Wijzigingen Officiële bron
Circulaire bekwaamheid buitengewoon opsporingsambtenaar 2012Circulaire bekwaamheid buitengewoon opsporingsambtenaar 2012De Minister van Veiligheid en Justitie,namens deze:G.N.Roes,Directeur-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving.

In de strafrechtelijke handhaving van de lokale veiligheid, leefbaarheid en de naleving van (specialistische) regels is in toenemende mate een belangrijke rol weggelegd voor boa’s. Het doel van het boa-beleid is dan ook om de kwaliteit van de strafrechtelijke handhaving door de boa’s te verbeteren zodat boa’s deze belangrijke rol ook op een kwalitatief goede wijze invulling kunnen geven. Een belangrijk instrument om de kwaliteit te verbeteren is het stellen van (aanvullende) bekwaamheidseisen. De opleiding en examinering dient daarop te worden afgestemd. Het besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar art. 16 geeft daarvoor de handvatten.

Met ingang van 1 oktober 2012 worden aanvullende eisen gesteld aan de basisbekwaamheid van boa’s en wordt een systeem van permanente her- en bijscholing voor boa’s in domein 1 ingevoerd. Tevens wordt per genoemde datum de regie op de uitvoering van de examinering op basisniveau en van de permanente her- en bijscholing in domein 1 neergelegd bij de Stichting Exameninstelling Toezicht en Handhaving. In verband met deze wijzigingen is het beleid op dit terrein zoals verwoord in de hoofdstukken 2 en 4 en bijlage B uit de circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar (kenmerk 5679441/10 d.d. 10 januari 2011) per 1 oktober a.s. niet meer actueel. Dit beleid wordt per genoemde datum ingetrokken. Onderhavige circulaire geeft het beleid met betrekking tot de bekwaamheid zoals dat per 1 oktober 2012 geldt. De circulaire Eindtermen (kenmerk 5673432/10 d.d. 1 november 2010) komt te vervallen. De eindtermen maken onderdeel uit van deze circulaire bekwaamheid.

De circulaire is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt de eis van bekwaamheid voor de boa nader uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een toelichting op de wijze waarop het kwaliteitsstreven binnen de verschillende domeinen wordt opgepakt.

Artikel 2 van het BBO geeft aan dat een boa slechts bevoegd kan zijn als hij bekwaam is. Artikel 16, eerste lid, van het BBO stelt dat iemand beschikt over bekwaamheid als hij de daarvoor vastgestelde basiskennis en vaardigheden bezit. Het tweede lid stelt dat ten aanzien van categorieën boa’s aanvullende bekwaamheidseisen kunnen worden gesteld in de vorm van een verzwaard examen of een opleidingsprogramma.

Basisbekwaamheid

Het is noodzakelijk dat de boa beschikt over algemene kennis van het recht en in het bijzonder van het formele en materiële strafrecht. Daarnaast moet ook de vaardigheid met gespreks- en benaderingstechnieken, het opmaken van een proces-verbaal en een aantal basis-competenties niet ontbreken. Hierom blijft de basisbekwaamheidseis gehandhaafd en wordt deze vanaf 1 oktober 2012 aangevuld met gespreks- en benaderingstechnieken. Deze worden praktijkgericht geëxamineerd. Het digitale proces-verbaal als verplicht examenonderdeel komt te vervallen. Dit alles met een overgangstermijn van 6 maanden na publicatie van deze circulaire. De examinering van het basisexamen vindt onder auspiciën van de Stichting Exameninstelling Toezicht en Handhaving (ExTH) plaats.

Indien men slaagt voor het algemene basisexamen buitengewoon opsporingsambtenaar ontvangt men een ‘getuigschrift boa’, ondertekend door de voorzitter van de Examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaar namens de Minister van Veiligheid en Justitie. De eisen voor de basis-bekwaamheid zijn vastgelegd in de vorm van eindtermen. De (beoogd) boa wordt op een aantal kennis en vaardigheidselementen getoetst om te bezien of hij over deze basiskennis en basisvaardigheden beschikt. De vastgestelde taken en verantwoordelijkheden waarop de eindtermen zijn gebaseerd zijn te vinden in bisjlage B-I van deze circulaire.1 Het basisexamen moet in beginsel elke vijf jaar met goed gevolg worden afgelegd. Het examen wordt afgenomen onder verantwoordelijkheid van de door de Stichting Exth ingestelde Examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaar.2 Het Examenreglement buitengewoon opsporingsambtenaar is gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2008, 222).

Het getuigschrift boa is vijf jaar geldig. Indien men binnen één jaar na het behalen van het getuigschrift een titel van opsporingsbevoegdheid aanvraagt, dan geldt de benoemingsperiode van vijf jaar vanaf de datum die op de akte van beëdiging staat vermeld. Vraagt men later dan één jaar na het behalen van het getuigschrift als boa een titel van opsporingsbevoegdheid aan, dan geldt echter een maximale benoemingsperiode tot vijf jaar na de datum die op het getuigschrift staat vermeld.

Bij overgang van de boa naar een nieuwe werkgever blijft het getuigschrift zijn geldigheid behouden, tot maximaal vijf jaar na de datum die op het getuigschrift staat vermeld. Daarna moet de boa, voor de verlenging van de akte van beëdiging, opnieuw het getuigschrift behaald hebben dan wel voldoen aan de ontheffingsgronden. Indien een boa bij een overgang van werkgever ook overgaat naar een nieuw domein, dan dient de boa te voldoen aan de specifieke opleidingseisen van dit domein. Dit kan betekenen dat in aanvulling op of ter vervanging van de basis bekwaamheidseis, de boa aan eventuele aanvullende bekwaamheidseisen voor dat betreffende domein moeten voldoen.

