Wijzigingen Officiële bron
Richtlijn voor strafvordering Drank- en HorecawetRichtlijn voor strafvordering Drank- en Horecawet

In verband met de door de minister voorgestelde verhoging met 15 procent van alle boete- en transactiebedragen per 1 januari 2011, is de verwijzing in deze richtlijn naar de Aanwijzing kader voor strafvordering aangepast. De waarde van een sanctiepunt is per 1 januari 2011 verhoogd naar 29 euro.

Voor het overige is de tekst van deze richtlijn gelijk aan de versie met registratienummer 2010R006.

Bij wet van 9 juli 2004 is artikel 44a van de Drank- en Horecawet vastgesteld en is de bestuurlijke boete in de handhaving van de Drank- en Horecawet geïntroduceerd, Stb. 2004, nr. 429. De bestuursrechtelijke handhaving van de Drank- en Horecawet is in het bijzonder opgedragen aan de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA). De bestuurlijke boete wordt de facto opgelegd door de Afdeling (JZ,team) Bestuurlijke Maatregelen van de VWA.

De hoogte van de bestuurlijke boete is gefixeerd en de opgelegde boetes cumuleren. Dit betekent dat per overtreding van een voorschrift uit de Drank- en Horecawet een vaste boete is bepaald en dat per geconstateerd feit een boete wordt opgelegd. Ingevolge artikel 5:46 lid 3 van Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een lagere bestuurlijke boete worden opgelegd indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog moet worden geacht. Uit artikel 5:8 Awb volgt dat indien twee of meer voorschriften worden overtreden voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd.

Artikel 44b van de Drank- en Horecawet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur een bijlage wordt vastgesteld, die bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete bepaalt. Een overzicht van de bestuurlijke boeten is opgenomen in het Besluit van 1 december 2004, houdende vaststelling van boetetarieven voor overtredingen van de Drank- en Horecawet (Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet), Stb. 2004, nr. 647 (inwerkingtreding per 1 maart 2005).

Artikel 44a, lid 3, van de Drank- en Horecawet bepaalt dat geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd:

Ingevolge artikel 5:44 lid 1 Awb vervalt de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete indien:

Ingevolge artikel 243 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) vervalt het recht tot strafvervolging indien reeds een bestuurlijke boete is opgelegd.

Het openbaar ministerie kan via het aanbieden van een transactie (artikel 74 Sr jo artikel 37 Wet op de Economische Delicten (WED)) of via dagvaarding een strafzaak afhandelen.

Indien het openbaar ministerie een zaak afdoet met inachtneming van artikel 74 Sr jo art. 36 WED, zal het voorwaarden stellen bij vrijwillige voldoening waaraan het recht tot strafvordering vervalt. De voorwaarden die kunnen worden gesteld, zijn vermeld in genoemde artikelen.

Met het oog op de gewenste eenheid in het strafvorderingsbeleid in economische strafzaken heeft het College van procureurs-generaal tarieven vastgesteld die landelijk als uitgangspunt dienen voor de bepaling van de bedragen, die als transactie worden gehanteerd.

De systematiek van het Polarissysteem voor commune delicten volgend, is in deze richtlijn gekozen voor een puntensysteem zoals beschreven in de Aanwijzing kader voor strafvordering.

In deze richtlijn wordt bij bedragen die als transactie worden gehanteerd, een onderscheid gemaakt tussen kleine bedrijven (tot 50 werknemers) en overige bedrijven (vanaf 50 werknemers). De redenen om van deze tweedeling uit te gaan is gelegen in het feit dat gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek uitwijzen dat (op 1 januari 2002) 99% van de bedrijven in de horecasector, de detailhandel voedingsmiddelen en de slijtersbranche minder dan vijftig werknemers telde. De overige 1% (middelgrote en grote bedrijven) is – vanwege praktische overwegingen – onder één categorie gebracht.

In deze richtlijn wordt onder recidive verstaan: een zelfde of vergelijkbare overtreding van de Drank- en Horecawet, gepleegd binnen twee jaar na een eerdere (onherroepelijke) veroordeling of (betaalde) transactie.

In deze richtlijn wordt de mogelijkheid van toepassing van een voorlopige maatregel op grond van artikel 28 WED aangegeven.

Met ingang van 1 november 2000 is de Drank en Horecawet onder de Wet op de economische delicten (WED) gebracht, Stb 2000, 185.

