Algemene maatregel van bestuur · BWBR0028917

Faillissementswet BES

Wijzigingen Officiële bron
Faillissementswet BESFaillissementswet BES

[vervallen]

Wordt de faillietverklaring in hoger beroep uitgesproken met vernietiging van een vonnis, waarbij de aangifte of aanvrage tot faillietverklaring werd afgewezen, dan geeft de griffier van het Hof van Justitie van die uitspraak kennis aan de griffier van het gerecht in eerste aanleg, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar de aangifte of aanvrage is ingediend.

Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behoorend vermogen, te rekenen van den dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.

Voor verbintenissen van den schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk dan voorzooverre deze tengevolge daarvan is gebaat.

Rechtsvorderingen, welke voldoening van eene verbintenis uit den boedel ten doel hebben, kunnen gedurende het faillissement ook tegen den gefailleerde niet op andere wijze ingesteld worden, dan door aanmelding ter verificatie.

Voor zooverre tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening van eene verbintenis uit den boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie van de vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van den gefailleerde, partij in het geding.

Indien een geding door of tegen den curator, of ook in het geval van artikel 25 tegen een schuldeischer wordt voortgezet, mag de curator of die schuldeischer de nietigheid inroepen van handelingen, door den schuldenaar vóór zijne faillietverklaring in het geding verricht, zoo bewezen wordt, dat deze door die handelingen de schuldeischers desbewust heeft benadeeld en dat dit aan zijne tegenpartij bekend was.

[vervallen]

[vervallen]

Indien vóór het faillissement van den schuldenaar de uitwinning van zijne goederen zoover was gevorderd, dat de dag van den verkoop reeds was bepaald, is de curator bevoegd om op machtiging van den rechter-commissaris, den verkoop voor rekening van den boedel te laten voortgaan.

Indien een beding als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES, op de dag van de faillietverklaring nog niet in de openbare registers was ingeschreven, kan de curator het registergoed ten aanzien waarvan het is gemaakt, vrij van het beding overeenkomstig de artikelen 96 of 169, vierde en vijfde lid, vervreemden.

Aan een gift, door de schuldenaar gedaan onder een opschortende voorwaarde of een opschortende tijdsbepaling, die op de dag van de faillietverklaring nog niet was vervuld of verschenen, ontleent de begiftigde generlei recht tegen de boedel.

Ingeval een termijn die vóór de faillietverklaring uit hoofde van artikel 55, tweede lid, van Boek 3 of van artikel 88 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES aan de schuldenaar was gesteld, ten tijde van de faillietverklaring nog niet was verstreken, loopt de termijn voort, voor zover dit redelijkerwijze noodzakelijk is om de curator in staat te stellen zijn standpunt te bepalen. De wederpartij kan de curator daartoe een nieuwe redelijke termijn stellen.

Voor vorderingen die de wederpartij uit hoofde van ontbinding of vernietiging van een vóór de faillietverklaring met de schuldenaar gesloten overeenkomst op deze heeft verkregen, of die strekken tot schadevergoeding ter zake van tekortschieten in de nakoming van een vóór de faillietverklaring op deze verkregen vordering, kan zij als concurrent schuldeiser in het faillissement opkomen.

Indien in het geval van artikel 33, de levering van waren, welke ter beurze op termijn worden verhandeld, bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalden termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na de faillietverklaring, wordt de overeenkomst door de faillietverklaring ontbonden en mag de wederpartij van den gefailleerde zonder meer voor schadevergoeding als concurrent schuldeischer opkomen. Lijdt de boedel door de ontbinding schade, dan is de wederpartij verplicht deze te vergoeden.

Indien de gefailleerde huurder is, kan zoowel de curator als de verhuurder de huur tusschentijds doen eindigen, mits de opzegging geschiede tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende zal zijn. Zijn er huurpenningen vooruitbetaald, dan kan de huur niet eerder opgezegd worden, dan tegen den dag, waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt. Van den dag van de faillietverklaring af is de huurprijs boedelschuld.