Aanvullende bekwaamheidseisen

Alle boa’s dienen te voldoen aan de basisbekwaamheidseis zoals in de vorige paragraaf omschreven. Het kan evenwel wenselijk zijn dat bepaalde categorieën van boa’s voldoen aan aanvullende bekwaamheidseisen in verband met de complexiteit van de opsporing. Hierbij kan worden gedacht aan boa’s die werk uitvoeren dat specialistische kennis vereist of plaatsvindt in een relatief ingewikkelde handhavingsomgeving. Daarbij wordt de rol van de boa in de strafrechtelijke handhaving steeds groter en daarmee ook de wens om te komen tot een uniforme kwaliteit van de handhaving door de boa’s. In artikel 16, tweede lid van het BBO is de mogelijkheid gecreëerd om aanvullende bekwaamheidseisen te stellen, zoals de eis dat een verzwaard boa-examen dient te worden afgelegd, dan wel de eis dat een opleidingsprogramma moet worden doorlopen. Bij het opleidingsprogramma is het mogelijk dat na het behalen van de basis-bekwaamheidseis een boa beëdigd kan worden, zodat de boa gedurende het aanvullend opleidingsprogramma reeds gebruik kan maken van opsporingsbevoegdheden. Op die manier wordt duaal leren mogelijk. Indien niet (tijdig) wordt voldaan aan de aanvullende opleidingseisen, is er niet voldaan aan de bekwaamheidseis en zal de opsporingsbevoegdheid worden ingetrokken. De Minister van Veiligheid en Justitie bepaalt in welke gevallen een verzwaard examen dan wel een aanvullend opleidingsprogramma nodig is voor het verkrijgen van opsporingsbevoegdheden. Per domein is aangegeven of, en zo ja, welke aanvullende opleidingseisen gesteld zijn.3 De keuze om te komen tot aanvullende opleidingseisen en de invulling hiervan komt tot stand in nauw overleg met betrokken boa-werkgevers, direct toezichthouders en toezichthouders. Of wordt voldaan aan de aanvullende bekwaamheidseisen wordt bepaald door de examencommissie. Een opleidingscommissie waarin toezichthouders, direct toezichthouders en werkgevers zijn afgevaardigd kan in het leven worden geroepen om namens de toezichthouder toe te zien op de inhoud en kwaliteit van een aanvullende opleiding.

Samengevat dient bij een aanvraag voor een titel van opsporingsbevoegdheid, dan wel een verlenging of wijziging hiervan, afhankelijk van welke bekwaamheidseisen gelden voor het betreffende domein, altijd het behaalde

Stage

Nu onder andere de mogelijkheid gecreëerd wordt om een volledig MBO-diploma te behalen met de opleiding Handhaver Toezicht en Veiligheid aan verschillende Regionale Opleidingscentra (ROC’s), wordt ook de invoering van de mogelijkheid om stage te lopen als boa noodzakelijk. Immers voor het behalen van het diploma is het met goed gevolg afleggen van één of meerdere stages een verplicht onderdeel. De mogelijkheid om als boa stage te lopen geldt voor alle domeinen en kan ook in het kader van een re-integratie traject.

Het lopen van een stage met de status van Buitengewoon Opsporingsambtenaar is aan onderstaande randvoorwaarden gebonden:

Bij de aanvraag van een titel van opsporingsbevoegdheid dient dan ook – indien het geen van bovenstaande uitzonderingen betreft – een akte van aanstelling worden overlegd om aan te tonen dat de betreffende persoon in dienst is bij een overheidsinstelling

Ontheffing van de bekwaamheidseis

Uitgangspunt is dat zowel bij een eerste aanvraag als bij een aanvraag tot verlenging van benoeming als boa aan de bekwaamheidseis moet worden voldaan. Ingevolge artikel 16, derde lid, van het BBO kan van de bekwaamheidseis ontheffing worden verleend, indien de bekwaamheid voor het uitoefenen van de opsporingsbevoegdheid op andere wijze blijkt. Voor alle ontheffingen geldt, dat boa’s hier niet automatisch ‘recht’ op hebben. De werkgever dient de ontheffing te allen tijde te ondersteunen en aan te vragen.

De ontheffingsgronden staan beschreven in bijlage B-IV van deze circulaire. Eventuele specifieke ontheffingsgronden voor aanvullende opleidingen staan beschreven in de betreffende domeinen.

Bekwaamheideisen politiebevoegdheden en geweldsmiddelen

Tijdens het uitoefenen van zijn opsporingsbevoegdheden is de boa gehouden aan de regels van het Wetboek van Strafvordering en het BBO. Indien hem politiebevoegdheden dan wel geweldsmiddelen zijn toegekend, dient hij zich tevens te gedragen overeenkomstig de regels van de Politiewet 1993, de Wet wapens en munitie alsmede de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Ambtsinstructie). In artikel 4, sub b, van de Ambtsinstructie wordt bepaald dat het gebruik van een geweldsmiddel slechts is toegestaan door een ambtenaar die in het gebruik van dat geweldsmiddel is geoefend. Voorts wordt in artikel 5 van de Regeling wapens en munitie bepaald dat de boa slechts met een wapen kan worden uitgerust indien de noodzaak van het dragen van dat wapen aannemelijk wordt gemaakt en de bekwaamheid van de boa met het wapen is aangetoond. Daarbij moet de boa die één of meer politiebevoegdheden heeft ofwel politiebevoegdheden en één of meer geweldsmiddelen, voldoen aan de eisen zoals gesteld in de Regeling toetsing geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar en ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten (RTGB). In de RTGB worden regels gesteld inzake de toetsing van boa’s met betrekking tot geweldsbeheersing, aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en de schietvaardigheid.4

Overgangstermijnen

De eisen voor de bekwaamheid zijn vastgelegd in de vorm van eindtermen, competentieprofielen of opleidingseisen. Wijzigingen ten aanzien van de regelgeving, de eindtermen, competentieprofielen of opleidingseisen kunnen worden opgenomen in de examens vanaf 6 maanden na de inwerkingtreding van de betreffende bepalingen of, indien bekendmaking voor inwerkingtreding plaatsvindt, minimaal 6 maanden na bekendmaking van de betreffende bepalingen. De eindtermen behoeven daarvoor niet teworden gewijzigd.

De boa dient de hem toegekende bevoegdheden binnen het opsporingsonderzoek juist toe te passen. Kennis van zijn strafvorderlijke bevoegdheden, de grondrechten waarop deze regelmatig een inbreuk maken en de algemene bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht is daartoe noodzakelijk. Enkele begrippen uit het privaatrecht zijn binnen het kader van het toepassen van opsporingsbevoegdheden eveneens van betekenis. Hetzelfde geldt voor een aantal wettelijke regels die de boa dan wel zijn handelen beschermen.

