Beleidsregel · BWBR0030127

Richtlijn voor strafvordering Binnenvaart

Wijzigingen Officiële bron
Richtlijn voor strafvordering BinnenvaartRichtlijn voor strafvordering Binnenvaart

Deze richtlijn bevat de te hanteren tarieven voor een aantal meer voorkomende overtredingen van de belangrijkste wet- en regelgeving op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren (beroeps- en recreatievaart). Zo wordt aandacht besteed aan handelen in strijd met de Binnenvaartwet en het Binnenvaartpolitiereglement (BPR)/Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR). Verder wordt ingegaan op het transactie- en requireerbeleid voor varen onder invloed, alsmede voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Dit hoofdstuk bevat een korte introductie in het strafvorderingsbeleid op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren. Hierbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan afwijkingen van het Kader voor strafvordering en het gebruikelijke strafprocesrecht, als gevolg van het regime voor de internationale Rijn. Verder worden wijzigingen ten opzichte van vorige beleidsregels toegelicht en wordt ingegaan op de reikwijdte van deze richtlijn. Tot slot wordt de opzet van de tabellen toegelicht en de betekenis van de gebruikte afkortingen verklaard.

Het Openbaar Ministerie kan door middel van het aanbieden van een transactie (artikel 74 Sr jo. artikel 37 WED), het uitvaardigen van een strafbeschikking (artikel 257a Sv e.v. jo. artikel 36 WED) of door dagvaarding een strafzaak afhandelen. Met het oog op de gewenste eenheid in het strafvorderingbeleid, ten aanzien van overtredingen van de in de aanhef genoemde wet- en regelgeving, zijn tarieven vastgesteld. Deze tarieven dienen landelijk als richtlijn voor de bepaling van de bedragen die als transactie, als strafbeschikking dan wel als eis ter zitting kunnen worden gehanteerd.

In een groot aantal richtlijnen voor strafvordering wordt uitgegaan van het ‘Kader voor strafvordering’ en het hierin gebruikte systeem van sanctiepunten. In deze richtlijn is echter gekozen voor tarieven in euro’s. De reden hiervoor ligt in het internationale recht.

De wet- en regelgeving op de Nederlandse binnenwateren verschilt per water.1Op enkele scheepvaartwegen zijn een specifiek verdrag en bijbehorende voorschriften van toepassing. Van belang is met name de Herziene Rijnvaartakte (HRA, ook wel: Akte van Mannheim 1868), die in Nederland geldt op de Rijn, het Pannerdensch Kanaal, de Lek en de Waal (de zgn. ‘Aktewateren’). De HRA kent een eigen sanctieregime, dat afwijkt van het gebruikelijke strafprocesrecht. Zo berust de bevoegdheid om recht te spreken over overtredingen van voor de Rijn geldende voorschriften bij zgn. ‘Rijnvaartrechters’ (art. 34 HRA) en kent artikel 32 van de Herziene Rijnvaartakte uitsluitend een geldboete als sanctie. Dit betekent dat bij overtredingen op de internationale Rijn ingevolge artikel 94 Grondwet geen ruimte is voor oplegging van vervangende hechtenis.2Hetzelfde geldt voor taakstraffen of verbeurdverklaring. De op te leggen geldboete is voorts gemaximeerd. De maximum geldboete bedraagt vooralsnog 2500 bijzondere trekkingsrechten op het Internationaal Monetair Fonds (omgerekend naar euro’s circa 2750 euro).3Omdat wordt gestreefd naar een strafvorderingsbeleid dat voor alle scheepvaartwegen zo veel mogelijk gelijk is, is dit maximum ook van invloed op de tarieven voor de niet-Aktewateren. Bij overtredingen buiten de internationale Rijn mag in voorkomende gevallen echter van het maximum worden afgeweken.

De Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) in Straatsburg heeft voor de meest voorkomende overtredingen van de voorschriften een Bussgeldkatalog vastgesteld. Uit het oogpunt van uniformiteit en rechtsgelijkheid zijn de in deze richtlijn opgenomen tarieven daarmee vergeleken. Bij een groot aantal feiten is er in navolging van de Bussgeldkatalog voor gekozen om marges aan te geven. Wegingsfactoren zijn daarbij onder meer de ernst van feit, de mate van overtreding, de mate van gevaarzetting, het soort schip en de omstandigheden waaronder het feit werd gepleegd. Voor een aantal tarieven is afgeweken van de Bussgeldkatalog, omdat Nederland een grote bevolkingsdichtheid kent en een verhoogd veiligheidsbewustzijn nodig wordt geacht. Het hogere tarief is daarbij mede gebaseerd op de afdoeningservaringen van het OM in het verleden en het aanzienlijke gevaar dat kan ontstaan bij niet naleving van het betreffende voorschrift.

Waar mogelijk en toepasselijk zal in het proces-verbaal gemotiveerd het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangegeven. Dit bedrag kan dan in daarvoor in aanmerking komende gevallen aan de verdachte worden ontnomen (zie Aanwijzing ontneming).

In deze beleidsregel is een aantal richtlijnen voor strafvordering op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren samengevoegd. Het huidige beleid wordt voortgezet, maar is wel op onderdelen vereenvoudigd.4Inhoudelijke wijzigingen hangen voornamelijk samen met de verdere implementatie van de Wet OM-afdoening, de inwerkingtreding van het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren(‘het ADN’)5, de invoering van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RspR), wijzigingen van het Rijnvaartpolitiereglement (RPR) en de formalisering van het beleid voor de handhaving van de Binnenvaartwet. Sinds 1 januari 2010 werd een ‘tijdelijk beleidskader handhaving binnenvaart’ gehanteerd, dat diende ter actualisering van de bestaande beleidsregels. De strafvorderlijke aspecten van dat beleid zijn nu opgenomen in deze aanwijzing (zie hoofdstuk II). Verder is waar mogelijk geanticipeerd op aanstaande wijzigingen van wet- en regelgeving. Daarbij zijn met name van belang:

Eerdere wijzigingen

Op 1 januari 2011 zijn de bedragen in de richtlijnen, die ten grondslag liggen aan deze richtlijn, geïndexeerd met 15 procent conform de door de minister voorgestelde verhoging.

Deze richtlijn bevat de te hanteren tarieven van een aantal meer voorkomende overtredingen van de belangrijkste wet- en regelgeving op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren (beroeps- en recreatievaart).

De overtredingen waarop de tarieven in deze richtlijn betrekking hebben, zijn verkort aangeduid. De weergave van het overtreden voorschrift bestaat uit een verkorte verwijzing naar de betreffende regeling (‘art. 1.10/1/a’ staat bijvoorbeeld voor art. 1.03, eerste lid, onder a). In deze richtlijn worden de volgende afkortingen gehanteerd:

8Mogelijk gaat de IVW met de VROM-Inspectie op termijn op in de ‘Inspectie Leefomgeving en Transport’ (werknaam). In geval van een organisatiewijziging geldt hetgeen in deze beleidsregel is bepaald mutatis mutandis voor rechtsopvolgers.

De Binnenvaartwet (BVW) en enkele uitvoeringsregelingen van de HRA op het terrein van technische eisen voor schepen, bemanningsvoorschriften en vaar- en rusttijden worden primair bestuursrechtelijk gehandhaafd. Het strafrecht wordt nog slechts in een beperkt aantal gevallen toegepast. Voor het beleidskader voor de strafrechtelijke handhaving van de Binnenvaartwet wordt verwezen naar hoofdstuk II van de Aanwijzing Binnenvaart.

1Met ingang van 1 maart 2011 zijn deze feiten onder de werking van de OM-Afdoening gebracht. Voor de feiten wordt een OM-strafbeschikking (W300a), resp. politiestrafbeschikking (W300b) uitgevaardigd.