[vervallen]

[vervallen]

In geval van benadeling door een rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht binnen één jaar vóór de faillietverklaring, wordt vermoed, dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling van de schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling zou zijn.

De voldoening door de schuldenaar aan een opeisbare schuld wordt alleen dan vernietigd, indien is aangetoond, hetzij dat hij die de betaling ontving, wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds aangevraagd was, hetzij dat de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen.

Beëindiging van het faillissement door de homologatie van een akkoord doet de rechtsvorderingen in het vorige artikel bedoeld, vervallen, tenzij het akkoord boedelafstand inhoudt, in welk geval zij ten behoeve van de schuldeischers vervolgd of ingesteld kunnen worden door de vereffenaars.

De schuldenaar van de gefailleerde, die zijn schuld wil verrekenen met een vordering aan order of toonder, dient te bewijzen dat hij het papier reeds op het ogenblik der faillietverklaring te goeder trouw had verkregen.

Degene die met de gefailleerde deelgenoot is in een gemeenschap waarvan tijdens het faillissement een verdeling plaatsvindt, kan toepassing van artikel 184, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES verlangen, ook als de schuld van de gefailleerde aan de gemeenschap er een is onder een nog niet vervulde opschortende voorwaarde. De artikelen 125 en 126 zijn van toepassing.

Indien de opbrengst niet toereikend is om een pand- of hypotheekhouder of een dergenen wier beperkt recht door de executie is vervallen, te voldoen, kan deze voor het ontbrekende als concurrent schuldeiser in de boedel opkomen.

De echtgenoot van de gefailleerde heeft geen aanspraak op de boedel terzake van voordelen bij huwelijkse voorwaarden besproken. Wederkerig kunnen de schuldeisers geen genot hebben van de voordelen, die aan de gefailleerde bij huwelijkse voorwaarden door zijne echtgenoot zijn toegezegd.

De rechter-commissaris houdt toezicht op het beheer en de vereffening van den faillieten boedel.

Alvorens in eenige zaak, het beheer of de vereffening van den faillieten boedel betreffende, eene beslissing te geven, is het Hof van Justitie verplicht, den rechter-commissaris schriftelijk te hooren.

Het ontbreken van de machtiging van den rechter-commissaris, waar die vereischt is, of de niet-inachtneming van de bepalingen vervat in de artikelen 74 en 75, is, voor zooveel derden betreft, niet van invloed op de geldigheid van de door den curator verrichte handeling. De curator is deswege alleen jegens den gefailleerde en de schuldeischers aansprakelijk.

De commissie is bevoegd om te allen tijde raadpleging te vorderen van het op het faillissement betrekking hebbende boeken, bescheiden en andere gegevevensdragers. De curator is verplicht aan de commissie alle van hem verlangde inlichtingen te verstrekken.

Tot het inwinnen van het advies der commissie vergadert de curator met haar, zoo dikwijls hij het noodig acht. In deze vergaderingen zit hij voor en voert hij de pen.

De curator is niet gebonden aan het advies der commissie. Zoo hij zich daarmede niet vereenigt, geeft hij hiervan onmiddellijk kennis aan de commissie, welke de beslissing van den rechter-commissaris kan inroepen. Zoo zij verklaart, dit te doen, is de curator verplicht de uitvoering van de voorgenomen, met het advies der commissie strijdige handeling, gedurende drie dagen op te schorten.

Ten behoeve van de schuldeischers, die zich op eene vergadering hebben doen vertegenwoordigen, worden alle oproepingen voor latere vergaderingen en alle kennisgevingen aan den gemachtigde gedaan, ten ware zij den curator schriftelijk verzoeken, dat die oproepingen en kennisgevingen aan hen zelve of aan een anderen gemachtigde geschieden.

