Ministeriële regeling · BWBR0035474

Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidiesDe Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 4, 5, 6, eerste lid, 7, 10, 12, vierde lid, 13, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 14, 14a, eerste en vierde lid, 15, 16, 17, 18, eerste en vijfde lid, 19, 21, eerste en derde lid, 23, eerste lid, onderdeel c, 23, tweede lid, 25, 30, derde, vierde en vijfde lid, 32, derde lid, 33, tweede lid, 34, 42, eerste en tweede lid, 44, 48, 50 en 53 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage11 juli 2014De Minister van Economische Zaken,H.G.J.Kamp

In deze regeling wordt verstaan onder:

Vervallen

De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, bedraagt 50 procent van de loonkosten.

De accountant of accountant-administratiefconsulent controleert en stelt de controleverklaring vast met inachtneming van de voorschriften, gesteld in bijlage 1.3.

Vervallen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en 14 van het besluit, € 60.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit beslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidie die staatssteun bevat die door de groepsvrijstellingsverordening visserij wordt gerechtvaardigd indien:

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderzoeksinstelling of een deelnemer aan een samenwerkingsverband van onderzoeksinstellingen, voor een project dat past binnen de hoofdthema’s in bijlage 2.2.1 en bijdraagt aan concrete inzichten, systemen, technieken of een aanpak om glastuinbouwbedrijven in staat te stellen om de CO2-doelen te behalen door middel van:

De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat dit percentage wordt verminderd met het daadwerkelijke percentage eigen bijdrage.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien:

Een aanvraag voor een subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat, onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit ten minste:

De subsidie, bedoeld in artikel 2.2.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 21 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening Landbouw.

Deze titel en de bijlages 2.2.1 en 2.2.2 vervallen met ingang van 1 april 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Vervallen

Een glastuinbouwonderneming of een glastuinbouwonderneming die deelneemt aan een samenwerkingsverband kan per investering als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, één aanvraag indienen.

De subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregelen SA.50448 (2018/N), SA.59823 (2020/N), SA.106646 (2023/N), SA.118496 (2025/N), en SA.120764 (2025/N) en paragraaf 1.1.1.1. van het landbouwsteunkader.

Deze titel en bijlage 2.3.1 vervallen met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

De subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2., bevat staatssteun en wordt niet eerder verleend dan nadat de Europese Commissie goedkeuring heeft gegeven voor deze regeling in een procedure als bedoeld in artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een landbouwonderneming of agrarisch loonwerkbedrijf voor de aanschaf van een of meerdere nieuwe:

indien deze investering is gericht op het verminderen of het voorkomen van de uitstoot van broeikasgassen.

Een landbouwonderneming of agrarisch loonwerkbedrijf kan per dag ten hoogste:

laadstation.

De subsidiabele kosten zijn:

De minister besluit afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvrager kwalificeert als een grote onderneming.

Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit bevat de aanvraag voor subsidievaststelling een afschrift van de factuur en van het betaalbewijs van de aangeschafte landbouwmachine, landbouwtractor of DC-laadstation, het serienummer van de aangeschafte landbouwmachine en het kenteken van de aangeschafte landbouwtractor.

De subsidie, bedoeld in artikel 2.4.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Deze titel vervalt met ingang van 1 april 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Het model voor de LV-borgstellingsovereenkomst is opgenomen in bijlage 2.5.1.

De subsidie, bedoeld in artikel 2.5.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel en bijlage 2.5.1 vervallen met ingang van 31 december 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een grondgebonden landbouwonderneming voor het op basis van een met een onderzoeksorganisatie gesloten uitvoeringsovereenkomst uitvoeren van een bedrijfsontwikkelplan: het betreft het voor een periode van vier jaar verzamelen van bedrijfsgegevens door middel van het uitvoeren van de in het bedrijfsontwikkelplan beschreven maatregelen en het delen van deze bedrijfsgegevens met de onderzoeksorganisatie.

Voor de subsidie als bedoeld in art. 2.6.2 komen uitsluitend personeelskosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking.

De subsidie bedraagt € 2.400,– per jaar tot een maximum van € 9.600,– per subsidieontvanger.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld.

De subsidie, bedoeld in artikel 2.6.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze titel wordt verstaan onder:

De subsidie bedraagt:

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie jaar.

De subsidie, bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 38 en 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening, indien:

De subsidie voor de activiteiten van een IPC-penvoerder wordt ambtshalve vastgesteld.

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze titel wordt verstaan onder:

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de groepsvrijstellingsverordening visserij.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De subsidie, bedoeld in artikel 2.16.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 15 van de groepsvrijstellingsverordening visserij.

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste voor de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.17.4, eerste lid, onderdelen a en b samen:

€ 200.000 voor de provincies Drenthe, Flevoland, Friesland, Groningen en Zeeland afzonderlijk;

€ 260.000 voor de provincies Limburg, Overijssel en Utrecht afzonderlijk;

€ 330.000 voor de provincies Gelderland, Noord-Brabant, Noord-Holland en Zuid-Holland afzonderlijk.

Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen uiterlijk een maand na de subsidieverlening.

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien na toepassing van artikel 2.17.8, aan de criteria, bedoeld in artikel 2.17.8, eerste lid, onderdelen a tot en met c, in totaal minder dan 15 punten zijn toegekend, dan wel afzonderlijk per criterium niet ten minste vijf punten zijn toegekend.

De subsidie, bedoeld in artikel 2.17.2, bevat geen staatssteun.

Deze titel vervalt met ingang van 29 januari 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien:

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval:

De subsidie, bedoeld in artikel 2.18.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel en bijlage 2.18.1 vervallen met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verleent op aanvraag subsidie aan de eigenaar van een vissersvaartuig voor het verbeteren van de energie-efficiëntie van een vissersvaartuig met de maatregelen, bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel a, van de groepsvrijstellingsverordening visserij.

De kosten, bedoeld in artikel 27, vierde lid, onder i, ii en iii, van de groepsvrijstellingsverordening visserij, met uitzondering van de kosten van vistuigen, komen voor een subsidie in aanmerking.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is twee jaar.

Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit beslist de minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening indien:

Vervallen

Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat in ieder geval:

De subsidie, bedoeld in artikel 2.21.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 27 van de groepsvrijstellingsverordening visserij.

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien:

De subsidie, bedoeld in artikel 2.23.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel en bijlage 2.23.1 vervallen met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

Uiterlijk op 1 augustus 2026 dient de subsidieontvanger bij de Minister een voortgangsrapportage in over de voorafgaande periode van 1 januari tot 1 juli.

De subsidie, bedoeld in artikel 2.24.2, bevat geen staatssteun.

Deze titel en bijlage 2.24 vervallen met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien:

Vervallen

De subsidie, bedoeld in artikel 2.25.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

Deze titel vervalt met ingang van 2 december 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit beslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening indien:

Een aanvraag voor subsidieverlening op grond van artikel 2.26.2 bevat in ieder geval:

De subsidie, bedoeld in artikel 2.26.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de staatssteunmaatregel SA.117742 (2025/N).

Deze titel en bijlage 2.26 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening voor een project bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid, indien:

De subsidie bedoeld in artikel 2.27.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 21, 24 of 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien:

Indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt, verstrekt de minister de subsidieontvanger:

Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit bevat de aanvraag tot subsidievaststelling in ieder geval:

De subsidie, bedoeld in artikel 2.28.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel en bijlage 2.28.1 vervallen met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening voor een project bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, indien:

De subsidie, bedoeld in artikel 2.29.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd:

Deze titel vervallen met ingang van 15 april 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en 14 van het besluit, € 60.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag PPS-programmasubsidie aan een TKI.

De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor PPS-programmasubsidie indien:

Uiterlijk 18 maanden na de startdatum van het PPS-programma waarvoor op grond van artikel 3.2.2 PPS-programmasubsidie is verleend, bepaalt het TKI voor welke samenwerkingsprojecten het de ontvangen PPS-programmasubsidie wenst aan te wenden en verstrekt het TKI aan de minister, met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld, ten minste de volgende gegevens over elk van deze samenwerkingsprojecten:

Onverminderd artikel 38 van het besluit, draagt het TKI zorg voor een administratie:

De rapportage, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van het besluit, wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat hiervoor door de minister beschikbaar wordt gesteld en bevat ten minste actuele informatie over de voortgang van de uitvoering van het PPS-programma door het TKI, die ten minste een overzicht omvat van:

De subsidie, bedoeld in artikel 3.2.2, bevat staatssteun met uitzondering van de subsidie die betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties en op netwerkactiviteiten, en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel en bijlage 3.2.1 vervallen met ingang van 1 november 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De aanvrager voegt bij de aanvraag een samenvatting van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd die door de minister kan worden gebruikt in voor een ieder toegankelijke publicaties.

Subsidie voor een haalbaarheidsproject wordt verleend aan een MKB-ondernemer.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een MIT-R&D-samenwerkingsverband dat een MIT-R&D-samenwerkingsproject uitvoert.

De penvoerder is een onderneming die deelneemt aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een MIT-R&D-samenwerkingsproject indien:

Vervallen

Subsidie die krachtens deze titel wordt verleend bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 25 en 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel en bijlage 3.4.1 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister rangschikt de aanvragen om subsidie betreffende een Nederlands CEF-project als bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid, waarop niet afwijzend is beslist hoger naar mate de Europese subsidieaanvraag betreffende het bijhorende Europese of het betreffende zelfstandige Nederlandse CEF-project, na toepassing van de artikelen 8, vierde lid, en 14, eerste en zesde lid, van de CEF-verordening, hoger is gerangschikt door de Europese Commissie.

Indien in het Nederlandse CEF-project activiteiten betreffende de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur worden verricht ten behoeve van het uitvoeren van niet-economische onderzoeksactiviteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, onderdeel b, door een subsidieontvanger die als onderzoeksorganisatie kwalificeert, zijn de verplichtingen uit artikel 3.5.9 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het geval waarin deze onderzoeksorganisatie er zorg voor draagt dat van het aantal uren dat deze onderzoeksinfrastructuur jaarlijks in werking is:

De subsidie, bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid, bevat, met uitzondering van de subsidie die bestemd is voor niet-economische activiteiten, bedoeld in artikel 5.3.2, tweede lid, onderdeel b, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie betreffende een maritiem innovatieproject:

Bij het uitvoeren van de economische onderzoeksactiviteiten, bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, onderdeel a, in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.6.2, derde lid, worden:

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval:

De subsidie, bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid, bevat, met uitzondering van de niet-economische onderzoeksactiviteiten, staatsteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 24 oktober 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie jaar.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist overeenkomstig de door de Eurostars High Level Group vastgestelde rangschikking.

In afwijking van artikel 39 van het besluit brengt de subsidieontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het Eurostarsproject.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.7.2, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer:

De penvoerder is een ondernemer.

Voor subsidie komen uitsluitend de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Geen subsidie wordt verstrekt indien de aanvrager vóór indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.8.2, reeds gestart is met zijn deel van het XECS-innovatieproject, het EUREKA-netwerkproject, het Global Stars-innovatieproject, het ITEA4-innovatieproject, AI-innovatieproject, Quantum-innovatieproject, TechBridge-innovatieproject of een waterstof-innovatieproject.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is drie jaar.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

Voor EUREKA-netwerkprojecten brengen de subsidieontvangers, in afwijking van artikel 39 van het besluit gezamenlijk steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van EUREKA-netwerkprojecten met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.8.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

Voor subsidie komen uitsluitend de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Het rentepercentage, bedoeld in artikel 3.9.8, tweede lid, en het percentage van de opslag, worden jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld, waarbij een onderscheid gemaakt kan worden tussen technische ontwikkelingsprojecten en klinische ontwikkelingsprojecten.

De minister kan besluiten dat de verstrekte subsidie in de vorm van krediet versneld of in een keer terugbetaald wordt, indien:

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit worden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Vierde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, de Zevende tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid en de Achtste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.9.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

De geldlening die op grond van de overeenkomst van geldlening ten hoogste kan worden geleend, bedraagt 50 procent van het investeringsbudget, doch ten hoogste € 12.000.000 per subsidieontvanger.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De in artikel 30, eerste lid, van het besluit genoemde termijn waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen, kan, indien dit naar het oordeel van de minister redelijkerwijs geoorloofd is, met maximaal acht weken verlengd worden.

Het model voor een overeenkomst van geldlening is opgenomen in bijlage 3.10.1.

De subsidievoorwaarden uit artikel 3.10.3 zijn van overeenkomstige toepassing op een seed business angel fonds.

De geldlening die op grond van de overeenkomst van geldlening ten hoogste kan worden geleend, bedraagt maximaal 50 procent van het investeringsbudget.

Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 1.000.000 per subsidieontvanger.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De in artikel 30, eerste lid, van het besluit genoemde termijn waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen, kan, indien dit naar het oordeel van de minister redelijkerwijs geoorloofd is, met maximaal acht weken verlengd worden.

Artikel 3.10.10 is van overeenkomstige toepassing op een seed business angel fonds.

Het model voor een overeenkomst is opgenomen in bijlage 3.10.2.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.10.2 en artikel 3.10.12b, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

De wijzigingen van artikel 3.10.7 en de artikelen 3 en 5 van bijlage 3.10.1 ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2024, nr. WJZ/ 89466783 tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met het toevoegen van een tender gericht op deep tech technostarters en het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Seed capital technostarters alsmede het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Vroegefasefinanciering en haalbaarheidsstudie (Stcrt. 2024, 40486) zijn eveneens van toepassing op aanvragen voor subsidie die in de periode 1 januari 2024 tot en met 1 april 2024 zijn ingediend op grond van artikel 3.10.2.

Vervallen

Deze titel, bijlage 3.10.1 en bijlage 3.10.2 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Er wordt borg gestaan voor 90 procent van het kredietbedrag.

Een aanvraag voor een borgstelling als bedoeld in artikel 3.11.2, eerste en derde lid, bevat in ieder geval:

De subsidie, bedoeld in artikel 3.11.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.

Deze titel en de bijlagen 3.11.1, 3.11.2 en 3.11.3 vervallen met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In bijlage 3.13.1 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van leningen.

De minister verdeelt het subsidieplafond voor garantstellingen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een garantstelling indien:

Een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van deze titel, bevat in ieder geval:

De subsidie, bedoeld in artikel 3.13.2 bevat geen staatssteun.

Deze titel en bijlage 3.13.1 vervallen met ingang van 1 juli 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De in artikel 3.13.6, eerste lid, bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het besluit indien met de financier nog geen garantstellingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in de titels 3.12 of 3.13 en de afwijzingsgronden voor aanvragen om een bankgarantiefaciliteit, bedoeld in artikel 3.14.9.

In bijlage 3.14.1 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van bankgaranties.

De minister verdeelt het subsidieplafond voor bankgarantiefaciliteiten op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om een bankgarantiefaciliteit indien:

De subsidie, bedoeld in artikel 3.14.2 bevat geen staatssteun.

Deze titel en bijlage 3.14.1 vervallen met ingang van 1 juli 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt, binnen acht weken na die beschikking is ondertekend door de financier.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit bedraagt 24 maanden.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit bedraagt 24 maanden.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De subsidie bedraagt 100% van de kosten van de haalbaarheidsstudie doch ten hoogste € 40.000.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

Vervallen

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De subsidie, bedoeld in de artikelen 3.16.1c, 3.16.2, 3.16.7, 3.16.11a en 3.16.12 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 22 en 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

De wijzigingen van artikel 3.16.1e en artikel 3 in bijlage 3.16.1a ingevolge de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2024, nr. WJZ/ 89466783 tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met het toevoegen van een tender gericht op deep tech technostarters en het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Seed capital technostarters alsmede het doorvoeren van inflatiecorrecties in de subsidiemodule Vroegefasefinanciering en haalbaarheidsstudie (Stcrt. 2024, 40486) zijn eveneens van toepassing op aanvragen die in de periode 1 september 2024 tot en met 1 december 2024 zijn ingediend op grond van artikel 3.16.1c.

Deze titel en de bijlagen 3.16.1, 3.16.1a, 3.16.2 en 3.16.3 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze titel wordt verstaan onder:

De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500 per aanvrager.

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten ten behoeve van:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie maanden.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:

De subsidieontvanger verleent gedurende twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de effecten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.18.2, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.18.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2026 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.

In deze titel wordt verstaan onder:

De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.250 per aanvrager.

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie maanden.

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:

De beschikking tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 3.18a.2, eerste lid, houdt tevens de beschikking tot subsidievaststelling in.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.18a.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 1 september 2028 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een scheepswerf voor een scheepsbouwinnovatieproject dat een bijdrage levert aan duurzame ontwikkeling op de gebieden, beschreven in bijlage 3.19.1, en gericht is op:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien:

De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met de op grond van deze titel uitgevoerde activiteiten worden opgedaan na afloop van het scheepsbouwinnovatieproject openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.19.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel en bijlage 3.19.1 vervallen met ingang van 1 juni 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Het model voor de overeenkomst van geldlening, bedoeld in artikel 3.22.2, vijfde lid, is opgenomen in bijlage 3.22.1.

Deze titel en bijlage 3.22.1 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De subsidie, bedoeld in artikel 3.23.2, eerste lid, bedraagt de subsidiabele kosten verminderd met de eigen bijdrage.

In afwijking van artikel 10 van het besluit zijn de subsidiabele kosten alle kosten voor deelname van het Venture Challenge team aan het Venture Challenge programma, die verschuldigd zijn aan de derde die het Venture Challenge programma uitvoert.

De eigen bijdrage wordt bepaald aan de hand van de opgave, bedoeld in artikel 3.23.10, tweede lid, onderdeel c, van het aantal leden van het Venture Challenge team dat deelneemt aan het Venture Challenge programma, en is vastgesteld op:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie, indien:

De subsidie, bedoeld in artikel 3.23.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar na subsidieverlening.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, indien er geen Europese subsidieovereenkomst is gesloten.

De minister rangschikt de aanvragen om subsidie betreffende een Nederlands HPC-project, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, waarop niet afwijzend is beslist hoger naar mate de Europese subsidieaanvraag betreffende het bijhorende Europese HPC-project, na toepassing van artikelen 28, eerste lid, en 29, tweede lid, van verordening (EU) 2021/695, hoger is gerangschikt door het evaluatiecomité, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van verordening (EU) 2021/695.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 quater van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover het regeneratief geneeskundig onderzoeksproject betrekking heeft op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidie.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:

De subsidie voor een regeneratief geneeskundig onderzoeksproject, bedoeld in artikel 3.26.2, eerste lid, wordt uitsluitend verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening, een ondertekend exemplaar van de hierbij gevoegde overeenkomst van geldlening verstrekt is aan de minister door de betrokken geneeskundig leverancier of geneeskundig leveranciers uit het samenwerkingsverband.

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval:

De subsidie, bedoeld in artikel 3.26.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

Deze titel en bijlage 3.26 vervallen met ingang van 1 juli 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.27.2, eerste lid, bevat, met uitzondering van niet-economisch onderzoeksactiviteiten door een onderzoeksorganisatie, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de volgende Europese steunkaders:

Deze titel vervalt met ingang van 23 december 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar.

De ontvanger van de subsidie, bedoeld in artikel 3.28.2, eerste lid, onderdeel b, verleent, op verzoek van de minister, medewerking in verband met de verplichtingen die zijn opgenomen in hoofdstuk I van de algemene groepsvrijstellingsverordening en draagt er zorg voor dat hij alle maatregelen neemt om die medewerking te kunnen verlenen.

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

Voor subsidie komen niet in aanmerking:

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval:

Deze regeling bevat geen staatssteun.

Deze titel en bijlage 3.29.1 vervallen met ingang van 1 september 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is 4 jaar voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject en 5 jaar voor een Circular Plastics NL-showcase.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien na toepassing van artikel 3.30.7, eerste en tweede lid, niet aan elk criterium ten minste drie punten is toegekend.

De subsidie, bedoeld in artikel 3.30.2, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

Deze titel en bijlage 3.30.1 vervallen met ingang van 1 september 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen per onderwerp opgenomen in bijlage 3.31.1.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:

De subsidie, bedoeld in artikel 3.31.2, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

Deze titel en bijlage 3.31.1 vervallen met ingang van 8 november 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

Subsidie op grond van deze titel kan worden aangevraagd door een onderneming actief in een circulaire waardeketen voor het uitvoeren van een BioBased Circular-testproject.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is één jaar.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Subsidie die krachtens deze titel wordt verleend bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 15 februari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Vervallen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en 14 van het besluit, € 60.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie op grond van deze titel, indien de aanvrager voornemens is het eigen aandeel in de projectkosten te financieren uit het deel van de aangevraagde subsidie voor subsidiabele kosten, waarvoor het uurtarief, bedoeld in artikel 4.2.6, wordt gehanteerd.

De artikelen 10, derde lid, en 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het besluit zijn niet van toepassing op de subsidiabele kosten voor investeringen als bedoeld in de artikelen 26bis, 36, 38, 38bis, 41, 46, 47 en 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening waarvoor op grond van deze titel subsidie wordt verleend.

In afwijking van artikel 4.1.3 bedraagt het uurtarief, bedoeld in de artikelen 13, tweede lid, en 14 van het besluit, voor de toepassing van deze titel € 80.

In deze paragraaf wordt verstaan onder EKOO-project: project bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie van deze vormen, en niet primair uit een pilot of demonstratie.

De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Onverminderd artikel 4.2.3, eerste en tweede lid, bevat een aanvraag om subsidie een verklaring de-minimissteun, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, indien de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft.

De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.9, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Onverminderd artikel 4.2.2, tweede en derde lid, verstrekt de subsidieontvanger gedurende de looptijd van het MOOI-project jaarlijks een voortgangsrapportage die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het MOOI-project worden opgedaan.

De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.44, eerste lid, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties of overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond per thema, zoals beschreven in bijlage 4.2.9, onderdeel B, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is vier jaar.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Onverminderd artikel 4.2.70 bevat een aanvraag om subsidie voor een DEI+-project binnen thema 2.10 Vergassing van reststromen, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B:

De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.65, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een studie voor duurzame industrie die past binnen één van de in bijlage 4.2.16 opgenomen programmalijnen, aan:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is:

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Het eindverslag dat bij de aanvraag voor subsidievaststelling wordt ingediend, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a van het besluit, geeft in ieder geval inzicht in:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het uitvoeren van activiteiten in een HEP-project aan:

De minister verdeelt het subsidieplafond per HEP-call op volgorde van de internationale rangschikking.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is de termijn, genoemd in de HEP-call.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Onverminderd artikel 4.2.3, eerste en tweede lid, bevat een aanvraag om subsidie een verklaring de-minimissteun, inclusief een door de minister beschikbaar gesteld ingevuld beslisschema, indien de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft.

De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.121, met uitzondering van de subsidie voor zover deze betrekking heeft op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is 5 jaar.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De subsidie, bedoeld in artikel 4.2.130, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

In deze titel wordt verstaan onder:

De artikelen 45 tot en met 47 van het besluit zijn niet van toepassing.

De subsidie, bedoeld in artikel 4.3.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel en de bijlagen 4.3.1 en 4.3.2 vervallen met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

In afwijking van de artikelen 10, eerste tot en met vijfde en zevende lid, en 11 tot en met 14 van het besluit komen de indirecte emissiekosten ETS in aanmerking voor subsidie voor zover deze indirecte emissiekosten:

De minister verdeelt het subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen.

Indien de subsidieaanvrager na 2020 aanvangt met de vervaardiging van producten, bedoeld in artikel 4.4.2, eerste lid, wordt in deze regeling voor ‘het kalenderjaar 2020’ telkens gelezen ‘het eerste jaar waarin de installatie onder ontwerpomstandigheden in bedrijf is geweest’. Indien de installatie slechts een deel van het jaar in bedrijf is geweest wordt de totale CO2-emissie geëxtrapoleerd naar een volledig jaar.

De subsidie, bedoeld in artikel 4.4.2, bevat staatssteun en wordt niet eerder verleend dan nadat de Europese Commissie goedkeuring heeft gegeven voor deze regeling in een procedure als bedoeld in artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Deze titel en de bijlagen 4.4.1, 4.4.2 en 4.4.3, vervallen met ingang van 31 december 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De subsidie voor een investering voor de aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 4.5.2, vierde lid, bedraagt voor een individuele aansluiting als bedoeld in dat artikellid € 3.775.

De subsidie, bedoeld in artikel 4.5.2, vijfde lid, bedraagt € 400.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen of openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, aan eigenaar-bewoners worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximumbedrag dat krachtens deze titel per investering kan worden verstrekt.

Voor een investering voor de productie van duurzame energie als bedoeld in artikel 4.5.2, tweede lid, wordt de subsidie aan een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, verleend onder de opschortende voorwaarde dat:

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

Vervallen

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Een aanvraag om subsidie bevat tenminste:

De aanvraag voor de vaststelling van een subsidie die krachtens deze titel is verleend bevat in ieder geval:

De subsidie, bedoeld in artikel 4.6.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 36, 38, 41, 46, 47 en 56 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel en bijlagen 4.6.1 en 4.6.2 vervallen met ingang van 1 augustus 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

Het doel van deze module is het stimuleren van investeringen in sectoren die van strategisch belang zijn voor de transitie naar een klimaatneutrale economie, voor de opschaling van de productie van relevante uitrusting daarvoor naar productie op commerciële schaal, en om te voorkomen dat nieuwe investeringen in deze sectoren worden verlegd naar derde landen buiten de Economische Europese Ruimte.

De minister verdeelt de afzonderlijke subsidieplafonds voor de productielijnen voor batterijen, elektrolyse-installaties en zonnepanelen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De subsidie, bedoeld in artikel 4.7.3, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door paragraaf 2.8, onderdeel 85, van het tijdelijk crisiskader.

Deze titel en bijlage 4.7.1 vervallen met ingang van 19 juli 2029, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister besluit afwijzend op een aanvraag, indien:

De subsidie, bedoeld in artikel 4.10.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 46 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel en bijlage 4.10.1 vervallen met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De subsidiabele kosten bedragen het door de aanvrager gevraagde subsidiebedrag voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4.11.2. Het gevraagde subsidiebedrag kan nooit meer dan de werkelijke investeringskosten bedragen.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De rangschikking vindt plaats op grond van de verhouding tussen het gevraagde subsidiebedrag en het aantal kilogrammen vermeden emissiejaarvracht met dien verstande dat hoe lager het gevraagde subsidiebedrag per kilo vermeden emissiejaarvracht is, des te hoger de aanvraag wordt gerangschikt.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:

Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en gaat daarnaast vergezeld van:

Het voortgangsverslag, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van het besluit, bevat in ieder geval een schriftelijk verslag omtrent de uitvoering van het project met inbegrip van een vergelijking van de daadwerkelijke uitvoering met de omschrijving, planning en kosten van het project in het projectplan. Hierbij worden veranderingen in zowel materiële als financiële zin toegelicht.

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:

De subsidie, bedoeld in artikel 4.11.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 1 juli 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De subsidie bedraagt per aanvraag:

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is:

De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien:

De minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de verklaringen, bedoeld in artikel 4.12.9, tweede lid, onderdelen d en e, gebruikmaken van de volgende gegevens en bescheiden:

Deze titel vervalt met ingang van 1 april 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

In deze titel wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het uitvoeren van een NIKI-project aan een ondernemer die een industriële onderneming drijft en die zelfstandig het NIKI-project zal uitvoeren.

De subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI-rekenmethode.

Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit, beslist de minister afwijzend op een aanvraag, indien:

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger, naarmate het bod lager is.

Indien reeds energie-investeringsaftrek, bedoeld in artikel 3.42 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt noch meer bedraagt dan toegestaan is volgens de toepasselijke Europese steunkaders.

Een voorschot voor exploitatieactiviteiten wordt verstrekt conform artikel 46, zevende lid, van het besluit.

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarmee de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval:

De subsidie, bedoeld in artikel 4.13.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregel SA.103901 (2025/N).

Deze titel en bijlages 4.13.1, 4.13.2 en 4.13.3 vervallen met ingang van 1 juni 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op aanvragen die voor deze datum zijn ingediend.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze titel wordt verstaan onder:

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening.

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening betreffende een cyberbeveiligingsinnovatieproject indien:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval:

De subsidie, bedoeld in artikel 4a.3.2, eerste lid, bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.

Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Wijzigt de Regeling LNV-subsidies.

Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling, op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend en op subsidies die voor dat tijdstip zijn vastgesteld, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip tenzij de wijziging met terugwerkende kracht in werking treedt.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat titel 2.2 terugwerkt tot en met het tijdstip waarop de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 30 juni 2014, nr. WJZ / 14104248, houdende wijziging van de Regeling LNV-subsidies in verband met de openstelling van de mogelijkheid van subsidies ten behoeve van de verduurzaming van de veehouderij in werking is getreden.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies.

Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld in overeenstemming met de Nederlandse Standaard 4400N ‘Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden’. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.

1Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit nationale EZ subsidies).

1Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten.

2Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald.

3Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva zijn dus niet uitgesloten.

4Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.

Vervallen

Dit protocol heeft als doel het geven van aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de controle aan de accountant, belast met de controle van de door de subsidieontvanger bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) in te dienen financiële verantwoording opgenomen in de aanvraag om subsidievaststelling. Financiële afrekening door EZK of LNV vindt plaats op basis van de in de aanvraag tot subsidievaststelling opgenomen financiële verantwoording als bedoeld in artikel 50 van het Kaderbesluit nationale EZK-en LNV-subsidies, voorzien van een controleverklaring van de accountant.

Voor de controle van de financiële verantwoording is de volgende wet- en regelgeving van toepassing, voor zover deze financiële verantwoording onderdeel van het verzoek tot subsidievaststelling van de subsidieontvanger is:

De controle van de financiële verantwoording moet voldoen aan de controlestandaarden die onderdeel zijn van de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NV COS), die door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) zijn vastgesteld en aan de aanwijzingen zoals opgenomen in dit protocol. De controle van de financiële verantwoording is een opdracht die wordt uitgevoerd op basis van Standaard 800 ‘Bijzondere overwegingen – controles van financiële overzichten die zijn opgesteld in overeenstemming met de stelsels voor bijzondere doeleinden’ en Standaard 805 ‘Bijzondere overwegingen – controles van enkel financieel overzicht en controles van specifieke elementen, rekeningen of posten van een financieel overzicht’.

Bij de uitvoering van de controle stelt de accountant vast dat:

Betrouwbaarheid betreft de mate van zekerheid. Materialiteit of tolerantie betreft de vereiste nauwkeurigheid die de accountant hierbij moet hanteren.

Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de subsidievoorwaarden streeft de accountant naar een redelijke mate van zekerheid. Indien dit begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, wordt een betrouwbaarheid van 95 procent gehanteerd.

Een controleverklaring met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven eerder genoemde betrouwbaarheid, de som van de afwijking en de onzekerheid niet groter is dan twee procent van het totaalbedrag aan subsidiabele kosten dat in de financiële verantwoording wordt verantwoord. De hierna vermelde materialiteitsgrenzen zijn in dit kader van toepassing voor de bepaling van de strekking van de af te geven controleverklaring.

De accountant legt de uitkomsten van de controle vast in een controleverklaring. Hiervoor wordt de meest actuele NBA-voorbeeldtekst als basis gehanteerd.

De minister heeft als subsidieverstrekker altijd de mogelijkheid een review uit te voeren of te laten uitvoeren bij de accountant belast met het onderzoek naar de informatie opgenomen in de aanvraag tot subsidievaststelling, teneinde na te gaan of het onderzoek met inachtneming van de relevante regelgeving van de NBA en dit controleprotocol is uitgevoerd. Deze reviews komen niet in de plaats van andere controles dan wel reviews uitgevoerd door de Algemene Rekenkamer.

De accountant die belast is met het onderzoek en verantwoordelijk is voor het verstrekken van het accountantsproduct bij de aanvraag tot subsidievaststelling stemt er mee in dat de onderzoeksdossiers ten behoeve van bovengenoemde reviews integraal aan de reviewers ter inzage worden gegeven. Voorts zal de accountant, schriftelijk dan wel mondeling, alle gevraagde gegevens verstrekken die in het kader van voornoemde reviews worden opgevraagd. In dit kader wordt verwezen naar de bepalingen in hoofdstuk 6, paragraaf 1, van de Comptabiliteitswet 2016.

Vervallen

Hoofdthema’s onderzoek Kas als Energiebron:

Toelichting op hoofdthema’s en subthema’s

De hoofdthema’s worden hieronder nader toegelicht aan de hand van een aantal voorbeeld subthema’s. Dit is geen limitatieve lijst van subthema’s. Onderzoeksvoorstellen kunnen breder zijn dan deze subthema’s, of zelfs betrekking hebben op een geheel nieuw subthema, zo lang zij binnen de hoofdthema’s blijven.

Bij alle (sub)thema’s is het van belang om rekening te houden met de praktijk en de toepasing van Het Nieuwe Telen en de samenhang en het integrale karakter van de verschillende teeltfactoren in praktijkonderzoek en onderzoek in proefkassen. Het Nieuwe Telen combineert energiezuinig telen met het behalen van een optimale productie. Hierbij staat de plant centraal waardoor een gezond en weerbaar gewas met hoge opbrengst en kwaliteit samen kan gaan met een laag energiegebruik. Bij onderzoek naar energiebesparing en energie-efficientie is ook aandacht nodig voor de plantgezondheid, weerbaar telen, de rol van mineralen, water en het wortelmilieu.1

Duurzame kas- en teeltconcepten

Dit subthema richt zich op het bepalen van het optimale kasconcepten of teeltconcepten voor verschillende gewasgroepen. Het doel is energiebesparing en zo efficient mogelijk gebruik van energie of zelfs klimaatneutraliteit, met behoud van kwaliteit en kwantiteit van de gewasproductie.

Binnen een kas- of teeltconcept zijn de volgende aspecten van belang voor het energiegebruik en de gewasgroei: temperatuur (verwarming/koeling), luchtvochtigheid, licht, ventilatie en CO2 niveau. Aan al deze aspecten kan gesleuteld worden om het energiegebruik en de CO2 uitstoot omlaag te brengen.

Daarbij zijn onder andere de volgende vragen van belang:

Welke kas- en teeltconcepten dragen bij aan een zo energiezuinig mogelijke teelt per gewasgroep? Welke aspecten zijn daarbij van belang en hoe kunnen die geadresseerd worden? Welke restvraag aan energie blijft er nog over voor de verschillende gewasgroepen en hoe kan die klimaatneutraal worden ingevuld? Welke stappen kunnen bestaande kassen maken inclusief economische haalbaarheid nu en in de toekomst? Welke stappen en opties zijn er voor nieuwe kassen? Wat zijn no-regret maatregelen, wat zijn mogelijke vervolgstappen en met welke aspecten moet rekening worden gehouden bij (ver)nieuwbouw? Welke knelpunten zijn er nog bij de ontwikkeling van techniek, kennis en configuratie?

Ook onderzoeksvoorstellen gericht op het ontwikkelen en demonstreren van nieuwe kas- en teeltconcepten gericht op energiebesparing en efficient gebruik van energie passen binnen dit subthema. Daarnaast is onderzoek naar compleet nieuwe teeltsystemen gericht op energiebesparing mogelijk.

Schermen en kasdekmaterialen

Schermen en kasdekmaterialen kunnen in belangrijke mate bijdragen aan energiebesparing, maar brengen ook uitdagingen met zich mee op het gebied van lichtdoorlatendheid en ontvochtiging. Onderzoek dat zich bezig houdt met het ontwikkelen of testen van nieuwe kasdekken, schermen of materialen passen binnen dit subthema. Te denken valt aan hoog isolerende schermen met goede lichtdoorlating, andere vormen van flexibele isolatie, de combinatie van schermen met ontvochtigingsinstallaties en belichting, terugwinning van latente warmte en dergelijke. Het effect op zowel energie als op gewas(productie) is daarbij van belang.

Ontvochtiging en terugwinning latente warmte

Met name voor belichte- en koelere teelten is ontvochtiging en de (terug)winning van latente warmte interessant. De inpassing qua klimaat en economische aspecten (dimensionering bijvoorbeeld) is nog een uitdaging, met name de samenhang tussen de water- en voedingshuishouding van het gewas en de gebruikte schermen. Belangrijke aspecten daarbij zijn een constant klimaat in samenhang met de luchtbeweging en de invloed daarvan op de verdamping van het gewas. Onderzoeken naar nieuwe ontwikkelingen rondom de verschillende ontvochtigingsystemen en doorbraken die deze toepassing (sneller) mogelijk maken voor de glastuinbouw in de nabije toekomst passen ook binnen dit subthema. Ook de toepassing van technieken die zich in kleiner proefkassen bewezen hebben op grotere schaal is van belang. Er is daarom behoefte aan meer demonstratieprojecten in de praktijk inclusief monitoring.

Warmteopslag

De seizoensopslag van warmte om warmte vanuit de zomer op te kunnen slaan voor gebruik in winter kan een belangrijke mogelijkheid zijn om bij te dragen aan de energiebalans. Hiervoor zijn al diverse opties onderzocht, waaronder warmte koude opslag in acquifers. Onderzoeken naar het toepassen van middelhogetemperatuuropslag (MTO) en hogetemperatuuropslag (HTO) vallen ook binnen dit thema, inclusief het ontwikkelen van beheerstrategieen per type teelt en het optimaliseren van de warmteopslag en restwarmte. Ideeën over vervolgonderzoek of nieuwe mogelijkheden zijn welkom.

Verdamping en vochtbeheersing

Als een kas heel goed geïsoleerd is, is de verdamping of vochtbeheersing de grootste warmtevrager. Het is daarom van belang om deze verdamping te beperken en/of goed te beheersen en zo mogelijk de latente warmte terug te winnen. Daarnaast heeft het overschakelen op LED-belichting ook gevolgen voor de verdamping en de warmtevraag. Hoe kan dat in de praktijk goed gemeten worden, wat zijn de grenzen van verdamping van het gewas en wat zijn de effecten van verschillende klimaatbeheersingssystemen op de verdamping? Hoe kan de teler datagedreven beslissingen nemen over de benodigde verdamping?

Belichting

Belichting is na warmte de belangrijkste energievrager in de glastuinbouw, hoewel dit sterk verschilt per teelt. Het is van belang om zoveel mogelijk te besparen op belichting en de resterende energievraag zo efficient en duurzaam mogelijk in te vullen. Door over te schakelen van SON-T op LED wordt een belangrijke besparing bereikt. Uit de praktijk blijkt dat de inzet van LED echter allerlei vraagstukken met zich mee brengt. Van belang hierbij is onder andere de samenhang van lichtintensiteit, spectrum, daglengte, warmte en vocht. Voorbeelden zijn wat het gemis aan warmtestraling betekent voor de energie, vocht- en assimilatenbalans van het gewas, maar ook voor de balansen van de kas en de (verticale) temperatuurverdeling. Bij LED moet ook nagedacht worden over wat dat betekent voor de voedings- en wateropname van het gewas en de gevolgen voor de gift. Ook kan LED spectrale effecten hebben op bijvoorbeeld de plantweerbaarheid en biologische bestrijders en zijn er vragen rondom de lichtbenuttingsefficientie. Onderzoek naar oorzaken en mogelijke oplossingen van deze vraagstukken zijn nodig. Onderzoek in proefkassen en/of monitoring in de praktijk kan daarbij ondersteunend zijn.

Duurzame opwek en energiebronnen

In de glastuinbouw wordt al gewerkt met diverse duurzame energiebronnen waaronder geothermie, acquathermie, gebruik van restwarmte, zonnepanelen, gebruik van eigen reststromen voor opwek van energie. Welke gevolgen heeft de inzet van deze bronnen voor energiegebruik en gewasproductie? Hoe kunnen deze bronnen door zoveel mogelijk tuinders gebruikt worden? Welke nieuwe mogelijkheden zijn er nog meer voor tuinders om zelf te voorzien in behoefte aan duurzame energie? Hoe passen duurzame energiebronnen in de kas en teeltsystemen? Welke mogelijkheden zijn er om de kas te elektrificeren per type bedrijf met of zonder collectieve warmte? Welke rol kunnen warmtepompen met en zonder WKO daarbij spelen?

Besparen CO2-verbruik en nieuwe bronnen van CO2

Onderzoek naar efficiënt doseren, het tijdelijk bufferen van CO2 en alternatieve CO2-bronnen vallen onder dit subthema. CO2 is van groot belang voor de gewasproductie. De hoeveelheid doseerbare CO2 uit aardgas neemt af door minder en efficienter gebruik van de WKK. Het aanbod van (groene) CO2 uit de industrie neemt eveneens af doordat opslag van CO2 voor de industrie gunstiger wordt dan hergebruik. Een optimale dosering en een optimalere benutting door het gewas en minimalisatie van het verlies van CO2 is daarom van groot belang. Daarvoor zijn nieuwe ideeën nodig en aandacht voor bewustwording/kennisoverdracht rond efficiënt CO2 doseren. Daarnaast is er onderzoek nodig naar de mogelijkheden voor en het gebruik van nieuwe externe CO2 bronnen, zoals direct air capture en het tijdelijk bufferen van CO2. Dit laatste is met name van belang bij het overbruggen van perioden waar geen vraag is vanuit het gewas (bijvoorbeeld ’s nachts) en er wel productie is van CO2. Een belangrijke voorwaarde bij gebruik van CO2 uit nieuwe bronnen is dat de kwaliteit van de CO2 voldoende is en veilig is voor plant en mens.

Digitalisering

Een goed energiemanagementsysteem is van groot belang voor efficient energiegebruik. Meten is weten. Data spelen daarin een belangrijke rol. De ontwikkeling van sensoren, energiesystemen, data-analyse, gebruik van artificial intelligence en monitoring is daarbij van belang. Door realtime monitoring van energiegebruik en gewasgroei kan energie zo efficient mogelijk ingezet worden en kan de teler datagedreven teeltbeslissingen nemen.

Smart grid en lokale energie- en CO2-systemen

Een smart grid is een intelligent elektriciteitsnetwerk dat energieaanbod en -vraag slim op elkaar afstemt. Dat kan binnen het bedrijf, maar hier wordt dit gedefinieerd als een slim systeem waarmee tuinders bedrijfsoverstijgend energie kunnen uitwisselen en daarmee efficiënter met energie kunnen omgaan en kosten kunnen besparen. Welke mogelijkheden en uitdagingen zijn er voor bedrijven om met anderen energie uit te wisselen, gezamenlijk duurzame energie op te wekken of op te slaan (batterij, WKO), restenergie in te kopen (warmte van industrie, biomassa), overtollige energie te verhandelen, energie efficiënter te gebruiken of in te spelen op fluctuaties in het energiesysteem? Het ontwikkelen van algemene kennis voor de aanpak van een lokaal energiesysteem kan het onderwerp van een onderzoek zijn. Het ontwikkelen van een concrete lokale gebiedsaanpak valt echter niet binnen dit subthema.

Berekening indicatie gewenste omvang eigen bijdrage vanuit de sector

Deze tabel wordt gebruikt bij de berekening van de gewenste omvang van de eigen bijdrage van de sector. Dit is een onderdeel van het rangschikkingscriterium in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel c.

Op elk van de vier onderdelen wordt een score toegekend. Er kunnen minimaal 4 en maximaal 12 punten behaald worden.

Score ≥10: geen eigen bijdrage noodzakelijk en 100% subsidie

score 8–9: 10% eigen bijdrage en 90% subsidie

score 6–7: 50% eigen bijdrage en 50% subsidie

score 0≤5: meer dan 50% eigen bijdrage en minder dan 50% subsidie

Hoe meer het onderzoek bijdraagt aan de specifieke doelen van Kas als Energiebron en daarmee aan het maatschappelijk doel van CO2-reductie, hoe groter de bijdrage vanuit de overheid gerechtvaardigd is. Voor onderzoek dat weliswaar bijdraagt aan CO2-reductie, maar dat daarnaast ook diverse andere doelen dient die niet direct gerelateerd zijn aan energie, zoals bijvoorbeeld circulariteit, beperking gewasbescherming, zuivering afvalwater of hergebruik reststromen, ligt een grote bijdrage vanuit deze subsidieregeling minder voor de hand. Er wordt dan een eigen bijdrage van andere partijen verwacht. Dat kunnen tuinders of leveranciers zijn, maar ook bijvoorbeeld producentenorganisaties. Een grotere eigen bijdrage van bijvoorbeeld een gewascoöperatie wordt verwacht als het onderzoek weinig gewasoverstijgend is of een beperkte voorbeeldwerking heeft voor andere gewassen. De resultaten komen dan ten goede aan een beperkt deel van de totale glastuinbouwsector waardoor een grotere eigen bijdrage van dat deel van de sector gerechtvaardigd is. Dat geldt ook voor een onderzoek dat dichter tegen de markt aan zit en waarvan de resultaten redelijk praktijkrijp zijn en snel door tuinders toegepast kunnen worden. Tuinders profiteren dan sneller van het onderzoek.

Vervallen

Vervallen

Overeenkomst tussen:

hierna samen te noemen: Partijen.

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

De Staat stelt zich borg ten behoeve van de Financier voor de terugbetaling van LV-borgstellingskredieten die met inachtneming van het besluit, titel 2.5 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en deze overeenkomst door de Financier worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.

De toepasselijkheid van deze LV-borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen indien:

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Vervallen.

Een LV-borgstellingskrediet wordt niet verleend indien:

Vervallen.

Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Financier zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Financier de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, niet is nagekomen.

Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een krediet of een deel van een krediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet of een deel van dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de Financier om afwijking van deze overeenkomst.

Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de Financier kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de Financier ook geschieden in papieren vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.

Aldus overeengekomen en in ()voud ondertekend

De Staat der Nederlanden, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

namens deze:

(naam en functie vertegenwoordigers Financier)

te ‘s-Gravenhage

(statutaire naam van de Financier, naam en functie vertegenwoordiger(s) van de Financier)

Vervallen

Vervallen

In onderstaande tabel zijn de verschillende processen opgenomen die elk leiden tot hoogwaardige mestverwerking zoals gedefinieerd in titel 2.18 van deze regeling. De bovenste rij geeft het procesnummer aan, waar aan de hand van de ‘X’ kan worden afgelezen welke processtappen tot het proces behoren.

Vervallen

De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op stimulerend effect en economische haalbaarheid (artikel 23, onderdeel c en e van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies). Het exploitatiemodel geeft inzicht in de economische haalbaarheid van het project en is tegelijkertijd een indicatie voor het stimulerend effect. Het stimulerende effect wordt niet alleen op economische criteria beoordeeld. De exploitatieberekening berekent een aantal sleutelindicatoren om de economische haalbaarheid van het project te beoordelen. Dit zijn de netto contante waarde van het project, de terugverdientijd van de investering en de interne rentabiliteit.

De netto contante waarde (NCW) wordt berekend met de volgende formule:

Waarbij

Ot = Opbrengsten vanuit glastuinbouwafnemers in jaar t

Ut = Uitgaven ten behoeve van glastuinbouwafnemers in jaar t

i = Discontovoet

T = Exploitatieduur

Voor de berekening worden, in lijn met het subsidiedoel genoemd in artikel 2.23.2, alleen de uitgaven ten behoeve van en opbrengsten vanuit de glastuinbouw in aanmerking genomen. Wanneer een warmtenet wordt aangelegd waarbij er zowel glastuinbouwafnemers als andere afnemers zijn, worden alleen de uitgaven ten behoeve van en opbrengsten vanuit de glastuinbouwafnemers beschouwd. Voor investeringen betekent dit dat enkel de investeringskosten worden meegenomen die uitsluitend ten behoeve van warmtelevering aan glastuinbouwondernemers worden gemaakt. Hiervoor geldt hetgeen vermeld in artikel 2.23.4, tweede lid.

Algemene uitgangspunten

T is 17 jaar vanaf de startdatum van het project.

i is 6,8% (WACC voor belasting).

Op de jaarlijkse uitgaven en opbrengsten wordt een indexatie toegepast van 2%.

Er wordt in de berekening geen rekening gehouden met de af te dragen vennootschapsbelasting.

Alle kosten en opbrengsten waarvoor geen specifieke uitgangspunten zijn vastgelegd, moeten worden onderbouwd in het projectplan.

De opbrengsten in het jaar t (Ot...) zijn gelijk aan:

Ot = (TTt x Pt) + (AVt x Nt) + OSt + (Ovar x Qt) + Ovast

Waarbij

TTt = Transporttarief in €/MW in jaar t, wanneer van toepassing;

Pt = Vermogen van de aansluitingen waarvoor het transporttarief betaald wordt in jaar t;

AVt = Aansluitvergoeding in jaar t, wanneer van toepassing;

Nt = Aantal aansluitingen waarvoor de aansluitvergoeding betaald wordt in jaar t;

OSt = Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en van openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

Ovar = Variabele opbrengsten (marge inkoop – verkoop warmte glastuinbouw) in € / GJ geleverd in jaar t, wanneer van toepassing;

Qt = Hoeveelheid geleverde warmte in GJ in jaar t;

Ovast = Overige inkomsten in jaar t, wanneer van toepassing.

De totale uitgaven in het jaar t (Ut) zijn gelijk aan:

Ut = OKt + AKt + WVt + ALt + Kvast

Waarbij

OKt = Onderhoudskosten voor onderdelen van het efficiënte warmtenet in jaar t;

AKt = Administratiekosten in jaar t;

WVt = Kosten voor warmteverlies in jaar t, wanneer van toepassing;

ALt = Subsidiabele kosten zoals opgenomen in de mijlpalenbegroting als bedoeld in artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1°., in jaar t.

Kvast = Overige kosten in jaar t, wanneer van toepassing.

Waarbij

WVt = QDV x Qt x Pt;

Met

P = De inkoop- of productieprijs van warmte in jaar t;

QDV = het warmteverlies in % van de warmteafzet.

Uitgangspunt

OKt

Voor leidingen: maximaal 1% van de subsidiabele investeringskosten

Voor overdrachtsstations: maximaal 3% van de subsidiabele investeringskosten

Voor warmteopslag, maximaal 1,5% van de investering

De terugverdientijd is de kleinste waarde voor Ttvt waarin

De interne rentabiliteit is de jaarlijkse rentevergoeding over de contante waarde van de investeringen in het project, voor de opbrengsten Ot en kostenposten Ut zoals beschreven in dit onderdeel.

In dit onderdeel is uitgewerkt welke documenten van het voorlopig of definitief ontwerp, als bedoeld in artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel e, dienen te worden aangeleverd. Dit ontwerp moet minimaal bestaan uit de volgende onderdelen en dient aangeleverd te worden in PDF-format.

De totale subsidiabele investeringskosten moeten in het model exploitatieberekening worden uitgesplitst naar de kostencomponenten loonkosten, kosten derden, investeringen in gebouwen en gronden, investeringen in leidingdelen per DN-maat van het efficiënte warmtenet, de koppelleiding en de aansluiting, investeringen in warmteoverdrachtstations en overige investeringen. Deze kosten moeten op grond van artikel 2.3.9, lid 2, onderdeel a, subonderdeel 5, worden opgenomen in de mijlpalenbegroting. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:

De mijlpalenbegroting bevat in ieder geval drie verplichte mijlpalen, namelijk:

Indien het investerings- en het financieringsbesluit op hetzelfde moment worden genomen, mogen mijlpaal 1 en 2 worden samengevoegd. Na de verplichte mijlpalen worden de mijlpalen door de aanvrager bepaald overeenkomstig de fasering van het project, zoals opgenomen in het projectplan. Voor het gehele project kunnen maximaal 15 mijlpalen opgenomen worden.

Een mijlpaal vangt aan op het moment dat de aanvrager kosten begint te maken voor het behalen van een bepaald resultaat. Met het behalen van het resultaat, wordt ook de mijlpaal behaald. Een mijlpaal moet daarbij altijd aansluiten of overlappen met een volgende mijlpaal, zodat er geen fasen zijn waarin geen kosten worden opgevoerd. De concreet definieerbare startpunten en resultaten worden opgenomen in de mijlpalenbegroting en verder onderbouwd in het projectplan. Op de einddatum van een mijlpaal wordt het resultaat overgelegd aan RVO.

De eerste mijlpaal start op de startdatum van het project. Dit moment is van belang omdat het eerste voorschot ambtshalve binnen twee weken na aanvang van de activiteiten wordt verstrekt. De einddatum van het project is ook de einddatum van de laatste mijlpaal.

Iedere mijlpaal vertegenwoordigt een concreet definieerbaar resultaat. Dit kan naast de resultaten zoals genoemd in de eerste drie mijlpalen bijvoorbeeld ook zijn dat een deel van het project wordt opgeleverd. In de mijlpaal worden alle subsidiabele kosten opgenomen die gemaakt worden in aanloop naar het te behalen resultaat. Op de einddatum van een mijlpaal overlegt de aanvrager het ontwerp waarop staat aangegeven welke leidingen of leidingdelen, warmteoverdrachtstations en aansluitingen met deze mijlpaal zijn gerealiseerd.

Indien de aanvrager een mijlpaal niet haalt, langer doet over het te behalen resultaat of met de kosten afwijkt van hetgeen is opgegeven bij de aanvraag, dan doet hij hier binnen twee maanden melding van aan RVO. Dit kan gevolgen hebben voor de uitbetaling van de voorschotten.

Het begrip domein, aangeduid in artikel 2.24.1 van artikel I, heeft betrekking op de volgende maatschappelijke domeinen:

Postcodegebieden

Deelnemers in een samenwerkingsverband dat het zwaartepunt van de subsidiabele activiteiten heeft liggen in een of meer van de volgende postcodegebieden, kunnen een subsidieaanvraag indienen:

1026

1027

1028

112x

113x

114x

115x

13xx

14xx

16xx

17xx

18xx

19xx

298x

299x

316x

317x

32xx

33xx

389x

391x

392x

394x

395x

396x

397x

398x

399x

40xx

41xx

42xx

43xx

44xx

45xx

46xx

473x

474x

475x

476x

477x

478x

479x

49xx

514x

515x

516x

522x

523x

524x

525x

530x

531x

532x

533x

535x

536x

537x

539x

607x

61xx

62xx

63xx

64xx

65xx

774x

775x

776x

78xx

79xx

820x

821x

822x

823x

824x

825x

826x

83xx

84xx

85xx

86xx

87xx

88xx

89xx

90xx

91xx

92xx

93xx

94xx

95xx

96xx

97xx

98xx

99xx

Bijlage bij Subsidieregeling hygiënisatie- en drooginstallaties

Bijlage – Processen die in aanmerking komen voor de subsidiemodule hygiënisatie- en drooginstallaties en benchmark

In de tabellen 1 en 2 zijn de verschillende werkingsprincipes en de daarbij behorende basistechnieken opgenomen. Elk werkingsprincipe, waarbij gebruik wordt gemaakt van één in tabel 1 of tabel 2 vermelde basistechniek, leidt tot de inrichting van een hygiënisatie-installatie dan wel drooginstallatie, zoals gedefinieerd in titel 2.28. van deze regeling. In de rechterkolom van deze tabellen is de voor het energieverbruik bijbehorende benchmark opgenomen. De benchmark is uitgedrukt in kWh per ton aangevoerd product.

1 Een gevalideerde techniek in de zin van Verordening nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 die door een intermediaire onderneming wordt gebruikt.

1 Een gevalideerde techniek in de zin van Verordening nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 die door een intermediaire onderneming wordt gebruikt.

Vervallen

PPS-toeslag, een subsidie gebaseerd op titel 3.2. van de Regeling nationale EZ subsidies (‘PPS-toeslagregeling’), wordt verleend en vastgesteld door de Minister van Economische Zaken en Klimaat (‘EZK’) aan Topconsortia voor Kennis en Innovatie (‘TKI’). Het TKI is aldus subsidieontvanger. Een TKI kan PPS-toeslag aanwenden voor innovatieactiviteiten of (zoals veelal het geval is) voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten. In dat laatste geval ontvangen de deelnemers in samenwerkingsprojecten financiële middelen van het TKI (PPS-middelen, als gedefinieerd in paragraaf 1.2).

Dit onderzoeksprotocol heeft als doel het geven van aanwijzingen omtrent de reikwijdte en de intensiteit van de werkzaamheden aan de accountant van het TKI, belast met de controle van de door het TKI bij het Ministerie van EZK in te dienen aanvraag om vaststelling van de PPS-toeslag. De toepassing van het onderzoeksprotocol is beperkt tot het onderzoek ten aanzien van (het deel van) de vaststellingsaanvraag dat betrekking heeft op de PPS-toeslag die het TKI heeft aangewend voor samenwerkingsprojecten (artikelen 3.2.5 en 3.2.12 PPS-toeslagregeling). Dit onderzoeksprotocol ziet derhalve niet op controlewerkzaamheden voor (het deel van) de aanvraag tot vaststelling van PPS-toeslag die het TKI heeft aangewend voor eigen innovatieactiviteiten. Verder geldt dit onderzoeksprotocol enkel voor de consoliderende rol van de accountant in het kader van de vaststelling van PPS-toeslag (zowel programma- als projecttoeslagen) aangevraagd door het TKI, en geldt derhalve niet voor zijn (eventuele) eigen controlerol wanneer hij wordt ingeschakeld (a) door een TKI ter controle van de verantwoording van de aanwending van PPS-toeslag voor eigen innovatieactiviteiten of (b) door een deelnemer van een samenwerkingsproject ter controle van de verantwoording die deze deelnemer richting TKI moet aanleveren omtrent de besteding door die deelnemer van de ontvangen PPS-middelen.

