verhouding vwo/havo/mavo in de bovenbouw: 200/450 x 200 = 89 leerlingen. Het leerlingverlies mavo voor de gemeenschappelijke leerjaren is dan 20% van 89 = 18 leerlingen (stappen 4a en b cf onder b). Het leerlingverlies voor de onderbouw mavo/vbo bedraagt 20% van 300= 60 leerlingen (stap 4 sec onder b). Daarmee komt het totale leerlingverlies voor vbo en mavo op 78 leerlingen (stap A 2 onder c).

Vestiging B00 omvat in totaal 1 260 leerlingen. Het leerlingverliespercentage gerekend over de gehele vestiging B00 is 6% (78 gedeeld op 1 260). Het leerlingverlies wordt namelijk berekend over het totaal aantal leerlingen van alle goedgekeurde schoolsoorten op vestiging B02 (stap A 3 onder c). Eventuele bedenkingen van het bevoegd gezag van school B00 tegen de uitbreiding worden niet meegewogen in het besluit, omdat het leerlingverlies immers kleiner is dan 10%.

Als de school A van een andere richting is dan school B00 is de vermindering van het leerlingverlies als bedoeld onder d ook op deze berekening van toepassing.

d. Vermindering leerlingverlies bij een aanvraag die uitgaat van een andere richting dan de bestaande school

Van het leerlingverlies, zoals berekend op grond van a en b of op grond van a en c, wordt 25 procent afgetrokken als de bestaande school waarvoor dat verlies is berekend, van een andere richting is dan de school die zijn voorzieningen wil uitbreiden. Dit vanuit de aanname dat een deel van de leerlingen dat weliswaar dichter bij de nieuwe voorziening woont, tóch blijft kiezen voor de bestaande voorziening vanwege de keuze voor de richting.

e. Afsplitsing (artikel 72, derde lid, onderdeel c)

Bij een afsplitsing die niet gepaard gaat met een verplaatsing is leerlingverlies niet aannemelijk. Als de afsplitsing gepaard gaat met een verplaatsing over een afstand van meer dan drie kilometer hemelsbreed gemeten is het gestelde onder b van toepassing.