Alle beschikkingen in zaken, het beheer of de vereffening van den faillieten boedel betreffende, zijn uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, tenzij het tegendeel bepaald is.

[vervallen]

Gedurende het faillissement mag de gefailleerde zonder toestemming van den rechter-commissaris zijne woonplaats niet verlaten.

De curator zorgt, dadelijk na de aanvaarding van zijne betrekking, door alle noodige en gepaste middelen voor de bewaring van den boedel. Hij neemt onmiddellijk de bescheiden en andere gegevensdragers, gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde tegen ontvangbewijs onder zich. Hij is bevoegd de gelden aan den ontvanger voor de gerechtelijke consignatiën in bewaring te geven.

Van de goederen, vermeld in artikel 18 eerste lid, onder 1e., wordt een staat aan de beschrijving gehecht; die, vermeld in artikel 87, worden in de beschrijving opgenomen.

De curator gaat dadelijk na de beschrijving van den boedel over tot het opmaken van een staat, waaruit de aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels, de namen en woonplaatsen der schuldeischers, alsmede het bedrag van de vorderingen van ieder hunner blijken.

Door den curator gewaarmerkte afschriften van de boedelbeschrijving en van den staat, vermeld in het voorgaande artikel, worden ter kostelooze inzage van een ieder gelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg in het openbaar lichaam waar het faillissement werd uitgesproken.

De curator is bevoegd het bedrijf van den gefailleerde voort te zetten. Indien eene commissie uit de schuldeischers niet is benoemd, heeft hij daartoe de machtiging van den rechter-commissaris noodig.

De curator is bevoegd naar omstandigheden eene door den rechter-commissaris vastgestelde som ter voorziening in het levensonderhoud van den gefailleerde en zijn huisgezin uit te keeren.

Over gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde, welke, volgens bepaling van den rechter-commissaris, door een derde worden bewaard, en over belegde gelden mag de curator niet anders beschikken dan door middel van door den rechter-commissaris voor gezien geteekende stukken.

De curator is, na ingewonnen advies van de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, en onder goedkeuring van den rechter-commissaris, bevoegd vaststellingsovereenkomsten of schikkingen aan te gaan.

Bij het faillissement van eene naamloze vennootschap, besloten vennootschap, wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappij of eenige andere, rechtspersoonlijkheid bezittende vereeniging of stichting zijn de bepalingen van de artikelen 82 – 86 op de bestuurders, die van artikel 100 eerste lid, op bestuurders en commissarissen toepasselijk.

De griffier is verplicht aan elken schuldeischer op diens verzoek en op diens kosten afschrift te geven van de stukken, welke ingevolge eenige bepaling van dit besluit ter griffie worden nedergelegd of zich aldaar bevinden.

De curator geeft van deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeischers bij brieven kennis, en doet daarvan aankondiging in het nieuwsblad, bedoeld in artikel 11.

De curator toetst de ingezonden rekeningen aan de administratie en opgaven van den gefailleerde, treedt, als hij tegen de toelating van eene vordering bezwaar heeft, met den schuldeischer in overleg, en is bevoegd van dezen overlegging van ontbrekende stukken alsook inzage van zijne administratie en van de oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen.

De curator brengt de vorderingen, welke hij goedkeurt, op eene lijst van voorloopig erkende schuldvorderingen, en de vorderingen, welke hij betwist op eene afzonderlijke lijst, vermeldende de gronden van betwisting.

Van ieder der lijsten, in artikel 107 bedoeld, legt de curator een afschrift neder ter griffie van het in artikel 92 aangewezen gerecht in eersten aanleg, om aldaar gedurende de zeven aan de verificatievergadering voorafgaande dagen kosteloos ter inzage te liggen voor een ieder.

Van de krachtens artikel 109 gedane nederlegging der lijsten geeft de curator aan alle bekende schuldeischers schriftelijk bericht, waarbij hij eene nadere oproeping tot de verificatievergadering voegt en tevens vermeldt, of de gefailleerde een ontwerp-akkoord ter griffie heeft nedergelegd.