Het Onderzoeksprotocol aanwending PPS-toeslag onderzoek en innovatie is opgesteld omdat deelnemers in samenwerkingsprojecten die PPS-middelen aanwenden hierover op verschillende wijzen tegenover het TKI verantwoording afleggen. In de praktijk zetten TKI’s de deelnemers in samenwerkingsprojecten er namelijk toe aan om de verantwoording van de besteding van de financiële middelen vorm te geven overeenkomstig de verantwoordingsmogelijkheden die voor subsidieontvangers gelden, al zijn deze deelnemers wat betreft de PPS-toeslag zelf geen subsidieontvanger. Zo kunnen bijvoorbeeld controleverklaringen aanwezig zijn. Of wordt de methodiek SiSa toegepast (single information, single audit). Het is ook mogelijk dat alleen bestuursverklaringen aanwezig zijn. Gegeven al deze verschillende wijzen van verantwoording, zou het eisen van een controleverklaring bij de aanvraag om subsidievaststelling door de accountant van een TKI conform bijlage1.3 van de Regeling nationale EZ subsidies (RNES)resulteren in ongewenste administratieve lasten voor een TKI.

Voor de toepassing van dit onderzoeksprotocol wordt verstaan onder:

Waar in dit onderzoeksprotocol het begrip ‘PPS-toeslag’ wordt gehanteerd, wordt hieronder voor zover relevant tevens verstaan de toeslag die vóór de wijziging van titel 3.2 per 1 februari 2017 werd aangeduid als ‘TKI-toeslag’.

Een TKI is verplicht om na voltooiing van de activiteiten waarvoor de PPS-toeslag is verleend, een aanvraag tot vaststelling van de PPS-toeslag in te dienen.

Artikel 50, tweede lid, onderdeel c, Kaderbesluit nationale EZ-subsidies eist dat de subsidieontvanger bij de aanvraag om subsidievaststelling een controleverklaring van een accountant bijvoegt indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt. Uit deze controleverklaring moet blijken dat met de aanvraag wordt voldaan aan de voorschriften bedoeld in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht.

De PPS-toeslagregeling biedt echter de mogelijkheid dat een TKI de aanvraag tot vaststelling van PPS-toeslag die wordt aangewend voor samenwerkingsprojecten vergezeld mag laten gaan van een rapport van feitelijke bevindingen dat met inachtneming van de voorschriften, opgenomen in het onderhavige onderzoeksprotocol (bijlage 3.2.1 bij de RNES), is vastgesteld. Dat rapport kan dan in plaats van de in het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies bedoelde controleverklaring worden overgelegd. Voor de duidelijkheid wordt benadrukt dat indien het gaat om een verantwoording over PPS-toeslag van meer dan € 125.000 die is aangewend voor innovatieactiviteiten van een TKI zelf, voor dat specifieke deel nog altijd een controleverklaring bij de betreffende vaststellingsaanvraag moet worden gevoegd.

Hierboven is aangegeven dat TKI’s de PPS-toeslag veelal aanwenden door PPS-middelen te verstrekken aan de deelnemers in samenwerkingsprojecten. Deze deelnemers leggen aan een TKI verantwoording af over de aanwending van deze PPS-middelen middels een financiële kostenverantwoording. Een TKI stelt vervolgens een geconsolideerd overzicht op van alle samenwerkingsprojecten waarvoor het TKI de ontvangen PPS-toeslag heeft aangewend, waarbij is aangegeven welk deel van de ontvangen PPS-toeslag voor welk samenwerkingsproject is aangewend. Dit overzicht dient als basis voor de door het TKI in te dienen aanvraag tot subsidievaststelling voor de aanwending in samenwerkingsprojecten op grond van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies en de PPS-toeslagregeling.

In deze paragraaf worden aanwijzingen gegeven omtrent de reikwijdte en de intensiteit van de werkzaamheden aan de accountant van een TKI, indien het TKI de verleende PPS-toeslag geheel of gedeeltelijk heeft aangewend voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten. Deelnemers in samenwerkingsprojecten worden in de praktijk door TKI’s ertoe aangezet om op zodanige wijze verantwoording af te leggen aan een TKI, dat het TKI in staat is om zelf te handelen in overeenstemming met de van toepassing zijnde RNES-bepalingen (met name wat betreft de informatieverstrekking aan Minister van EZK (de facto: de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)). De mogelijke verantwoordingsvormen voor deelnemers jegens TKI’s worden beschreven in paragraaf 2.2 van dit document.

TKI’s consolideren alle financiële kostenverantwoordingen die ze van deelnemers in samenwerkingsprojecten hebben ontvangen. Op basis hiervan dienen TKI’s een aanvraag tot subsidievaststelling in bij RVO.nl. Deze aanvraag tot subsidievaststelling door een TKI dient vergezeld te gaan van een rapport van feitelijke bevindingen van de accountant van een TKI. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 2.3 van dit onderzoeksprotocol.

De PPS-toeslag wordt op grond van artikel 3.2.2, RNES (PPS-programmatoeslag) of artikel 3.2.9, eerste lid, onderdeel a, RNES (PPS-projecttoeslag) toegekend aan een TKI, dat optreedt als subsidieontvanger. Aanwending van de PPS-toeslag door een TKI vindt met name plaats in de vorm van verstrekking van financiële middelen aan de deelnemers in samenwerkingsprojecten.

De daarop betrekking hebbende rapportage-structuur is als volgt ingericht:

Stap 1:

Voor aanwending van PPS-toeslag door een TKI voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten geldt qua verantwoording het volgende. Om het TKI in staat te stellen om jegens de Minister (RVO.nl) verantwoording af te leggen over de hier bedoelde aanwending van PPS-toeslag, stellen de afzonderlijke deelnemers in samenwerkingsprojecten ten behoeve van het TKI een financiële kostenverantwoording op met betrekking tot de aan hen (door het TKI) ter beschikking gestelde en door hen aangewende PPS-middelen. Tevens wordt door de afzonderlijke deelnemers in de financiële kostenverantwoording opgave gedaan van alle opbrengsten, waaronder subsidies, waarmee het programma/de activiteit waarop de PPS-toeslag betrekking heeft, mede is gefinancierd.

Voor deze financiële kostenverantwoording door de deelnemers in samenwerkingsprojecten is het volgende van belang. Met het oog op de door het TKI af te leggen verantwoording hanteert de accountant van het TKI bij het opstellen van een rapport van feitelijke bevindingen als uitgangspunt dat deelnemers in samenwerkingsprojecten die PPS-middelen hebben ontvangen, deze aanwending van PPS-middelen richting TKI verantwoorden volgens de hieronder beschreven controleregimes. Deze controleregimes zijn grotendeels equivalent aan de controleregimes die gelden in de relatie tussen subsidieverstrekker en subsidieontvanger:

Het TKI is verantwoordelijk voor de juiste en volledige toepassing van het door hem aan een deelnemer opgelegde verantwoordingsregime.

Onder stap 2 en in paragraaf 2.3 (opgesomde accountantswerkzaamheden) wordt nader uiteengezet hoe de TKI-accountant vervolgens omgaat met verantwoordingen van deelnemers in samenwerkingsprojecten die via het TKI aan de TKI-accountant ter beschikking zijn gesteld. In de kern geldt dat indien de accountant van het TKI vaststelt dat deelnemers, anders dan als uitgangspunt was genomen, niet op basis van bovenstaande controleregimes verantwoording afleggen richting TKI’s, dit als feitelijke constatering wordt opgenomen in het rapport van feitelijke bevindingen.

Stap 2:

De TKI’s consolideren de financiële verantwoordingen van de kosten van de afzonderlijke deelnemers in samenwerkingsprojecten uit stap 1 tot één financiële kostenverantwoording.

De TKI’s voegen de afzonderlijke financiële kostenverantwoordingen van de deelnemers in samenwerkingsprojecten dus samen tot één set en geven daarmee aan welk bedrag van de PPS-toeslag op basis van de financiële kostenverantwoordingen door een TKI als aangewend wordt beschouwd voor de kosten van de deelnemers in samenwerkingsprojecten.

Op de geconsolideerde financiële kostenverantwoording van alle partijen als geheel, wordt door de accountant van een TKI een NV COS 4400N-opdracht uitgevoerd. Dit betreft derhalve een opdracht tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden (zie verder paragraaf 2.3).

De uiteindelijke financiële rapportage die door een TKI aan de Minister (RVO.nl) wordt verstrekt bij de aanvraag tot vaststelling van PPS-toeslag die is aangewend voor samenwerkingsprojecten, bestaat in de kern vervolgens uit:

Het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies en de PPS-toeslagregeling beschrijven welke eventuele overige stukken een TKI bij de betreffende vaststellingaanvraag dient te overleggen.

De accountant van een TKI is verantwoordelijk voor het opstellen van een rapport van feitelijke bevindingen bij de aanvraag om vaststelling van een PPS-toeslag die een TKI heeft aangewend voor de uitvoering van samenwerkingsprojecten. Deze opdracht betreft een Standaard 4400N opdracht. De werkzaamheden van de accountant moeten voldoen aan Standaard 4400N die onderdeel is van de nadere voorschriften Controle en overige standaarden (NV COS), die door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) zijn vastgesteld.

Het rapport van feitelijke bevindingen bevat de conform NV COS 4400N voorgeschreven elementen, beschrijft de werkzaamheden en bevindingen inzake de aspecten zoals genoemd in deze paragraaf van dit protocol. De accountant rapporteert conform de actuele NBA voorbeeldtekst HRA hoofdstuk 4.1: ‘Stramien voor een rapport van feitelijke bevindingen’. Een voorbeeldtekst is toegevoegd aan dit onderzoeksprotocol.

Het uitvoeren van een Standaard 4400N opdracht betekent dat de accountant van een TKI geen zekerheid verschaft, maar alleen onderzoeksbevindingen rapporteert. Dit protocol beschrijft de aandachtspunten voor het onderzoek. De gebruiker van het rapport moet zelf een oordeel vormen en zijn conclusies trekken. De accountant dient de aard, tijdfasering en omvang van de overeengekomen specifieke werkzaamheden met de opdrachtgever af te stemmen en in het rapport tot uitdrukking te brengen (zie Standaard 4400N).

De volgende werkzaamheden worden door de accountant verricht:

De Auditdienst Rijk (ADR) kan een review uitvoeren op de uitgevoerde werkzaamheden van de accountant inzake deze subsidie. De accountant, die de werkzaamheden uitvoert, verstrekt de ADR desgevraagd alle inlichtingen en bescheiden. De eventuele extra kosten van deze accountant in verband met de review zijn niet voor rekening van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Deze kosten komen voor rekening van het betreffende TKI.

Aan: Opdrachtgever

Opdracht

Wij hebben een aantal specifieke werkzaamheden verricht met betrekking tot de aanvraag tot subsidievaststelling PPS-toeslag inzake ... (naam) te ... (vestigingsplaats).

Het doel van deze opdracht tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden is het verrichten van die werkzaamheden die zijn voorgeschreven door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat in het Onderzoeksprotocol aanwending PPS-toeslag onderzoek en innovatie en het rapporteren over de feitelijke bevindingen. De opdrachtvoorwaarden zijn omschreven in onze opdrachtbrief van ...(datum).

Verantwoordelijkheden

Het is uw verantwoordelijkheid om te bepalen of de overeengekomen specifieke werkzaamheden toereikend en geschikt zijn voor het hierboven beschreven doel.

Wij hebben onze werkzaamheden verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse Standaard 4400N Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden en Onderzoeksprotocol aanwending PPS-toeslag onderzoek en innovatie (opgenomen in bijlage 3.2.1 bij de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies). Bij het uitvoeren van deze opdracht hebben wij ons gehouden aan de voor ons geldende relevante ethische voorschriften in de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Accountants (VGBA).

Werkzaamheden en bevindingen

In deze paragraaf is een beschrijving van de uitgangspunten, overeengekomen specifieke werkzaamheden en feitelijke bevindingen opgenomen. Wij doen geen uitspraak over wat de feitelijke bevindingen betekenen voor de aanvraag tot subsidievaststelling PPS-toeslag. U zult hierover een eigen afweging moeten maken waarbij u gebruik kunt maken van dit rapport van feitelijke bevindingen en eventuele andere beschikbare informatie.

Wij hebben de werkzaamheden verricht die staan beschreven in paragraaf 2.3 van bovengenoemd onderzoeksprotocol.

Beschrijving van de feitelijke bevindingen:

De toereikendheid en geschiktheid van de te verrichten werkzaamheden is de verantwoordelijkheid van de gebruikers van deze rapportage met wie deze werkzaamheden zijn overeengekomen. Derhalve doen wij geen uitspraak over de toereikendheid en geschiktheid van de verrichte werkzaamheden in relatie tot het doel waarvoor deze worden verricht, noch voor elk ander doel.

Volledigheidshalve wijzen wij er nog op dat, indien wij aanvullende werkzaamheden zouden hebben verricht zoals onderzoek naar de werking dan wel een controle-, beoordelings- of andere assurance-opdracht zouden hebben uitgevoerd, wellicht andere onderwerpen zouden zijn geconstateerd die voor rapportering in aanmerking zouden zijn gekomen

Beperking in het gebruik en verspreidingskring

Bij het opstellen van deze rapportage is rekening gehouden met de verwachtingen van de beoogde gebruikers. Daarom is deze rapportage alleen bestemd voor uzelf en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. U kunt deze rapportage niet aan anderen afgeven zonder onze toestemming, noch mag eruit worden geciteerd of eraan worden gerefereerd, tenzij wettelijke voorschriften anders bepalen.

Plaats en datum

... (naam accountantspraktijk)

... (naam accountant)

Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Ze dragen daarmee automatisch bij aan de tussendoelen voor 2030 zoals nationaal en Europees zijn vastgesteld.

De Kennis- en Innovatie Agenda (Hierna: KIA) Klimaat en Energie bevat 4 deelmissies:

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst in relatie tot bovenstaande deelmissies gericht te zijn op:

Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een circulaire economie in 2050. Voor deze missie zijn tussendoelen geformuleerd in het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023–2030 en kansrijke thema’s om die tussendoelen te kunnen halen. De snelheid en het volume waarmee de beoogde innovatie impact zou kunnen maken, wegen mee in de beoordeling.

In een circulaire economie past het totaal van alle productie en consumptie binnen de planetaire grenzen. Voor circulariteit dienen nieuwe producten en diensten te worden ontworpen, waarbij het potentieel voor hergebruik en recycling het uitgangspunt is. Om te komen tot circulaire grondstof-ketens en processen moet de levensduur van producten en materialen worden verlengd door producten en processen te ontwikkelen en geschikt te maken voor het uitvoeren van reparatie, refurbishing, remanufacturing en andere levensduurverlengende bewerkingen, worden materialen en (kritische) grondstoffen aan het einde van de levensduur van producten teruggewonnen, en worden productie-, collectie-, sorteer-, reparatie-, refurbishing- en recyclingsprocessen geoptimaliseerd.

Maatschappelijk zal sprake moeten zijn van een systeemtransitie en van acceptatie. Dit vraagt om systeem- en sociale innovaties, zoals gedragsverandering van bedrijven en consumenten, meervoudige waarde creatie, ketenanalyse en ketensamenwerking, standaardisering en normering. MKB-innovaties zullen in deze ontwikkelingen moeten passen.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

Ten slotte dienen de te ontwikkelen innovatieve producten, processen of diensten in relatie tot de bovenstaande deelmissie zich te richten op een (combinatie) van de volgende waardeketens:

Projecten dienen bij te dragen aan de zes deelmissies van de KIA Landbouw, Water en Voedsel (LWV). Ten slotte is er een apart programma voor sleuteltechnologieën voor de KIA LWV dat geen onderdeel is van de deelmissies van LWV maar waar projecten nog steeds aan bij kunnen dragen.

De KIA LWV bevat 6 deelmissies:

Een belangrijk deel van de vraagstukken achter die deelmissies vraagt om onderzoek (kennis), om een eenmalige oplossing (een specifieke aanpak) of om oplossingen voor de inrichting van gebieden, en niet om een veelvuldig verkoopbaar MKB-product waarvoor de MIT-subsidie de haalbaarheid moet aantonen of de technische ontwikkelrisico’s moet reduceren. Dit geldt vooral de deelmissies 1, 3 en de systeemgerichte onderdelen van deelmissie 4. MKB-projecten liggen daarbij dus niet direct voor de hand, maar technologische oplossingen om kennis te verzamelen of in de praktijk te brengen zijn zeker niet ondenkbaar. Denk bijvoorbeeld aan innovaties ten behoeve van betere of gemakkelijker kennisverzameling, beheer (het bestrijden van exoten) of de ontwikkeling van sensoren.

Hieronder worden de deelmissies en het programma sleuteltechnologieën voor Landbouw, Water en Voedsel (LWV) nader toegelicht.

Deze deelmissie draait om innovaties die effectief bijdragen aan het ombuigen van de trend van natuur- en biodiversiteitsverlies. De sleutels liggen enerzijds bij biodiversiteitsherstel en het robuust maken van natuur binnen en buiten natuurgebieden, anderzijds bij de transitie naar een samenleving en economie die hier positief aan bijdragen. Het gaat ook om vernieuwde vormen van governance en waarderingssystemen en de innovatieve inzet van natuur als oplossing voor de maatschappelijke opgave om een veerkrachtige natuur en een vitale bodem te bewerkstelligen.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie bij te dragen aan de volgende vraagstukken:

Deze deelmissie beoogt de benodigde kennis, inzichten, innovaties en handelingsperspectieven te ontwikkelen om te komen tot een integraal duurzaam systeem van land- en tuinbouw, waarbij het systeem zowel de primaire bedrijven betreft als hun economische, maatschappelijke en ruimtelijke interacties.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie gericht te zijn op de volgende innovatieprogramma’s:

Deze deelmissie draait om de kwaliteit van bodem en water die onder druk staat, en de beschikbaarheid van voldoende zoet water voor drinkwater, industrie, irrigatie en natuur die niet meer altijd vanzelfsprekend is. Dat geldt voor het platteland maar ook voor bebouwde gebieden, waarin bijvoorbeeld stedelijk groen bijdraagt aan leefbaarheid en vermindering van wateroverlast en hittestress.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie gericht te zijn op:

Doel van deze deelmissie is dat in 2050 voedsel in Nederland en Europa op een duurzame manier wordt geproduceerd in transparante ketens, waarin alle ketenpartijen een bijdrage leveren aan de verduurzaming van het voedselsysteem als geheel en aan de voedselzekerheid. Het voedselsysteem is dan zo ingericht dat het bijdraagt aan de halvering van de ecologische voetafdruk. Het streven is dat er in 2030 de helft minder voedsel wordt verspild en dat er een verschuiving wordt gerealiseerd naar 50-50% dierlijke en plantaardige eiwitten. Ook worden zij- en reststromen maximaal verwaard. Er wordt toegewerkt naar een ecologisch, economisch en sociaal houdbaar systeem.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie bij te dragen aan de volgende ontwikkelingen:

Deze deelmissie richt zich op het doel dat in 2050 in Nederland de ecologische draagkracht en waterkwaliteit en -beschikbaarheid in balans is met de opgave voor hernieuwbare energie, voedsel, visserij en andere economische activiteiten.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

Deze deelmissie richt zich op het doel dat Nederland een veilige en weerbare delta blijft, ook bij een stijgende zeespiegel en sterkere schommelingen in de afvoer van rivieren door toegenomen weerextremen. Het achterliggend land wordt beschermd met betaalbare, circulaire, klimaatneutrale maatregelen die zoveel mogelijk werken vanuit het natuurlijk systeem (NBS, water en bodem sturend) dan wel rekening houden met de natuur (natuurinclusief). Havens blijven bereikbaar en rivieren, kanalen en de Noordzee blijven veilig bevaarbaar.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

Dit programma richt zich op het doel dat in 2030 sleuteltechnologieën zijn ontwikkeld die bijdragen aan de missies in ‘groenblauwe‘ sectoren zoals land- en tuinbouw en watersystemen. De toepassing van sleuteltechnologieën helpt deze sectoren hun missies en doelen effectiever, sneller en/of efficiënter te bereiken.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

Projecten dienen bij te dragen aan het doel dat in 2040 alle mensen in Nederland ten minste vijf jaar langer in goede gezondheid leven en dat de gezondheidsverschillen tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen met 30% zijn afgenomen.

De KIA Gezondheid en Zorg bevat de vijf deelmissies:

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissies daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

Ten slotte is voor de te ontwikkelen innovatieve producten, processen of diensten in relatie tot de bovenstaande deelmissies het volgende relevant:

Projecten dienen bij te dragen aan de overkoepelende ambitie om (potentiële) tegenstanders steeds een stap vóór te blijven: 'always ahead of the threat’ met slimme oplossingen in dienst van een veilige maatschappij.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst daarvoor bij te dragen aan een van de volgende vijf deelmissies binnen de KIA veiligheid:

Sleuteltechnologieën worden gekenmerkt door een generiek karakter met een breed toepassingsgebied of bereik in innovaties en/of sectoren binnen de KIA’s 1 t/m 5. Bij projecten die bijdragen aan de inhoudelijke KIA’s 1 t/m 5 zal dus veelal gebruik worden gemaakt van een of meer sleuteltechnologieën, waarbij sprake kan zijn van doorontwikkeling voor de specifieke toepassing.

Projecten die specifiek voor de KIA Sleuteltechnologieën worden ingediend, moeten bijdragen aan de generieke ontwikkeling van (een of meer) sleuteltechnologieën:

Hierbij wordt benadrukt dat onder optie 1 het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en onder optie 2 het puur toepassen ervan in een willekeurige sector niet anders dan binnen de missies reeds gebeurt, geen basis is voor toekenning van een subsidie.

Voor MKB-projecten binnen deze KIA wordt gezocht naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, die als product veelvuldig verkoopbaar zijn en waarvoor de MIT-subsidie de haalbaarheid moet aantonen of de technische ontwikkelrisico’s moet reduceren.

Hieronder de clusters van aangewezen Sleuteltechnologieën vanuit het perspectief van de potentiële bijdrage van technologie aan maatschappelijke uitdagingen in Nederland waaraan MKB-projecten kunnen bijdragen, de sleuteltechnologieën die onderdeel zijn van de nationale technologie strategie zijn aangemerkt met NTS:

De KIA Digitalisering is complementair aan de KIA Sleuteltechnologieën en representeert de zeven ‘Digital and Information Technologies’ (DIT’s) sleuteltechnologieën van de 44 sleuteltechnologieën uit de KIA Sleuteltechnologieën.

Projecten die specifiek voor de KIA Digitalisering worden ingediend, dienen bij te dragen aan een van de zeven ‘Digital and Information Technologies’ (DIT’s) en de drie luiken zoals hieronder beschreven in acht te nemen.

De sleuteltechnologieën die onderdeel zijn van de nationale technologie strategie zijn aangemerkt met NTS:

Een project past in de KIA Digitalisering als het een van de maatschappelijke uitdagingen in de KIA's 1 t/m 5 adresseert door toepassing van (een van) de zeven DIT’s, of indien het project de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van DIT’s verbetert, en het als product verkoopbaar is. Daarbij dienen drie luiken op het gebied van 'Digital and Information Technologies' in acht te worden genomen:

Projecten die specifiek voor de KIA Digitalisering worden ingediend, moeten:

Het uitvoeren van fundamentele kennisontwikkeling is geen basis voor toekenning van een MIT-subsidie. Toegepaste kennisontwikkeling is alleen dat waar sprake is van een veelvuldig verkoopbaar product, waarvoor de MIT-subsidie de haalbaarheid moet aantonen of de technische ontwikkelrisico’s moet reduceren.

Hierbij wordt benadrukt dat het doen van puur onderzoek naar DIT's geen basis is voor toekenning van een subsidie. Het puur toepassen van DIT's in een willekeurige sector komt alleen in aanmerking voor toekenning van een subsidie wanneer het project een van de maatschappelijke uitdagingen in de KIA's 1 t/m 5 adresseert.

Aansluitend op de sleuteltechnologie Digital Technologies is binnen de MIT-subsidiemodule tevens het thema Artificiële Intelligentie (AI) opgenomen, om het MKB te ondersteunen bij de ontwikkeling en toepassing van AI.

Voor AI wordt de definitie gehanteerd van de Europese Commissie: ‘AI verwijst naar systemen die intelligent gedrag vertonen door hun omgeving te analyseren en – met een zekere mate van zelfstandigheid – actie te ondernemen om specifieke doelen te bereiken’.

In aanmerking komen projecten die bijdragen aan de generieke ontwikkeling van AI, doordat:

Het doel is om technologie beter te benutten in nieuwe producten, processen en diensten voor maatschappelijke uitdagingen en de impact van het ondernemen te versterken. Daardoor worden betere toepassingen ontwikkeld, die zowel economisch als maatschappelijk rendement opleveren.

Projecten passen in de KIA Maatschappelijk Verdienvermogen als ze een van de uitdagingen in KIA's 1 t/m 5 adresseren en zich richten op bovengenoemde doelstelling.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst daarvoor de volgende technologiebenuttingen te verbeteren:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Overeenkomst tussen:

1. De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat;

2. ‘AANVRAGER_NAAM’, hierna te noemen: startersfonds;

in aanmerking nemende dat

de Minister van Economische Zaken en Klimaat bij brief met kenmerk ‘RVO KENMERK’, aan ‘AANVRAGER_NAAM’ een subsidie in de vorm van een geldlening heeft verleend ter grootte van maximaal € ‘DOSSIER_GECOMMITTEERD’ op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, titel 3.10,

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

Het startersfonds verklaart dat het een ‘right of first refusal’ heeft ten aanzien van investeringsproposities met betrekking tot technostarters.

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst van geldlening bestemd voor de Staat worden gericht aan:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Afdeling Kredieten, Garanties en Risicokapitaal (KGR)

Postbus 93144

2509 AC Den Haag

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst van geldlening bestemd voor het startersfonds worden gericht aan:

(Naam startersfonds)

(Adres startersfonds)

Alle betalingen in verband met deze overeenkomst van geldlening door het startersfonds geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar het door de Minister ter beschikking gestelde bankrekeningnummer onder vermelding van ‘projectnummer SEED...’.

Door ondertekening van deze overeenkomst van geldlening verklaren het startersfonds en de fondspartijen dat zij alle relevante documenten met betrekking tot de investeringswijze en financiële uitvoering van het startersfonds hebben overlegd aan de Staat en eventuele toekomstige relevante documenten ter goedkeuring zullen voorleggen aan de Staat.

Deze overeenkomst van geldlening gaat boven enige andere overeenkomst tussen en met de partijen in het startersfonds in het kader van dit startersfonds.

Indien het startersfonds op ‘DATUM’ aan alle verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst van geldlening heeft voldaan, sluiten de Staat, het startersfonds en de fondspartijen een overeenkomst om de beëindiging van deze overeenkomst van geldlening vast te stellen. Indien het rechtmatige deel van de inkomsten dat aan de Staat is overgeboekt niet ten minste gelijk is aan het totaal aan bedragen dat is opgenomen op grond van artikel 3, dient het startersfonds een schriftelijk verzoek in bij de Staat tot kwijtschelding van het resterende bedrag van de lening alvorens een vaststellingsovereenkomst wordt aangegaan.

Deze overeenkomst van geldlening treedt in werking door de ondertekening daarvan door het startersfonds en de fondspartijen, die deze overeenkomst van geldlening mede ondertekenen gelet op de artikelen 2, zevende lid, 5, vijfde lid, 6, derde en vierde lid, 7, vijfde, zesde en negende lid, 9, 11, 12, 13, 16 en 17 en, indien van toepassing, de externe fondsbeheerder, die deze overeenkomst van geldlening mede ondertekent gelet op artikel 10.

Aldus is overeengekomen en in tweevoud ondertekend te .......... op 00 MAAND JAAR

De Staat der Nederlanden

namens deze: de Minister van Economische Zaken en Klimaat,

namens deze: (naam bevoegde ambtenaar)

Plaats: .........

Handtekening: .........

Naam: .........