2Tweede Kamer 2010-2011, 32 539, nr. 2. Dit wetsvoorstel introduceert de mogelijkheid om categorieën vaarbewijzen bij ministeriële regeling uit te zonderen van de bestuurlijke boete (c.q. strafrechtelijk te laten handhaven). Naar verwachting zal dit ertoe leiden dat het klein vaarbewijs strafrechtelijk, en het groot vaarbewijs bestuursrechtelijk wordt gehandhaafd.

3De mogelijkheid om bij de Binnenvaartwet van het bestuursrecht ‘op te schalen’ naar het strafrecht, wordt op de internationale Rijn niet toegepast over de band van art. 49 BVW (in verband met een voorbehoud in de strafbaarstelling in art. 1, onder 4, van de WED). Indien een overtreding strafbaar is op grond van art. 32 van de Herziene Rijnvaartakte, vormen dat artikel en het relevante voorschrift voor de internationale Rijn (bv. bepaling uit het ROSR) bij gevaar voor de openbare veiligheid de grondslag voor de strafrechtelijke handhaving.

4Het gaat met name om voorschriften ten aanzien van vaartijden, bemanningseisen, radarexamens en technische eisen. Het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 (ROSR) en het Reglement betreffende veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen, zijn opgenomen als bijlagen bij de Binnenvaartregeling.

Dit hoofdstuk bevat achtereenvolgens de transactietarieven voor overtredingen van de Scheepvaartverkeerswet (SVW), het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en het Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR).9Deze tarieven zijn van overeenkomstige toepassing op de conventionele (grens)wateren (Eems/Dollard, Westerschelde, Het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Gemeenschappelijke Maas.10

Let op: het ‘Wijzigingsbesluit Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement, enz.’ (‘10e wijzigingsbesluit’ – besluit van 20 september 2010, Stb. 2010, 748) moest ten tijde van de totstandkoming van deze richtlijn nog in werking treden.

In onderstaande tabel zijn artikelen die in enigerlei mate wijzigen met [»] gemarkeerd. Waar mogelijk is daarbij tevens informatie over de wijziging en een gewijzigd onderwerp of tarief opgenomen. Na inwerkingtreding van het 10e wijzigingsbesluit geldt de gewijzigde tekst.

De Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) heeft het Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR) onlangs gewijzigd.11Deze wijzigingen zijn/worden met het Besluit van 1 december 2010, ‘wijziging van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 en een reparatie van het Binnenvaartbesluit’ (Stb. 2010, 811) geïmplementeerd. Het besluit kent drie inwerkingtredingsdata:

Dit hoofdstuk bevat het strafvorderings- en transactiebeleid voor ‘varen onder invloed’.

Tegen varen onder invloed op de internationale Rijn wordt – op grond van de Herziene Rijnvaartakte/Akte van Mannheim – opgetreden op basis van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR); tegen varen onder invloed op de overige scheepvaartwegen wordt opgetreden op basis van de Scheepvaartverkeerswet (SVW). Zowel op de internationale Rijn als op de overige binnenwateren geldt een maximaal toegestane alcoholconcentratie in de uitgeademde lucht, respectievelijk in het bloed van 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰.12In deze richtlijn is voor het strafvorderings- en transactiebeleid ten aanzien van varen onder invloed op de internationale Rijn aansluiting gezocht bij het beleid voor varen onder invloed op de overige wateren (regime Scheepvaartverkeerswet). De Herziene Rijnvaartakte maakt echter dat het laatstgenoemde regime niet altijd onverkort kan worden toegepast ten aanzien van overtredingen op de internationale Rijn. Zo kan alleen een gemaximeerde geldboete worden opgelegd (zie kolom Rijnvaart in tabel, par. 2.1).

In de volgende paragraaf (2) wordt eerst ingegaan op defactoren die de grondslag vormen voor het strafvorderings- en transactiebeleid. In paragraaf 3 wordt vervolgens het beleid per overtreding toegelicht.

De (semi-)objectief vast te stellen factoren die in deze richtlijn de grondslag vormen voor het strafvorderings- en transactiebeleid, zijn:

De hoogte van de aan te bieden transactie, respectievelijk de soort en de hoogte van de te vorderen straffen, worden in de eerste plaats bepaald door de hoogte van het AAG/BAG. Per schijf (zie onderstaande tabel) zijn richtstraffen vastgesteld voor het gemiddelde geval in de desbetreffende schijf. Afwijking naar boven en naar beneden blijft mogelijk.

