Ministeriële regeling · BWBR0031351

Scheepsafvalstoffenregeling Rijn- en binnenvaart

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 8 februari 2012, nr. IENM/BSK-2011/177169, houdende vaststelling van de Scheepsafvalstoffen-regeling Rijn- en binnenvaartScheepsafvalstoffenregeling Rijn- en binnenvaartDe Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 3, 14, tweede en derde lid, 20, eerste lid, 27, 32, vierde lid, 38, tweede lid, 40, 42, tweede lid, 45, 53, tweede lid en derde lid, 62, eerste lid en tweede lid, 76, 82, eerste lid, onderdeel a, en 100, van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart, alsmede de artikelen 39d, derde lid, en 39g, eerste lid, van de Binnenvaartwet;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu,M.H.Schultz van Haegen

In deze regeling wordt verstaan onder besluit: Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart.

De schepen die ingevolge artikel 3 van het besluit zijn uitgezonderd, zijn:

Het nationaal instituut, bedoeld in artikel 39g van de Binnenvaartwet, is de Stichting Afvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart te Rotterdam.

De ECO-kaart is toepasbaar in het elektronische betalingssysteem SPE-CDNI, bedoeld in artikel 3.01, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling.

De gegevens, bedoeld in artikel 27 van het besluit, stelt de leverancier digitaal aan de Inspectie Leefomgeving en Transport ter beschikking.

Het nalenssysteem van het schip voldoet aan aanhangsel II bij de Uitvoeringsregeling.

Bij het laden worden in de vervoersdocumenten de naam en het viercijferige goederennummer van de goederensoort vermeld die in aanhangsel III bij de Uitvoeringsregeling, voor de desbetreffende goederensoort zijn aangegeven.

In afwijking van artikel 42, eerste lid, van het besluit, wordt de restlading zodanig verwijderd, dat de losstandaard ‘vacuümschoon’ wordt bereikt, indien het laadruim aansluitend zal worden gewassen en in de ingevolge de artikelen 14 tot en met 19, alsmede 47 van het besluit, voor het waswater toe te passen kolom van de tabel de losstandaard vacuümschoon is aangegeven.

Indien uit een laadruim of een ladingtank van een schip:

De artikelen 14, 15, 16, 17, alsmede artikel 47 van het besluit, zijn van overeenkomstige toepassing, indien uit een laadruim stukgoederen dan wel verpakte ladinggoederen of op pallets vervoerde goederen worden gelost en als gevolg van beschadigingen of lekkages lading, behorende tot een goederensoort als bedoeld in die artikelen, is vrijgekomen.

De losstandaard, bedoeld in artikel 62, eerste lid, en tweede lid, onderdeel c, van het besluit, betreft die van kolom 3 van de tabel.

Indien in een ladingtank goederen zijn vervoerd waarvan de dampen overeenkomstig de ontgassingsstandaarden en afgifte- en innamevoorschriften van aanhangsel IIIa bij de Uitvoeringsregeling niet in de atmosfeer mogen worden geventileerd, wordt de ladingtank ontgast als bedoeld in dat aanhangsel, behoudens gevallen waarvoor in het besluit is bepaald dat ontgassing niet verplicht is.

Het model voor de losverklaring, bedoeld in artikel 53, derde lid, van het besluit, is het model dat is opgenomen in aanhangsel IV bij de Uitvoeringsregeling.

Een zuiveringsinstallatie als bedoeld in artikel 76 van het besluit voldoet aan de voorschriften, bedoeld in hoofdstuk 18 van bijlage 1.1a van de Binnenvaartregeling.

Het tijdstip, bedoeld in artikel 100 van het besluit, is voor de in dat artikel genoemde schepen 31 december 2011.

Een wijziging van de Uitvoeringsregeling gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijziging in werking treedt.

Deze regeling treedt in werking tegelijk met besluit van 22 februari 2012 houdende wijziging van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart in verband met de implementatie van internationale voorschriften.

Deze regeling wordt aangehaald als: Scheepsafvalstoffenregeling Rijn- en binnenvaart.