‘AANVRAGER_NAAM’

(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:

[Medeondertekening in verband met het bepaalde in artikel 19

‘Externe fondsbeheerder_NAAM’

(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:]

Medeondertekening in verband met het bepaalde in artikel 19

‘Fondspartij 1_NAAM’

(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:

‘Fondspartij 2_NAAM’

(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:

‘Fondspartij 3_NAAM’

(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:

Vervallen

Overeenkomst tussen:

in aanmerking nemende dat de Minister van Economische Zaken en Klimaat bij brief met kenmerk ‘RVO KENMERK’, aan ‘AANVRAGER_NAAM’ een subsidie in de vorm van een geldlening heeft verleend ter grootte van maximaal € ‘DOSSIER_GECOMMITTEERD’ op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, titel 3.10,

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst van geldlening bestemd voor de Staat worden gericht aan:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Afdeling Kredieten, Garanties en Risicokapitaal (KGR)

Postbus 93144

2509 AC Den Haag

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst van geldlening bestemd voor het seed business angel fonds worden gericht aan:

(Naam seed business angel fonds)

(Adres seed business angel fonds)

Alle betalingen in verband met deze overeenkomst van geldlening door het seed business angel fonds geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar het door de minister ter beschikking gestelde bankrekeningnummer onder vermelding van ‘projectnummer SEEDBA...’.

Het seed business angel fonds garandeert dat gedurende de looptijd van het fonds de kwaliteit en de tijdsbesteding van het fondsmanagement in overeenstemming zijn met hetgeen is aangegeven in het fondsplan. Het seed business angel fonds kan overeenkomstig artikel 9 een verzoek indienen tot wijziging van het fondsmanagement. Een wijziging van het fondsmanagement is alleen toegestaan met voorafgaande instemming van de Staat.

De fondspartijen verklaren dat het seed business angel fonds een ‘right of first refusal’ heeft ten aanzien van investeringsproposities met betrekking tot technostarters.

Door ondertekening van deze overeenkomst van geldlening verklaren het seed business angel fonds en de fondspartijen dat zij alle relevante documenten met betrekking tot de investeringswijze en financiële uitvoering van het seed business angel fonds hebben overlegd aan de Staat en eventuele toekomstige relevante documenten ter goedkeuring zullen voorleggen aan de Staat.

Deze overeenkomst van geldlening gaat boven enige andere overeenkomst tussen en met de partijen in het seed business angel fonds in het kader van dit seed business angel fonds.

Indien het seed business angel fonds op ‘DATUM’ aan alle verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst van geldlening heeft voldaan, sluiten de Staat, het seed business angel fonds en de fondspartijen een overeenkomst om de beëindiging van deze overeenkomst van geldlening vast te stellen. Indien het rechtmatige deel van de inkomsten dat aan de Staat is overgeboekt niet ten minste gelijk is aan het totaal aan bedragen dat is opgenomen op grond van artikel 3, dient het seed business angel fonds een schriftelijk verzoek in bij de Staat tot kwijtschelding van het resterende bedrag van de lening, alvorens een vaststellingsovereenkomst kan worden aangegaan.

Deze overeenkomst van geldlening treedt in werking door de ondertekening daarvan door het seed business angel fonds en de fondspartijen, die deze overeenkomst van geldlening mede ondertekenen gelet op de artikelen 2, zevende lid, 5, vijfde lid, 6, derde en vierde lid, 7, vierde en vijfde lid, 9, 10, 11, 15, 16 en 17.

Aldus is overeengekomen en in tweevoud ondertekend te .......... op 00 maand 20XX

De Staat der Nederlanden

namens deze: de Minister van Economische Zaken en Klimaat,

namens deze: (naam bevoegde ambtenaar)

Plaats: .........

Handtekening: .........

Naam: .........

‘AANVRAGER_NAAM’

(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:

Medeondertekening in verband met het bepaalde in artikel 19

‘Fondspartij 1_NAAM’

(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:

‘Fondspartij 2_NAAM’

(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:

Overeenkomst tussen:

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

De Staat stelt zich borg ten behoeve van de Bank voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies en paragraaf 3.11 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en deze overeenkomst door de Bank worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.

Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Bank de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 16, eerste lid, niet is nagekomen.

Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een bedrijfsborgstellingskrediet of een deel van een bedrijfsborgstellingskrediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de Bank om afwijking van deze overeenkomst.

Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de Bank kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de Bank ook geschieden in schriftelijke vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.

Bank-gelieerde in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn):

Getekend te ’s-Gravenhage op .....

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

(naam en functie vertegenwoordigers Bank)

Overeenkomst tussen:

De Staat stelt zich borg ten behoeve van de Banken voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies en paragraaf 3.11 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en deze overeenkomst door de Banken worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.

Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Bank of de centrale Bank zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Bank de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 16, eerste lid, niet is nagekomen.

Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een bedrijfsborgstellingskrediet of een deel van een bedrijfsborgstellingskrediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de Bank om afwijking van deze overeenkomst.

Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de Bank kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de Bank ook geschieden in schriftelijke vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.

Bank-gelieerde in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn):

Getekend te ’s-Gravenhage op .....

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

(naam en functie vertegenwoordigers Bank)

Overeenkomst tussen:

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

De Staat stelt zich borg ten behoeve van de kredietverstrekker voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies en paragraaf 3.11 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en deze overeenkomst door de kredietverstrekker worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.

Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de kredietverstrekker zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de kredietverstrekker de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 16, eerste lid, niet is nagekomen.

Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een bedrijfsborgstellingskrediet of een deel van een bedrijfsborgstellingskrediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de kredietverstrekker om afwijking van deze overeenkomst.

Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de kredietverstrekker kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de kredietverstrekker ook geschieden in schriftelijke vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.

Kredietverstrekker-gelieerde in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn):

Getekend te ’s-Gravenhage .....

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

(naam en functie vertegenwoordigers kredietverstrekker)

Overeenkomst tussen:

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

Een lening aan een ondernemer kan onder de garantstelling van de Staat worden gebracht indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Alle betalingen in verband met deze overeenkomst door de financier geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar rekeningnummer PM PMxxxxx bij de ---bank, ten name van RVO.nl, onder vermelding van het PM PM---nummer.

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder

Deze overeenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de partijen.

........., ten deze vertegenwoordigd door

Deze overeenkomst is getekend op ..... te Den Haag

Vervallen

Vervallen

Overeenkomst tussen:

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

Een bankgarantiefaciliteit kan op grond van deze overeenkomst worden goedgekeurd indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Een bankgarantie kan onder de garantstelling van de Staat worden gebracht indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Alle betalingen in verband met deze overeenkomst door de financier geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar rekeningnummer PM PMxxxxx bij de ---bank, ten name van Agentschap NL, onder vermelding van het PM PM---nummer.

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst bestemd voor de onder

Deze overeenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de partijen.

........., ten deze vertegenwoordigd door

Deze overeenkomst is getekend op ..... te Den Haag

Vervallen

Ondergetekende,

[rechtspersoon: naam],

statutair gevestigd te (plaats) en kantoorhoudende te (plaats) aan (adres en postcode) vertegenwoordigd door haar bestuurder(s) de heer/mevrouw (naam), en .........., ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer (nummer);

[OF]

[personenvennootschap: naam],

kantoorhoudende te (plaats) aan (adres en postcode) ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer (nummer);

[OF]

[natuurlijk persoon, handelende onder de bedrijfsnaam: bedrijfsnaam]

Kantoorhoudende te (plaats) aan (adres en postcode) ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer (nummer);

[OF]

[natuurlijk persoon, niet handelende onder een bedrijfsnaam: naam, adres, beroep];

Verklaart het volgende:

Deze verklaring is naar waarheid afgelegd

te ..........................

op ..........................

..........................

DE ONDERGETEKENDEN:

hierna tezamen ook genoemd: Partijen;

hebben het volgende overwogen:

Partijen komen het volgende overeen:

Voor de toepassing en de uitleg van deze overeenkomst zijn de begripsbepalingen die voorkomen in het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies en de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Financiering kan door Leningnemer aan een MKB-ondernemer, uitgezonderd een MKB-ondernemer die werkzaam is in de visserij- en aquacultuursector, of een innovatieve starter worden verstrekt, indien aan de volgende randvoorwaarden is voldaan:

De geldlening wordt verstrekt voor een periode die aanvangt op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst en eindigt op [datum van inwerkingtreding van de overeenkomst + 14 jaar], of indien deze datum eerder aanbreekt, zes maanden nadat Partijen tezamen hebben geconstateerd dat de financiering van vernieuwingsfase- of vroegefasetrajecten is afgerond.

Aflossing van de geldlening aan de Staat en betaling van op het moment van aflossing nog niet betaalde rente en vergoeding op grond van artikel 3.16.1g geschiedt door middel van overboeking van inkomsten naar de Staat:

De overeenkomst kan uitsluitend worden gewijzigd nadat beide Partijen schriftelijk met de wijziging hebben ingestemd. De wijziging en de verklaringen tot instemming worden in afschrift als bijlage aan deze overeenkomst gehecht.

DE ONDERGETEKENDEN:

Partijen komen het volgende overeen

Aldus in [pm]voud ondertekend te [plaats] op [datum]

LENINGNEMER

[naam/statutaire naam]

[handtekening]

[naam]

[functie]

LENINGGEVER

De Minister van Economische Zaken,

namens deze:

[handtekening]

[naam functionaris]

[functie]

Leninggever verstrekt aan Leningnemer een lening (hierna: VFF-lening) in contanten met een hoofdsom groot maximaal EUR [bedrag], welke lening Leningnemer aanvaardt, met inachtneming van de bepalingen van deze overeenkomst.

De VFF-lening is uitsluitend bestemd voor het financieren van maximaal 35%11 van de kosten van de uitvoering van het vernieuwingsfasetraject.

Leningnemer kan de tweede tranche of het tweede deel van de tweede tranche opvragen tot uiterlijk [pm datum]14. Daarna kan Leningnemer niet meer trekken op de VFF-lening.

Kennisgevingen en mededelingen met betrekking tot deze overeenkomst worden, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, gedaan aan de hierna vermelde adressen:

[naam, adres, plaats Leninggever];

[naam, adres, plaats Leningnemer].

Deze overeenkomst wordt met terugwerkende kracht ontbonden indien de subsidiebeschikking uit hoofde waarvan deze overeenkomst van geldlening is gesloten wordt gewijzigd of ingetrokken.

Voor de verantwoording als bedoeld in artikel 7 lid 2 van de overeenkomst dient Leningnemer binnen de in dat artikel gestelde termijn een specificatie van de kosten in. Hierbij wordt qua opzet en wijze van specificatie aangesloten bij de ingediende begroting, die onderdeel uitmaakte van de subsidieaanvraag op grond van titel 3.16 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Ook wordt inzicht gegeven in eventueel ontvangen andere bijdragen in de kosten van de verrichte activiteiten voor het vernieuwingsfasetraject.

De specificatie van de kosten is voorzien van naam van de Leningnemer, aanduiding van het vernieuwingsfasetraject en het referentienummer van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) respectievelijk het bestuur van Stichting STW (STW). RVO en STW zijn de uitvoerders van titel 3.16 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

De verantwoording sluit af met een verklaring en ondertekening door Leningnemer. In de verklaring verklaart de ondertekenaar dat hij/zij bevoegd en/of gemachtigd is om te ondertekenen en dat de verantwoording naar waarheid is ingevuld. De ondertekenaar wordt vermeld met titels, voorletter(s), tussenvoegsels en achternaam. De datum van ondertekening wordt vermeld en tot slot wordt de verklaring ondertekend met een handtekening.

De aldus ondertekende verantwoording wordt toegezonden aan RVO of waarvan het adres is aangegeven op de subsidiebeschikking.

BIJZONDER (hoofdsom van de lening groter of gelijk aan € 125.000)

Indien de hoofdsom van de lening groter of gelijk is aan € 125.000 dient een verklaring van een accountant te worden bijgevoegd die is opgesteld conform het hieronder opgenomen model en met gebruikmaking van het hieronder opgenomen controleprotocol.

Behorende bij de UITVOERINGSOVEREENKOMST UIT HOOFDE WAARVAN EEN GELDLENING ZIJNDE VROEGEFASEFINANCIERING AAN EEN MKB-ONDERNEMER WORDT VERSTREKT TEN BEHOEVE VAN EEN VERNIEUWINGSFASETRAJECT voor zover de hoofdsom groter of gelijk is dan € 125.000

Dit controleprotocol heeft als doel het geven van aanwijzingen omtrent de reikwijdte en de intensiteit van de controle aan de accountant, belast met de controle van de door de Leningnemer bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in te dienen verantwoording over de aanwending van de hoofdsom voor de financiering van het vernieuwingsfasetraject.

Voor de controle van de financiële rechtmatigheid volgens dit protocol is de volgende wet- en regelgeving (inclusief eventuele wijzigingen hierin) van toepassing:

Bij de uitvoering van de controle stelt de accountant tevens vast dat:

De controle moet voldoen aan de controlestandaarden die onderdeel zijn van de nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS), die door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) zijn vastgesteld.

Zonder de in voorgaande alinea geformuleerde voorschriften in te perken, zijn voor de controle van specifieke financiële verantwoordingen ten behoeve van de vaststelling van bijdragen vanuit EZ zoals in dit geval een subsidie in de vorm van een geldlening met name de volgende aandachtspunten van belang:

Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de subsidievoorwaarden streeft de accountant naar een redelijke mate van zekerheid. Indien dit begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, wordt een betrouwbaarheid van 95 procent gehanteerd.

Een controleverklaring met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven eerder genoemde betrouwbaarheid, de som van de afwijking en de onzekerheid niet groter is dan twee procent van het totaalbedrag aan subsidiabele kosten dat in het financieel verslag wordt verantwoord. De hierna vermelde goedkeuringstoleranties zijn in dit kader van toepassing voor de bepaling van de strekking van de af te geven controleverklaring.

De accountant legt de uitkomsten van de controle vast in een controleverklaring.Verwezen wordt naar de voorbeeldtekst bij dit controleprotocol.

De Auditdienst Rijk (ADR) kan een review uitvoeren op de uitgevoerde accountantscontrole inzake deze subsidie. De accountant, die de controle uitvoert, verstrekt de ADR desgevraagd alle inlichtingen en bescheiden19. De eventuele extra kosten van deze accountant in verband met de review zijn niet voor rekening van de Minister van Economische Zaken of de Staat der Nederlanden.

Afgegeven ten behoeve van ... (naam leninggever)

Aan: ... (naam leningnemer)

Wij hebben bijgaande verantwoording van de aanwending van de hoofdsom van de lening voor de financiering van het vroegefasetraject ingevolge de subsidiebeschikking en de uitvoeringsovereenkomst en eventuele wijzigingen ... (omschrijving, kenmerk en datum) van ... (naam Leningnemer) te ... (adres/statutaire vestigingsplaats) over 20XX (of voor een gebroken boekjaar: voor het jaar geëindigd op (datum) 20XX) gecontroleerd.

Verantwoordelijkheid van het bestuur

Leningnemer/Het bestuur van ... (naam Leningnemer) is verantwoordelijk voor het opstellen van de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom voor de financiering van het vroegefasetraject in overeenstemming met de subsidiebeschikking en de uitvoeringsovereenkomst. Leningnemer/Het bestuur van Leningnemer is tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opstellen van de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden, en het Controleprotocol Controleverklaring Vroegefasefinanciering. Dit vereist dat wij voldoen aan de voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de verantwoording geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.

Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opstellen van de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom door de leningnemer, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de leningnemer. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor het opstellen van de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.

Oordeel

Naar ons oordeel is de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom van <naam instelling/persoon> over de periode <datum> tot <datum> in alle van materieel belang zijnde aspecten opgesteld in overeenstemming met de begroting zoals opgenomen in brief <kenmerk> d.d. <datum> en de relevante bepalingen in de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.

Beperking in gebruik en verspreidingskring

De verantwoording van de aanwending van de hoofdsom is opgesteld voor ... (naam Leninggever: Staat der Nederlanden) met als doel ... (naam Leningnemer) in staat te stellen te voldoen aan de voorwaarden van de beschikking tot subsidieverlening en de uitvoeringsovereenkomst. Hierdoor is de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. De verantwoording van de aanwending van de hoofdsom met onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor ... (naam Leningnemer) en ... (naam Leninggever: Staat der Nederlanden) en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.

Plaats en datum

Handtekening

Naam accountant

Naam accountantskantoor

DE ONDERGETEKENDEN:

Partijen komen het volgende overeen

Aldus in [pm]voud ondertekend te [plaats] op [datum]

LENINGNEMER

[naam/statutaire naam]

[handtekening]

[naam]

[functie]

LENINGGEVER

De Minister van Economische Zaken,

namens deze:

[handtekening]

[naam functionaris]

[functie]

Leninggever verstrekt aan Leningnemer een lening (hierna: VFF-lening) in contanten met een hoofdsom groot maximaal EUR [bedrag], welke lening Leningnemer aanvaardt, met inachtneming van de bepalingen van deze overeenkomst.

De VFF-lening is uitsluitend bestemd voor het financieren van de kosten van de uitvoering van het vroegefasetraject.

Leningnemer kan de tweede tranche of het tweede deel van de tweede tranche opvragen tot uiterlijk [pm datum]23. Daarna kan Leningnemer niet meer trekken op de VFF-lening.

voor het vroegefasetraject verrichte en nog te verrichten activiteiten.

Kennisgevingen en mededelingen met betrekking tot deze overeenkomst worden, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, gedaan aan de hierna vermelde adressen:

[naam, adres, plaats Leninggever];

[naam, adres, plaats Leningnemer].

Deze overeenkomst wordt met terugwerkende kracht ontbonden indien de subsidiebeschikking uit hoofde waarvan deze overeenkomst van geldlening is gesloten wordt gewijzigd of ingetrokken.

Voor de verantwoording als bedoeld in artikel 7 lid 2 van de overeenkomst dient Leningnemer binnen de in dat artikel gestelde termijn een specificatie van de kosten in. Hierbij wordt qua opzet en wijze van specificatie aangesloten bij de ingediende begroting, die onderdeel uitmaakte van de subsidieaanvraag op grond van titel 3.16 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Ook wordt inzicht gegeven in eventueel ontvangen andere bijdragen in de kosten van de verrichte activiteiten voor het vroegefasetraject.

De specificatie van de kosten is voorzien van naam van de Leningnemer, aanduiding van het vroegefasetraject en het referentienummer van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) respectievelijk het bestuur van Stichting STW (STW). RVO en STW zijn de uitvoerders van titel 3.16 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

De verantwoording sluit af met een verklaring en ondertekening door Leningnemer. In de verklaring verklaart de ondertekenaar dat hij/zij bevoegd en/of gemachtigd is om te ondertekenen en dat de verantwoording naar waarheid is ingevuld. De ondertekenaar wordt vermeld met titels, voorletter(s), tussenvoegsels en achternaam. De datum van ondertekening wordt vermeld en tot slot wordt de verklaring ondertekend met een handtekening.

De aldus ondertekende verantwoording wordt toegezonden aan RVO of waarvan het adres is aangegeven op de subsidiebeschikking.

Indien de hoofdsom van de lening groter of gelijk is aan € 125.000 dient een verklaring van een accountant te worden bijgevoegd die is opgesteld conform het hieronder opgenomen model en met gebruikmaking van het hieronder opgenomen controleprotocol.

BEHORENDE BIJ DE UITVOERINGSOVEREENKOMST UIT HOOFDE WAARVAN EEN GELDLENING ZIJNDE VROEGEFASEFINANCIERING AAN EEN INNOVATIEVE STARTER, ACADEMISCHE INNOVATIEVE STARTER, HBO-INNOVATIEVE STARTER OF TO2-INNOVATIEVE STARTER WORDT VERSTREKT TEN BEHOEVE VAN EEN VROEGEFASETRAJECT VOOR ZOVER DE HOOFDSOM GROTER OF GELIJK IS DAN € 125.000

Plaats en datum

Handtekening

Naam accountant

Naam accountantskantoor

Dit controleprotocol heeft als doel het geven van aanwijzingen omtrent de reikwijdte en de intensiteit van de controle aan de accountant, belast met de controle van de door de Leningnemer bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in te dienen verantwoording over de aanwending van de hoofdsom voor de financiering van het vroegefasetraject.

Voor de controle van de financiële rechtmatigheid volgens dit protocol is de volgende wet- en regelgeving (inclusief eventuele wijzigingen hierin) van toepassing:

Bij de uitvoering van de controle stelt de accountant tevens vast dat:

De controle moet voldoen aan de controlestandaarden die onderdeel zijn van de nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS), die door de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) zijn vastgesteld.

Zonder de in voorgaande alinea geformuleerde voorschriften in te perken, zijn voor de controle van specifieke financiële verantwoordingen ten behoeve van de vaststelling van bijdragen vanuit EZ zoals in dit geval een subsidie in de vorm van een geldlening met name de volgende aandachtspunten van belang:

Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de subsidievoorwaarden streeft de accountant naar een redelijke mate van zekerheid. Indien dit begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, wordt een betrouwbaarheid van 95 procent gehanteerd.

Een controleverklaring met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven eerder genoemde betrouwbaarheid, de som van de afwijking en de onzekerheid niet groter is dan twee procent van het totaalbedrag aan subsidiabele kosten dat in het financieel verslag wordt verantwoord. De hierna vermelde goedkeuringstoleranties zijn in dit kader van toepassing voor de bepaling van de strekking van de af te geven controleverklaring.

De accountant legt de uitkomsten van de controle vast in een controleverklaring.Verwezen wordt naar de voorbeeldtekst bij dit controleprotocol.

De Auditdienst Rijk (ADR) kan een review uitvoeren op de uitgevoerde accountantscontrole inzake deze subsidie. De accountant, die de controle uitvoert, verstrekt de ADR desgevraagd alle inlichtingen en bescheiden27. De eventuele extra kosten van deze accountant in verband met de review zijn niet voor rekening van de Minister van Economische Zaken of de Staat der Nederlanden.

Afgegeven ten behoeve van ... (naam leninggever)

Aan: ... (naam leningnemer)

Wij hebben bijgaande verantwoording van de aanwending van de hoofdsom van de lening voor de financiering van het vroegefasetraject ingevolge de subsidiebeschikking en de uitvoeringsovereenkomst en eventuele wijzigingen ... (omschrijving, kenmerk en datum) van ... (naam Leningnemer) te ... (adres/statutaire vestigingsplaats) over 20XX (of voor een gebroken boekjaar: voor het jaar geëindigd op (datum) 20XX) gecontroleerd.

Leningnemer/Het bestuur van ... (naam Leningnemer) is verantwoordelijk voor het opstellen van de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom voor de financiering van het vroegefasetraject in overeenstemming met de subsidiebeschikking en de uitvoeringsovereenkomst. Leningnemer/Het bestuur van Leningnemer is tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opstellen van de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden, en het Controleprotocol Controleverklaring Vroegefasefinanciering. Dit vereist dat wij voldoen aan de voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de verantwoording geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.

Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opstellen van de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom door de leningnemer, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de leningnemer. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor het opstellen van de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.

Naar ons oordeel is de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom van <naam instelling/persoon> over de periode <datum> tot <datum> in alle van materieel belang zijnde aspecten opgesteld in overeenstemming met de begroting zoals opgenomen in brief <kenmerk> d.d. <datum> en de relevante bepalingen in de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.

De verantwoording van de aanwending van de hoofdsom is opgesteld voor ... (naam Leninggever: Staat der Nederlanden) met als doel ... (naam Leningnemer) in staat te stellen te voldoen aan de voorwaarden van de beschikking tot subsidieverlening en de uitvoeringsovereenkomst. Hierdoor is de verantwoording van de aanwending van de hoofdsom mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. De verantwoording van de aanwending van de hoofdsom met onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor ... (naam Leningnemer) en ... (naam Leninggever: Staat der Nederlanden) en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.

Een scheepsbouwinnovatieproject levert een bijdrage aan duurzame ontwikkeling op één of meerdere van de volgende gebieden:

Vervallen

GELDLENINGSOVEREENKOMST

Overeenkomst tussen:

in aanmerking nemende dat de Minister van Economische Zaken en Klimaat bij brief met kenmerk ‘RVO KENMERK’, aan ‘AANVRAGER_NAAM’ een subsidie in de vorm van een geldlening heeft verleend ter grootte van maximaal € ‘DOSSIER_GECOMMITTEERD’ op grond van artikel 3.22.2, vierde lid, onderdeel a, en vijfde lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies,

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

Het thematisch technology transferfonds verklaart dat het een ‘right of first refusal’ heeft ten aanzien van investeringsproposities van de fondspartijen en de fondsbeheerder met betrekking tot kennisstarters.

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst van geldlening bestemd voor de Staat worden gericht aan:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Team Financiering & Ondernemerschap

Postbus 93144

2509 AC Den Haag

Schriftelijke stukken ter uitvoering van deze overeenkomst van geldlening bestemd voor het thematisch technology transferfonds worden gericht aan:

‘NAAM THEMATISCH TECHNOLOGY TRANSFERFONDS’

‘ADRES THEMATISCH TECHNOLOGY TRANSFERFONDS’

Alle betalingen in verband met deze overeenkomst van geldlening door het thematisch technology transferfonds geschieden door overmaking van de betreffende bedragen naar het door de minister ter beschikking gestelde bankrekeningnummer onder vermelding van ‘PROJECTNUMMER TTT TOEKOMSTFONDS...’.

Door ondertekening van deze overeenkomst van geldlening verklaren het thematisch technology transferfonds en de fondspartijen dat zij alle relevante documenten met betrekking tot de investeringswijze en financiële uitvoering van het thematisch technology transferfonds hebben overgelegd aan de Staat en eventuele toekomstige relevante documenten ter goedkeuring zullen voorleggen aan de Staat.

Deze overeenkomst van geldlening gaat boven enige andere overeenkomst tussen en met de partijen in het thematisch technology transferfonds.

Indien het thematisch technology transferfonds op ‘DOSSIER_OORSPR_EINDDATUM’, of zoveel eerder, aan alle verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst van geldlening heeft voldaan sluiten de Staat, het thematisch technology transferfonds en de fondspartijen een overeenkomst om de beëindiging van deze overeenkomst van geldlening vast te stellen. Indien het deel van de inkomsten dat aan de Staat toekomt niet ten minste gelijk is aan het totaal aan bedragen dat is opgenomen op grond van artikel 2, derde lid, dient het thematisch technology transferfonds eerst een schriftelijk verzoek in bij de Staat tot kwijtschelding van het resterende bedrag van de lening, alvorens een vaststellingsovereenkomst kan worden aangegaan.

Deze overeenkomst van geldlening treedt in werking door de ondertekening daarvan door het thematisch technology transferfonds en de fondspartijen, die deze overeenkomst van geldlening mede ondertekenen gelet op de artikelen 2, eerste en zevende lid, 3, derde lid, onderdeel b, 4, zevende lid, 5, zesde lid, 6, derde en vierde lid, 7, zesde, zevende en tiende lid, 9, 11, 12, 13, 16, 17 en 18 en dit artikel 19 en de fondsbeheerder, die deze overeenkomst van geldlening mede ondertekent gelet op artikel 10.

Aldus is overeengekomen en in tweevoud ondertekend te .......... op ‘00 MAAND JAAR’

De Staat der Nederlanden

namens deze: de Minister van Economische Zaken en Klimaat,

namens deze: (naam bevoegde ambtenaar)

Plaats: .........

Handtekening: .........

Naam: .........

‘AANVRAGER_NAAM’

(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:

Medeondertekening in verband met het bepaalde in artikel 19

‘Fondsbeheerder_NAAM’

(na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:]

<<Medeondertekening in verband met het bepaalde in artikel 19

‘Fondspartij 1_NAAM’ (na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:

<<‘Fondspartij 2_NAAM’ (na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam:

‘Fondspartij 3_NAAM’ (na(a)m(en) bevoegd(e) perso(o)n(en))

Plaats:

Handtekening:

Naam: >>

Vervallen

De ondergetekenden:

hierna tezamen ook genoemd: Partijen;

hebben het volgende overwogen:

Partijen komen het volgende overeen:

Voor de toepassing en de uitleg van deze overeenkomst zijn van overeenkomstige toepassing de begrippen die worden gebruikt en omschreven in:

Leningnemer is verplicht met het oog op de comptabele en beleidsmatige verantwoording op de uitvoering van de Overeenkomst aan de Staat, in dit geval de Minister van Economische Zaken en personen die door de Staat als toezichthouder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht zijn aangewezen voor zover deze dit redelijkerwijs noodzakelijk achten voor de vervulling van hun taak:

Gedurende de looptijd van deze Overeenkomst zal Leningnemer niet dan na schriftelijke toestemming van de Leninggever:

Kennisgevingen met betrekking tot deze overeenkomst worden, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, gedaan aan de hierna vermelde adressen:

De Overeenkomst kan uitsluitend worden gewijzigd, nadat beide Partijen schriftelijk met de wijziging hebben ingestemd. De wijziging en de verklaringen tot instemming worden in afschrift als bijlage aan deze Overeenkomst gehecht. Tegen het voorgaande kan geen tegenbewijs worden geleverd. Dit is een bewijsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW.