De gefailleerde woont de verificatie-vergadering in persoon bij, ten einde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van het faillissement en den staat van den boedel te geven, welke de rechter-commissaris van hem vraagt. De schuldeischers zijn bevoegd om den rechter-commissaris te verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan den gefailleerde te vragen. De vragen aan den gefailleerde gesteld en de door hem gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgeteekend.

Bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap, besloten vennootschap, wederkeerige verzekerings- of waarborg-maatschappij of eenige andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging of stichting, rust op de bestuurders de verplichting, in het vorige artikel den gefailleerde opgelegd.

De schuldeischers mogen ter vergadering verschijnen in persoon of bij gemachtigde. De schriftelijke volmacht is vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.

De schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, is tot staving daarvan niet tot nader of meer bewijs gehouden, dan hij tegen den gefailleerde zelf zou moeten leveren.

De rechter-commissaris is bevoegd om vorderingen, welke betwist worden, voorwaardelijk toe te laten tot een door hem bepaald bedrag. Wanneer de voorrang betwist wordt, is de rechter-commissaris bevoegd dezen voorwaardelijk te erkennen.

Interesten na de faillietverklaring loopende, mogen niet geverifieerd worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt. In dit geval worden zij pro memorie geverifieerd. Voor zooverre de interesten op de opbrengst van het onderpand niet batig gerangschikt worden, kan de schuldeischer uit deze verificatie rechten niet ontleenen.

Vorderingen, waarvan de waarde onbepaald, onzeker, niet in in Bonaire, Sint Eustatius of Saba wettig gangbare munt of in het geheel niet in geld is uitgedrukt, worden geverifieerd voor hunnen geschatte waarde in in Bonaire, Sint Eustatius of Saba wettig gangbare munt.

Schuldvorderingen aan toonder mogen ten name van «toonder» geverifieerd worden. Iedere ten name van «toonder» geverifieerde vordering wordt als de vordering van een afzonderlijk schuldeischer beschouwd.

[vervallen]

De gefailleerde is bevoegd aan zijne gezamenlijke schuldeischers een akkoord aan te bieden.

De curator en de commissie uit de schuldeischers zijn verplicht ieder afzonderlijk ter vergadering een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord te geven.

De raadpleging en beslissing worden tot eene volgende door den rechter-commissaris op ten hoogste drie weken later bepaalde vergadering uitgesteld:

Wanneer de raadpleging en de stemming over het akkoord, ingevolge de bepalingen van het voorgaande artikel, worden uitgesteld tot eene nadere vergadering, geeft de curator daarvan onverwijld aan de niet op de verificatie-vergadering verschenen, erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeischers kennis bij brieven, vermeldende den summieren inhoud van het akkoord.

De gefailleerde is bevoegd tot toelichting en verdediging van het akkoord op te treden en het, staande de raadpleging, te wijzigen.

Tot het aannemen van het akkoord wordt vereist de toestemming van twee derden van de erkende en de voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers, die drie vierden van het bedrag van de door geen voorrang gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen.

Indien twee derde van de ter vergadering verschenen schuldeischers, meer dan de helft van het gezamenlijk bedrag van de schuldvorderingen, waarvoor stemrecht mag worden uitgeoefend, vertegenwoordigende, in het akkoord bewilligen, wordt ten hoogste acht dagen later eene tweede stemming gehouden, zonder dat daartoe eene nadere oproeping vereischt wordt. Bij deze stemming is niemand gebonden aan zijne de eerste maal uitgebrachte stem.

Latere veranderingen, in het getal van de schuldeischers of in het bedrag van de vorderingen, zijn niet van invloed op de geldigheid van de aanneming of de verwerping van het akkoord.