Overtredingen van artikel 2, 3, 12 t/m 25, 35, tweede lid, en 38 worden ingevolge artikel 1 onder 4 van de WED aangemerkt als economische delicten. Gelet op artikel 2, lid 4 van die Wet worden deze gedragingen gekwalificeerd als overtreding. De maximale straf die hiervoor kan worden opgelegd is 6 maanden hechtenis of een geldboete van de vierde categorie (artikel 6 lid 1 sub 4).

In de Hoofdlijnenbrief alcoholbeleid1 wordt onder meer de problematiek rond alcoholmisbruik door jongeren beschreven. Kinderen drinken steeds jonger en steeds meer. Het aantal tien- tot vijftienjarigen dat in een ziekenhuis wordt behandeld wegens alcoholvergiftiging is sinds het jaar 2000 verzesvoudigd.

De Drank- en Horecawet biedt een handvat bij het terugdringen van alcoholgerelateerde problemen. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft de handhaving van deze wet een hoge prioriteit gegeven en er wordt een aanzienlijke investering in personele capaciteit gedaan.

Handhaving is opgedragen aan de VWA/Divisie Horeca, Ambacht, Instellingen en Retail (HAIR). De Divisie HAIR voert gerichte acties op de handhaving van specifieke onderdelen van de Drank- en Horeacwet, zoals de verkoop van alcohol aan minderjarigen en de verkoop in benzinestations. Deze acties hebben gevolgen voor de instroom van zaken bij het openbaar ministerie.

Enkele bepalingen uit de Drank- en Horecawet worden door de VWA projectmatig gehandhaafd, hetgeen heeft geleid tot een grote bekendheid met de Drank- en Horecawet in de betrokken branches.

Deze richtlijn gaat in op de afhandeling van zaken door het openbaar ministerie. De richtlijn bevat niet alleen transactierichtlijnen, maar geeft ook aan in welke gevallen de bijzondere dwangmiddelen van de WED kunnen worden ingezet.

In de richtlijn worden alle bepalingen uit de Drank- en Horecawet specifiek genoemd. Enkele daarvan worden nader toegelicht aangezien die bepalingen door de VWA ook projectmatig gehandhaafd worden.

Vier categorieën overtredingen zijn te onderscheiden:

In de richtlijn worden alle bepalingen uit de Drank- en Horecawet specifiek genoemd.

Vier categorieën overtredingen zijn te onderscheiden:

Per categorie wordt hierna het strafvorderingsbeleid weergegeven.

Bestuurlijke versus strafrechtelijke handhaving:

1 zie toelichting.

1 zie toelichting.

1 strafbaar na inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur (art. 2 lid 4).

2 zie toelichting.

Deze richtlijn voor strafvordering is geldig ten aanzien van strafbare feiten gepleegd na inwerkingtreding van deze richtlijn.

het exploiteren van een horecabedrijf en slijterij zonder daartoe strekkende vergunning van B&W (artikel 3), in strijd met de vergunningsvoorschriften (vgl artikel 27 lid 1 sub d) of in strijd met de overige bepalingen van de Drank- en Horecawet

In beginsel krijgt iedere aanvrager een vergunning (artikel 28), tenzij er een weigeringsgrond aanwezig is (artikel 27).

Terzijde: Het hebben van een vergunning wil overigens niet zeggen dat dan ook een horeca-inrichting geëxploiteerd mag worden. In sommige gemeenten is op grond van de Algemene Politie Verordening (APV) een exploitatievergunning nodig (past de horeca-inrichting ook in het bestemmingsplan?) en/of een gebruiksvergunning op grond van de Woningwet. Het onderstaande richt zich uitsluitend op de vergunning als bedoeld in de Drank- en Horecawet.

Indien een horeca-/slijterij-inrichting wordt geëxploiteerd zonder vergunning, kan sprake zijn van

In een aantal gevallen is het wenselijk onmiddellijk in te grijpen, bijvoorbeeld in geval van verstoring van de openbare orde, verkoop aan minderjarigen jonger dan zestien jaar of ernstige (financiële) benadeling van de legale horeca of slijterijen.

In art. 28 lid 1 WED is de bevoegdheid van de Officier van Justitie (OvJ) geregeld tot het bevelen van een tweetal voorlopige maatregelen, opgesomd onder a en b.