Aldus in tweevoud ondertekend

LENINGNEMER

Namens deze:

[Naam ondertekenaar];

[naam Functieondertekenaar];

[statutaire naam Organisatie ondertekenaar];

[plaats, d.d. [datum]

LENINGGEVER

de Minister van Economische Zaken,

namens deze:

[Naam ondertekenaar]

[functieondertekenaar]

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Den Haag, d.d. [DATUM]

Onderwerp 1. Regionale impact (Schaalsprong verbetering aansluiting onderwijs op arbeidsmarkt)

In de regiovisie zijn onderbouwde keuzes gemaakt voor de afbakening van de regio.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de kwaliteit van de regiovisie hoger is, blijkend uit onder andere:

De doelstellingen van het project vloeien voort uit de regiovisie en de nulmeting en de ambities van de doelstellingen van het project qua bereik (ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten) ten opzichte van de bestaande situatie zijn groot.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend indien de doelstellingen van het project (meer) ambitieus zijn qua bereik (ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten en docenten) en de verwachtte regionale impact, relatief gezien, groter is ten opzichte van de bestaande situatie. Dit kan blijken uit:

Onderwerp 2. Samenwerking en draagvlak

Er is een gedragen samenwerking tussen de partners in het samenwerkingsverband.

De samenstelling van het samenwerkingsverband en de overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld zijn duidelijk weergegeven (denk aan: welke partners maken wel of niet deel uit van de verduurzaamde PPS en waarom? Wordt er gewerkt met een groeimodel?). Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de samenwerking meer vertrouwen geeft in een succesvolle en verduurzaamde uitvoering van het plan van aanpak, blijkend uit onder andere:

Er is draagvlak voor het plan bij interne en externe stakeholders.

Het draagvlak onder externe stakeholders wordt inzichtelijk gemaakt. Externe stakeholders zijn partners van de aanvrager uit de regio. Het gaat hier bijvoorbeeld om andere mbo-instellingen, scholen in het voorgezet onderwijs, hogescholen, regionale overheden, werkgevers en andere arbeidsorganisaties. Interne stakeholders zijn in ieder geval (vertegenwoordigers van) studenten, docenten en bij de PPS betrokken relevante partijen, zoals arbeidsorganisaties en ondernemingen. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate het draagvlak van het project onder interne en externe stakeholders groter is, blijkend uit:

Onderwerp 3. Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

De partners hebben een stevig trackrecord.

De partners hebben een trackrecord van effectieve en verduurzaamde samenwerking en van substantieel bereik van ondernemingen, werknemers, beroepsonderwijs, studenten. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de basis substantieel en robuust is.

De organisatie is zodanig ingericht dat een succesvolle uitvoering van het plan van aanpak mogelijk is.

Het plan van aanpak toont aan dat er een deskundige (project)organisatie wordt ingericht voor de uitvoering van het project, inclusief sturing op een efficiënte inzet van middelen, samenwerking, planning, evaluatie en communicatie. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de kwaliteit van de voorgestelde organisatie hoger is, blijkend uit onder andere:

De doelstellingen en activiteitenplanning zijn uitvoerbaar en haalbaar binnen de gehele projectperiode.

De uitvoerbaarheid en haalbaarheid van het project zijn inzichtelijk gemaakt in een faseplan (inclusief taakverdeling tussen de partners) voor de eerste twee jaar van de projectperiode en een globale activiteitenplanning voor overige jaren van de projectperiode. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van de het faseplan groter is, blijkend uit onder andere:

De project gerelateerde risico’s en de beheersmaatregelen zijn in kaart gebracht.

Uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan de mogelijke risico’s en bijbehorende beheersmaatregelen. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de risico’s worden beschreven en ondervangen in het plan van aanpak, blijkend uit:

Er is voldoende aandacht voor evaluatie en bijsturing.

Uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan evaluatie en bijsturing.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is besteed aan evaluatie en bijsturing, blijkend uit:

Uit het project blijkt dat er aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie (op het niveau van het project).

Uit het plan van aanpak blijkt dat systematische reflectie plaatsvindt met alle organisatiegeledingen op de voortgang in processen, activiteiten en effecten.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate uit het plan van aanpak blijkt dat er voldoende aandacht is voor een onderzoekende en lerende organisatie (op het niveau van het project), blijkend uit:

Onderwerp 4. Financiering

Er is een realistische begroting van het project, die inzichtelijk en evenwichtig is. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de begroting realistischer is, blijkend uit onder andere:

De doelstellingen worden op een zo kostenefficiënt mogelijke manier bereikt.

Uit de aanvraag blijkt dat de middelen (geld, tijd en mankracht) zo efficiënt mogelijk worden ingezet om maximale resultaten te bereiken. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de doelstellingen van de verduurzaamde PPS zo efficiënt mogelijk worden bereikt, blijkend uit onder andere:

De vereiste cofinanciering is aangetoond.

Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate de cofinanciering beter is geborgd voor de gehele subsidieperiode, blijkend uit onder andere:

Onderwerp 5. Verduurzaming

Er voldoende aandacht wordt besteed aan de verduurzaming van de activiteiten, zodat de samenwerking na afloop van de subsidieperiode kan worden voortgezet.

Uit het plan van aanpak en de meerjarenbegroting blijkt dat er voldoende aandacht wordt besteed aan toekomstverkenningen zodat de samenwerking na afloop van de subsidieperiode kan worden voortgezet. Voor dit deelaspect wordt een hogere score toegekend naarmate er een heldere beschrijving van concrete activiteiten is waaruit blijkt dat de partners in de projectperiode verduurzamingsmogelijkheden en verdienmodellen gaan verkennen.

In 2022 is het programma Circular Plastics NL toegekend vanuit het Nationaal Groeifonds. Dit programma wil de recycling van kunststoffen nationaal een impuls geven door huidige knelpunten weg te nemen.

Het programma Circular Plastics NL wil een geïntegreerde aanpak faciliteren en kent acht programmalijnen:

De subsidiemodule Circular Plastics NL heeft voor de openstelling in 2026 betrekking op de programmalijnen P1 t/m P6.

De subsidiemodule Circular Plastics NL kent twee typen projecten:

Het doel van Circular Plastics NL-onderzoeksprojecten is onderzoek naar of ontwikkeling van processen, methodieken of technieken gericht op:

Onderzoeksprojecten moeten betrekking hebben op één van de volgende onderwerpen:

Het doel van Circular Plastics NL-showcases is om knelpunten in een circulaire waardeketen van een materiaalstroom in een bepaalde (product)keten weg te nemen, door het doen van technisch onderzoek en het valideren van de technologie op pilotschaal (pilotproject) of demonstratieschaal (showcase met een onderdeel investering in een CPNL-demonstratieproject). Projecten moeten betrekking hebben op één van de volgende onderwerpen:

Het Circular Plastics NL programma is gericht op hoogwaardige recycling, waarmee plastic afvalstoffen opnieuw worden verwerkt tot producten, materialen of stoffen voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel (andere plastic toepassing). Projecten die gericht zijn op energieterugwinning uit plastic afvalstromen of het opwerken van plastic afvalstromen tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal vallen daarmee buiten de doelstelling van de subsidiemodule Circular Plastics NL en komen niet in aanmerking voor subsidie.

Samenwerkingsverband

Voor het sluiten van plastic waardeketens is samenwerking tussen de verschillende spelers in een waardeketen van groot belang. Minimaal 1 onderneming uit de waardeketen dient vertegenwoordigd te zijn in het samenwerkingsverband om tot toepasbare projectresultaten te komen.

Deze subsidie-module richt zich met de Circular Batteries-projecten op de huidige generatie batterijen en volgende generatie batterijen. Onder de huidige generatie batterijen worden verstaan de typen batterijen die bij indiening van het Nationaal Groeifondsprogramma Material Independence and Circular Batteries (het NGF-programma MICB), in 2023, tot de stand der techniek behoorden en commercieel en op grote schaal geproduceerd werden. Voorbeelden hierbij zijn de lithium-ionbatterijtypen NMC-batterij (met een kathode van nikkel, mangaan en kobalt en een anode van grafiet; omvattende in ieder geval de typen NMC 111, NMC 622, NMC 433, NMC 532 en NMC 811), de LFP-batterij (met een kathode van lithium, ijzer en fosfaat en een anode van grafiet). Batterijen die niet binnen de definitie van huidige generatie batterijen vallen en verbeterde prestaties of verminderd gebruik van kritieke materialen laten zien, worden in deze context gezien als volgende/nieuwe generatie batterijen. Deze categorie kan een verbeterde versie van de lithium-ionbatterijen omvatten (zoals de NMC 9.5.5 batterij), maar zal met name zien op geheel nieuwe batterijtypen, zoals de (semi-)vastestofbatterij, de natriumbatterij en batterijtypen met een verbeterde anode, zoals de siliciumanode of grafeenanode.

Per onderwerp is een korte beschrijving van het doel van het onderwerp opgenomen (paragraaf 1.2). Daarnaast is aangegeven voor welke samenwerkingen het onderwerp opengesteld is, welke rollen (paragraaf 1.1) aanwezig dienen te zijn in een samenwerkingsverband (tabel ‘onderwerpen subsidiemodule Circular Batteries’) en wat voor type activiteiten in de projecten binnen het onderwerp uitgevoerd mogen worden (paragraaf 1.2.1).

Voor het stimuleren van een Nederlands batterijecosysteem en het verkrijgen van enkele control points in de batterijwaardeketen is samenwerking tussen verschillende spelers van het samenwerkingsverband van groot belang. Daarom worden per onderwerp eisen gesteld aan de samenstelling van het samenwerkingsverband, zodat de verschillende rollen die nodig zijn om tot toepasbare projectresultaten te komen, betrokken zijn. Daarbij geldt dat het gaat om de rol die een deelnemer in het samenwerkingsverband vervult binnen het project. Een onderneming kan in een project meerdere rollen vervullen of een rol vervullen die niet de hoofdactiviteit van deze onderneming is. Wel dient aannemelijk te zijn dat de onderneming de rol kan uitvoeren.

Binnen de onderwerpen kunnen de volgende rollen worden onderscheiden:

Een overzicht van de onderwerpen die onderdeel zijn van de subsidiemodule Circular Batteries, met daarbij de voorziene rollen en het aantal rollen dat ten minste dient te zijn ingevuld bij aanvang van een Circular Batteries-project is weergegeven in de onderstaande tabel ‘onderwerpen subsidiemodule Circular Batteries’. Deelnemers binnen een Circular Batteries-project worden gestimuleerd om alle rollen zoals weergegeven in de genoemde tabel in te vullen. Er geldt echter een minimum aantal rollen dat verplicht ingevuld dient te worden bij aanvang van het project, naar inzicht van de deelnemers. Na aanvang van het Circular Batteries-project geldt dat bij wijziging van de samenstelling van het samenwerkingsverband de deelnemers voldoende expertise aanwezig dienen te hebben om het Circular Batteries-project voort te zetten op een voor het project zinvolle manier.

Onderwerp 1: Terugwinning van kritieke materialen door verbetering van recyclingsstappen van lithiumbatterijen

Dit onderwerp betreft het stimuleren van de recyclingsmarkt van lithiumbatterijen om een circulaire economie rondom batterijen mogelijk te maken. Met behulp van activiteiten binnen dit onderwerp wordt geprobeerd de recycling van lithiumbatterijen te ontwikkelen door concurrerende productieprocessen te ontwikkelen voor de productie van black mass met een productie van twee kiloton per jaar. Dit wordt bepaald door poorttarieven met de huidige marktprijzen te vergelijken. Binnen het project dient er aandacht te zijn voor de verbetering van processen rondom recycling met behulp van intensievere samenwerking in de keten, kennisopbouw en kennisdeling, vermindering van CO2 impact en vermindering van afvalstromen. Er dient hierbij sprake te zijn van de mogelijkheid om alle batterijchemiesoorten te kunnen verwerken, meer specifiek met betrekking tot zowel NMC, LFP als lithiumthionyl (LTC)-batterijen. Ook dient er sprake te zijn van significante reductie van chemicaliëngebruik. Alle processen binnen dit onderwerp dienen in lijn te zijn met de dan geldende regelgeving voor brand- en arboveiligheid, zoals PGS 37, Arbowet, Omgevingswet, Besluit externe veiligheid inrichtingen en de Nederlandse Brandveiligheidsnormen.

Een Circular Batteries project binnen dit onderwerp richt zich op ten minste vijf van onderstaande subthema’s:

Onderwerp 2: Ontwikkeling en toepassing van langeduurbatterijtechnologie en samenwerking in expertisecentrum

Dit onderwerp richt zich op de ontwikkeling van langeduuropslag. Langeduuropslag betreft energieopslag van minimaal 8 uur tot meerdere dagen en mogelijk tot zelfs 1 tot 2 weken met toepassingen in ieder geval stabilisatie van het energiesysteem en bij grootverbruikers, zoals de industrie. De projecten dienen zich te richten op batterijconcepten met zo min mogelijk gebruik van kritieke materialen. De realisatie van dit onderwerp betreft langeduuropslag met een opslagcapaciteit die ten minste een factor acht groter is dan het vermogen, waarbij idealiter opslagcapaciteit en vermogen afzonderlijk van elkaar kunnen worden ontworpen. Dit onderwerp draagt bij om in de toekomst de beste technologieën te selecteren die geschikt zijn voor langeduurbatterijopslag, met het doel om in de toekomst een demonstratieproject op te zetten met die technologie (waarbij het demonstratieproject geen onderdeel is van dit onderwerp). De oprichting van een expertisecentrum heeft als doel om kennis over het gebruik van langeduuropslag in verschillende toepassingen te delen, zodat een soepele uitrol van langeduuropslag kan plaatsvinden.

Een Circular Batteries project binnen dit onderwerp richt zich op de volgende subthema’s:

Daarnaast richt een Circular batteries project zich binnen dit onderwerp op ten minste één van onderstaande subthema’s:

Onderwerp 3: Onderzoek en ontwikkeling van batterijmaterialen inclusief bijbehorende productieapparatuur en -processen voor een volgende generatie lithiumbatterijen

Dit onderwerp richt zich op de ontwikkelingen van duurzame celmaterialen, -componenten en productieprocessen, meer circulair te maken en op te schalen tot industriële schaal voor toepassing in lithium-ionbatterijcellen, in ieder geval voor de heavy duty mobiliteitsmarkt (zwaar wegvervoer, off road mobiliteit, luchtvaart en scheepvaart).

Zo dienen binnen dit onderwerp hogere energiedichtheden en kortere laadtijden te worden bereikt met doorontwikkeling van diverse nieuwe anodematerialen zoals silicium. Het project dient ook bij te dragen aan de ontwikkeling van duurzamere kathodes door reductie van het gebruik van kritieke materialen (onder andere kobalt en nikkel) en het energiegebruik tijdens de productie (dry processing, reductie CO2-uitstoot). Daarnaast dient een duurzaam elektrolyt te worden ontwikkeld dat kan worden geïntegreerd met de ontwikkelde anode- en kathodematerialen in een volledige batterijcel.

Een Circular Batteries project binnen dit onderwerp richt zich op ten minste vier van onderstaande subthema’s:

Onderwerp 4: Circulaire batterijsystemen voor heavy duty mobiliteit

Dit onderwerp betreft de ontwikkeling van innovatieve en circulaire batterijpakketten en hun produceerbaarheid. Het gaat in dit thema niet om de verbetering van de batterijcel, maar om innovatie in de integratie van bestaande cellen in modules (een gestandaardiseerde samenstelling van batterijcellen) en pakketten (een samenstelling van batterijmodules, samengesteld voor functionaliteit in de beoogde toepassing), en integratie met systemen die de batterij aanmerkelijk verbeterd kunnen laten werken (zoals een battery management systeem (BMS)).

Toepassingen die binnen deze regeling onder heavy duty mobiliteit worden verstaan zijn voertuigen in het zwaardere vervoerssegment waaronder bussen, trucks, schepen, industriële mobiele voertuigen en vliegtuigen.

Een Circular Batteries project richt zich voor dit onderwerp op ten minste drie van onderstaande subthema’s:

De doelstelling van het onderdeel ‘Elektriciteit’ binnen de subsidiemodule Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten te stimuleren op de hierna in hoofdstuk 2 genoemde innovatiethema’s. Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing en dragen bij aan een betaalbare, betrouwbare, duurzame en veilige energievoorziening.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving door de innovatie toe te passen in een deel van een zonne- of windstroomsysteem. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn.

Innovatiethema 1 sluit aan op het Meerjarige Missiegedreven Innovatieprogramma (MMIP)1. Projecten binnen dit innovatiethema betreffen innovaties die leiden tot concrete oplossingen die de opschaling van hernieuwbare energieproductie op zee mogelijk maken, waarbij de (systeem)kosten aanvaardbaar zijn en aan randvoorwaarden met betrekking tot ecologie, circulariteit en ruimtelijke inpassing wordt voldaan.

Onder dit innovatiethema vallen projecten die passen binnen ten minste één van de volgende subthema’s.

Dit subthema betreft innovatieprojecten die leiden tot structurele verbetering van de business case van windparken op zee door middel van kostenreductie, opbrengst- of waardeverhoging. Projecten binnen dit subthema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

Projecten binnen dit subthema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

Projecten binnen dit subthema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

Innovatiethema 2 sluit aan op MMIP 22. Projecten binnen dit innovatiethema betreffen innovaties voor hernieuwbare elektriciteitsopwekking op land en in de gebouwde omgeving.

Onder dit innovatiethema vallen projecten die passen binnen ten minste één van de volgende subthema’s van MMIP 2.

Projecten binnen dit subthema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

Projecten binnen dit subthema betreffen de ontwikkeling van innovaties die bijdragen aan het technisch, economisch en maatschappelijk mogelijk maken van zonnestroomsystemen in de gebouwde omgeving, op land en (groot)binnenwater.

Projecten binnen dit subthema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

De doelstelling van dit onderdeel van de subsidiemodule Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO) is de ondersteuning van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten binnen de in hoofdstuk 2 genoemde innovatiethema’s om te komen tot nieuwe of aanmerkelijk verbeterde producten, diensten of processen die binnen vijf jaar (uiterlijk in 2029) na de start van het project) tot een eerste toepassing in Nederland leiden en daarmee bijdragen aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Dit onderdeel van de EKOO is aanvullend op de subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI), opgenomen in paragraaf 4.2.7 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. Dit onderdeel betreft innovatieve ontwikkelingen van ondernemingen die niet of nog niet in een grootschalig consortium kunnen worden opgepakt. De projecten van deze subsidiemodule dragen bij aan de deelprogramma’s van de Meerjarige Missiegedreven Innovatieprogramma’s (MMIP's) 33, 44 en 55.

Dit innovatiethema sluit aan bij MMIP3. Het thema is gericht op innovaties die leiden tot verbeterde verduurzamingsarrangementen voor de volgende gebouwtypen:

Projecten die binnen één of meer van de volgende deelthema’s vallen, komen in aanmerking voor subsidie.

Dit deelthema bevat innovatieprojecten die activiteiten uitvoeren op een of meer van de volgende onderdelen:

Dit deelthema bevat innovatieprojecten die activiteiten uitvoeren op een of meer van de volgende onderdelen:

Dit innovatiethema sluit aan bij MMIP4. Dit thema richt zich op realiseren van een aantrekkelijk aanbod van warmte- en koudevoorzieningen voor huis- en gebouweigenaren voor het aardgasvrij maken van woningen en gebouwen.

Projecten die binnen een of meer van de volgende deelthema’s passen, komen in aanmerking voor subsidie.

Dit deelthema bevat innovatieprojecten die activiteiten uitvoeren op een of meer van de volgende onderdelen:

Dit deelthema bevat innovatieprojecten die activiteiten uitvoeren op een of meer van de volgende onderdelen:

Dit innovatiethema sluit aan bij MMIP5. Het thema is gericht op innovaties die nodig zijn om een betrouwbare, betaalbare en eerlijke elektriciteitsvoorziening in de gebouwde omgeving waar te borgen, terwijl het gebruik van elektriciteit en productie uit (decentrale) hernieuwbare energiebronnen toeneemt. Het gaat om elektrificatie van gebouwen, wijken en bedrijventerreinen en elektrische infrastructuur in de gebouwde omgeving.

Dit thema bevat innovatieprojecten die activiteiten uitvoeren op een of meer van de volgende onderdelen:

De doelstelling van het onderdeel ‘Industrie’ binnen de subsidiemodule Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten op de hierna in hoofdstuk 2 genoemde innovatiethema’s te stimuleren. Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing en dragen bij aan een betaalbare transitie naar een klimaatneutrale en circulaire industrie die geïntegreerd is in het energiesysteem.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn, maar gaat om het implementeren van de innovatie binnen een gedeelte van een industrieel proces waarbij ook expliciet rekening wordt gehouden met de inpassing van de innovatie in het energiesysteem.

Onder het begrip ‘industrie’ wordt verstaan het geheel van ondernemingen die materiële goederen produceren, waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep B, C, D (alleen energiedistributie) of E.

Innovatiethema 1 sluit aan op het Meerjarige Missiegedreven Innovatieprogramma (MMIP) 63. Projecten binnen dit thema betreffen technologieën die de koolstofketen sluiten en het gebruik van virgin fossiele grondstoffen vermijden door het gebruik van CO of CO2 als grondstof voor koolstofchemie. De CO kan afkomstig zijn uit restgassen of vergassing van diverse grondstoffen. CO2 kan afkomstig zijn uit geconcentreerde stromen (restgassen en rookgassen), rechtstreeks uit de atmosfeer of uit zeewater. Dit thema betreft het deelprogramma Carbon capture and Utilisation (CCU) van MMIP 6.

Innovatiethema 2 sluit aan op MMIP 74. Projecten binnen dit thema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

Innovatiethema 3 sluit aan op MMIP 85. Projecten binnen dit thema betreffen digitale innovaties en technieken op het gebied van producten en diensten die keten- en systeemverandering en elektrificatie ondersteunen.

Innovatiethema 4 sluit aan op MMIP 136. Projecten binnen dit thema betreffen nieuwe duurzame oplossingen voor de industrie die zorgen voor substantieel meer flexibiliteit in de industriële energievraag en deze energieflexibiliteit kunnen inzetten met aantoonbare systeemvoordelen.

De doelstelling van dit onderdeel van de subsidiemodule Energie & Klimaat Onderzoek en Ontwikkeling (EKOO) is de ondersteuning van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten binnen de in hoofdstuk 2 genoemde innovatiethema’s om te komen tot innovatieve en circulaire producten, processen en diensten die binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing in Nederland leiden en die niet of nog niet door een grootschalig consortium kunnen worden opgepakt.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving. Hierbij hoeft het nog niet te gaan om grootschalige uitrol van de innovatie. Daarnaast kan het, bij de beoordeling van de bijdrage van het project aan de doelstelling, positief meewegen als innovaties eerder tot een eerste toepassing leiden.

Binnen dit onderdeel gaat het om projecten met betrekking tot circulaire producten, processen of diensten die bij een eerste toepassing leiden tot:

Projecten binnen dit innovatiethema zijn gericht op een toepassing binnen één of meer van de productgroepen10 in onderstaande tabel.

1https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/02/03/nationaal-programma-circulaire-economie-2023-2030

2 Kamerstukken II 2022/23, 32 852, nr. 224 (Nationale Grondstoffenstrategie) en Kamerstukken II 2023/24, 32 852, nr. 291 (Voortgang Nationale Grondstoffenstrategie).

De volgende typen projecten komen in aanmerking voor subsidie:

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen:

Dit innovatiethema betreft projecten die zijn gericht op onderzoek naar en ontwikkeling van producten waarin minimaal 25% van de fossiele grondstoffen worden vervangen door biopolymeren op basis van biogrondstoffen of door minimaal 25% recyclaat uit mechanische recycling, chemische depolymerisatie of dissolutie. Dit innovatiethema omvat ook onderzoek en ontwikkeling aan productieprocessen in alle stappen van sortering tot en met recycling van plastic afval. Het gaat om projecten die betrekking hebben op toepassing van polymeren in plastic deel- en eindproducten.

Projecten kunnen betrekking hebben op de volgende subthema's:

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen projecten gericht op:

Innovatiethema 3 geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma Biobased Circular7. Het thema betreft onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten om te komen tot circulaire waardeketens voor polyesters op basis van koolhydraatrijke biogrondstoffen (biogebaseerd). De biogebaseerde polyesters vinden hun toepassing in kunststoffen (nieuw of reeds in ontwikkeling, zoals PEF, bio-PET, PLA en PHA), harsen, coatings of composieten. Het gaat om toepassingsgebieden met potentiële afzetmarkten waar een gewichtsvolume in tonnen nodig is en die dus zowel economisch als wat betreft CO2-reductie en circulariteit voor Nederland van betekenis zijn.

Onder dit innovatiethema vallen projecten die passen binnen ten minste één van de volgende subthema’s.

Projecten binnen dit subthema betreffen het opnieuw ontwerpen van bestaande halffabricaten en producten en het ontwikkelen van nieuwe halffabricaten en producten met circulaire ontwerpprincipes. Het gaat om de ontwikkeling en validatie op multi-kg schaal in industriële productieprocessen van biogebaseerde polyesters en de applicatie daarvan.

Projecten binnen dit subthema betreffen het ontwikkelen van biogebaseerde bouwstenen (zoals polyolen, dicarbonzuren of hydroxycarbonzuren) of polyesters. Dit omvat tevens projecten gericht op het ontwikkelen van bouwstenen of polymeren met een verbeterde functionaliteit en recycleerbaarheid of biodegradeerbaarheid. De ontwikkeling van deze nieuwe bouwstenen en polyesters worden tijdens het project ontwikkeld en gevalideerd.

Projecten binnen dit subthema betreffen het ontwikkelen van nieuwe of verbeteren van productieprocessen voor biogebaseerde bouwstenen (zoals polyolen, dicarbonzuren of hydroxycarbonzuren) of polyesters. Het gaat hierbij om het ontwikkelen van een geheel nieuwe technologie of het op een innovatieve manier combineren van bestaande technologieën. Het nieuwe productieproces draagt bij eerste toepassing bij aan de in hoofdstuk 1 van deze bijlage genoemde klimaatdoelstellingen.

Projecten binnen dit subthema betreffen het ontwikkelen of opschalen van biogrondstofroutes op basis van koolhydraatrijke stromen. Onder biogrondstofroute wordt verstaan de combinatie van productie van biogrondstoffen met de verwerking van biogrondstoffen tot een suiker, bouwsteen of polyester (innovatiethema 3.2). In het geval van suiker dient deze weer als grondstof voor de productie van de in innovatiethema 3.2 genoemde bouwstenen en polymeren.

Projecten maken gebruik van de volgende biogrondstoffen:

Projecten omvatten in ieder geval de verwerking van de ruwe biogrondstof naar:

Projecten kunnen onderzoek bevatten naar de productie van de biogrondstoffen, mits dit leidt tot betere of meer grondstof voor de raffinage. Ook kunnen projecten zich deels richten op onderzoek naar de logistiek en opslag van biogrondstoffen. Voor de jaarrond productie van een biogrondstoffenverwerker is de logistieke aanvoer van biogrondstoffen en de opslag van belang, omdat biogrondstoffen snel kunnen bederven.

Projecten binnen dit subthema betreffen het ontwikkelen van nieuwe of verbeteren van een bestaande einde levensduur-verwerkingmethode van biogebaseerde producten en materialen. Projecten betreffen het ontwikkelen en valideren van recyclingprocessen voor biogebaseerde polyesters. Onder recycling vallen mechanische, chemische en organische recycling.

Projecten binnen dit subthema betreffen het ontwikkelen van nieuwe diensten om biopolyester applicaties te gebruiken in closed loops. Projecten betreffen het ontwikkelen en valideren van nieuwe gebruikssystemen van biogebaseerde polyesters ter bevordering van de marktcreatie en het hergebruik ervan. Het ontwikkelde systeem omvat de volgende stappen ten minste één keer: het gebruik, de inzameling of sortering en vervolgens het hergebruik of de recycling van de biogebaseerde polyester applicaties. Onder recycling vallen mechanische, chemische en organische recycling.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De doelstelling van het onderdeel ‘Elektriciteit’ binnen de subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten te stimuleren op de hierna in onderdeel B genoemde innovatiethema’s. Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing en dragen structureel bij aan een betaalbare, betrouwbare, duurzame en veilige energievoorziening.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een echte werkomgeving door de innovatie toe te passen in een deel van een zonne- of windstroomsysteem, een nucleaire reactor of een opslagsysteem voor radioactief afval.12 Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn.