1De strafbare feiten uit dit hoofdstuk worden niet met een feitcode afgedaan; het zijn misdrijven die niet onder het bereik van de Wet OM-Afdoening zijn gebracht. Een strafbeschikking is niet mogelijk.

2Gelet op art. 32 van de Herziene Rijnvaartakte geldt voor de Rijnvaart een maximum van 2500 bijzondere trekkingsrechten op het Internationaal Monetair Fonds (omgerekend naar euro’s circa 2750 euro). Vervangende hechtenis en taakstraffen zijn niet mogelijk.

– AAG: alcoholgehalte van de adem in microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (µg/l).

– BAG: alcoholgehalte van het bloed in milligram alcohol per milliliter bloed (‰).

– TS: taakstraf

– GS: gevangenisstraf

De kans op ongevallen en derhalve de mate van gevaarzetting hangt samen met de hoogte van het AAG/BAG. Of zich in concreto een ongeval voordoet met voor derden nadelige gevolgen, is daarentegen van allerlei toevallige omstandigheden afhankelijk. Naarmate het AAG/BAG hoger is, is een hogere straf geïndiceerd. In het schijvensysteem is de statistisch bepaalde mate van gevaarzetting in beginsel reeds verdisconteerd. Dat neemt niet weg dat met een aantal strafverzwarende omstandigheden rekening dient te worden gehouden.

Zo lijkt het juist om wanneer derden meer dan lichte schade en/of meer dan licht letsel dan wel zwaar letsel13hebben opgelopen zonder dat daarvoor aparte strafvervolging wordt ingesteld, daarmee als strafverzwarende omstandigheid rekening te houden. Een dergelijk gevolg is van zodanig maatschappelijk gewicht dat het bezwaarlijk buiten beschouwing kan blijven. Indien meer dan lichte schade en/of meer dan licht letsel voor derden is ontstaan zal daarom ook nimmer een transactie dienen te worden aangeboden. Indien de veiligheid op het water in concreto in ernstige mate in gevaar is gebracht dient dit, ook zonder dat dit tot een ongeval heeft geleid, als strafverzwarende omstandigheid te worden aangemerkt.

Daarnaast wordt in het verlengde van de gevaarzetting een onderscheid gemaakt naar het soort schip. Dit omdat bij bepaalde soorten schepen de risico’s van varen onder invloed op voorhand kleiner of groter ingeschat mogen worden dan bij andere schepen. Een verminderd risico geldt voor kleine schepen in de zin van artikel 27, zesde lid, van de Scheepvaartverkeerswet (zie par. 3.3). Een vergroot risico is aan de orde bij schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren, passagiersschepen, zogenoemde ‘snelle’ schepen (als snelle motorboten) en loodsplichtige zeeschepen. Het is evident dat van degene, die een dergelijk varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip adviseert over de te voeren navigatie, een bovengemiddeld verantwoordelijkheidsbesef verwacht mag worden. Voor de verdachte dient dit dus als strafverzwarende omstandigheid te worden aangemerkt.

Meer verantwoordelijkheidsbesef mag eveneens worden verwacht van degene die reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld of een transactie/strafbeschikking heeft betaald ter zake van een soortgelijk delict; recidive binnen 5 jaar na betaling van een transactie dan wel veroordeling ter zake van varen onder invloed geldt derhalve als strafverzwarende omstandigheid (zie ook par. 3.1).

Als strafverzwarende omstandigheden gelden derhalve:

Indien een strafverzwarende omstandigheid zich voordoet, dient te worden uitgegaan van de voor de naast hogere schijf vastgestelde OM-transactie of eis ter zitting. Bij cumulatie van strafverzwarende omstandigheden wordt in principe per cumulatie een schijf hoger gehanteerd. Afwijking naar boven en naar beneden blijft mogelijk.