Van de boa wordt verlangd dat hij opgespoorde strafbare feiten kan afhandelen middels het opmaken van een proces-verbaal dat kan leiden tot vervolging en behandeling ter terechtzitting. Kennis van de wettelijke eisen die aan het proces-verbaal worden gesteld, is onontbeerlijk. In dit verband dient een boa een verdachte adequaat te kunnen informeren over de mogelijke gevolgen van een proces-verbaal. Dit vergt voldoende vaardigheid in gespreks- en benaderingstechnieken en vereist enige kennis van de taken en de organisatie van de rechterlijke macht.

De boa dient te functioneren binnen de voor zijn opsporingstaak vastgestelde wettelijke kaders. Dit vereist deskundigheid betreffende de organisatie van het opsporingsapparaat en meer in het bijzonder betreffende de eigen positie daarbinnen.

De boa moet handelen overeenkomstig de door hem afgelegde eed of belofte, en zich bewust te zijn van zijn publieke taak, onder meer door het proces-verbaal volledig en naar waarheid in te vullen.

De wettelijk voorgeschreven samenwerking met de politie verlangt enige kennis van de taken en de organisatie van de politie.

De boa dient zich bewust te zijn van het type rechtsregels met de uitvoering en handhaving waarvan hij belast is. Kennis van een aantal begrippen uit het staatsrecht is daartoe vereist.

Voor veel boa’s zal verdieping en verbreding van het hierboven geformuleerde basispakket noodzakelijk zijn om binnen het eigen werkverband adequaat te kunnen functioneren. De Minister van Veiligheid en Justitie kan op grond van het tweede lid van artikel 16 BBO, aanvullende bekwaamheidseisen stellen aan boa’s. De boa-werkgever kan tevens aanvullende eisen van vakbekwaamheid stellen aan de eigen boa’s en hen daarop (doen) examineren.

Uit bovenstaande volgt een aantal taken en verantwoordelijkheden van de boa.

I Taken met betrekking tot het functioneren binnen en als onderdeel van de organen van strafrechtspleging

II Taken met betrekking tot het opsporen van strafbare feiten

III Taken met betrekking tot de afhandeling van opgespoorde strafbare feiten

IV Taken met betrekking tot de juiste benadering van de burger

Deze taken en verantwoordelijkheden zijn nader uitwerkt in hoofdstuk 4. Daarin zijn de genoemde hoofdtaken geanalyseerd in taken en deeltaken en zijn kenniselementen toegevoegd. De taken 7, 10 en 11 worden getoetst in het praktijkonderdeel Gespreks- en benaderingstechnieken en zijn beschreven in gedragscomponenten.

De wijze waarop een buitengewoon opsporingsambtenaar binnen de eigen werkorganisatie dient te functioneren alsmede de persoonskenmerken en de beroepshouding waarover hij dient te beschikken, zijn divers. Eén en ander is een verantwoordelijkheid van de werkgever van de buitengewoon opsporingsambtenaar.

Beschouwd vanuit de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden eist de wettelijke regeling dat een buitengewoon opsporingsambtenaar betrouwbaar is.

Verder is in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar bepaald dat de buitengewoon opsporingsambtenaar ervoor zorg draagt dat hij blijft voldoen aan de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden.

In de bijlage D zijn de elf genoemde hoofdtaken uitgewerkt in taken, deeltaken en gedragscomponenten. De kolom kenniselementen in het format definieert de bijbehorende leerinhouden als richtlijn voor de keuze van leerstof. Ter precisering is in een aantal gevallen vermeld wat niet tot de leerinhouden behoort.

Van de buitengewoon opsporingsambtenaar wordt verwacht dat hij de strekking van de in de examenstof aangeduide wettelijke regels kan reproduceren. De opgenomen strafrechtelijke en strafvorderlijke bepalingen met een definitorisch karakter dienen meer letterlijk te worden beheerst.

Van buitengewoon opsporingsambtenaren wordt eveneens een elementair inzicht in de leerinhouden verwacht. Dit impliceert dat met name leerinhouden die nauw verbonden zijn met het praktisch handelen in een toepassingsgerichte context kunnen worden bevraagd.

Met behulp van de domeinbenadering is het mogelijk landelijk op uniforme wijze te werken aan professionalisering van de boa. Zo moeten de boa’s Openbare ruimte een traject van permanente her- en bijscholing volgen, boa’s Openbaar vervoer een verzwaard boa-examen afleggen en moeten de boa’s Milieu, welzijn en infrastructuur een aanvullend opleidingsprogramma volgen. Op deze wijze kan per domein worden geïnvesteerd in opsporingsvaardigheden en -competenties gericht op de specifieke behoeften binnen een domein.

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift), een aanvullend opleidingsprogramma en – indien de boa Openbare ruimte beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

In 2010 werden initiatieven ontwikkeld voor een verdergaande professionalisering van de boa Openbare ruimte. In overleg met boa-werkgevers, de direct toezichthouders, de toezichthouders en andere betrokken partners zijn aanvullende bekwaamheidseisen ontwikkeld die per 1 oktober 2012 verplichtworden gesteld en geëxamineerd onder de auspiciën van Stichting ExTH met inachtneming van de overgangstermijn van 6 maanden.

Per deze datum dienen boa’s Openbare ruimte nog één maal het basisexamen te behalen voor de verlenging van hun akte. Na de eerstkomende verlenging dient een modulair opgebouwd traject van permanente her- en bijscholing te worden doorlopen om de boa-bevoegdheid te kunnen behouden. De boa’s Openbare ruimte dienen vier modules in de looptijd van hun akte met een voldoende resultaat te hebben doorlopen om na vijf jaar hun titel van opsporingsbevoegdheid te mogen verlengen. Als deze vier modules niet worden behaald binnen deze periode wordt de titel van opsporingsbevoegdheid niet verlengd. De boa kan in het vijfde jaar herkansen voor maximaal één module. Dat betekent dat bij het niet behalen van één module binnen twee jaar er niet voldaan wordt aan de bekwaamheidseis en de titelvan opsporingsbevoegdheid daarmee zal komen te vervallen.5

In bijlage B-II staan de eindtermen alsmede de gedragsspecifieke componenten beschreven waaraan de boa Openbare ruimte moet voldoen. Meer informatie over de permanente her- en bijscholing is te verkrijgen via de Stichting ExTH (www.exth.nl).