Innovatiethema 1: Innovaties die de business case van energieparken op zee verbeteren, de maatschappelijke impact verlagen en versnelling van aanleg bevorderen

Een energiepark op zee omvat in ieder geval windturbines voor productie van elektriciteit, het elektrische netwerk, de aansluiting op het elektriciteitsnet en de systemen die nodig zijn voor de aansturing van de installaties. Daarnaast kan een energiepark op zee ook het volgende omvatten: alternatieve technieken voor elektriciteitsproductie, elektriciteitsopslag, installaties voor conversie van elektriciteit naar andere energiedragers en transport en opslag van die andere energiedragers. Innovatieve oplossingen op land vallen eveneens binnen de reikwijdte van dit innovatiethema, mits deze bijdragen aan de business case voor het energiepark op zee.

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

Innovatiethema 2: Innovaties die de business case van geïntegreerde opweksystemen op land verbeteren, bijdragen aan een betere ruimtelijke inpassing en de veiligheid van deze systemen vergroten

Een geïntegreerd opweksysteem op land (inclusief de gebouwde omgeving) bestaat uit zonnestroomsystemen of windturbines voor elektriciteitsproductie, de aansluiting op het net of de besturing van het systeem. Daarnaast kan het systeem ook bestaan uit andere technieken voor duurzame elektriciteit, installaties voor opslag van elektriciteit, installaties die stroom omzetten in andere energiedragers, transport- en opslagsystemen voor die energiedragers, onderdelen die aanvullende diensten leveren aan het elektriciteitsnet, voorzieningen voor ruimtelijke inpassing of bescherming van landschap en natuur.

Projecten binnen dit thema betreffen innovaties die hernieuwbare elektriciteit op land beter laten aansluiten op het energiesysteem en de omgeving.

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen ten minste één van de volgende onderzoeks- en ontwikkelrichtingen:

Innovatiethema 3: Verbetering van het asset management van opweksystemen, zodat deze systemen goed blijven werken, onderhoud gerichter en goedkoper worden en de veiligheid behouden blijft

Projecten binnen dit thema betreffen innovaties die het beheer van opweksystemen voor hernieuwbare elektriciteit op land (inclusief de gebouwde omgeving) efficiënter, goedkoper, betrouwbaarder en veiliger maken.

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen ten minste één van de volgende ontwikkelrichtingen:

Innovatiethema 4: Ontwikkeling zonnestroomtechnologie

Projecten binnen dit thema betreffen innovaties die bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe generatie zonnestroomproducten. Deze producten hebben een hoog rendement, zijn in hoge mate circulair en zijn ruimtelijk goed te integreren.

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen flexibele perovskietfolies, de producten waarin deze folies worden toegepast, de benodigde productieapparatuur en -processen.

In die projecten wordt de volledige keten betrokken: kennisinstellingen, machinebouwers, materiaalleveranciers en producenten.

Innovatiethema 5: Kernenergie

Het innovatiethema kernenergie is opgesplitst in twee onderdelen. Een project richt zich op ten minste één van de volgende subthema’s.

5a: Nucleaire reactor- en splijtstofcyclustechnologie

Dit subthema betreft projecten voor innovaties die betrekking hebben op de ontwikkeling van Generatie-IV reactoren of Small Modular Reactors (SMR’s) van ten minste Generatie III+, inclusief micro reactoren.

5b: opslag radioactief afval in geologische eindberging

Dit subthema betreft projecten voor innovaties die betrekking hebben op de ontwikkeling van veilige, kosten-efficiënte berging van radioactief afval in een geologische eindberging. Het gaat hierbij om systemen die aantoonbaar de kosten voor opslag en verwerking van hoogradioactief afval verlagen binnen van toepassing zijnde internationale veiligheidseisen (zoals beschreven in de Safety Standards van het IAEA).

De doelstelling van het onderdeel ‘Gebouwde Omgeving’ binnen de subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten te stimuleren op de hierna in onderdeel B genoemde innovatiethema’s. Deze projecten leiden binnen vijf jaar na de start van het project tot een eerste toepassing.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de innovatie in de omgeving waarvoor die is ontwikkeld, namelijk binnen een gebouw, gedeelte van een woonwijk, bedrijventerrein of andere omgeving. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn. Daarnaast draagt de innovatie bij aan een betaalbare, betrouwbare, duurzame (energiezuinige) en veilige woon-, leef- en werkomgeving en energievoorziening voor gebruikers en omwonenden.

Innovatiethema 1: Innovatieve verduurzamingsoplossingen voor de verduurzamingsopgave van de bestaande gebouwde omgeving

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen ten minste één van de volgende ontwikkelrichtingen:

Verduurzamingsoplossingen hebben betrekking op de volgende verschillende segmenten van de gebouwde omgeving:

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten waarbij producten, diensten of processen worden ontwikkeld die gerelateerd zijn aan waterstof of groen gas.

Innovatiethema 2: Innovaties die bijdragen aan een toekomstbestendig energiesysteem voor woonwijken, bedrijventerreinen, kantoor- of winkelgebieden

Projecten binnen dit thema betreffen de volgende eigenschappen:

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten waarbij producten, diensten of processen worden ontwikkeld die gerelateerd zijn aan waterstof of groen gas.

De doelstelling van het onderdeel ‘Industrie’ binnen de subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten te stimuleren op de hierna in onderdeel B genoemde innovatiethema's. Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing en dragen bij aan een betaalbare transitie naar een klimaatneutrale en circulaire industrie die geïntegreerd is in het energiesysteem.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving door middel van implementatie van de innovatie binnen een gedeelte van een industrieel proces. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn.

Innovatiethema 1: Conversieprocessen en ketens voor toepassing van nieuwe commodities

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen conversieprocessen en ketens voor het efficiënt omzetten van nieuwe commodities in industriële eindproducten. Nieuwe commodities zijn nieuwe koolstof- en stikstofhoudende grondstoffen.

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten gericht op:

Innovatiethema 2: Innovaties voor industriële Multi-commodity Energy Hubs

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen innovaties die de realisatie van Multi-commodity Energy Hubs (hierna: MCEH’s) in de industrie helpen versnellen. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van technologische componenten en onderzoek naar de inpassing van deze technologieën in een MCEH.

Een MCEH is een cluster van bedrijven waar meerdere energiedragers (zoals elektriciteit, warmte en waterstof) aan elkaar gekoppeld zijn (fysiek of digitaal). Binnen de hub worden energie en grondstoffen steeds afgestemd en zo efficiënt mogelijk gebruikt.

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten gericht op:

Innovatiethema 3: Ontwikkeling van duurzame ketens voor productie van bouwstenen en toepassingen voor polyester biopolymeren op basis van koolhydraten (NGF BioBased Circular)

Dit innovatiethema geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma BioBased Circular.13 Het thema betreft projecten voor innovaties met betrekking tot meerdere onderdelen van de waardeketen in Nederland voor kunststofproducten op basis van koolhydraatrijke biogrondstoffen (hierna: biogebaseerd). Het gaat bij biogebaseerde kunststofproducten om producten van kunststof, coatings of andere materialen op basis van biogebaseerde polyesters. Deze kunnen worden toegepast in onder andere de bouw en interieur, textiel of verpakkingen.

3a. Circulair ontwerpen van producten

Dit subthema betreft het integreren van biogebaseerde materialen in sectoren zoals de bouw en interieur, textiel of verpakkingen door het ontwerpen of opnieuw ontwerpen van bestaande producten en het ontwikkelen van nieuwe producten met circulaire ontwerpprincipes. Het gaat om ontwikkeling en validatie op multi-kg schaal van nieuwe biogebaseerde materialen en applicatie daarvan.

Deze biogebaseerde materialen zijn gebaseerd op nieuwe biogebaseerde polyester kunststoffen, of op biogebaseerde polyester kunststoffen die reeds in ontwikkeling zijn, zoals PEF, PLA en PHA, bijvoorbeeld door specifieke aanpassingen van de structuur van deze opkomende biogebaseerde polyester kunststoffen.

3b. Nieuwe generatie bouwstenen en biopolyesters

Dit subthema betreft het ontwikkelen van een nieuwe generatie biogebaseerde bouwstenen (zoals polyolen, dicarbonzuren of hydroxycarbonzuren) en polyesters die daaruit worden gemaakt, waarvan de biogebaseerde routes voor productie nog niet gangbaar zijn, en die verbeterde functionaliteit en recycleerbaarheid of biodegradeerbaarheid hebben waar mogelijk. De ontwikkelde bouwstenen en polyesters dienen tijdens het project gevalideerd te worden in applicaties voor sectoren zoals de bouw en interieur, textiel en verpakkingen. De ontwikkeling moet aan het einde van het beoogde project leiden tot een conceptuele productietechnologie, gevalideerd op TRL5-niveau in een relevante omgeving, en productie van eerste monsters op kg-schaal.

3c. Duurzame biogrondstoffen

Dit subthema betreft het ontwikkelen van een of meerdere nieuwe biogrondstoffen voor omzetting in de in subthema 3b genoemde bouwstenen voor polyesters.

Het gaat om de volgende biogrondstoffen:

De doelstelling van het onderdeel ‘systeemintegratie’ binnen de subsidiemodule MOOI is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten op de in Onderdeel B genoemde innovatiethema’s te stimuleren. Deze projecten dienen binnen tien jaar na start te leiden tot een eerste toepassing die structureel bijdraagt aan de inpassing van grootschalige hernieuwbare elektriciteitsopwekking. Daarmee dragen de projecten bij aan een betaalbare, betrouwbare, duurzame en veilige energievoorziening of de transitie naar een duurzame industrie.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving. Dit houdt de implementatie van de innovatie binnen een gedeelte van een wind- of zonnestroompark, energiesysteem, industriegebied of andere relevante omgeving in. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn.

Buiten de reikwijdte van deze MOOI-missie vallen projecten:

Het startpunt van de innovatiethema’s is de grootschalige opwek van hernieuwbare elektriciteit. Voor de drie onderstaande thema’s houdt dit in dat de oplossingen gebaseerd moeten zijn op en rekening moeten houden met weersafhankelijke variabiliteit van grootschalige hernieuwbare opwek. Onder ‘grootschalige hernieuwbare opwek’ worden zonnestroomsystemen en windparken verstaan van (gecombineerd) meer dan 1 MW aan vermogen met het potentieel van opschaling van de oplossing naar een marktomvang van groter dan 1 GW. Een project moet een bijdrage leveren aan de integratie van grootschalige hernieuwbare opwek en passen binnen één of meer van onderstaande innovatiethema's die de verschillende schakels van het energiesysteem vertegenwoordigen.

Innovatiethema 1: Transport & distributie

Hieronder worden oplossingen verstaan waardoor het transport- en distributiesysteem voor elektriciteit efficiënter benut kan worden.

Innovatiethema 2: Opslag & conversie

Hieronder worden oplossingen verstaan die betrekking hebben op de opslag van hernieuwbare elektriciteit of het omzetten en opslaan van hernieuwbaar opgewekte elektriciteit in de vorm van andere energiedragers, waardoor het elektriciteitssysteem ontlast wordt.

Innovatiethema 3: Grootschalig gebruik

Hieronder worden oplossingen verstaan die inzetten op het (flexibele) gebruik van energie door de industrie of door andere grote energiegebruikers. Oplossingen dienen gebruikers in staat te stellen hun elektriciteitsvraag binnen bepaalde grenzen in tijd en hoeveelheid aan te passen (vraagsturing). Hieronder valt het creëren van flexibiliteit in zowel het direct gebruik van elektriciteit als de indirecte elektriciteitsvraag door het gebruik van bijvoorbeeld geëlektrificeerde (hoge temperatuur) warmte.

De doelstelling van het onderdeel ‘Koolstofverwijdering’ binnen de subsidiemodule Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) is om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten op de hierna in onderdeel B genoemde innovatiethema’s te stimuleren. Deze projecten leiden binnen tien jaar na de start van het project tot een eerste toepassing en dragen bij aan de verdere uitrol van koolstofverwijdering in Nederland.

Onder het begrip ‘eerste toepassing’ wordt verstaan het demonstreren van de oplossing in een operationele omgeving door middel van implementatie van de innovatie binnen een gedeelte van een industrieel proces. Dit hoeft nog geen grootschalige uitrol van de innovatie te zijn.

Innovatiethema 1: Ontwikkeling van CO2-afvangtechnieken

Projecten binnen dit innovatiethema betreffen het ontwikkelen van technieken voor het afvangen van CO2. Het gaat hierbij om het ontwikkelen van methodes voor afvangen en filteren van CO2 uit lucht, water of biogene (punt)bronnen ter voorbereiding op transport en opslag. Die projecten betreffen daarnaast ook het gebruik van CO2-afvangtechnologie in relatie tot de rest van de waardeketen waarbij ook rekening gehouden wordt met impact van het project op mens en milieu.

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten gericht op:

Innovatiethema 2: Permanente koolstofverwijdering

Projecten binnen dit innovatiethema zijn gericht op het ontwikkelen van technieken die permanent koolstof verwijderen uit de lucht, het water of biogene (punt)bronnen. Het gaat hierbij om het permanent vastleggen van CO2 via mineraliseren of opslag in geologische formaties. Projecten betreffen daarnaast ook het gebruik van CO2- opslagtechnologie in relatie tot de rest van de waardeketen waarbij ook rekening gehouden wordt met impact van het project op mens en milieu.

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten gericht op:

Innovatiethema 3: Langdurige opslag in producten

Projecten binnen dit thema betreffen de langdurige opslag van koolstof uit lucht, water of biomassa in producten. Het doel is dat de koolstof minimaal 35 jaar wordt vastgelegd. Projecten betreffen daarnaast ook langdurige opslag van koolstof in producten in relatie tot de rest van de waardeketen waarbij ook rekening gehouden wordt met impact van het project op mens en milieu.

Buiten de reikwijdte van dit innovatiethema vallen projecten gericht op:

Vervallen

Vervallen

Het algemene doel van de subsidiemodule Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+) is het ondersteunen van pilotprojecten, demonstratieprojecten en test- en experimenteerinfrastructuurprojecten die binnen tien jaar na de start van het project direct of indirect bijdragen aan het kosteneffectief reduceren van de CO2-emissies in Nederland.

Onder deze doelstelling valt ook:

Het doel van de DEI+ is primair directe bijdrage door projecten aan de reductie van CO2-emissies. Indirecte bijdrage daaraan is een secundaire doelstelling, maar die is gereserveerd voor specifieke projecten, namelijk: DEI+-pilotprojecten die vallen binnen de thema’s 2.2, 2.3, 2.7 en 2,9 en demonstratieprojecten van randvoorwaardelijke innovaties in thema 2.7. Voor projecten met een directe bijdrage aan de reductie van CO2-emissies moet de reductie aangetoond worden aan de hand van de referentieparkmethode. Bij het toepassen van de referentieparkmethode wordt aangenomen dat een vermindering of vermeerdering van het elektriciteitsverbruik wordt voorzien door het centrale elektriciteitsproductiepark dat ook gebruik maakt van fossiele energiebronnen. Dit productiepark wordt gezien als het referentiepark. De CO2-emissiefactor voor elektriciteit die gehanteerd moet worden, is 0,14 kg CO2/kWh. Voor projecten gericht op het reduceren van de CO2-emissies op mondiaal niveau, die passen binnen subthema 2.5.1, moet de reductie worden aangetoond aan de hand van een berekening van de mondiale voetafdruk van de grondstoffen, materialen en producten die geproduceerd worden binnen het project, afgezet tegen het gangbare minder milieuvriendelijke alternatief naar de huidige stand van de techniek.

DEI+-projecten dienen naast het algemene doel bij te dragen aan ten minste een van de volgende programma's:

Onder de reikwijdte van de doelstelling valt niet:

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten voor energie-efficiëntiemaatregelen die ervoor zorgen dat de onderneming die subsidie aanvraagt, minder energie gaat verbruiken binnen het productieproces van zijn onderneming dan voorafgaand aan de beoogde investering. Dit thema betreft dus geen maatregelen voor gebouwen. Daarop is thema 2.7 ‘Verduurzaming gebouwde omgeving’ gericht.

Bij maatregelen in een bestaand productieproces moet het DEI+-project leiden tot een lager energieverbruik van het bedrijf. Bij uitbreiding van de productiecapaciteit moet het energieverbruik lager zijn dan een vergelijkbaar gangbaar productieproces in de markt. Bij een nieuw productieproces wordt het energieverbruik eveneens vergeleken met een gangbaar productieproces. Bij de vergelijking gaat het om het energieverbruik per eenheid geproduceerde goederen.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen de volgende projecten:

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten gericht op de productie, opslag en inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen. Onder het begrip energie uit hernieuwbare bronnen wordt verstaan energie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de Richtlijn hernieuwbare energie. Het gaat om energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, osmose-energie, omgevingsenergie, getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties, en biogas.

Onder DEI+-projecten gericht op inpassing vallen projecten die een positieve en vernieuwende bijdrage leveren aan in elk geval één van de volgende onderwerpen:

DEI+-pilots die bijdragen aan een snellere, goedkopere of meer ecologisch verantwoorde installatie van windparken op zee of aan het onderhoud of de ontmanteling ervan en een indirecte bijdrage aan het kosteneffectief reduceren van CO2-emissies hebben, vallen ook binnen dit thema.

DEI+-demonstratieprojecten die lange termijn energieopslag betreffen en waarbij de opslagcomponent direct gekoppeld is aan een productie-installatie van hernieuwbare energie (achter de meter), vallen ook binnen dit thema. Het betreft enkel projecten gericht op opslagcomponenten die op jaarbasis ten minste 75% van zijn energie uit rechtstreeks aangesloten installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie halen.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen de volgende projecten:

Dit thema betreft DEI+-pilots gericht op mogelijkheden om de flexibiliteit in het energiesysteem te vergroten. Onder de flexibilisering van het energiesysteem, ofwel het inbrengen van flexibiliteit in het energiesysteem, wordt verstaan het realiseren van mogelijkheden voor partijen in het energiesysteem om met behulp van installaties en voertuigen het aanbod of de vraag naar energie zodanig te vergroten, te verkleinen of te verplaatsen in tijd of ruimte, zodat onbalans en congesties in het energiesysteem worden voorkomen. Projecten in dit thema kunnen ook een indirecte bijdrage leveren aan het kosteneffectief reduceren van CO2-emissies in Nederland.

Pilots zijn alleen subsidiabel als daarmee wordt ingespeeld op ten minste één van de volgende mogelijkheden voor meer flexibiliteit:

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen de volgende projecten:

Dit thema betreft DEI+-demonstratieprojecten gericht op de aanleg van distributienetten voor stoom, warmte of koude met industriële afnemers. Bij infrastructuurprojecten kan de toename van het niveau van milieubescherming in de vorm van de reductie van CO2-emissies ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de infrastructuurketen.

Het betreft demonstratieprojecten die betrekking hebben op:

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten die bijdragen aan het realiseren van een circulaire economie. Bij projecten binnen dit thema kan de toename van het niveau van milieubescherming in de vorm van de reductie van CO2-emissies ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de keten. Ook vallen onder dit thema pilots en demonstratieprojecten op het gebied van biobased grondstoffen. Bij biobased grondstoffen gaat het om het vervangen van grondstoffen van fossiele of minerale oorsprong, zoals fossiele polymeren, door grondstoffen van biotische oorsprong (biobased).

Dit subthema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten ten behoeve van een circulaire economie gericht op ten minste één van de volgende onderwerpen:

Naast projecten gericht op bovenstaande onderwerpen vallen onder dit subthema ook:

Naast projecten gericht op bovenstaande onderwerpen vallen onder dit subthema ook DEI+-pilots op het gebied van circulair ontwerpen. Circulair ontwerpen is gericht op de ontwikkeling van producten die geschikt zijn voor reparatie of hergebruik en die aan het eind van hun technische levensduur geschikt zijn voor recycling en daardoor niet leiden tot de productie van afval of milieuvervuiling.

Buiten de reikwijdte van dit subthema vallen:

Dit subthema geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma BioBased Circular19. Het thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten om te komen tot circulaire waardeketens voor polyesters op basis van koolhydraatrijke biogrondstoffen (biogebaseerd). Dit worden waardecirkels voor biopolyesters genoemd. De biogebaseerde polyesters vinden hun toepassing in kunststoffen (nieuw of reeds in ontwikkeling, zoals PEF, bio-PET, PLA en PHA), harsen, coatings of composieten. Het gaat om toepassingsgebieden met afzetmarkten waar een productieomvang van kilotonnen per jaar nodig is en die zowel economisch als wat betreft CO2-reductie en circulariteit voor Nederland van betekenis zijn.

Projecten zijn gericht op ten minste één van de volgende onderwerpen:

Buiten de reikwijdte van dit subthema vallen:

Dit subthema geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma BioBased Circular1. Het thema betreft grote DEI+-pilots (meer dan € 1.000.000 subsidie) en grote DEI+-demonstratieprojecten (meer dan € 10.000.000 subsidie) om te komen tot circulaire waardeketens voor polyesters op basis van koolhydraatrijke biogrondstoffen (biogebaseerd). Dit worden waardecirkels voor biopolyesters genoemd. De biogebaseerde polyesters vinden hun toepassing in kunststoffen (nieuw of reeds in ontwikkeling, zoals PEF, bioPET, PLA en PHA), harsen, coatings of composieten. Het gaat om toepassingsgebieden met afzetmarkten waar een productieomvang van kilotonnen per jaar nodig is en die zowel economisch als wat betreft CO2-reductie en circulariteit voor Nederland van betekenis zijn.

Projecten in dit subthema zijn zogenaamde grote demonstratie- en pilotprojecten die zijn gericht op ten minste één van de volgende onderwerpen:

Buiten de reikwijdte van dit subthema vallen:

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten gericht op CO2-afvang, CO2-transport of CO2-toepassing en DEI+-pilots voor CO2-opslag. Met deze technieken wordt bijgedragen aan de reductie van industriële CO2-emissies, het voorzien in de toekomstige koolstofbehoefte of het realiseren van koolstofverwijdering.

Projecten binnen dit thema betreffen één of meer van de volgende onderdelen van de koolstofketen:

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen:

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten die bijdragen aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving en in elk geval betrekking hebben op ten minste één van de volgende onderwerpen:

DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten binnen dit thema kunnen betrekking hebben op energie-efficiëntiemaatregelen in gebouwen, de bevordering van productie, opslag en inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen en energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling en lokale infrastructuur. DEI+-pilots kunnen ook betrekking hebben op arbeidsbesparing, digitalisering en klimaatadaptatie en hiermee veelal een indirecte bijdrage leveren aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving.

DEI+-demonstratieprojecten kunnen door kleine en middelgrote ondernemingen worden gecombineerd met demonstratie van randvoorwaardelijke innovaties. Die innovaties zijn randvoorwaardelijk, omdat ze indirect kunnen leiden tot CO2-reductie. Het gaat om demonstratie van randvoorwaardelijke innovaties:

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen:

Dit thema betreft DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten gericht op andere CO2-reducerende maatregelen die genomen worden in de industrie, de gebouwde omgeving of de elektriciteitssector, dan maatregelen die vallen binnen een ander thema. Hieronder vallen ook maatregelen gericht op emissiereductie van andere broeikasgassen zoals methaan en lachgas.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen:

DEI+-pilots en DEI+-demonstratieprojecten voor de installatie van uitbreidingen die het niveau van milieubescherming van bestaande uitrusting, machines en industriële productie-installaties op fossiele brandstoffen verbeteren, vallen wel binnen dit thema, als die niet leiden tot een uitbreiding van de productiecapaciteit of tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen.

Bij DEI+-demonstratieprojecten binnen dit thema moet de investering leiden tot een reductie van de CO2-uitstoot binnen (het productieproces van) de onderneming die subsidie aanvraagt. Demonstratieprojecten die leiden tot reductie van broeikasgasemissies elders in de productieketen vallen daarom niet binnen dit thema.

Dit thema geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma ‘Groenvermogen van de Nederlandse economie’20. DEI+-pilots, DEI+-demonstratieprojecten en DEI+-testfaciliteiten richten zich op een bijdrage aan de versnelde en veilige toepassing van waterelektrolysetechnologie, elektrochemie, en transport21, opslag en eindtoepassingen van groene waterstof.

Onder groene waterstof wordt binnen dit thema verstaan hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Het gaat om waterstof geproduceerd uit hernieuwbare energie overeenkomstig de methoden die zijn uiteengezet voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in Richtlijn hernieuwbare energie.

Pilotprojecten in dit thema kunnen ook een indirecte bijdrage leveren aan de versnelde en veilige toepassing van waterelektrolysetechnologie, en transport, opslag en eindtoepassingen van groene waterstof.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen:

Onder dit thema vallen projecten die passen binnen ten minste één van de volgende subthema’s.

Dit subthema is gericht op projecten die inzetten op grootschalige energieopslag of conversie naar andere waterstofdragers of producten. Het gaat om waterstofdragers zoals ‘liquid organic hydrogen carriers’ (LOHC), ammoniak, methanol en waterstofopslag in vaste vorm, maar niet om fossiele brandstoffen als waterstofdrager.

Dit subthema is gericht op diverse grootschalige toepassingen van hernieuwbare waterstof in sectoren waar weinig alternatieven voor verduurzaming zijn. Het gaat in dit subthema om de volgende toepassingen:

Dit subthema is gericht op de bouw en het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel 98a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor het testen van (onderdelen van) innovatieve waterstoftechnologie benodigd voor productie, opslag, transport of gebruik van hernieuwbare waterstof, en voor de toepassing van waterstof en groene elektronen.

Dit subthema is gericht op de productie van hernieuwbare waterstof en innovaties die direct verbonden zijn aan de versnelde inpassing van deze waterstofproductie-installaties. Het gaat om waterstofproductie via waterelektrolyse (hierna: elektrolyse) op basis van hernieuwbare elektriciteit.

Ook projecten gericht op innovaties die direct verbonden zijn met de toepassing van elektrolysers en die onderdeel uitmaken van de zogenaamde ‘balance of plant’, vallen binnen dit thema. DEI+-demonstratieprojecten gericht op deze gekoppelde innovaties zijn enkel mogelijk, indien die innovatie onderdeel is van een elektrolyse-installatie die ook met het project wordt gedemonstreerd. DEI+-pilotprojecten kunnen zijn gericht op de ‘balance of plant’, ongeacht of die onderdeel uitmaken van een elektrolyse-installatie waar de pilot op ziet.

Waterstof kan op basis van hernieuwbare elektriciteit worden geproduceerd op drie manieren:

Voor zowel pilotprojecten waarbij de waterstofproductie-installatie naar verwachting na afloop van het project in gebruik blijft, als voor demonstratieprojecten dient een milieuvoordeel behaald te worden. Om het milieuvoordeel te waarborgen gelden per type elektrolyser voorwaarden. Als een opslagfaciliteit voor hernieuwbare elektriciteit onderdeel uitmaakt van de elektrolyse-installatie gelden daarnaast extra voorwaarden.

A. Uitsluitend met een directe lijn aangesloten elektrolysers (artikel 25 en 41 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Dit betreft elektrolysers die elektriciteit uitsluitend met een directe lijn afnemen van een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie. Een directe lijn houdt in dat de elektrolyser fysiek aangesloten is op de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit zonder tussenkomst van het net; een zogenoemde aansluiting ‘achter de meter’. Dat betekent dat de elektrolyser alleen waterstof produceert op basis van elektriciteit die is opgewekt met de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit waarop de elektrolyser via de directe lijn is aangesloten.

Om het milieuvoordeel te waarborgen moet voor dit type elektrolysers voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:

B. Uitsluitend op het net aangesloten elektrolysers

Dit betreft elektrolysers die de benodigde elektriciteit uitsluitend van het net afnemen en voor 1 januari 2028 in gebruik worden genomen.

Er kan binnen deze categorie sprake zijn van: 1) productie van enkel hernieuwbare waterstof of 2) productie van zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare waterstof of enkel niet-hernieuwbare waterstof. Voor die subcategorieën gelden aparte voorwaarden om het milieuvoordeel te waarborgen en in aanmerking voor subsidie te komen.

B1. De elektrolyser produceert enkel hernieuwbare waterstof (artikel 25 en 41 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Een elektrolyser die enkel hernieuwbare waterstof produceert, komt in aanmerking voor subsidie als de door de elektrolyser gebruikte elektriciteit aan de volgende drie voorwaarden voldoet:23

B2. De elektrolyser produceert zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare waterstof of enkel niet-hernieuwbare waterstof (artikel 25 en 36 algemene groepsvrijstellingsverordening)

Een elektrolyser die zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare waterstof25 produceert of enkel niet-hernieuwbare waterstof, komt in aanmerking voor subsidie als aangetoond wordt dat de waterstof die wordt geproduceerd, gedurende de levenscyclus een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% bewerkstelligt ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ (2,256 tCO2eq/tH2). Om de broeikasgasemissiereductie gedurende de levenscyclus te bepalen, worden de broeikasgasemissies die verband houden met de productie van elektriciteit die wordt gebruikt om waterstof te produceren, bepaald door de marginale opwekkingseenheid in de biedzone26 waar de elektrolyser zich bevindt (Nederland) in de onbalansverrekeningsperioden27 wanneer de elektrolyser elektriciteit van het net verbruikt. Het hernieuwbare deel van de geproduceerde waterstof moet voldoen aan de voorwaarden onder B1.

