Ministeriële regeling · BWBR0029015

Regeling Algemene Voorwaarden Rijksgebouwendienst 2011

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 november 2010, nr. JA2010026531, Rijksgebouwendienst, Stafafdeling Juridische Advisering, houdende de vaststelling van de Algemene Voorwaarden Rijksgebouwendienst (Regeling Algemene Voorwaarden Rijksgebouwendienst 2011)Regeling Algemene Voorwaarden Rijksgebouwendienst 2011 De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op artikel 11 van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999;

Besluit:

Deze regeling zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag24 november 2010De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,J.P.H.Donner

De Algemene Voorwaarden Rijksgebouwendienst 2011 worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Den Haag, 24 november 2010

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J.P.H. Donner.

De Minister van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesJ.P.H.Donner

Artikel 11 van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999 geeft aan de minister de bevoegdheid om nadere regels te stellen omtrent de taken, bevoegdheden, werkwijze en inrichting van de dienst. Op grond van deze bepaling zijn de Algemene Voorwaarden Rijksgebouwendienst (AVR 2011) ontwikkeld, ter vervanging van de Algemene Voorwaarden Rijksgebouwendienst (AVR) van 17 augustus 1999. De AVR 2011 hebben betrekking op alle offertes van en overeenkomsten met de Rijksgebouwendienst. In hoofdzaak zal het daarbij gaan om overeenkomsten met betrekking tot projecten die na gereedkomen ter beschikking zullen worden gesteld aan de afnemer en om adviesovereenkomsten.

Algemene voorwaarden zijn van toepassing indien partijen niets anders overeenkomen. In een offerte kan de Rijksgebouwendienst afwijkende voorwaarden opnemen en partijen kunnen gedurende de uitvoering van de overeenkomst van de AVR 2011 afwijkende voorwaarden overeenkomen.

In dit artikel wordt naast een aantal begripsbepalingen de reikwijdte van de AVR 2011 gegeven. Inkoopvoorwaarden van de opdrachtgever zijn niet van toepassing.

De kring van de opdrachtgevers waarop de AVR 2011 van toepassing zijn is gekoppeld aan het begrip afnemer in het Besluit Rijksgebouwendienst 1999. Het gaat om afnemers waarvoor de Rijksgebouwendienst krachtens artikel 3 van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999 de zorg voor de huisvesting van rechtswege draagt en om lichamen en organisaties waarvoor de Rijksgebouwendienst de zorg voor de huisvesting op grond van artikel 4 van het besluit opgedragen heeft gekregen. De verzelfstandigde rijksmusea zijn een voorbeeld van de laatstgenoemde categorie.

Bewust is ervoor gekozen om de afspraken tussen de Rijksgebouwendienst en de opdrachtgever schriftelijk vast te leggen. Een en ander draagt er toe bij dat partijen het aanbod en de instemming met het aanbod goed kunnen overwegen en dat duidelijkheid ontstaat over de inhoud van hetgeen is overeengekomen.

In dit artikel wordt de positie van de Rijksgebouwendienst binnen het rijkshuisvestingsstelsel onder de aandacht gebracht. De positie van de Rijksgebouwendienst is in het Besluit instelling agentschap Rijksgebouwendienst en in het Besluit Rijksgebouwendienst 1999 voldoende vastgelegd; het is echter goed om in deze AVR 2011 duidelijk te maken dat de Rijksgebouwendienst handelt vanuit uitgangspunten die zich moeilijk laten vergelijken met uitgangspunten die in de markt gebruikelijk zijn.

De Rijksgebouwendienst voert werkzaamheden uit op basis van door de minister vastgestelde tarieven. Jaarlijks, op 1 januari, worden de tarieven aangepast door indexering van het tarief van het voorafgaande jaar op de wijze zoals die wordt voorgeschreven in de Regeling Tarieven Rijksgebouwendienst 2003. Door partijen kan bijvoorbeeld worden overeengekomen dat geoffreerde bedragen met een bepaald percentage kunnen worden overschreden zonder dat daarvoor een aanvullende opdracht benodigd is. Een en ander is afhankelijk van de aard van het project. Indien een dergelijke afspraak vooraf niet is gemaakt geldt de regel dat elke overschrijding schriftelijk moet worden overeengekomen tussen partijen.

Dit artikel gaat in op de declaratie van tarieven. Het vierde lid bepaalt dat het gehele artikel buiten toepassing blijft indien en voor zover in de verrekening van tarieven op een andere wijze is voorzien. Indien, bijvoorbeeld, in een offerte van de Rijksgebouwendienst een aanbieding wordt gedaan voor een ingebruikgeving van een object of voor een herziening van een reeds bestaande ingebruikgeving, dan worden de kosten van de tarieven van de Rijksgebouwendienst verwerkt in de gebruiksvergoeding of in de aangepaste gebruiksvergoeding.

De opdrachtgever kan een overeenkomst met de Rijksgebouwendienst tussentijds beëindigen. Als de beëindiging een rechtstreeks gevolg is van een tekortkoming die de Rijksgebouwendienst is toe te rekenen dan kan het tweede lid buiten toepassing blijven.

Ook de Rijksgebouwendienst kan de overeenkomst tussentijds beëindigen ingeval van onvoorziene gebeurtenissen of als de opdrachtgever niet presteert. Dat kan het geval zijn als betalingen uitblijven of als de opdrachtgever niet of onvoldoende bijdraagt (b.v. informatie, gegevens, instemmingen) aan het succesvol uitvoeren van een overeenkomst.