Aanvullende bekwaamheidseisen inhuur

De ingehuurde boa dient te voldoen aan een aangepast traject van permanente her- en bijscholing dat is toegespitst op zijn taken en bevoegdheden. Meer informatie over de inhoud van deze aangepaste her- en bijscholing is te verkrijgen via de Stichting ExTH.

Ontheffing van cursusonderdelen

Het is mogelijk om van cursusonderdelen van de vervolgopleiding of onderdelen van de permanente her- en bijscholing ontheffing te verkrijgen op grond van de ontheffingsgronden in bijlage B-V. Aanvragen tot ontheffingen worden ingediend bij de Dienst Justis.

Examencommissie

De door de Stichting Exth ingestelde examencommissie bewaakt de kwaliteit van de examens of toetsen aan de hand van de in deze circulaire beschreven eindtermen en gedragscomponenten (bijlage B-II).

Verlenging titel van opsporingsbevoegdheid

Bij de verlenging van de titel van opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 BBO wordt getoetst of de betreffende boa tijdig heeft voldaan aan alle tot aan het moment van aanvraag van de verlenging verplichte bekwaamheidseisen.

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift), een aanvullend opleidingsprogramma en – indien de boa Milieu, welzijn en infrastructuur beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

In het visiedocument werd geconstateerd – onder meer bij de pilot met het Transactiebesluit milieudelicten – dat veel milieuboa’s te weinig (strafvorderlijke)kennis en praktische vaardigheden hebben, doordat in hen onvoldoende is geïnvesteerd en de basisbekwaamheidseis alleen onvoldoende is. De omstandigheden waaronder milieuovertredingen moeten worden opgespoord zijn relatief vaak ingewikkeld en vergen doorgaans veel tijd van de betreffende boa’s.6Mede hierom worden in de praktijk de specifieke mogelijkheden van milieuboa’s niet ten volle benut. Wegens deze constatering en gelet op de ontwikkelingen zoals de introductie van de boetebevoegdheid voor het bestuur, de introductie van de Wabo en de regionale uitvoeringsdienstenheeft het LOM in het visiedocument geconstateerd dat milieuboa’s een categorie vormen waaraan aanvullende eisen zouden moeten worden gesteld. Hiertoe zijn in het visiedocument taken en competenties van de milieuboa’s beschreven. Deze zijn opgesomd in bijlage B-III.

Deze taken en competenties geven een compleet beeld van de bekwaamheidseisen waaraan de milieuboa moet voldoen. De eindtermen van de basisbekwaamheidseis zijn hierin geïncorporeerd. Voor zover de vereiste competenties hierboven uitgaan, is sprake van aanvullende bekwaamheidseisen. Vanwege het specifieke werkterrein van bepaalde groepen boa’s (bijvoorbeeld boa’s in de functiegroep van flora-en faunabeheerder), zijn opleidingen (deels) op maat ontwikkeld, dan wel te ontwikkelen in het licht van die competenties die noodzakelijk worden geacht voor het specifieke werkterrein. De opleidingscommissie (zie later deze paragraaf) zal de opleidingen op maat toetsen aan de hand van de hierboven beschreven competenties en in het licht van de te onderscheiden werkvelden van verschillende typen boa’s.

Een boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseis voor het domein Milieu, welzijn en infrastructuur, wanneer hij de hierna te beschrijven opleidingen heeft gevolgd en de bijbehorende toetsen met succes heeft afgelegd.

Basisopleiding

Een ieder die in aanmerking wil komen voor aanwijzing tot milieuboa moet het basisexamen voor boa’s behalen op grond waarvan de titel van opsporingsbevoegdheid wordt verleend. Hierbij wordt de betrokkene aangesteld als milieuboa. Binnen 12 maanden na het verkrijgen van de akte van beëdiging dient de vervolgopleiding te worden gevolgd en met

succes te worden afgerond. Dit stelt de betrokkene in staat om tijdens de vervolgopleiding als milieuboa werkzaam te zijn en het geleerde in de praktijk te brengen (duaal leren).

Vervolgopleiding

De basisopleiding is, gelet op de opsporingstaken van de milieuboa’s en de omstandigheden waaronder zij moeten worden uitgeoefend, in de praktijk onvoldoende gebleken. Daarom is in het visiedocument ervoor gekozen om voor degenen die voor het eerst als milieuboa zijn aangesteld, het volgen van een aanvullende vakopleiding verplicht te stellen: de vervolgopleiding. Nieuwe milieuboa’s dienen binnen een jaar na het verkrijgen van de titel van opsporingsbevoegdheid gestart te zijn met de vervolgopleiding.

De vervolgopleiding is gericht op het systematisch ontwikkelen van de (complexe) kennis, vaardigheden en stijl die nodig zijn om de milieuboa-functie goed uit te oefenen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de beroepspraktijk wordt de vervolgopleiding gecombineerd met het werken in de praktijk. Iedere cursist krijgt een praktijkcoach.

Het curriculum voor de opleiding wordt niet meer bepaald door de klassieke (school)vakken met hun leerstofindeling en -volgorde, maar door het functieprofiel en de hiervan afgeleide kernopgave voor de diverse typen milieuboa’s. Een kernopgave bestaat uit een beschrijving van de kenmerken van de praktijksituaties, dilemma’s, werkpatronen en -methoden. Met andere woorden: het curriculum is op maat toegesneden en voor een boa die hoofdzakelijk werkzaam is op het VROM-domein, op bepaalde punten anders ingekleurd dan dat voor een boa die hoofdzakelijk werkzaam is op het LNV-domein of V&W-domein. Globaal gesproken is het opleidingsprogramma voor 80% generiek en 20% specifiek. Bij de uitvoering kan worden voldaan aan specifieke wensen van werkgevers.

Permanente her- en bijscholing

Permanent leren wordt beschouwd als een veel effectievere wijze om het niveau van de milieuboa op peil te houden dan een vijfjaarlijks examen. Bovendien kan hiermee goed worden ingespeeld op actuele ontwikkelingen. Daarom krijgt, naar het voorbeeld van de FIOD/ECD en de AID, permanente her- en bijscholing een plaats in het opleidingsstelsel voor de milieuboa’s.

