Wijzigingen Officiële bron
Document omlijning, registratie-eisen en toetsingprocedure 001.1 DNA-analyse en -interpretatie – Bronniveau – versie 2.1Document omlijning, registratie-eisen en toetsingprocedure 001.1 DNA-analyse en -interpretatie – Bronniveau – versie 2.1

(Maart 2014 – Maart 2018)

In het op de Wet deskundige in strafzaken gebaseerd Besluit register deskundige in strafzaken (hierna: Brdis) heeft de wetgever het College gerechtelijk deskundigen (hierna: College) van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (hierna: NRGD) de taak gegeven om voor de registratie van aanvragers welomlijnde deskundigheidsgebieden te definiëren.

Het College omlijnt deskundigheidsgebieden met het doel duidelijkheid te verschaffen aan:

Binnen het deskundigheidsgebied (Humane) DNA-analyse en -interpretatie (DNAanalyse en -interpretatie) zijn de volgende vragen relevant:

Hieronder staat de beschrijving van het deskundigheidsgebied DNA-analyse en -interpretatie – Bronniveau (hierna: DNA – Bronniveau).

Deskundigen binnen het deskundigheidsgebied DNA- Bronniveau houden zich voornamelijk bezig met het beantwoorden van vraag 2: Van wie is het biologische spoor afkomstig? Anders gezegd, wie is de donor van het celmateriaal?

De deskundige DNA – Bronniveau voert op biologisch sporenmateriaal een (autosomaal en/of Y-chromosomaal) DNA-onderzoek uit, al dan niet gevolgd door een vergelijkend DNA-onderzoek. Hiertoe vergelijkt de deskundige DNA-profielen van sporenmateriaal met elkaar en/of met de DNA-profielen van referentiemonsters.

Daarnaast kunnen vergelijkingen gemaakt worden met DNA-profielen in DNAdatabanken.

De DNA-deskundige op Bronniveau houdt zich bezig met de interpretatie en vergelijking van enkelvoudige en complexe en/of gemengde DNA-profielen die onder standaardomstandigheden of met behulp van low template/minimale sporen DNAtechnieken van het sporenmateriaal zijn verkregen. De focus van de deskundige ligt op het gehele gebied van biologische sporen, inclusief contactsporen.

De verrichtingen die vallen binnen het deskundigheidsgebied DNA- Bronniveau zijn:

Deskundigen binnen het deskundigheidsgebied DNA- Bronniveau zijn in staat autosomaal en low template/minimale sporen DNA-analyse technieken toe te passen en zijn in staat de resultaten van deze technieken te interpreteren en hierover te rapporteren.

Deskundigen binnen het deskundigheidsgebied DNA- Bronniveau zijn in staat DNAtechnieken toe te passen om vraag 1. ‘Zijn biologische sporen aanwezig op het stuk vanovertuiging en wat is de aard van het celmateriaal van het biologische spoor?’ te beantwoorden, hoewel niet alle DNA-deskundigen deze analyses (nog) zelf uitvoeren.

Deskundigen binnen het deskundigheidsgebied DNA- Bronniveau hoeven niet in staat te zijn op adequate wijze om te gaan met de beantwoording van vraag 3. ‘Hoe is het biologische materiaal achtergelaten op de plaats delict?’. Om deze vraag te op adequate wijze te beantwoorden staat centraal bij rapportages op activiteitsniveau. Dit vereist van de deskundige gespecialiseerde kennis en ervaring (zie paragraaf 2.2).

Binnen de praktijk van het deskundigheidsgebied DNA- Bronniveau bestaan vijf specifieke typen vragen die aanvullende expertise en ervaring vereisen en daarom buiten de reikwijdte vallen van het deskundigheidsgebied DNA- – Bronniveau als geregistreerd door het NRGD:

Bij het rapporteren als deskundige binnen het deskundigengebied DNA-Bronniveau dient de deskundige zich bewust te zijn van de mogelijkheden en beperkingen van bovenstaande technieken en/of specialisaties. De deskundige dient zich tevens bewust te zijn van de mogelijkheid om internationale informatiebanken te doorzoeken en van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van onder andere RNA, SNPs en Next Generation Sequencing. Daarnaast dient de deskundige zich bewust te zijn van de voor- en nadelen van deze technieken, specialisaties en/of ontwikkelingen.

Het register zal de desbetreffende deskundige vermelden als een deskundige op het gebied van DNA- Bronniveau.

De kwaliteitseisen, geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 van het Brdis vormen de algemene criteria waarop de toetsing door het NRGD van forensisch deskundigen is gebaseerd. Het College formuleert voor elk deskundigheidsgebied op basis van de algemene criteria specifieke eisen.

Deel II geeft de registratie-eisen voor het deskundigheidsgebied DNA-Bronniveau weer waaraan de deskundige moet voldoen die een aanvraag voor (her)inschrijving in het register indient.

De registratie-eisen verschillen per type aanvrager. Het NRGD onderscheidt twee typen aanvragers: de initiële aanvrager (A) en de heraanvrager (B). De initiële aanvrager is een rapporteur die nog niet eerder geregistreerd is geweest voor het deskundigheidsgebied waar de aanvraag op ziet. De heraanvrager is een deskundige die al is geregistreerd in het NRGD, al dan niet voor beperkte duur, voor het deskundigheidsgebied waar de aanvraag op ziet.

Deze twee typen aanvragers worden voorts als volgt onderverdeeld:

De algemene, ingevolge het tweede lid van artikel 12 van het Brdis aan de te (her)registreren deskundige te stellen eisen zijn in onderstaande tekst in cursief opgenomen met een verwijzing naar de onderdelen (a t/m i). Bij de algemene eis volgen, indien van toepassing, een of meer specifieke eisen. Wanneer geen specifieke eis is aangegeven, is de desbetreffende algemene eis op zich reeds afdoende bevonden.