C. Zowel met een directe lijn als op het net aangesloten elektrolysers

Dit betreft elektrolysers die zowel elektriciteit met een directe lijn afnemen van een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit als van het net en voor 1 januari 2028 in gebruik worden genomen. Het gaat daarbij om elektriciteit uit wind- of zonne-energie.

Om het milieuvoordeel te waarborgen geldt dat:

A, B en C. Opslagfaciliteit als onderdeel van de elektrolyse-installatie

Een opslagfaciliteit voor hernieuwbare elektriciteit als onderdeel van de elektrolyse-installatie is mogelijk op voorwaarde dat de opslagfaciliteit:

Dit thema betreft DEI+-demonstratieprojecten gericht op de vergassing van reststromen waarvan in elk geval een deel van biogene oorsprong is. Onder vergassing wordt verstaan het thermochemisch proces, waarbij grondstoffen op hoge druk of temperatuur met een ondermaat aan zuurstof worden gekraakt tot een mengsel van gassen. Dit gasmengsel kan vervolgens verder worden opgewaardeerd tot verschillende eindproducten, namelijk groen gas, methanol, (geavanceerde) transportbrandstoffen, of in de vorm van chemicaliën of syngas als grondstof voor de industrie.

De projecten binnen dit thema kunnen vergassing van biogene reststromen betreffen voor de productie van hernieuwbare energiebronnen in de vorm van groen gas of biobrandstoffen. Daarnaast kunnen projecten zijn gericht op vergassing van biogene reststromen of deels biogene, ook wel gemengde, reststromen, ten behoeve van het gebruik van het eindproduct als grondstof in het kader van een circulaire economie. Projecten kunnen ook zien op de vergassing van biogene of gemengde reststromen voor zowel energiedoeleinden als voor gebruik als grondstof. Projecten binnen dit thema moeten passen in één van de zes categorieën uit onderstaande tabel, afhankelijk van de te verwerken grondstoffen, oftewel de input, en het doel waarvoor deze stoffen worden verwerkt, oftewel de output, van de productie-installatie.

Projecten kunnen betrekking hebben op de hele keten van vergassing, inclusief voorbehandeling, torrefactie, vergassing, reiniging en opwaardering.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen DEI+-demonstratieprojecten:

Met primair wordt bedoeld dat op basis van de massabalans of op basis van energie-inhoud minimaal de helft van de voeding wordt ingezet voor één of meer van de bovenstaande toepassingen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Het algemene doel van de subsidiemodule Studies voor duurzame industrie (STUDI) is het ondersteunen van studies naar de haalbaarheid van pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die bijdragen aan het kosteneffectief reduceren van de CO2-emissies in industriële processen binnen tien jaar na de afloop van de studie in de industrie in Nederland.

Met behulp van een haalbaarheidsstudie, milieustudie of vergelijkbare studie kan worden besloten om te starten met een pilotproject, demonstratieproject of een project met betrekking tot uitontwikkelde technologie of verder te gaan naar de volgende fase van detailed engineering en constructie in voorbereiding op een dergelijk project.

De studies binnen deze programmalijnen bestaan in hoofdzaak uit bureaustudie, zoals literatuuronderzoek, marktverkenning, concurrentieanalyse, juridisch haalbaarheidsonderzoek, pre-engineering en onderdelen van Front End Engineering Design (FEED).

Onder de CO2-reductiedoelstelling van deze subsidiemodule valt ook:

Onder de reikwijdte van de doelstelling vallen geen studies voor pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die investeringen betreffen in milieubescherming als bedoeld in artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening of energie-efficiëntiemaatregelen anders dan in gebouwen als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en die tevens betrekking hebben op uitrusting, machines en industriële productiefaciliteiten die van fossiele brandstoffen gebruikmaken, met inbegrip van die welke van aardgas gebruikmaken.

Studies voor projecten die de installatie van uitbreidingen betreffen die het niveau van milieubescherming van bestaande uitrusting, machines en industriële productie-installaties verbeteren, vallen wel binnen de doelstelling, mits die niet leiden tot een uitbreiding van de productiecapaciteit of tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen.

Onder de industrie wordt verstaan het geheel van ondernemingen die materiële goederen produceren, waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering. Dit betreft ondernemingen die activiteiten uitvoeren die worden genoemd in de Standaardbedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep B, C, D (alleen energiedistributie en productie van gas) of E.

In aanvulling op het algemene doel van deze module heeft Programmalijn 2: Waterstof en groene chemie (GroenvermogenNL) specifiek het doel om haalbaarheidsstudies naar pilotprojecten en milieustudies en vergelijkbare studies naar demonstratieprojecten te ondersteunen die bijdragen aan de versnelde en veilige toepassing van waterstofproductie via elektrolyse, elektrochemie, transport en opslag (inclusief import) en eindtoepassingen van waterstof. Hiermee draagt de programmalijn bij aan het doel van het Nationaal Groeifondsprogramma ‘Groenvermogen van de Nederlandse economie’ (hierna: GroenvermogenNL).

Programmalijn 1: CO2-reducerende maatregelen anders dan waterstof en groene chemie en vergassing van reststromen

Onder deze programmalijn vallen studies naar pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die andere CO2-reducerende maatregelen in de industrie betreffen, dan maatregelen met betrekking tot waterstof en groene chemie en vergassing van reststromen.

Buiten de reikwijdte van deze programmalijn vallen:

Programmalijn 2: Waterstof en groene chemie (GroenvermogenNL)

Deze programmalijn geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma GroenvermogenNL. Studies met betrekking tot waterstof die in deze programmalijn passen, kunnen zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare waterstof geproduceerd uit hernieuwbare elektriciteit betreffen. Onder hernieuwbare waterstof wordt verstaan hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening: waterstof geproduceerd uit hernieuwbare energie overeenkomstig de methoden die zijn uiteengezet voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in Richtlijn 2018/2001/EU. Voor niet-hernieuwbare waterstof moet worden aangetoond dat gedurende de levenscyclus een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% bewerkstelligd wordt ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ.

Programmalijn 2 bevat de volgende vier deelprogramma’s.

1. Transport en opslag van waterstof(dragers) inclusief conversiestap

Dit deelprogramma is gericht op grootschalige toepassingen van grootschalige energieopslag of conversie naar andere waterstofdragers of producten en de importketens van deze producten. Importfaciliteiten moeten voldoen aan de definitie van energie-infrastructuur als bedoeld in artikel 2, onder 130, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of specifieke infrastructuur als bedoeld in artikel 2, onder 33, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2. Toepassen van waterstof(dragers) en groene elektronen

Dit deelprogramma is gericht op diverse grootschalige toepassingen van hernieuwbare waterstof in sectoren waar weinig alternatieven voor verduurzaming zijn en op de toepassing van groene elektronen in elektrochemische reacties en plasmatechnologie en bestaat uit drie onderdelen:

3. Productie van waterstof

Dit deelprogramma is gericht op de productie van hernieuwbare waterstof en innovaties die direct verbonden zijn aan de versnelde inpassing van installaties voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse (hierna: elektrolysers) op basis van hernieuwbare elektriciteit.

4. Productie van (onderdelen van) elektrolysers voor de productie van hernieuwbare waterstof

Dit deelprogramma is gericht op de realisatie van fabrieksomgevingen voor de productie van elektrolysers en onderdelen van elektrolysers.

Programmalijn 3: Vergassing van reststromen

Onder deze programmalijn vallen studies naar pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie gericht op de vergassing van reststromen waarvan ten minste een deel van biogene oorsprong is. Onder reststromen van biogene oorsprong wordt verstaan biogene grondstoffen die voldoen aan bijlage IX van de Richtlijn hernieuwbare energie. Onder vergassing wordt verstaan het thermochemisch proces, waarbij grondstoffen op hoge druk of temperatuur met een ondermaat aan zuurstof worden gekraakt tot een mengsel van gassen. Dit gasmengsel kan vervolgens verder worden opgewaardeerd tot verschillende eindproducten, namelijk groen gas, methanol, (geavanceerde) transportbrandstoffen, of in de vorm van chemicaliën of syngas als grondstof voor de industrie.

De studies binnen deze programmalijn kunnen gericht zijn op vergassing van biogene reststromen voor de productie van hernieuwbare energiebronnen in de vorm van groen gas of biobrandstoffen. Daarnaast kunnen studies gericht zijn op vergassing van biogene reststromen of deels biogene, ook wel gemengde, reststromen, met als doel het eindproduct in te zetten als grondstof in het kader van een circulaire economie. Ook zijn studies mogelijk waarbij de vergassing van biogene of gemengde reststromen zowel wordt toegepast voor energiedoeleinden als voor gebruik als grondstof.

Studies kunnen betrekking hebben op de hele keten van vergassing, inclusief voorbehandeling, torrefactie, vergassing, reiniging en opwaardering.

Buiten de reikwijdte van deze programmalijn vallen studies gericht op:

Met primair wordt bedoeld dat op basis van de massabalans of op basis van energie-inhoud minimaal de helft van de voeding wordt ingezet voor één of meer van de bovenstaande toepassingen.

Vervallen

Het doel van deze subsidiemodule is onderzoeks- en ontwikkelprojecten te stimuleren die bijdragen aan de verduurzaming van de luchtvaart en daarmee ook ten goede komen aan de positionering van de Nederlandse vliegtuigmaakindustrie in de supply chains van Original Equipment Manufacturer (OEM’s). Alle type vliegtuigen worden meegenomen in deze subsidiemodule, inclusief Advanced Air Mobility.

Onderzoeks- en technologieontwikkelingsprojecten die zich kunnen kwalificeren voor subsidie op grond van deze subsidiemodule dienen gericht te zijn op:

Bij uw subsidieaanvraag moet u als bijlage bij het aanvraagformulier een geologisch onderzoek toevoegen. In dit Model Geologisch Onderzoek staat aangegeven welke aspecten u daarin dient te behandelen.

U moet deze bijlage ook op USB-stick bijvoegen.

Het geologisch onderzoek concentreert zich uiteraard op het inschatten van de geologische parameters. Met deze parameters, en met de niet-geologische parameters uit het projectplan (Bijlage A bij uw aanvraag), berekent u de P90 waarde. Het resultaat presenteert u eveneens in het geologisch onderzoek.

Als u aanvraagt voor een half doublet, moet u in dit rapport duidelijk aangeven voor welke put de garantie moet gelden. Als u aanvraagt voor de tweede put of een vervolgput, dan presenteert u ook de resultaten van (de) voorgaande put(ten).

Voor het geologisch onderzoek geldt een verplichte hoofdstukindeling. Belangrijk is dat u telkens motiveert waarom u een bepaalde keuze gemaakt heeft. Als het onderwerp van een bepaalde paragraaf niet relevant is voor uw situatie, dan moet u dit met een korte motivatie noemen.

TNO faciliteert het samenstellen van het geologisch onderzoek door viawww.nlog.nlde volgende hulpmiddelen beschikbaar te stellen:

Hier geeft u aan voor welk vermogen u aanspraak wilt maken op ondersteuning uit de Garantieregeling Geothermie ‘Risico’s dekken voor Aardwarmte’. U presenteert:

Figuur 1: Voorbeeld van overschrijdingskansgrafiek

Bij uw vaststellingsaanvraag moet u als bijlage de puttestrapportage toevoegen, voor zover die nog niet bij ons in bezit is. In dit Model Puttestrapportage staat aangegeven welke resultaten u moet laten zien en welke onderbouwing wij van u nodig hebben.

Uit artikel 4.3.13, eerste lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies volgt dat u binnen 8 weken na een puttest de resultaten incl. puttestinterpretatie toezendt aan RVO. Als u verbeterwerkzaamheden uitvoert, moet u ook na afloop daarvan vastleggen wat het nieuwe vermogen is, door een nieuwe puttest of nieuwe puttesten uit te voeren. Uit artikel 4.3.13, tweede lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies volgt dat u binnen acht weken na de verbeterwerkzaamheden, de resultaten van deze puttest aan RVO dient te verstrekken.

TNO faciliteert het samenstellen van deze Bijlage b door viawww.nlog.nlde volgende hulpmiddelen beschikbaar te stellen:

De beschrijving van de hoofdlijnen van de technische eisen aan boring en puttest is onderdeel van dit document.

Zorg ervoor dat boorders en boormanagement op de hoogte zijn van de technische eisen aan de boring en puttest, voorafgaand aan de werkzaamheden!

1 Deze temperatuur wordt als gemiddelde aquifertemperatuur

1 In een apart document of bijlage

2 Inclusief een schema van het boorgat met verbuizing en pomplocatie als bijlage

1 In deze tabel dienen het debiet en drukverschil te worden opgegeven van de verschillende stappen. De totale meetreeksen van de test (druk, temperatuur en debiet) dienen in een aparte bijlage (ook digitaal) te worden aangeleverd.

1 Zie uitvoerscherm DoubletCalc – Geotechnics – base case. Het uitvoerscherm van de realisatiecase in DoubletCalc dient bijgevoegd te worden.

2 Dit is de ‘median value’, het vermogen dat op het uitvoerscherm is te vinden onder het kopje ‘base case (median input values)’.

Als de geologische parameters significant verschillen tussen beide putten moet u het doubletvermogen met een alternatieve methode bepalen, zie Paragraaf 5.2 van de ‘Actualisatie van de richtlijnen voor de uitvoering en interpretatie van een puttest’1.

Vereiste onderbouwing van resultaattabel puttest

De volgende onderbouwing van de resultaattabel puttest is minimaal vereist:

Hierbij moeten de geologische gegevens zijn ingevoerd conform de interpretatie van de puttest en data uit het boorgat. De installatieparameters dienen zoveel mogelijk de realisatie te volgen tenzij zij aantoonbaar ongunstiger zijn dan parameters die onderdeel vormen van de garantiebeschikking (acceptatiescenario).

Als bepaalde onderdelen al bij RVO in bezit zijn, kunt u daarnaar verwijzen. Meetreeksen moeten ookdigitaalworden toegezonden.

De onderstaande paragrafen geven u een samenvatting van wat u moet doen om een adequate puttest en puttestinterpretatie uit te voeren. In het document ‘Actualisatie van de richtlijnen voor de uitvoering en interpretatie van een puttest’ is uitvoerig beschreven hoe deze puttesten en interpretaties daarvan gerealiseerd moeten worden.

De puttest moet valide en acceptabele resultaten voor de subsidiemodule Risico’s dekken voor aardwarmte van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (hierna: subsidiemodule Aardwarmte) opleveren om aan de resultaatverplichting, bedoeld in paragraaf 2, te voldoen.

Om aanspraak te kunnen maken op een subsidie op grond van de subsidiemodule Aardwarmte dient de aanvrager een vaststellingsverzoek in met een zo nauwkeurig mogelijke berekening van het gerealiseerde vermogen. De uitvoering van een puttest of puttesten is daarvoor een vereiste en verplichting voor de subsidiemodule Aardwarmte. Het resultaat hiervan is leidend in de beoordeling van een eventuele vaststellingsaanvraag. Ook als er geen aanspraak wordt gemaakt op subsidie zijn de puttesten overigens vereist.

De puttest dient op een dusdanige manier te worden uitgevoerd en geïnterpreteerd, dat een eenduidige en reproduceerbare kwantificering van de transmissiviteit, en daaruit afgeleid de permeabiliteit, van de beoogde aquifer kan worden gemaakt. Daarnaast dient de mechanische skin, die gekoppeld is aan de transmissiviteit, eenduidig te worden bepaald. Met behulp van overige bronnen van data-acquisitie moet de aquiferdefinitie (top, basis, bruto en netto dikte) en de temperatuur van het formatiewater eenduidig worden afgeleid. Dit geheel wordt de resultaatverplichting genoemd.

Het volgende dient bij de aanvraag voor vaststelling van de subsidie te worden aangeleverd aan RVO:

Indien RVO naast genoemde data en informatie nog andere kern gegevens nodig heeft moet u die toezenden.

Het is van belang dat de puttest op een adequate manier wordt uitgevoerd, zodanig dat het testontwerp aansluit bij de verwachte reservoircondities en dat de resultaten (transmissiviteit en skin) leiden tot een nauwkeurige berekening van het gerealiseerde geothermisch vermogen. In dit hoofdstuk worden minimale eisen en richtlijnen gegeven voor het boren van de put en de uitvoering van de puttest. Desalniettemin staat het de uitvoerder vrij de test op een alternatieve manier uit te voeren, zolang er wordt voldaan aan de resultaatverplichting.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen individuele puttesten (productie- en injectietest) en doublettesten, waarbij meerdere putten gebruikt worden (interferentie- of operationele test).

U moet zorgen dat de aquifer bij het boren en het plaatsen van de benodigde installatie zo min mogelijk beschadigt en de doorlatendheid dus niet vermindert. Technisch gesproken zorgt u voor een zo laag mogelijke mechanische skin.

Het te testen interval dient gecompleteerd te worden over de beoogde aquifer(s). Om eenduidig vast te kunnen stellen dat het geteste interval de aquifer(s) betreft (en of het filter of de perforatie goed voor de aquifer is geplaatst) dient de diepte van de top en basis van de aquifer eenduidig te worden bepaald. Dit gebeurt op basis van een Gamma-Ray log. Indien het resultaat van de Gamma-Ray log niet toereikend is, kan het dieptebereik ook worden bepaald aan de hand van gesteentemonsters opgevangen tijdens het boorproces.

Voor de uitvoering van de puttest is het generen van vloeistofstroming een vereiste. Dit wordt doorgaans bewerkstelligd middels een ‘Electrical Submersible Pump’ (ESP). Het gebruik van een ESP wordt sterk aanbevolen. Op zich is een Airlift Pump ook mogelijk maar die brengt een hoog risico met zich mee dat niet aan de resultaatverplichting kan worden voldaan. Gebruik hiervan wordt vooralsnog ontraden. Andere pompuitvoeringen zoals een Mud Pump kunnen gebruikt worden bij een injectietest.

De puttest moet met betrekking tot duur, debiet en drukval zodanig worden ontworpen en uitgevoerd dat uit de meetresultaten de volgende aquifer-/puteigenschappen betrouwbaar kunnen worden bepaald en dus aan de resultaatverplichting wordt voldaan:

Het testontwerp moet zodanig zijn dat:

Omdat een productietest de grootste kans geeft op een betrouwbare interpretatie van de transmissiviteit en skin van een reservoir is de uitvoering hiervan een vereiste. In het geval er specifieke geologische reservoircondities zijn aangetroffen (zoals bijvoorbeeld een ‘fractured reservoir’) en de put beoogd is als een injectieput dan dient ook een injectietest uitgevoerd te worden om de effectiviteit van het duale permeabiliteits-systeem (matrix- en fracturepermeabiliteit) goed te kunnen interpreteren.

Een interferentie- of operationele test wordt alleen uitgevoerd als additionele test of in het uiterste geval als een productie- en/of injectietest geen bruikbaar resultaat heeft opgeleverd, om communicatie tussen beide putten te bewijzen en de gemiddelde reservoirpermeabiliteit tussen de twee putten in te schatten. De voorkeur gaat daarbij uit naar een interferentietest, omdat in dat geval telkens één individuele put wordt getest.

Er dient een ´clean-up´ gedaan te worden, waarbij er zeker gesteld wordt dat de put schoon is. Dit kan bepaald worden door te constateren dat er (vrijwel) geen afname meer is van de mee geproduceerde boorspoeling en geen bijbehorende afname van de drukval bij gelijkblijvend debiet.

Het voorkeursontwerp voor een puttest in een geothermische put wordt door de volgende stappen beschreven (een gedetailleerdere beschrijving wordt gegeven in Paragraaf 3.4.3 van de ‘Actualisatie van de richtlijnen voor de uitvoering en interpretatie van een puttest’):

In het geval een injectietest wordt uitgevoerd kan hetzelfde voorkeursontwerp worden gebruikt als hierboven beschreven staat. De drawdown periodes worden in dat geval injectieperiodes en de ‘build-ups’ worden ‘fall-offs’. Bij een injectietest staan de pomp en stroommeters aan de oppervlakte. De drukmeter kan zowel bij de well head als op reservoirniveau geplaatst worden.

Het maximaal opgelegde drukverschil moet binnen de geldende veiligheidsnormen blijven voor de injectietest. Hoe het maximaal op te leggen drukverschil kan worden bepaald staat beschreven in het injectieprotocol, opgesteld door Staatstoezicht op de Mijnen (SodM, 2013).

In het geval de drukmeter op of dichtbij reservoirdiepte wordt geïnstalleerd is het niet strikt noodzakelijk een multi-rate test uit te voeren omdat de debietsafhankelijke skin, die het drukverlies door wrijving met de verbuizing representeert, verwaarloosbaar is. In plaats daarvan wordt aanbevolen om eerst een korte build-up van 4 uur uit te voeren, gevolgd door een draw-down periode (minimaal 8 uur) en een langere build-up van minimaal 24 uur (maar tenminste totdat IARF is bereikt). In dit geval kan in essentie ook volstaan worden met één enkele build-up en draw-down cyclus. Er dient echter wel zeker gesteld te worden dat de resulterende data goed is voor interpretatie om te voldoen aan de resultaatverplichting van subsidiemodule Aardwarmte, bedoeld in artikel 4.3.13 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Indien dit niet is gerealiseerd dan dient nog een draw-down en build-up cyclus te worden uitgevoerd.

In het geval er specifieke geologische reservoircondities zijn aangetroffen (bijvoorbeeld een ‘fractured reservoir’) dient een multi-rate injectietest uitgevoerd te worden om de mogelijke debietsafhankelijke skin ten gevolge van het openen (progressief conductief worden) van fractures onder opgelegde druk te bepalen.

Als verbeterwerkzaamheden worden gerealiseerd dient de put opnieuw getest te worden. Dit moet gebeuren volgens de specificatie zoals beschreven in de bovenstaande paragrafen 3.3 en 3.4.

Bij voorkeur wordt de Pressure Transient Analysis (PTA) methodiek gebruikt voor de interpretatie van de puttest. Deze methodiek maakt onder andere gebruik van de Bourdet derivative in een log-log plot (Bourdet, 2002). Daarmee kunnen de sequentiële stromingsregimes in de put, het reservoir en eventuele reservoirgrenzen worden geïdentificeerd.

Het is tevens mogelijk numerieke reservoirmodellen toe te passen. Het gebruik van deze methodiek is aanbevolen voor de interpretatie van interferentietesten. Hieruit kan, naast een inschatting van de gemiddelde reservoirpermeabiliteit, mogelijk ook een indicatie van de totale reservoircompressibiliteit en porositeit afgeleid worden.

De eenvoudige straight-line fitting (Horner plot) evaluatie kan ook worden gebruikt voor het bepalen van de permeabiliteit, skin en gemiddelde initiële reservoirdruk. Dit wordt echter gezien als een suboptimale interpretatiemethode omdat het IARF regime niet altijd met zekerheid bepaald kan worden. Dit vanwege de onzekerheid in de duur van de wellbore storage en grenseffecten in een semi-log plot.

Indien de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indient zal op verzoek van RVO ter verificatie van de resultaten een puttest interpretatie uitgevoerd worden die 1) test of de meetreeksen adequaat zijn en aan de resultaatverplichting voldoen en 2) gebruik maakt van minimaal de PTA methodiek.

Afhankelijk van het type en uitvoering van de puttest zijn correcties nodig voordat de well test analyses kunnen worden uitgevoerd, om zodanig een betrouwbaar resultaat te verkrijgen (een gedetailleerdere beschrijving wordt gegeven in Paragraaf 4.2 van de ‘Actualisatie van de richtlijnen voor de uitvoering en interpretatie van een puttest’).

Met de gegevens van de putten en de resultaten van de puttestinterpretaties wordt in DoubletCalc het gerealiseerde vermogen van het doublet (of vermogensscenario van het verzekerde halve doublet) berekend. Wanneer alle gerealiseerde geologische parameters ingevoerd worden als mediane waarden kan het ‘Garantiefonds’ gerealiseerde vermogen afgelezen worden van het uitvoerscherm ‘Geotechnics’- kolom (Output) – vak ‘base case (median value inputs)’.

Bij de berekening van het gerealiseerde vermogen (op basis van de puttests) zal gerekend worden met de vooraf opgegeven (installatie/niet-geologische) parameters indien ongunstigere waardes worden toegepast of gerealiseerd. Indien er gunstigere waarden zijn gerealiseerd zullen die wel in het afrekenscenario worden gebruikt. Welke van de twee putten beschouwd wordt als injectieput c.q. productieput wordt bepaald door de configuratie die het meeste vermogen oplevert.

Indien het gerealiseerde vermogen lager is dan het verwachte (P90) vermogen en aanspraak gemaakt wordt op subsidie op basis van de subsidiemodule Aardwarmte, moet uitgesloten worden dat het lagere vermogen aan niet-geologische oorzaken te wijten is, te weten:

Wanneer de geologische parameters, voortvloeiend uit de interpretatie van de put- of doublettest, significant verschillen tussen beide putten dient een passende gemiddelde waarde voor de aquifereigenschappen te worden bepaald. De resultaten uit de interferentietest of de productiegegevens kunnen hierbij richtinggevend zijn. Tevens is het mogelijk het vermogen te berekenen met behulp van een reservoirsimulator.

Indien er geen interferentietest is uitgevoerd kan er mogelijk gebruik worden gemaakt van andere methoden om een indicatie van de gemiddelde reservoirpermeabiliteit te verkrijgen. Bijvoorbeeld door de resultaten van de puttesten en productiedata van de eerste operationele maanden te combineren.

Onder de aanname dat de skin in de eerste paar maanden van productie niet drastisch verandert ten opzichte van de skins bepaald uit de puttests, kunnen deze skins worden ingevuld in het DoubletCalc. Door vervolgens het gemiddelde drukverschil over de pomp van een bepaalde productiemaand in te vullen in dit DoubletCalc scenario kan de permeabiliteit bepaald worden die nodig is om het gemiddelde debiet van die betreffende productiemaand te produceren. Wanneer zodanig voor een aantal opeenvolgende maanden eenzelfde permeabiliteit wordt bepaald, kan deze worden aangenomen als de gemiddelde reservoirpermeabiliteit.

Als de permeabiliteit sterk varieert binnen een paar maanden, kan dit ook verklaard worden door een variërende skin en is de bepaling van de permeabiliteit onbetrouwbaar.

Door de aanname van een constante skin uit de puttesten kent deze bepaling een hoge mate van onzekerheid. Het gebruik hiervan is daarom enkel van toepassing in bovengenoemd geval, of ter verificatie van de resultaten van een andere bepalingsmethodiek.

De subsidiemodule Aardwarmte gaat uit van een mechanische skin niet hoger dan nul. Een positieve mechanische skin, bepaald in de puttest, wordt bij de berekening van het gerealiseerde vermogen dus genegeerd.

Alternatieve putconfiguraties worden in het algemeen vertaald naar een negatieve skin. Deze factor wordt in het acceptatiescenario vastgesteld, en in het afrekenscenario onveranderd meegenomen. De negatieve skin van de deviatie is de enige skin parameter die in een claimscenario kan afwijken van het acceptatiescenario vanwege de gerealiseerde geologische parameters.

In het geval hydraulische stimulatie of het plaatsen van radials onderdeel is van het projectplan, dient zowel voor als na de realisatie hiervan een puttest te worden uitgevoerd. Indien de puttest na het stimuleren of het plaatsen van radials leidt tot een vermogen dat groter is of gelijk aan het in het kader van de subsidiemodule Aardwarmte gegarandeerde vermogen, dan wordt van dit vermogen uitgegaan bij het besluit tot subsidievaststelling.

Leidend in de subsidiemodule Aardwarmte is de resultaatverplichting van de puttest, bedoeld in artikel 4.3.13 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Deze resultaatverplichting is nader uitgewerkt in paragraaf 2. Indien niet aan de resultaatverplichting is voldaan, dan kan de subsidie op basis van de puttest op nul worden vastgesteld.

Vervallen

Het doel van de subsidiemodule Versnelde klimaatinvesteringen in de industrie is het ondersteunen van het op korte termijn versnellen van investeringen in materiële en immateriële activa door ondernemingen uit de industrie die bijdragen aan het kosteneffectief reduceren van de CO2-emissies in de industrie in Nederland in 2030. Projecten moeten leiden tot een absolute afname van de CO2-emissies in Nederland ten opzichte van de huidige CO2-emissies van de industrie.