Van iedere milieuboa wordt verlangd dat hij gedurende de 5 jaar dat zijn boa-akte geldig is, een viertal verplichte modules volgt, die elk worden afgesloten met een toets. Dit komt neer op één module per jaar, waarbij in het jaar van verlenging geen nieuwe module wordt gevolgd. Dat jaar kan worden gebruikt om niet behaalde modules te herkansen. Ook hier geldt dat een groot deel van het onderwijs voor alle functiegroepen gelijk is. Sommige modulen zullen echter specifiek op een bepaalde functiegroep zijn toegeschreven. De studiebelasting per module bedraagt ongeveer 5 contactdagen. Iedere module wordt met een toets afgesloten. Nadat alle vier modulen met een voldoende zijn afgesloten, kan de akte van de betreffende milieuboa met wederom 5 jaar worden verlengd.

De verplichting tot permanente her- en bijscholing, ter vervanging van het vijfjaarlijkse examen, gaat gelden voor alle milieuboa’s, met inbegrip van personen aan wie een ontheffing is verleend van de bekwaamheidseis op grond van het zogenaamde seniorenbeleid. Die ontheffing brengt mee dat zij wel de modules volledig moeten volgen, maar dat er geen consequenties zullen worden verbonden aan het niet halen van een toets.

Voor nieuwe milieuboa’s betekent dit dat zij met de permanente her- en bijscholing beginnen in het jaar volgend op het succesvol afronden van de vervolgopleiding.

Verzorging van de opleidingen

Op dit moment staat het een ieder vrij om de basisopleiding voor milieuboa’s te verzorgen. Dit blijft ook zo. Voor de andere onderdelen van het opleidingsstelsel is in het visiedocument ervoor gekozen om de ontwikkeling en uitvoering ervan vooralsnog te laten verzorgen door een samenwerkingsverband, thans bestaande uit het Opleidingsinstituut van de Algemene Inspectiedienst, de VROM-Inspectieacademie, de Stichting Bestuursacademie Nederland, de Stichting Wateropleidingen en de Politieacademie. Dit is gebeurd om de kwaliteit van de opleidingen met hun sterke wisselwerking met de beroepspraktijk (duaal leren) en regelmatige toetsmomenten van de ontwikkeling van de verschillende competenties te kunnen meten.

De verschillende opleidingstrajecten worden, binnen het gemeenschappelijke kader – eindtermen, leerdoelen (kernopgaven), lesprogramma’s, docentenhandleiding – en voor een gezamenlijk vastgestelde prijs per cursist verzorgd door deze instituten, met gebruikmaking van hun respectievelijke kennis en expertise op de verschillende deelterreinen, voor zover relevant voor de milieuopsporing.De cursuskosten komen voor rekening van de werkgever.

Opleidingscommissie

In het stelsel zoals dit is neergelegd in het BBO, zijn de toezichthouders belast met het toezicht op de kwaliteit van de boa’s en, in het verlengde hiervan, de kwaliteit van de opleidingen. Dit brengt mee dat de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket, die zal worden aangewezen als de toezichthouder voor alle milieuboa’s, die taak krijgt ten aanzien van de opleidingen voor de milieuboa’s.

Om aan deze verantwoordelijkheid een goede invulling te kunnen geven en, in het bijzonder, te kunnen garanderen dat het voltooien van het samenstel van opleidingen uitzicht biedt op het voldoen aan de basis- en aanvullende eisen van bekwaamheid voor milieuboa’s, wordt door de toezichthouder een opleidingscommissie ingesteld. Deze commissie gaat namens de toezichthouder de inhoud en kwaliteit van de diverse opleidingstrajecten en bijbehorende lesprogramma’s in al hun facetten bewaken. De opleidingscommissie gaat tevens toezien op de deelname van de boa’s aan de voor hen verplichte opleidingstrajecten.

In het kader van haar taak toetst de opleidingscommissie aan de hand van de in bijlage B-III beschreven taken en competenties of de aangeboden opleidingen voldoen, mede in het licht van de te onderscheiden werkvelden van de verschillende typen milieuboa’s. Zo hebben de milieuboa’s die thans behoren tot de functiegroep flora- en faunabeheerder in de praktijk met een ander soort milieudelicten en verdachten te maken dan bijvoorbeeld de milieuboa’s van het Staatstoezicht op de Mijnen.

De opleidingsprogramma's en de uitvoering daarvan zullen met enige regelmaat worden geëvalueerd om te bezien of hierin verandering moet worden aangebracht, bijvoorbeeld door het vervangen van één of meer opleidingsinstituten door andere. Het initiatief hiervoor komt te liggen bij de opleidingscommissie.

Examencommissie

De door de Minister van Veiligheid en Justitie ingestelde examencommissie bewaakt de kwaliteit van de examens of toetsen aan de hand van de in deze circulaire beschreven competenties (bijlage B-III).

Vervallen van opsporingsbevoegdheid

Indien niet (tijdig) wordt voldaan aan de aanvullende opleidingseisen, is er niet voldaan aan de milieuboa bekwaamheidseis en zal de titel van opsporingsbevoegdheid worden ingetrokken (ex artikel 35, eerste lid, onder b, en artikel 32, derde lid, BBO).In de volgende gevallen kan de Minister van Veiligheid en Justitie vaststellen dat niet langer wordt voldaan aan de bekwaamheidseis, zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b, en artikel 32, derde lid, BBO, met verval van de titel van opsporingsbevoegdheid tot gevolg.

Alvorens tot vaststelling over te gaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b, BBO, in de gevallen bedoeld onder a t/m c, hoort de Minister van Veiligheid en Justitie de werkgever en de betreffende boa.

Als een milieuboa door omstandigheden, die niet aan hem of aan zijn werkgever zijn te wijten, niet in staat is tijdig (een module van) de permanente her- en bijscholing te volgen, dan wel de vervolgopleiding binnen de afgesproken periode met goed gevolg af te ronden, kan de Minister van Veiligheid en Justitie op verzoek van de werkgever afwijken van de termijnen genoemd in de onderdelen a tot en met c.