Door de aanwezigheid van een of meer strafverzwarende omstandigheden kan de schijfindeling worden overschreden. In die gevallen kan een hogere straf worden gevorderd dan de voor de hoogste schijf vastgestelde eis ter zitting.

Bij het bepalen van de hoogte van de transactie of strafeis wordt rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. Naast recidive worden ook overige bijzondere omstandigheden (gelegen in de persoon van de verdachte) bij de bepaling van de hoogte betrokken.

Uitgangspunt is dat in beginsel steeds ten behoeve van de strafmaatbepaling een voorlichtingsrapport bij de verslavingsreclassering wordt aangevraagd indien:

Uitgangspunt bij artikel 27, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet is dat in de schijven I t/m V volgens een vast tarief een transactie kan worden aangeboden. Hierbij wordt een aantal situaties onderscheiden.

Indien een tenlastelegging de bestanddelen van artikel 27, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet respectievelijk artikel 1.02, zevende lid, eerste volzin of artikel 1.03, vierde lid, eerste volzin van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 bevat, zijn voor de strafvordering geen nadere uitgangspunten aan te geven wegens het ontbreken van voldoende objectief vast te stellen factoren (zoals AAG/BAG).

De uitgangspunten voor de straftoemeting bij overtreding van artikel 27, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet (zoals uiteengezet in de vorige paragraaf) dienen hier als algemeen richtsnoer, met dien verstande dat in geval van overtreding van artikel 27, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet of van de corresponderende bepalingen uit het Rijnvaartpolitiereglement schijf VI, VII, VIII, IX, X of XI dient te worden toegepast, afhankelijk van de mate van ‘het niet in staat zijn’ (c.q. het ‘belemmerd worden in het functioneren’) en de gevaarzetting. Indien er sprake is van kennelijke staat van dronkenschap, dient schijf XI te worden toegepast.

Ook hier moet onverkort rekening worden gehouden met de strafverzwarende omstandigheden die in paragraaf 2.2 zijn genoemd. Bij cumulatie van strafverzwarende omstandigheden dient in principe per cumulatie een schijf hoger te worden geëist.

Voor kleine schepen14, heeft de wetgever aan de delictsinhoud van artikel 27, eerste en tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet een bestanddeel toegevoegd; het is degene die op een scheepvaartweg een varend klein schip voert of stuurt verboden dit te doen terwijl hij verkeert in een toestand als omschreven in het eerste of het tweede lid van artikel 27 van de Scheepvaartverkeerswet en daarbij het verkeer belemmert of dreigt te belemmeren.

Voor dit feit kan een transactie worden aangeboden van € 350; ter zitting dient een straf te worden gevorderd van € 420 (schijf II).

N.B. Gelet op artikel 29a van de Scheepvaartvaartverkeerswet is dit niet van toepassing op de wateren van de Herziene Rijnvaartakte

In het geval iemand weigert medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (de ademtest, artikel 28, eerste lid, SVW, strafbaar gesteld in artikel 31, derde lid, SVW), kan er een OM-transactie van € 120 worden aangeboden. De eis ter zitting bedraagt € 150.

Indien de ademanalyse of vervangende bloedproef wordt geweigerd (artikel 28a, tweede en zevende lid, SVW, strafbaar gesteld in artikel 31, tweede lid, SVW), dient voor de strafvordering aansluiting te worden gezocht bij schijf IX.15Als er sprake is van kennelijke staat van dronkenschap, dient schijf XI te worden toegepast. Ook hier gelden onverkort de strafverzwarende omstandigheden. Bij cumulatie van strafverzwarende omstandigheden dient in principe per cumulatie een schijf hoger te worden geëist.

In het geval dat iemand wordt verdacht van het feit varen tijdens een vaarverbod (artikel 29, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet), en er geen samenloop is met andere strafbare feiten, geldt schijf II.

Dit hoofdstuk bevat het strafvorderings- en transactiebeleid voor overtredingen van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) bij vervoer over de binnenwateren.