De OvJ kan bevelen dat verdachte:

Eén van de eisen voor het opleggen van een voorlopige maatregel (zowel die van de OvJ conform art. 28 lid 1 WED als die van de rechtbank conform art. 29 lid 1 WED) is dat het belang, welke door het overtreden voorschrift wordt beschermd, een onmiddellijk ingrijpen vereist. Er moet dus enig spoedeisend belang zijn dat tot direct optreden noopt; dat zal uiteraard per geval moeten worden bezien.

Bij de beoordeling of onmiddellijk ingrijpen vereist is, is het van belang om te weten dat de gemeente de bevoegdheid heeft om een horeca / slijtlokatie te sluiten. Zij kan dit door bestuursdwang of een dwangsom afdwingen (zie art. 36 DHW).

Bij het opleggen van een voorlopige maatregel wordt met de VWA een termijn voor herinspectie afgesproken. Bij overtreding van de voorlopige maatregel wordt proces-verbaal opgemaakt (art. 33 WED).

Overigens wordt in het geval van een administratieve omissie de gelegenheid gegeven om de vergunning alsnog in orde te brengen dit in tegenstelling tot de situatie waarin een vergunning geweigerd is of niet aangevraagd is.

Bij de voorgestelde bedragen is gekeken naar:

Bij de hoogte van de bedragen is rekening gehouden met de volgende factoren:

Bij de hoogte van de bedragen is rekening gehouden met de volgende factoren:

Het daadwerkelijk aantonen van ‘verstrekken’ van alcoholhoudende drank is een lastige en tijdrovende bezigheid, omdat ‘verstrekken’ een actieve handeling is. Dit betekent dat een opsporingsambtenaar altijd zal moeten aantonen dat (zwak)alcoholhoudende drank daadwerkelijk werd verkocht aan een particulier, alvorens sprake kan zijn van een overtreding van artikel 22, eerste lid, DHW.

Het bewijs voor art. 25, eerste lid, DHW is veel makkelijker te leveren. In een dergelijk geval kan namelijk worden volstaan met de constatering dat alcoholhoudende drank aanwezig was. Van het ‘rechtmatig’ (zwak)alcoholhoudende drank aanwezig hebben in een benzinestation kan nooit sprake zijn, hetgeen een overtreding van art, 25, eerste lid 1, DHW oplevert.

De samenhang tussen art. 22, eerste lid, DHW en art. 25, eerste lid, DHW is door de rechter bevestigd (Economische Politierechter te Haarlem in de zaken 095485-01, 095561-01 en 038103-01)

Het verbod op de verkoop van alcoholhoudende drank bij benzinestations hangt direct samen met het gevaar van alcohol in het verkeer. Dit vereist onmiddellijk optreden. Reden waarom de mogelijkheden beslag en voorlopige maatregel hier beide expliciet worden genoemd.

Bij constatering van een overtreding van artikel 22 lid 1, is het niet voldoende alleen proces-verbaal op te maken. De verkoop van alcoholhoudende drank kan dan immers alsnog plaatsvinden. Het optreden tegen overtredingen zal alleen dan effectief zijn als ook de verkoop wordt voorkomen, door hetzij in beslag nemen van de voorraad, hetzij een voorlopige maatregel, waarbij het openbaar ministerie de overtreder gelast ‘de alcoholhoudende drank op te slaan en te bewaren ter plaatste in het bevel aangegeven’ op basis van artikel 28 lid 1 sub b WED. De keuze voor hetzij beslag (bijvoorbeeld bij kleinere, eenvoudig te vervoeren hoeveelheden), hetzij een voorlopige maatregel kan per geval worden gemaakt.

Bij het opleggen van een voorlopige maatregel wordt met de VWA een termijn voor herinspectie afgesproken. Bij overtreding van de voorlopige maatregel wordt proces-verbaal opgemaakt (artikel 33 WED).

Bij de hoogte van het bedrag is rekening gehouden met

Bij de hoogte van het bedrag is rekening gehouden met de achtergrond van artikel 24 lid 1: het is onwenselijk dat een horeca-inrichting of slijterij kan draaien zonder dat de leidinggevende die op de vergunning staat vermeld, of een andere gekwalificeerde persoon, aanwezig is. Immers, de leidinggevende of anderszins gekwalificeerde moet voldoen aan de eisen gesteld in artikel 8 van de Wet.