Ontheffing van cursusonderdelen

Het is mogelijk om van cursusonderdelen van de vervolgopleiding of onderdelen van de permanente her- en bijscholing ontheffing te verkrijgen op grond van de ontheffingsgronden in bijlage B-V. Eventueel verleende ontheffingen ontslaat de boa niet van de examenverplichting van zowel de vervolgopleiding, als de permanente her-en bijscholing. Aanvragen tot ontheffingen worden ingediend bij de Dienst Justis.

Verlenging titel van opsporingsbevoegdheid

Bij de verlenging van de titel van opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 BBO wordt getoetst of de betreffende boa tijdig aan alle tot aan het moment van aanvraag van de verlenging verplichte opleidingenheeft voldaan.

Onder het domein onderwijs vallen de huidige leerplichtambtenaren. Zij zijn primair belast met het handhaven van de leerplichtwet en alle andere daar aan gerelateerd relevante wet- en regelgeving. Gelet op het specialistische karakter van deze functie en het feit dat er voor de uitoefening van deze functie door de werkgever veelal andere kennis en vaardigheden worden verlangd, is besloten deze functie als aparte functie te handhaven.

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift) en – indien de boa onderwijs beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

In overleg met boa-werkgevers, de direct toezichthouders, de toezichthouders en eventueel andere betrokken partners worden op dit momentaanvullende bekwaamheidseisen ontwikkeld. Deze aanvullende bekwaamheidseisen zullen in 2013 worden ingevoerd. Ook tot die tijd is hetde verantwoordelijkheid van de boa-werkgever om zijn boa’s onderwijs aanvullend op te leiden voor hun specifieke taak. Indien de boa-werkgever kan voorzien in een opleiding voor de boa die voldoet aan de eisen die worden gesteld aan de semi-permanente ontheffing (bijlage B-V), dan kan de boa ontheffing krijgen voor het basis boa-examen.

De bekwaamheidseis bestaat uit een verzwaard examen, het boa-Openbaar Vervoer examen (getuigschrift boa-OV), en – indien de boa openbaar vervoer beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

Reeds in 2005 werd door de inwerkingtreding van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoersbedrijven 2005 een speciale BOA-OV opleiding verplicht gesteld voor de openbaar vervoer boa's. De BOA-OV opleiding is gestart als onderdeel van het Aanvalsplan Sociale Veiligheid Openbaar Vervoer en samen met de vervoerbedrijven ontwikkeld, om te zorgen dat het controlerend personeel zo optimaal en gericht mogelijk wordt opgeleid. Deze opleiding vormt een ‘boa-plus opleiding’ in vergelijking met de basis bekwaamheidseis (boa-getuigschrift) en is een op maat gesneden opleiding gericht op het openbaar vervoer. De BOA-OV opleiding kent een module voor nieuw op te leiden personeel dat nog niet over een BOA-bevoegdheid beschikt. In bijlage B-IV staan de eindtermen alsmede de gedragsspecifieke leerdoelen beschreven waaraan de boa openbaar vervoer moet voldoen.

De bekwaamheid wordt verkregen of behouden door het afleggen van het boaOpenbaar Vervoer examen dan wel het met voldoende resultaat doorlopen van vier modules. Als deze vier modules of het examen niet worden behaald binnen deze periode wordt de titel van opsporingsbevoegdheid niet verlengd.De eindtermen van het algemene boa examen maken onverkort deel uit van het examen en de modules. De door de minister ingestelde examencommissie boa OV stelt de eindtermen en toetsing vast.

Ontheffing van cursusonderdelen

Het is mogelijk om van cursusonderdelen van de vervolgopleiding of onderdelen van de permanente her- en bijscholing ontheffing te verkrijgen op grond van de ontheffingsgronden in bijlage B-V. Aanvragen tot ontheffingen worden ingediend bij de Dienst Justis.

Verlenging titel van opsporingsbevoegdheid

Bij de verlenging van de titel van opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 BBO wordt getoetst of de betreffende boa tijdig heeft voldaan aan alle tot aan het moment van aanvraag van de verlenging verplichte bekwaamheidseisen.

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift) en – indien de boa werk, inkomen en zorg beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

In overleg met boa-werkgevers, de direct toezichthouders, de toezichthouders en eventueel andere betrokken partners wordt nader bekeken in hoeverre aanvullende bekwaamheidseisen verplicht dienen te worden gesteld en wat die aanvullende bekwaamheidseisen precies moeten zijn. Tot die tijd is het de verantwoordelijkheid van de boa-werkgever om zijn boa’s werk, inkomen en zorg aanvullend op te leiden voor hun specifieke taak. Indien de boa-werkgever kan voorzien in een opleiding voor de boa welke voldoet aan de eisen welke worden gesteld aan de semi-permanente ontheffing (bijlage B-V) kan de boa ontheffing krijgen voor het basis boa-examen.

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift) en – indien de boa generieke opsporing beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

Het merendeel van de diensten wiens boa’s vallen binnen het domein generieke opsporing beschikt over een eigen opleiding ten behoeve van hun overige werknemers die zich (op grond van artikel 141 Wetboek van Strafvordering) bezig houden met de strafrechtelijke handhaving. Het is de verantwoordelijkheid van de boa-werkgever om zijn boa’s generieke opsporing aanvullend op te leiden voor hun specifieke taak. Net als voor alle andere boa’s geldt dat de politieboa’s slechts bevoegd zijn voor die feiten die vallen binnen hun taakomschrijving mits wetgeving in formele zin zich hier niet tegen verzet (zoals bijvoorbeeld de Opiumwet) en de boa voldoende bekwaam is om voor die feiten op te treden. Indien de boa-werkgever kan voorzien in een opleiding voor de boa welke voldoet aan de eisen welke worden gesteld aan de semi-permanente ontheffing (bijlage B-IV) kan de boa ontheffing krijgen voor het basis boa-examen.

De onderstaande exameneisen zijn een uitwerking van taak 7, 10 en 11 zoals beschreven in de Eindtermen basisexamen Buitengewoon opsporingsambtenaar.

Grijze regels zijn de exameneisen, te lezen als: De kandidaat…

1 De examenonderdelen en de onderliggende exameneisen zijn gebaseerd op de beroepsgerichte delen van het mbo kwalificatiedossier Toezicht en veiligheid.