Op het transport van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) van toepassing. Specifieke (technische) voorschriften zijn opgenomen in op deze wet gebaseerde regelingen als het Besluit Vervoer Gevaarlijke Stoffen (BVGS) en de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (VBG). De materiële norm is afkomstig uit het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (‘het ADN’)16, dat als bijlage 1 bij het VBG is opgenomen.

Met ingang van 1 januari 2011 heeft het ADN het ADNR17volledig vervangen. Het ADN was al van kracht voor de binnenwateren, met uitzondering van de Aktewateren (internationale Rijn), waar het ADNR gold. Nu is er materieel niet langer onderscheid tussen de bepalingen over het vervoer over de Aktewateren en niet-Aktewateren. De tarieflijst is geheel herzien in verband met de inwerkingtreding van het ADN.18

De overtredingen van de randnummers genoemd in het ADN zijn voor het regime van de Herziene Rijnvaartakte overtredingen van de politievoorschriften van artikel 32 van de Herziene Rijnvaartakte (HRA). Voor het nationale regime is het niet voldoen aan de randnummers van het ADN een strafbaar feit opgenomen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze feiten zijn gesanctioneerd in de Wet op de economische delicten. Zij zijn deels, mits opzettelijk begaan, misdrijven. Voor het overige zijn het overtredingen.

Uit het oogpunt van de ketenaansprakelijkheid kunnen meerdere betrokkenen (tegelijkertijd) via de WVGS strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor hun betrokkenheid bij het onwettig uitvoeren van de handelingen zoals beschreven in artikel 2 lid 1 WVGS. In het ADN wordt aangegeven wie een veiligheidsplicht kennen (1.4 ADN e.v.). De belangrijkste betrokkenen (1.4.2 ADN) zijn de afzender, de vervoerder en de geadresseerde. Daarnaast zijn er andere betrokkenen (1.4.3 ADN), zoals de belader, de verpakker, de vuller, de exploitant van een tankcontainer of transporttank en de losser, die aansprakelijk zijn voor zover zij weten of zouden moeten weten, dat zij hun opdrachten uitvoeren in het kader van vervoer dat is onderworpen aan het ADN.

In de tarieflijst is een onderscheid gemaakt in twee categorieën:

Differentiatie in tarieven tussen S en O komt voort uit de mate van betrokkenheid en verantwoording. In het algemeen wordt het de betrokken onderneming (rechtspersoon) meer aangerekend dan de individuele betrokkene (natuurlijke persoon) wanneer strafbare feiten zijn geconstateerd.

De in de tabel (par. 3) genoemde bedragen zijn transactiebedragen. Ter zitting kunnen deze bedragen worden verhoogd met 20%. De bedragen zijn basistarieven, die betrekking hebben op first offenders. Op basis van algemene beoordelingsfactoren kunnen de bedragen worden verhoogd.19

Toepassing:

De draagkracht van de verdachte is mede bepalend voor het uiteindelijke transactiebedrag, dan wel de eis ter zitting.

In deze richtlijn wordt aangegeven wanneer een zodanige inbreuk wordt gepleegd op het doel van de wet, ‘de bevordering van de openbare veiligheid, bij het vervoer van gevaarlijke stoffen’, dat dagvaarden in de rede ligt. Waar in de tabel staat aangegeven dat er meteen gedagvaard dient te worden gaat het om een overtreding met een zeer ernstig karakter. Een tarief wordt bij deze overtredingen niet vermeld, omdat de hoogte van de geldboete bepaald dient te worden aan de hand van de omstandigheden van het geval.

De overtredingen waarop de tarieven in deze richtlijn betrekking hebben, zijn verkort aangeduid. De weergave van het overtreden voorschrift bestaat uit een verkorte verwijzing naar hetzij het randnummer als genoemd in het ADN, hetzij naar andere wet- of regelgeving. De gehanteerde afkortingen zijn in hoofdstuk I (par. 4) van deze richtlijn opgenomen.

Deze richtlijn is geldig vanaf de datum van inwerkingtreding, met de volgende overgangsbepalingen:

Binnenvaartwet, ROSR

Vervoer van gevaarlijke stoffen