Het tweede lid van artikel 12 van het Brdis luidt als volgt:

Een deskundige wordt op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het College:

Om te beoordelen of een DNA expert op Bronniveau voldoet aan de eisen voor het deskundigheidsgebied DNA – Bronniveau en in aanmerking komt voor registratie in het NRGD, schrijft het College de volgende toetsingsprocedure voor.

De toetsing geschiedt in beginsel op basis van informatie die de aanvrager heeft verstrekt:

Verplicht

Verplicht

Voor alle deskundigheidsgebieden geldt dat de beoordeling plaatsvindt op basis van schriftelijke stukken waaronder in ieder geval zaaksrapporten en bewijsstukken, in beginsel aangevuld met een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken uit de schriftelijke stukken.

Voor alle typen geldt dat de toetsing ook kan plaatsvinden op basis van nadere informatie zoals een onderzoek in open bronnen of andere gedetailleerde rapporten, indien dit noodzakelijk wordt geacht voor een adequate toetsing.

De toetsingswijzen voor de verschillende typen aanvragers zijn:

This document contains keywords of concepts of which an expert in the field of Human DNA analysis and interpretation should minimally have a basic knowledge.

Sources of DNA evidence

Crime scene investigation and laboratory analysis of biological evidence

Identification and presumptive testing of body fluids (blood, semen, saliva)

Confirmatory assays for body fluid identification (immunoassays)

Uncertainty concerning attribution of DNA (particularly at low levels) to specific body fluids

The structure of DNA and the variability of the human DNA genome

Loci, alleles, genotypes and DNA profiles

Polymorphisms commonly used for DNA testing

The molecular biological basis of forensic DNA tests; using the DNA profile to identify a forensic sample

Extraction and quantification of DNA

Polymerase chain reaction

Short tandem repeats and mutation processes

Forensic multiplex STR typing kits

DNA separation by CE and LIF detection

Analysis of results, including the use of ladders for fragment sizing, use of analytical thresholds and identification of artefacts such as stutter, ‘pull-up’ and identification of mixed samples.

Quality control and quality assurance of forensic DNA analysis

Laboratory accreditation, personnel certification and proficiency testing

Validation studies

Laboratory error rates

Understanding and minimizing the risk of contamination in the forensic process: methods of reducing the occurrence of contamination and detecting when it has occurred

Continuous improvement and quality

Likelihood Ratio (LR)

Bayes Theorem

Product rule to calculate the probability of independent variables

DNA mixture deconvolution and recommended procedures for analysing mixed samples (LR and RMNE (‘Random Man not Excluded’)/CPI (‘Combined Probability of Inclusion’))

Accounting for relatives, where applicable, in calculating evidential strength

Inclusion criteria and search (im)possibilities of the national DNA database including the detection of false negative and false positive matches

Hardy-Weinberg equilibrium/Linkage equilibrium

Population Substructure

Allele frequencies, genotype probabilities

Applying the product rule for independent events

Conditional match probabilities

Fst/Theta population substructure correction; correction for possible allele dropout

Sampling variation in construction of DNA population databases

Common Logical Fallacies (Prosecution/Defence Fallacy)

Evidential strength of database match

DNA database search controversy

Avoidance of cognitive bias

Evaluation of potential low template DNA typing results.

Allele and/or locus dropout due to degradation, preferential amplification, stochastic effects and stochastic thresholds.

Replication and consensus DNA profiles

Approaches for the statistical evaluation of DNA profiles from low template DNA samples

Y-chromosome evolution and its consequences for forensic analyses

Patrilineal inheritance

Laboratory analysis of Y-chromosome STR’s

Population genetics of Y-STR haplotypes

Use of Y-STR population databases (YHRD)

Statistical evaluation of Y-chromosome haplotypes

Interpretation of Y-STR mixtures

Inheritance of genetic polymorphisms

Technical procedures for determining kinship

Statistical evaluation of kinship (e.g. paternity index, sibling index, Bayesian networks)

Incorporation of the presence of mutations and null-alleles in the statistical evaluation

Principles of disaster/mass identification

Principles of familial searching in databases

Use of Y-STR and mtDNA analysis to narrow candidate lists from familial searching in Databases

Evolution and migration of Homo sapiens

Population genetics of externally visible characteristics

Principles of determining the geographic origin of an individual

Principles of determining externally visible characteristics

Knowledge about genes involved in the biosynthesis of melanine (skin and hair pigmentation, iris colour)

Technical procedures for determining geographic origin or externally visible characteristics

Approaches for the interpretation of genotyping results for determining geographic origin or externally visible characteristics

Knowledge of the limitations of determining geographic origins or externally visible characteristics

Mitochondrial DNA evolution and its consequences for forensic analysis

Matrilineal inheritance, variable mutation rates, heteroplasmy and principles for evaluating close non-matching mtDNA sequences

Laboratory analysis of mitochondrial DNA (e.g. Sanger sequencing, mini-sequencing)

Population genetics of mitochondrial DNA haplotypes

Use of mitochondrial DNA databases (EMPOP)

Statistical evaluation of mitochondrial DNA matches

Understanding of the principles of case assessment and interpretation (CAI)3 and in particular, balance, logic, robustness and transparency

Formulation and evaluation of appropriate hypotheses

Understanding use of data and experience in evaluation of hypotheses:

Understanding of the principles of probabilistic (Bayesian) networks in evidence interpretation