Binnen acht dagen na de beschikking van de rechter in eerste aanleg kunnen, zo de homologatie is geweigerd, zowel de schuldeisers die voor het akkoord stemden als de gefailleerde, zo de homologatie is toegestaan, de schuldeisers die tegenstemden of bij de stemming afwezig waren, tegen die beschikking in hoger beroep komen. In het laatste geval hebben ook de schuldeisers, die vóór stemden, ditzelfde recht, doch alleen op grond van het ontdekken na de homologatie van handelingen als in artikel 148, 2de lid, sub 3 e genoemd.

Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle geen voorrang hebbende schuldeisers, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn.

Na verwerping of weigering van de homologatie van het akkoord mag de gefailleerde in hetzelfde faillissement een akkoord niet meer aanbieden.

Het in kracht van gewijsde gegaan vonnis van homologatie levert, in verband met het proces-verbaal van de verificatie, ten behoeve van de erkende vorderingen, voor zoover zij niet door den gefailleerde overeenkomstig artikel 22 betwist zijn, een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.

Niettegenstaande het akkoord behouden de schuldeischers al hunne rechten tegen de borgen en andere mede-schuldenaren van den schuldenaar. De rechten, welke zij op goederen van derden kunnen uitoefenen, blijven bestaan als ware geen akkoord tot stand gekomen.

Zodra de homologatie van het accoord in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement.

Voor zooveel betreft vorderingen, waarvan het voorrecht voorwaardelijk erkend is, bepaalt de in het vorige artikel bedoelde verplichting van den schuldenaar zich tot het stellen van zekerheid en is de curator bij gebreke daarvan slechts gehouden tot het reserveeren uit de baten des boedels van het bedrag, waarop het voorrecht aanspraak geeft.

De vordering tot ontbinding van het akkoord wordt op dezelfde wijze aangebracht en beslist, als ten aanzien van het verzoek tot faillietverklaring in de artikelen 4, 5, 6 en 7 is voorgeschreven.

De handelingen, door den schuldenaar in den tijd tusschen de homologatie van het akkoord en de heropening van het faillissement verricht, zijn voor den boedel verbindend, behoudens de toepassing van artikel 38 en volgende, zoo daartoe gronden zijn.

Het vorige artikel is eveneens toepasselijk, indien de boedel van den schuldenaar, terwijl deze nog niet volledig aan het akkoord heeft voldaan, opnieuw in staat van faillissement wordt verklaard.

Nadat de boedel insolvent is geworden, is de rechter-commissaris bevoegd, om op door hem bepaalde dag, uur en plaats, eene vergadering van schuldeischers te beleggen, ten einde hen zoo noodig te raadplegen over de wijze van vereffening van den boedel, en zoo noodig de verificatie te doen plaats hebben van de schuldvorderingen, welke na afloop van den in artikel 103, eerste lid, onder 1e., bepaalden termijn nog zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel 123 geverifieerd zijn. De curator handelt ten opzichte van deze vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 106–109. Hij roept de schuldeischers ten minste tien dagen vóór de vergadering, bij brieven op, waarin het onderwerp van de vergadering wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 109 wordt herinnerd. Bovendien plaatst hij gelijke oproeping in het nieuwsblad, bedoeld in artikel 11.

Zoo dikwijls er, naar het oordeel van den rechter-commissaris, voldoende gereede penningen aanwezig zijn, beveelt deze eene uitdeeling aan de geverifieerde schuldeischers.

Voor de voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen worden op de uitdeelingslijst de percenten over het volle bedrag uitgetrokken.

Door verloop van den termijn van artikel 175, of, zoo er verzet is gedaan, door het op het verzet gegeven beschikking, wordt de uitdeelingslijst verbindend.

Indien enig goed met betrekking waartoe een schuldeiser voorrang heeft, wordt verkocht, nadat hem ingevolge artikel 171 in verband met het slot van artikel 172, reeds een uitkering is gedaan, wordt hem bij een volgende uitdeling het bedrag waarvoor hij op de opbrengst van goed batig gerangschikt is, niet anders uitgekeerd dan onder aftrek van de percenten die hij reeds tevoren over dit bedrag ontving.