Bij (economische) milieudelicten (eenvoudige misdrijven en overtredingen in de zin van de Wet op de economische delicten) kan een milieuboa zelfstandig strafrechtelijk optreden. Dit kan ter ondersteuning of in plaats van een bestuursrechtelijk handhavingstraject. Daarmee is het noodzakelijk dat de boa naast strafrechtelijke kennis, beschikt over kennis van het bestuursrecht (AWB).

De milieuboa verleent bij dit soort zaken voor politie of een bijzondere opsporingsdienst een belangrijke ondersteunende rol door inbreng van specialistische en/of juridische kennis over de betrokken milieuwetgeving.

competenties vallen

De milieuboa heeft een signalerende taak bij de uitoefening van zijn werkzaamheden. Voor zaken waarvoor hij niet bevoegd of bekwaam is, heeft hij een belangrijke oog- en oorfunctie voor de politie en/of andere bevoegde handhavinginstanties. De milieuboa registreert zijn bevindingen en maakt indien nodig een proces-verbaal van bevindingen op.

De milieuboa kan problemen m.b.t. handhaafbaarheid van normen/uitvoerbaarheid van normen signaleren en doorgeven aan verantwoordelijke partijen zoals vergunningverleners, het Openbaar Ministerie en eventueel via een interne schakel aan intermediairs en ministeries die verantwoordelijk zijn voor de normstelling.

Om de hierboven beschreven opsporingstaken goed te kunnen vervullen, dient iedere milieuboa te beschikken over de volgende competenties

Vakmatige en methodischecompetenties zijn gericht op het vermogen om op adequate wijze producten en diensten te leveren. De milieuboa kan:

Bestuurlijk-organisatorische en strategischecompetenties zijn gericht op het plannen en regelen van het eigen werk in de context van de organisatie. De milieuboa kan:

Sociaal-communicatieve en cultureel-normatieve competenties hebben betrekking op het functioneren in een arbeidsomgeving, op samenwerking en op coördinatie van arbeid. De milieuboa kan:

Leer- en vormgevingscompetenties verwijzen naar het vermogen bij te dragen aan de eigen ontwikkeling en die van arbeidsorganisatie en beroep. De milieuboa kan:

Gedragsspecifieke leerdoelen:

Boa werkgevers kunnen beroep doen op de volgende ontheffingsmogelijkheden (bij basisbekwaamheidseis of verzwaard boa-examen).

In individuele gevallen kan bij een eerste aanvraag ontheffing van de bekwaamheidseis worden verleend indien één van de volgende getuigschriften wordt overgelegd:

– Politiediploma A of B;

– Diploma herziene primaire opleiding (HPO);

– Diploma primaire opleiding basispolitiezorg (POMB);

– Diploma primaire opleiding politiesurveillant (POPS A en B)

– Diploma van één van de initiële politie-opleidingen van de Politie Academie; het gaat hierbij om:

– Diploma reservepolitie;

– Diploma vrijwillig ambtenaar van politie;

– Diploma surveillant van politie;

– Diploma opsporingsambtenaar Koninklijke Marechaussee;

– Diploma van de Nederlandse Politie Academie;

– Diploma politiedienstverlener A (tevens vereist minimaal 1 jaar werkervaring).

De geldigheidsduur van de ontheffing is maximaal vijf jaren na de datum waarop het betreffende getuigschrift is behaald. Daarna dient het reguliere boa-examen te worden afgelegd, dan wel te worden deelgenomen aan het aanvullende opleidingstraject van het domein of het (eigen) scholingstraject van de werkgever. Tevens kan een éénmalige en maximaal vijf jaar geldende ontheffing worden toegekend aan een (nieuw) voorgedragen functionaris, die beschikt over één van de hierboven genoemde getuigschriften, maar deze langer dan vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag heeft behaald. Voorwaarde is dan wel, dat deze functionaris enige tijd daarvoor op basis van dit getuigschrift een executieve functie bij de politie of de Koninklijke Marechaussee heeft vervuld.

De termijn waarbinnen na de uitdiensttreding uit de executieve functie de aanvraag om te worden aangesteld als boa moet worden ingediend, is vijf jaar. Deze éénmalige en maximaal vijf jaar geldende ontheffing wordt geacht te zijn ingegaan op de dag waarop de aanvrager uit de executieve dienst is ontslagen.

Voorbeeld:

Een politieambtenaar verlaat de executieve functie op 01-01-2008 . Deze persoon heeft tot 01-01-2013 ontheffing van de bekwaamheidseis, ongeacht het tijdstip van indiensttreding bij de boa-werkgever. Krijgt deze persoon eerst op 01-01-2010 een boa-werkgever, dan is de ontheffing van de bekwaamheidseis nog slechts drie jaar geldig. In dat geval wordt een akte van opsporingsbevoegdheid voor de beperkte periode verstrekt.

Voor opsporingsambtenaren die van een uittredingsregeling, zoals TOR (Tijdelijke Ouderen Regeling), gebruik maken en derhalve hun executieve status behouden, geldt onverminderd de eis van het bekleden van een executieve functie. Als uitgangsdatum wordt de datum van het ingaan van de uittredingsregeling gehanteerd.

Bij de (nieuwe) aanvraag moet een kopie van het besluit waarbij iemand uit executieve dienst is ontslagen, worden gevoegd.

Aan vrijwillige ambtenaren van politie kan ontheffing van de bekwaamheideis worden verleend. De (beoogde) boa moet aan de onderstaande voorwaarden voldoen:

Daarnaast kan ontheffing van de bekwaamheidseis worden verleend aan politieambtenaren of opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee die naast hun functie de functie van boa als nevenfunctie hebben, doch die langer dan vijf jaren geleden het betreffende diploma hebben behaald. Voor deze ontheffing wordt als voorwaarde gesteld dat de betrokkene in executieve dienst werkzaam is bij de politie of de status van opsporingsambtenaar heeft bij de Koninklijke Marechaussee.

Aan werkgevers met een uitgebreid eigen scholingstraject kan een zogenaamde semi-permanente ontheffing van de bekwaamheidseis worden verleend. De werkgever voorziet in dit geval in een eigen opleiding, afgesloten met een examen dat in eigen beheer wordt afgenomen.