Evenals bij de tarieven is bepaald geldt voor de door de Rijksgebouwendienst opgegeven investeringskosten dat vooraf tussen partijen een overschrijdingsmarge kan worden overeengekomen. Binnen die marge behoeven overschrijdingen geen nieuwe schriftelijke opdracht van de opdrachtgever. Alle mogelijke en verwachte overschrijdingen, ook indien die beperkt blijven tot de overeengekomen marge, dienen door de Rijksgebouwendienst te worden gemeld aan de opdrachtgever.

Iedere opdracht kan worden beschouwd als een project. Een van de kenmerken van een project is dat het een begin en een einde heeft. Vandaar de bepaling dat voor iedere overeenkomst een planning dient te worden gegeven. Bij eenvoudige werkzaamheden kan worden volstaan met het noemen van het begin en het einde van de werkzaamheden. Naarmate de overeengekomen werkzaamheden complexer zijn zal ook de complexiteit van de planning toenemen. De planning dient te worden beschouwd als een middel om de werkzaamheden vooraf in de tijd te plaatsen.

Ook voor de informatie en organisatie van de overeengekomen werkzaamheden geldt dat de inrichting daarvan afhankelijk is van de aard en de complexiteit. Grote projecten brengen veel en gestructureerd overleg op diverse niveaus met zich mee; voor kleine projecten kan veelal worden volstaan met eenvoudige overlegstructuren. De AVR 2011 hebben niet de bedoeling om bepaalde vormen van overleg voor te schrijven maar bieden de ruimte om het overleg over de werkzaamheden in te richten naar het inzicht van partijen en naar de aard van de overeengekomen werkzaamheden. In het vierde lid is bepaald dat, tenzij sprake is van onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in artikel 14, de veroorzaker betaalt.

De Rijksgebouwendienst besteedt een grote hoeveelheid werk uit aan adviseurs en aannemers. Deze bepaling heeft slechts betrekking op de werkzaamheden die de Rijksgebouwendienst normaliter zelf zou uitvoeren en als zodanig aan de opdrachtgever heeft aangeboden en waarvan men in een later stadium tot de conclusie komt dat het beter ware om die werkzaamheden uit te besteden. De opdrachtgever is gehouden om daaraan mee te werken tenzij er redelijke gronden zijn om de toestemming te weigeren. Een en ander betekent dat een opdrachtgever niet het recht van de Rijksgebouwendienst kan weerleggen maar wel de wijze waarop de Rijksgebouwendienst invulling geeft aan dit recht.

In dit artikel is een verband gelegd tussen de intellectuele eigendomsrechten en degene die de opdracht voor het product waarop dat recht betrekking heeft. De Rijksgebouwendienst is dus eigenaar voor zover hij opdracht heeft verstrekt tot vervaardiging of ontwikkeling. Uiteraard voor zover de Rijksgebouwendienst de intellectuele eigendomsrechten kan verwerven. De Rijksgebouwendienst blijft buiten beeld indien de opdrachtgever van de Rijksgebouwendienst zelf, ook in het kader van de overeengekomen werkzaamheden, opdracht aan een derde heeft gegeven voor de vervaardiging van een product waarbij intellectuele eigendomsrechten ontstaan.

Bij de totstandkoming van de overeenkomst dient duidelijkheid te bestaan over de voorwaarden die de opdrachtgever met betrekking tot de veiligheid stelt. Eisen die worden gesteld nadat de overeenkomst tot stand is gekomen kunnen een onredelijke verzwaring van de omstandigheden voor de Rijksgebouwendienst opleveren waarmee de Rijksgebouwendienst bij het uitbrengen van de offerte geen rekening heeft kunnen houden. Een en ander kan voor de Rijksgebouwendienst aanleiding zijn om de aanvankelijk overeengekomen voorwaarden (bijvoorbeeld ten aanzien van de kosten en de planning) te herzien.

Dit artikel geeft naast de algemene omschrijving van de onvoorziene gebeurtenis, een aantal omstandigheden die in ieder geval als onvoorziene gebeurtenis worden aangemerkt. De werkstaking kan slechts als onvoorziene gebeurtenis worden aangemerkt indien noch de Rijksgebouwendienst noch de opdrachtgever door een eigen inspanning de werkstaking hadden kunnen voorkomen. Onvoorziene gebeurtenissen kunnen voor partijen aanleiding zijn om de overeenkomst te beëindigen of om de overeenkomst zodanig te herzien dat de gevolgen van de gebeurtenis zoveel mogelijk worden weggenomen.

De hoogte van de aansprakelijkheid voor schade als gevolg van toerekenbaar tekortschieten door de Rijksgebouwendienst is, overeenkomstig hetgeen gebruikelijk is in de markt gekoppeld aan het honorarium en gemaximeerd op € 700.000,–.

Voor de gevallen waarin partijen deel uitmaken van de rechtspersoon staat geldt dat geschillen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie voor de rijkshuisvesting. Als de contractpartij van de Rijksgebouwendienst geen onderdeel is van de rechtspersoon staat kunnen beide de gewone rechter vragen om zich over het geschil uit te spreken. Het staat partijen echter vrij om alsnog arbitrage of bindend advies overeen te komen.

De Rijksgebouwendienst voert niet slechts projecten uit op het Nederlandse grondgebied maar ook daarbuiten. Vandaar de rechtskeuze in de AVR 2011.

Dit artikel bepaalt wat de gevolgen zijn van herzieningen.