Na afloop van den termijn van inzage, bedoeld bij artikel 175, of na uitspraak van het vonnis op het verzet, is de curator verplicht de vastgestelde uitkeering onverwijld te doen. De uitkeeringen, waarover niet binnen ééne maand daarna is beschikt of welke ingevolge artikel 181 gereserveerd zijn, stort hij in de kas der gerechtelijke consignatiën

Indien na de slotuitdeeling ingevolge artikel 181 gereserveerde uitdeelingen aan den boedel terugvallen of mocht blijken, dat er nog baten van den boedel aanwezig zijn, welke ten tijde van de vereffening niet bekend waren, gaat de curator, op bevel van den rechter in eersten aanleg, tot vereffening en verdeeling daarvan over op den grondslag van de vroegere uitdeelingslijsten.

Door het verbindend worden van de slotuitdeelingslijst herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

De in het vierde lid van artikel 116 bedoelde erkenning van eene vordering heeft kracht van gewijsde zaak tegen den schuldenaar; het proces-verbaal van de verificatie-vergadering levert voor de daarin als erkend vermelde vorderingen den voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar.

De bepaling van het vorige artikel geldt niet voor zoover de vordering door den gefailleerde overeenkomstig artikel 122 betwist is.

De boedel van een overledene wordt in staat van faillissement verklaard, indien één of meer der schuldeischers daartoe verzoek doen en summier aantoonen, dat de overledene in den toestand verkeerde, dat hij had opgehouden te betalen of dat de nalatenschap ten tijde van het overlijden niet toereikend was ter betaling van de schulden van den overledene.

De faillietverklaring heeft van rechtswege ten gevolge de afscheiding van den boedel van den overledene van dien van zijne erfgenamen, in dier voege als bij artikel 1133 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek BES is omschreven.

De faillietverklaring kan aangevraagd worden zoo lang niet drie maanden na de aanvaarding van de nalatenschap en tevens zes maanden na overlijden van den schuldenaar zijn verstreken.

De zesde afdeeling van dezen titel is op het faillissement van eene nalatenschap niet toepasselijk; evenmin de achtste afdeeling, tenzij de erfenis zuiver is aanvaard.

Schuldeischers, die na de faillietverklaring hunne vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op zich in het buitenland bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van den hier te lande gefailleerden schuldenaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden.

Nadat het faillissement overeenkomstig de artikelen 153 of 185 geëindigd is, is de schuldenaar of zijn zijne erfgenamen, ook in geval van artikel 190, bevoegd een verzoek van rehabilitatie in te leveren bij den rechter in eersten aanleg, die het faillissement heeft berecht.

De schuldenaar of zijne erfgenamen zijn tot dit verzoek niet ontvankelijk, tenzij bij het verzoekschrift zij overgelegd het bewijs, waaruit blijkt, dat alle erkende schuldeischers, ten genoegen van elk hunner, zijn voldaan.

Van het verzoek wordt aankondiging gedaan in de Staatscourant.

Het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken, terwijl mede daarvan aanteekening geschiedt in het in artikel 16 bedoelde register.

De schuldenaar, die voorziet, dat hij met betalen van zijne opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan, kan surséance van betaling aanvragen.

De surséance wordt geacht te zijn ingegaan bij den aanvang van den dag, waarop zij voorloopig is verleend.

De beschikking waarbij de surséance definitief wordt toegestaan, wordt aangekondigd op de wijze, in artikel 207 voorgeschreven.

De griffier van het gerecht in eerste aanleg houdt in elk openbaar lichaam een openbaar register bij met betrekking tot surséances van betaling. Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing.

De surséance werkt niet ten aanzien van:

De betaling van alle andere schulden, bestaande vóór den aanvang der surséance, kan, zoolang de surséance duurt, niet anders plaats hebben dan aan alle schuldeischers gezamenlijk, in evenredigheid hunner vorderingen.