Voor toekenning van deze ontheffing moet voldaan zijn aan de onderstaande voorwaarden.

Deze ontheffing van de bekwaamheidseis kan ook aan individuele boa’s worden toegekend, bijvoorbeeld als zij deelnemen aan het scholingsprogramma bij een werkgever die over een semi-permanente ontheffing beschikt.

Onder de tijdelijke ontheffing wordt verstaan een ontheffing die voor een bepaalde periode kan worden verleend teneinde de werkgever in staat te stellen om de bij hem in dienst zijnde boa’s bij te scholen en in staat te stellen om het vereiste examen af te leggen. Deze ontheffingsmogelijkheid bestaat alleen voor reeds in dienst zijnde boa’s, dus uitdrukkelijk niet voor nieuwe aanvragen tot aanstelling als boa.

Voorts kan van deze ontheffing slechts gebruik worden gemaakt in de volgende gevallen

– er is sprake van een nieuw opleidingsprogramma

– er is sprake van een ingrijpende wijziging van de opleidingmethode bij de werkgever

– door het opleidingsinstituut wordt de boa onvoldoende mogelijkheid geboden het opleidingsprogramma binnen de daartoe gestelde termijnen met goed gevolg te voltooien.

– tengevolge van het wegvallen van een tijdelijke ontheffings- c.q. vrijstellingsregeling (zoals bijvoorbeeld deze bestond voor financieel rechercheurs), de boa die daadwerkelijk met opsporingstaken belast is en in lopende onderzoeken betrokken is, de gelegenheid nodig heeft om binnen een termijn van een jaar te rekenen vanaf het moment van wegvallen van de tijdelijke ontheffingsregeling, alsnog zich aanvullend moet opleiden, teneinde aan de eindtermen te kunnen blijven voldoen.

De termijn waarvoor de ontheffing geldt, wordt in overleg met de betreffende werkgever vastgesteld, maar bedraagt maximaal vijf jaar.

Indien de uitoefening van de opsporingsbevoegdheid zodanig beperkt en gering van omvang is dat in verhouding daarmee het behalen van het examen een onevenredige belasting vormt, kan door de werkgever van de boa een verzoek om ontheffing worden gedaan.

Voorbeelden van deze functies zijn deteleservicemedewerkers bij de politie (de functie beperkt zich tot het (telefonisch) aannemen van aangiftes, zonder daderindicatie, zonder dat getuigen worden gehoord en gericht op relatief eenvoudige strafbare feiten) dan wel functies waarbij de boa geen contact heeft met het publiek en waarbij de opsporingsbevoegdheid slechts marginaal nodig is voor de werkzaamheden (functies waarbij door een boa slechts technische processen-verbaal worden opgemaakt zonder dat getuigen of verdachten behoeven te worden gehoord).

Op basis van de door de werkgever aangedragen gegevens en het advies van de toezichthouder en de direct toezichthouder wordt besloten tot het al dan niet verlenen van ontheffing. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.

Aan personen die niet beschikken over een geldig diploma of getuigschrift kan in uitzonderlijke gevallen ontheffing van de bekwaamheidseis worden verleend. Gezien het belang dat wordt gehecht aan het basiskennisniveau van elke boa kan slechts om ontheffing van de bekwaamheidseis worden verzocht in het volgende geval.

Indien een persoon vanwege bepaalde redenen het examen niet heeft behaald dan wel niet heeft kunnen deelnemen aan het examen kan door de werkgever van de boa een verzoek om ontheffing worden gedaan. Daarbij moet gemotiveerd worden aangegeven dat het noodzakelijk is dat deze persoon over opsporingsbevoegdheid blijft beschikken en dat hij om bepaalde redenen het examen niet heeft behaald c.q. het onmogelijk was om deel te nemen aan het examen. Een dergelijk verzoek kan alleen worden gedaan bij een aanvraag tot verlenging van de opsporingsbevoegdheid.

Op basis van de aangedragen gegevens en zo nodig in te winnen advies van de toezichthouder en direct toezichthouder kan worden besloten tot het al dan niet verlenen van ontheffing. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.

De leeftijdsgrens voor de seniorenontheffing is 60 jaar. Op verzoek van de boa-werkgever kan aan een persoon van 60 jaar of ouder éénmalig ontheffing van de bekwaamheidseis worden verleend op grond van het zogenaamde seniorenbeleid. Betreffende persoon dient voor het verloop van de geldige akte de leeftijd van 60 jaar te hebben bereikt. De ontheffing kan worden toegekend naar aanleiding van een aanvraag tot verlenging van een nog niet verlopen en al eerder aan die persoon verleende titel van opsporingsbevoegdheid, die was toegekend op basis van een daarvoor behaald geldig diploma of getuigschrift. Bij de verlengingsaanvraag dient een bewijs van een opleidingsinstituut te worden overgelegd, waaruit blijkt dat de betrokken persoon recentelijk met getoonde inzet heeft deelgenomen aan een boa-opleiding.

De seniorenontheffing wordt slechts eenmalig verleend en geldt voor een periode van vijf jaar. Indien na afloop van de benoemingstermijn waarvoor de ontheffing is verleend, de wens bestaat om opnieuw een verlenging aan te vragen, dan dient de opleiding wederom te worden gevolgd en dient ook het vereiste examen met goed gevolg te worden afgelegd. De ontheffing kan niet worden verleend aan personen van 60 jaar of ouder voor wie een eerste aanvraag tot benoeming als boa wordt ingediend. De aanvraag voor de ontheffing moet worden ingediend vier maanden voordat de geldende akte verloopt.

Aanvragen om ontheffing van de bekwaamheidseis dienen door de werkgever bij de Minister van Veiligheid en Justitie (Dienst Justis) te worden ingediend.1Een aanvraag om ontheffing van de bekwaamheidseis kan voor één, voor alle of voor een deel van de bij een werkgever in dienst zijnde boa’s worden gedaan. Op basis van de aanvraag wordt bij afzonderlijke beschikking dan wel bij categoriale aanwijzing een besluit genomen. Een aanvraag om ontheffing kan tegelijkertijd met de aanvraag voor een categoriale aanwijzing of voor de titel opsporingsbevoegdheid van de aanstaande boa worden ingediend.