Voor vorderingen die de wederpartij uit hoofde van ontbinding of vernietiging van een vóór de aanvang van de surséance met de schuldenaar gesloten overeenkomst op deze heeft verkregen, of die strekken tot schadevergoeding ter zake van tekortschieten in de nakoming van een vóór de aanvang van de surséance op deze verkregen vordering, kan zij opkomen op de voet, in artikel 223 bepaald.

Indien in het geval van artikel 226, de levering van waren, die ter beurze op termijn worden verhandeld, bedongen is tegen een vastgesteld tijdstip of binnen een bepaalden termijn, en dit tijdstip invalt of die termijn verstrijkt na den aanvang der surséance, wordt de overeenkomst door de voorloopige verleening van surséance, ontbonden en kan de wederpartij van den schuldenaar zonder meer voor schadevergoeding opkomen op den voet, in artikel 223 bepaald. Lijdt de boedel door de ontbinding schade dan is de wederpartij verplicht deze te vergoeden.

De surséance werkt niet ten voordeele van borgen en andere medeschuldenaren.

Zoodra eene beschikking, waarbij de surséance is ingetrokken, in kracht van gewijsde is gegaan, wordt zij aangekondigd, gelijk is voorgeschreven in artikel 207.

De bepalingen van internationaal recht van de artikelen 195–197 vinden bij surséance overeenkomstige toepassing.

De schuldenaar is bevoegd bij of na het verzoek tot surséance aan hen, die vorderingen hebben, ten aanzien waarvan de surséance werkt, een akkoord aan te bieden.

Het ontwerp van akkoord vervalt, indien, voordat het vonnis van homologatie van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, eene rechtelijke beslissing houdende beëindiging der surséance in kracht van gewijsde gaat.

De bewindvoerders toetsen de ingezonden rekeningen aan de administratie en opgaven van den schuldenaar, treden, als zij tegen de toelating eener vordering bezwaar hebben, met den schuldeischer in overleg, en zijn bevoegd van dezen overlegging van ontbrekende stukken alsook raadpleging van zijn administratie en van de oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen.

De bewindvoerders brengen de bij hen ingediende vorderingen op eene lijst, vermeldende de namen en woonplaatsen der schuldeischers, het bedrag en de omschrijving der vorderingen, alsmede of en in hoever de bewindvoerders die vorderingen erkennen of betwisten.

De rechter in eersten aanleg bepaalt of en tot welk bedrag de schuldeischers, wier vorderingen betwist zijn, tot de stemming zullen worden toegelaten.

Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle schuldeischers te wier aanzien de surséance werkt.

Het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homologatie levert, in verband met het in artikel 258 bedoelde proces-verbaal ten behoeve der door den schuldenaar niet betwiste vorderingen een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.

Zoolang niet over het aangeboden akkoord uiteindelijk is beslist, eindigt de surséance niet door verloop van den termijn, waarvoor zij is verleend.

De surséance neemt een einde zoodra het vonnis van homologatie in kracht van gewijsde is gegaan.

De rechter in eersten aanleg kan, wanneer het akkoord niet wordt aangenomen, den schuldenaar bij vonnis in staat van faillissement verklaren. Wordt het faillissement niet uitgesproken, dan eindigt de surséance zoodra de termijn, in artikel 259 bedoeld, ongebruikt verstreken is of het Hof van Justitie verbetering van het proces-verbaal heeft geweigerd.

In een faillissement, uitgesproken krachtens de artikelen 261, 266 en 268 kan een akkoord niet worden aangeboden.

Tegen de beslissingen van den rechter, ingevolge de bepalingen van dezen titel gegeven, staat geen hoogere voorziening open, behalve in de gevallen, waarin het tegendeel is bepaald.

Deze wet wordt aangehaald als: Faillissementswet BES.