De CO2-reductie wordt berekend aan de hand van de referentieparkmethode. Voor elektriciteit houdt dit in dat in een vermindering of vermeerdering van het elektriciteitsverbruik wordt voorzien door het centrale elektriciteitsproductiepark dat gebruik maakt van fossiele energiebronnen. Als er meer of minder elektriciteit wordt gebruikt, kan dat alleen direct worden opgevangen door meer of minder elektriciteit te produceren uit fossiele bronnen. Dit productiepark wordt gezien als het referentiepark. Voor de berekening wordt een CO2-emissiefactor voor elektriciteit van 0,14 kg CO2/kWh gehanteerd.2

Dit thema betreft projecten voor energie-efficiëntiemaatregelen die ervoor zorgen dat de onderneming die subsidie aanvraagt, minder energie gaat verbruiken binnen het productieproces van zijn onderneming dan voorafgaand aan de beoogde investering. Dit thema betreft dus geen energie-efficiëntiemaatregelen voor gebouwen. De projecten binnen dit thema betreffen daarnaast niet de installatie van energie-uitrusting op fossiele brandstoffen, met inbegrip van aardgas.

Bij maatregelen in een bestaand productieproces moet het project leiden tot een lager energieverbruik van het bedrijf. Bij uitbreiding van de productiecapaciteit moet het energieverbruik lager zijn dan bij een vergelijkbaar gangbaar productieproces in de markt. Bij een nieuw productieproces wordt het energieverbruik eveneens vergeleken met een gangbaar productieproces. Bij de vergelijking gaat het om het energieverbruik per eenheid geproduceerde goederen. Ook voor uitbreiding of nieuwbouw geldt dat het project uiteindelijk moet leiden tot een absolute reductie van CO2-emissies in Nederland uiterlijk in 2030, bijvoorbeeld doordat elders productie- of verwerkingscapaciteit wordt afgebouwd.

Dit thema betreft investeringen ten behoeve van een circulaire economie gericht op één of meer van de volgende onderwerpen:

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen projecten gericht op de vervanging van primaire brandstoffen door secundaire (hergebruikte of teruggewonnen of gerecyclede) brandstoffen.

Dit thema betreft projecten gericht op infrastructuur voor afvalwarmte (ook wel restwarmte genoemd) en voor waterstof. Het kan gaan om specifieke infrastructuur en niet-specifieke infrastructuur. Specifieke infrastructuur is infrastructuur die is aangelegd voor één vooraf geïdentificeerde gebruiker of voor een kleine groep vooraf geïdentificeerde gebruikers en op hun behoeften is toegesneden. Bij infrastructuurprojecten kan de toename van het niveau van milieubescherming ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de infrastructuurketen.

Voor afvalwarmte geldt dat het onder andere kan gaan om distributienetwerken, stoomnetwerken, industriële infrastructuur of warmtenetten gebaseerd op afvalwarmte.

Voor waterstof geldt dat de infrastructuur moet passen binnen de definitie van energie-infrastructuur voor waterstof, opgenomen in artikel 2, onderdeel 130, onder c, subonderdelen i tot en met vi, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. De infrastructuur moet bestemd zijn voor hernieuwbare waterstof of een combinatie van hernieuwbare en niet-hernieuwbare waterstof.

De volgende tabel vat de mogelijkheden samen die deze subsidiemodule biedt voor infrastructuurvoorzieningen en onder welk artikel van de algemene groepsvrijstellingsverordening die vallen.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen projecten die zijn gericht op:

Dit thema betreft projecten gericht op andere CO2-reducerende investeringen dan maatregelen die vallen onder de andere thema’s.

Binnen dit thema moet de investering leiden tot een reductie van de CO2-uitstoot binnen het productieproces van de onderneming die subsidie aanvraagt. Projecten die leiden tot reductie van broeikasgasemissies elders in de productieketen vallen derhalve niet binnen dit thema.

Buiten de reikwijdte van dit thema vallen projecten die zijn gericht op:

Projecten voor de installatie van uitbreidingen die het niveau van milieubescherming van bestaande uitrusting, machines en industriële productie-installaties verbeteren, vallen wel binnen dit thema, als die niet leiden tot een uitbreiding van de productiecapaciteit of tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen.

De totale subsidiabele investeringskosten moeten in de (mijlpalen)begroting worden uitgesplitst. Deze kosten moeten op grond van artikel 4.6.9, aanhef en onderdeel g, worden opgenomen in de mijlpalenbegroting. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:

Vaste mijlpalen

De mijlpalenbegroting bevat indien van toepassing in ieder geval maximaal vier verplichte mijlpalen, namelijk:

Indien het investerings- en het financieringsbesluit op hetzelfde moment worden genomen, mogen mijlpaal 1 en 2 worden samengevoegd. Na de verplichte mijlpalen worden de mijlpalen door de aanvrager bepaald overeenkomstig de fasering van het project, zoals opgenomen in het projectplan.

Aanvang en einde van de mijlpalen

Een mijlpaal vangt aan op het moment dat de aanvrager kosten begint te maken voor het behalen van een bepaald resultaat. Met het behalen van het resultaat, wordt ook de mijlpaal behaald. Een mijlpaal moet daarbij altijd aansluiten of overlappen met een volgende mijlpaal, zodat er geen fasen zijn waarin geen kosten worden opgevoerd. De concreet definieerbare startpunten en resultaten worden opgenomen in de mijlpalenbegroting en verder onderbouwd in het projectplan. Op de einddatum van een mijlpaal wordt het resultaat overgelegd aan RVO. De eerste mijlpaal start op de startdatum van het project. Dit moment is van belang omdat het eerste voorschot ambtshalve binnen twee weken na aanvang van de activiteiten wordt verstrekt. De einddatum van het project is ook de einddatum van de laatste mijlpaal.

Inhoud van de mijlpalen

Iedere mijlpaal vertegenwoordigt een concreet definieerbaar resultaat. Dit kan naast de resultaten zoals genoemd in de eerste vier mijlpalen bijvoorbeeld ook zijn dat een deel van het project wordt opgeleverd. In de mijlpaal worden alle subsidiabele kosten opgenomen die gemaakt worden in aanloop naar het te behalen resultaat. Op de einddatum van een mijlpaal kan de aanvrager het resultaat van de betreffende mijlpaal overleggen.

Vervallen

Vervallen

Een exploitatieberekening, bedoeld in artikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel b, omvat de berekening van de netto contante waarde (NCW).

De netto contante waarde (NCW) wordt berekend met gebruikmaking van de hieronder opgenomen formule en uitgangspunten.

Waarin:

De baten (Bt)

De baten Bt in het jaar t zijn gelijk aan:

Waarin voor elk jaar t:

Bij het bepalen van de exploitatieopbrengsten wordt rekening gehouden met inflatie I.

De kosten (Kt)

De kosten Kt in het jaar t gelijk zijn aan:

Kt = Kinv + Kond + Kadm + Kbron + Koverig

Waarin voor elk jaar t:

Tabel: uitgangspunten kosten en baten exploitatieberekening

Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met inflatie I.

In de tabel hieronder zijn de uitgangspunten opgenomen die worden gehanteerd bij de hiervoor opgenomen berekening.

Voor de hoogte van de opbrengsten uit vastrecht, huur afleverset, meettarief, en verbruikstarief wordt aangesloten bij de maximumtarieven uit het meest recente tarievenbesluit warmte van de Autoriteit Consument & Markt (ACM). De opbrengsten worden geïndexeerd. Het hanteren van lagere tarieven is slechts toegestaan met een degelijke onderbouwing in het projectplan.

In de tabel hieronder zijn de uitgangspunten opgenomen die onderdeel vormen van de mijlpalenbegroting (prijspeil 2025). Hogere kosten dan de hieronder genoemde kosten per onderdeel zijn slechts toegestaan met een degelijke onderbouwing in het projectplan.

In dit onderdeel is uitgewerkt hoe de omschrijving van het project in het projectgebied en de bebouwing, bedoeld in artikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel a, tweede subonderdeel en derde subonderdeel, wordt aangeleverd.

De afbakening van het projectgebied met daarin alle mogelijk aan te sluiten gebouwen en de aan te leggen infrastructuur wordt weergegeven.

Hierbij wordt de capaciteit in MW inclusief de benodigde DN-maten per onderdeel van het primaire warmtenet bij realisatie van het project omschreven. Daarnaast wordt de beoogde afname van warmte in GJ en MW van de aan te sluiten groot- en kleinverbruikers in het projectgebied bij realisatie van het project en na vaststelling omschreven. Hierbij mag voor kleinverbruikers rekening worden gehouden met gelijktijdigheidseffecten van het totale gevraagde afnamevermogen. Hieruit blijkt dat de dimensionering van het primaire warmtenet aansluit op de voorziene warmtebehoefte in het projectgebied.

Het voorlopig of definitief ontwerp, bedoeld in artikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel c, wordt aangeleverd in PDF en bestaat in ieder geval uit:

Aansluitingen van particuliere woningeigenaren binnen het project hoeven niet te voldoen aan de hiervoor genoemde eisen. In plaats daarvan mag worden volstaan met een ontwerp van enkele veel voorkomende referentiewoningen.

De totale subsidiabele investeringskosten worden in het model exploitatieberekening uitgesplitst naar de kostencomponenten loonkosten, investeringen in onderdelen voor primaire warmtenetten, investeringen in overdrachtstations, investeringen in thermische opslag, investeringen in onderdelen voor secundaire warmtenetten, investeringen in aansluitingen en kosten derden. Hierbij worden investeringen in overdrachtstations, onderdelen van secundaire warmtenetten en aansluitingen geacht onderdeel te zijn van het wijkdistributienet. Investeringen in onderdelen van primaire warmtenetten en thermische opslag worden geacht onderdeel te zijn van het primaire warmtenet. Loonkosten en kosten derden worden per onderdeel toegewezen aan het primaire warmtenet of de wijkdistributienetten. Deze kosten worden op grond van artikel 4.10.9, tweede lid, onderdeel b, opgenomen in de mijlpalenbegroting. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:

Vaste mijlpalen

De mijlpalenbegroting bevat in ieder geval drie verplichte mijlpalen, namelijk:

Indien het investerings- en financieringsbesluit op hetzelfde moment worden genomen, mogen mijlpaal 1 en 2 worden samengevoegd. Na de verplichte mijlpalen worden de mijlpalen door de aanvrager bepaald overeenkomstig de fasering van het project, zoals opgenomen in het projectplan. Voor het gehele project kunnen maximaal 15 mijlpalen opgenomen worden.

Aanvang en einde van de mijlpalen

Een mijlpaal vangt aan op het moment dat de aanvrager kosten begint te maken voor het behalen van een bepaald resultaat. Met het behalen van het resultaat, wordt ook de mijlpaal behaald. Een mijlpaal moet daarbij altijd aansluiten of overlappen met een volgende mijlpaal, zodat er geen fasen zijn waarin geen kosten worden opgevoerd. De concreet definieerbare startpunten en resultaten worden opgenomen in de mijlpalenbegroting en verder onderbouwd in het projectplan. Op de einddatum van een mijlpaal wordt het resultaat overgelegd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

De eerste mijlpaal start op de startdatum van het project. Dit moment is van belang, omdat het eerste voorschot ambtshalve binnen twee weken na aanvang van de activiteiten wordt verstrekt. De einddatum van het project is ook de einddatum van de laatste mijlpaal.

Inhoud van de mijlpalen

Iedere mijlpaal vertegenwoordigt een concreet definieerbaar resultaat. Dit kan naast de resultaten zoals genoemd in de eerste drie mijlpalen, bijvoorbeeld ook zijn dat een deel van het project wordt opgeleverd. In de mijlpaal worden alle subsidiabele kosten opgenomen die gemaakt worden in aanloop naar het te behalen resultaat. Op de einddatum van een mijlpaal overlegt de aanvrager het ontwerp waarop staat aangegeven welke leidingen of leidingdelen, overdrachtstations, thermische opslagsystemen en aansluitingen met deze mijlpaal zijn gerealiseerd.

Een flexibiliteitsscan bevat ten minste de informatie die in deze bijlage is beschreven. Daarnaast dient de energieadviseur die de flexibiliteitsscan opstelt ten minste één bezoek te hebben gebracht aan de locatie waar de flexibiliteitsscan wordt uitgevoerd. De energieadviseur kan in het rapport gegevens of conclusies uit eerder uitgevoerde onderzoeken gebruiken, als die inzicht geven in het potentiële flexibele vermogen van de aanvrager. Voorbeelden van zulke onderzoeken zijn een EED-audit, energietransitieplan, elektrificatieplan of verduurzamingsplan.

De flexibiliteitsscan bevat ten minste de volgende gegevens:

De flexibiliteitsscan geeft een beschrijving van de congestieproblematiek en de behoefte aan flexibiliteit in het congestiegebied waar de onderneming of instelling is gevestigd. Daarvoor wordt in ieder geval geraadpleegd:

De flexibiliteitsscan geeft een beschrijving van de hoofdprocessen van het bedrijf en een beschrijving van de eigen energie-opwek of -conversie en het vermogen dat hiermee wordt geleverd. Indien er geen energie-opwek of -conversie plaatsvindt bij het bedrijf, wordt dat vermeld.

De flexibiliteitsscan beschrijft het energievraagprofiel van het bedrijf. Dit profiel bevat:

De flexibiliteitsscan geeft een beschrijving van alle realistische flexibiliteitsmaatregelen die het bedrijf zou kunnen treffen. Daarnaast bevat de flexibiliteitsscan per realistische flexibiliteitsmaatregel een kwantitatieve inschatting van:

De flexibiliteitsscan bevat een financiële analyse. Deze analyse bevat per realistische flexibiliteitsmaatregel of combinatie van flexibiliteitsmaatregelen:

De flexibiliteitsscan beschrijft de voordelen en nadelen van de realistische flexibiliteitsmaatregelen. Op basis hiervan trekt de scan een conclusie over de meest kansrijke flexibiliteitsmaatregel of combinatie van maatregelen.

Een haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen bevat ten minste de informatie die in deze bijlage is beschreven. Daarnaast dient de energieadviseur die de haalbaarheidsstudie opstelt ten minste één bezoek te hebben gebracht aan de locatie waar de haalbaarheidsstudie wordt uitgevoerd. De energieadviseur kan in het rapport gegevens of conclusies uit eerder uitgevoerde onderzoeken gebruiken, als die inzicht geven in het potentiële flexibele vermogen van de aanvrager. Voorbeelden van zulke onderzoeken zijn een EED-audit, energietransitie-plan, elektrificatieplan of verduurzamingsplan.

De haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen bevat ten minste de volgende gegevens:

De haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen geeft een beschrijving van de congestieproblematiek en de behoefte aan flexibiliteit in het congestiegebied waar de onderneming of de instelling is gevestigd. De energieadviseur raadpleegt daarvoor in ieder geval onderstaande bronnen om inzicht te krijgen in de netcongestiesituatie:

De haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen geeft een beschrijving van de hoofdprocessen van het bedrijf en een beschrijving van de eigen energie-opwek of -conversie en het vermogen dat hiermee wordt geleverd. Indien er geen energie-opwek of -conversie plaatsvindt bij het bedrijf, wordt dat vermeld.

De haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen beschrijft het energievraagprofiel van het bedrijf. Dit profiel bevat:

De haalbaarheidsstudie voor flexibiliteitsmaatregelen geeft een beschrijving van alle realistische flexibiliteitsmaatregelen die het bedrijf zou kunnen treffen. Daarnaast bevat de haalbaarheidsstudie per realistische flexibiliteitsmaatregel een kwantitatieve inschatting van:

De haalbaarheidsstudie gaat in op de eventuele mogelijkheid de realistische flexibiliteitsmaatregel(en) in te zetten voor congestiemanagement middels een congestiemanagementcontract met de systeembeheerder. Indien mogelijk wordt er ingegaan op wat congestiemanagement financieel zou kunnen opleveren.

De haalbaarheidsstudie bevat per realistische flexibiliteitsmaatregel of combinatie van maatregelen een overzicht van:

De haalbaarheidsstudie geeft inzicht in de voor- en nadelen van de realistische flexibiliteitsmaatregelen. De uitkomsten van de analyse onder punt 5, 6 en 7 hierboven worden daarin meegenomen. Daarnaast wordt in ieder geval de invloed van de flexibiliteitsmaatregelen op de volgende aspecten meegenomen:

Op basis van afweging van de voor- en nadelen kiest de aanvrager welke flexibiliteitsmaatregelen verder worden uitgewerkt in een conceptueel-technisch ontwerp.

Per geselecteerde (combinatie van) flexibiliteitsmaatregelen wordt een conceptueel-technisch ontwerp opgesteld. Een conceptueel-technisch ontwerp bevat per flexibiliteitsmaatregel, tenzij dit vanwege de aard van de flexibiliteitsmaatregel niet mogelijk is, in ieder geval:

Er wordt een uitvoeringsplan gemaakt voor de geselecteerde flexibiliteitsmaatregelen, waarin in ieder geval wordt ingegaan op:

Het doel van de subsidiemodule Nationale Investeringsmodule Klimaatprojecten Industrie (NIKI) is het reduceren van CO2- en andere broeikasgasemissies (uitgedrukt in CO2-eq) in industriële productieprocessen en productketens, door ondersteuning te bieden aan de uitrol van grootschalige industriële verduurzamingsprojecten.

Hieronder volgt een overzicht van de twee NIKI-projectcategorieën en de verschillende thema’s die binnen de reikwijdte van de NIKI vallen.

In deze categorie wordt onderscheid gemaakt tussen drie thema’s.

Thema 1. Grootschalige proces-efficiëntie

Dit thema heeft betrekking op projecten in het productieproces van de subsidieaanvrager gericht op een sterke vermindering van CO2-emissies in het productieproces ten opzichte van de CO2-emissies van het referentieproces door verbetering van de energie-efficiëntie.

Bijvoorbeeld door toepassing van energie-intensieve productieprocessen of door radicale verandering van het productieproces waarin geïnvesteerd wordt.

Een risico van investeringen in procesefficiency maatregelen is een lock-in van het huidige fossiele productieproces. Het gaat immers vaak om investeringen met een lange afschrijvingstermijn (bijvoorbeeld tien of vijftien jaar). Om deze lock-in effecten te voorkomen moet bij de aanvraag aannemelijk worden gemaakt dat de investering past in een transitie naar een fossiel-vrij productieproces.

Thema 2. Elektrificatie

Binnen dit thema vallen projecten met betrekking tot het productieproces van de subsidieaanvrager gericht op een sterke vermindering van CO2-emissies in het productieproces door elektrificatie.

Bijvoorbeeld door elektrificatie van krakers/ovens en elektrificatie van aandrijfsystemen waarbij de energie- of warmtebron is vervangen door elektriciteit. Maar ook bij directe toepassing van elektronen in het productieproces zoals bijvoorbeeld bij elektrochemische en/of op plasma technologie gebaseerde productieprocessen.

Uitgesloten zijn investeringsprojecten gericht op waterstofproductie via elektrolyse.

Voor elektrificatieprojecten geldt dat deze mogelijk kunnen leiden tot fossiele lock-in. Ook hier moet daarom door de subsidieaanvrager aannemelijk gemaakt worden hoe de investering past in de transitie naar een fossiel-vrije productie.

Thema 3. Waterstof

Steun vanuit de NIKI is beschikbaar voor projecten in een innovatief productieproces voor waterstof. Het gaat hierbij om de productie van waterstof voor zover niet geproduceerd met een elektrolyser zoals bedoeld in de ‘subsidieregeling opschaling hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse’.

Daarnaast kan NIKI-steun worden aangevraagd voor investeringsprojecten in het productieproces van de aanvrager gericht op de inzet van zogenaamde low carbon waterstof in plaats van fossiele waterstof zoals geldt bij de productie van het referentieproduct, bijvoorbeeld voor de productie van ammoniak. Bij de inzet van low-carbon waterstof moet de subsidieaanvrager verklaren en aantonen dat deze waterstof over de levenscyclus ten minste 70 procent minder broeikasgasemissies levert dan uit fossiel verkregen waterstof (12,516 kg CO2/kg H2). Vanaf het jaar van publicatie van het vraagsubsidie-instrument zoals bedoeld in kamerbrief ‘Voortgang waterstofbeleid’1, zal de toepassing van renewable liquids and gaseous fuels of non-biological origin (RFNBO) (die immers ook voldoet aan de kwalificatie van low-carbon waterstof) niet langer onderdeel zijn van deze categorie. Onder RFNBO wordt verstaan waterstof die voldoet aan de RFNBO-vereisten, bedoeld in Richtlijn (EU) 2023/2413 tot wijziging tot Richtlijn (EU) 2018/2001, en die zijn gespecificeerd in de Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1184 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1185. Bij de subsidieaanvraag dient aangetoond te worden dat de in het project gebruikte waterstof hieraan voldoet door middel van een geldig certificaat. Dit certificaat moet zijn afgegeven door een conformiteitsbeoordelende instelling die is aangesloten bij een door de Europese Commissie voor dit doeleinde erkende vrijwillig systeem.

Uitgesloten zijn investeringsprojecten gericht op vergassing waarin het product, het syngas, direct wordt ingezet voor de productie van warmte en elektriciteit.

Voor waterstofprojecten geldt dat deze mogelijk kunnen leiden tot fossiele lock-in. Ook hier moet daarom door de subsidieaanvrager aannemelijk gemaakt worden hoe de investering past in de transitie naar een fossiel-vrije productie.

Onder deze categorie vallen investeringsprojecten in productieprocessen die ervoor zorgen dat primaire fossiele koolstof voor niet-energetisch gebruik in een productketen wordt vervangen door niet primaire fossiele koolstof. Hierdoor wordt minder primaire fossiele koolstof vastgelegd in NIKI-producten dan met bestaande technologie en productketens het geval zou zijn geweest. Waarbij primaire fossiele koolstof doelt op fossiele grondstoffen, die in wel of niet bewerkte vorm worden toepast als grondstof in productieprocessen. Een vervanging kan worden bereikt door gerecyclede of biogene koolstof houdende grondstoffen toe te passen, in plaats van primaire fossiele koolstof.

Bronnen voor gerecyclede koolstof zijn bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) koolstof uit gerecyclede (kunst)stoffen, uit teruggewonnen CO2, uit industriële productieprocessen (Carbon Capture Utilisation (CCU)) of uit de omgevingslucht via Direct Air Capture (DAC).

Voor recycling van (kunst)stoffen afvalstromen en reststromen komen verschillende vormen van recycling in aanmerking voor steun, waaronder chemische recycling. Bij chemische recycling kan gedacht worden aan: depolymerisatieprocessen, pyrolyse- en vergassingstechnologieën. Ook innovatieve nieuwe vormen van recycling, zoals bijvoorbeeld solvent recycling, kunnen in aanmerking komen voor de NIKI. Uitgesloten is recycling van afval die het opwerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als opvulmateriaal, noch toepassingen voor (dier)voeding betreft.

Inleiding

Deze bijlage beschrijft de methode voor het bepalen van de reductie in broeikasgasemissies naar de atmosfeer van een NIKI-project. Als aanvrager van een NIKI-project bent u verplicht om deze methode toe te passen om de emissiereductie2 van uw NIKI-project te bepalen.

Ondernemingen reduceren door het uitvoeren van NIKI-projecten emissies van broeikasgassen, uitgedrukt in CO2-eq door NIKI-producten te vervaardigen, die tijdens hun levenscyclus minder emissies naar de atmosfeer veroorzaken dan producten die ze in de markt vervangen. De NIKI CO2-emissiereductiemethode houdt rekening met emissies die in verschillende fasen van de levenscyclus van een product ontstaan en de emissiereducties die in deze fasen kunnen worden behaald. Het Europese Innovation Fund (IF) is op dezelfde gedachte gebaseerd. De NIKI CO2-emissiereductiemethode is dan ook geïnspireerd op de IF-methodiek. De methode is gebaseerd op berekeningen en niet op metingen van emissies.

Inhoudsopgave

Kader en afbakening

Een NIKI-aanvraag bestaat uit verschillende onderdelen. U dient onder andere een projectplan in, met daarin een beschrijving van de activiteiten binnen het project, de installatie of installaties die u van plan bent te bouwen of aan te passen, en de NIKI-producten die u daarmee beoogt te produceren. Het projectplan vormt tevens de basis voor het toepassen van zowel de NIKI rekenmethode als de NIKI CO2-emissiereductiemethode.

Dit document beschrijft de NIKI CO2-emissiereductiemethode en dient als instructie om de methode correct toe te passen. Naast dit document zal voor het voorbereiden van NIKI-aanvragen een NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie gepubliceerd worden, die zorgt voor een uniforme wijze van indienen. Dit rekenmodel zal tegelijk met de publicatie van de regeling in de Staatscourant worden gepubliceerd op de site van RVO. U dient het ingevulde rekenmodel bij uw aanvraag in.

De emissies van alle bekende broeikasgassen worden in deze methode meegenomen, zie ook bijlage 1 van de NIKI-regeling. De eenheid waarin de emissies worden uitgedrukt is tonnen koolstofdioxide equivalenten (ton CO2-eq.). Waar we in de tekst van CO2 spreken kan dit ook andere broeikasgassen betreffen.

U hanteert in uw NIKI-aanvraag een onderbouwde prognose van de totale productie tijdens de exploitatiefase voor het berekenen van de totale emissiereductie van uw NIKI-project. U berekent hieruit tevens de emissiereductie per eenheid NIKI-product. NIKI-projecten hebben een exploitatiefase van 10 jaar na ingebruikname van de installatie. In deze periode zal het NIKI-product vervaardigd worden. U rapporteert tijdens de projectuitvoering over de bereikte emissiereductie op basis van de daadwerkelijke productieoutput van de NIKI-installatie, en de emissiereductie per eenheid NIKI-product uit uw aanvraag. Het uit te keren voorschot op de subsidie wordt mede op de bereikte emissiereductie gebaseerd.

Begrippen en definities

In onderstaande tabel staan de definities van belangrijke begrippen in deze methode, voor zover deze niet al zijn opgenomen in de regelingstekst. De begrippen zijn niet alfabetisch gerangschikt, maar worden in een volgorde behandeld die bijdraagt aan het begrijpen van de samenhang tussen de begrippen.

Om de leesbaarheid te bevorderen zullen we in dit document enkele begrippen in enkelvoud gebruiken. Dus, waar we bijvoorbeeld van product, installatie, input of referentieproces spreken, kan dit ook meerdere producten etc. betreffen.

Samenvatting van de NIKI CO2-emissiereductiemethode

Het vertrekpunt voor de-emissiereductiemethode is het NIKI-product, dat in het NIKI-project wordt vervaardigd. In het projectplan beschrijft u alle producten en productieprocessen. Voor de berekening van de CO2-emissiereductie worden de emissies van NIKI-producten vergeleken met referentieproducten.

De CO2-emissiereductie door het NIKI-project berekent u door het verschil tussen de emissies van het referentieproduct en de emissies van het NIKI-product, gesommeerd over de productieoutput gedurende de exploitatiefase. De formule is opgenomen in figuur 1.

Figuur 1: De CO2-emissiereductie van het NIKI-project ten opzichte van de referentie gedurende de exploitatiefase.

NIKI-producten en referentieproducten

Een NIKI-installatie kan een of meerdere producten vervaardigen. Voor elk product wijst u een referentieproduct aan dat dezelfde functie vervult. De producten zijn gezamenlijk de NIKI-producten, de referentieproducten vormen samen de referentie.

Voorbeeld: Een aanvrager heeft een NIKI-project met een bioraffinaderij. Deze raffinaderij maakt uit een biogene koolstofstroom (bio)gas, (bio)benzine, (bio)diesel, (bio)nafta en (bio)stookolie. Deze 5 producten zijn gezamenlijk de NIKI-producten binnen deze aanvraag.

Een referentieproduct hoeft niet noodzakelijkerwijs fysiek hetzelfde te zijn als het NIKI-product. Als de producten fysiek van elkaar verschillen en er meer of minder geproduceerd moet worden om dezelfde functie te vervullen, dan wordt hiervoor gecorrigeerd met de correctiefactor cffunctie.

Systeem- en procesgrenzen

De CO2-emissies van het NIKI-project en de referentie worden bepaald door de emissies gedurende de levenscyclus van de producten vast te stellen. De levenscyclus van het product bestaat uit verschillende levenscyclusfasen. Welke fasen worden meegenomen, wordt vastgelegd als systeemgrens. De totale emissie van een NIKI-product is de sommatie van de emissies van de afzonderlijke levenscyclusfasen. In de NIKI CO2-emissiereductiemethode worden de volgende levenscyclusfasen meegenomen:

De procesgrens geeft aan met welke stap het productieproces van het NIKI-product in de NIKI-installatie start en eindigt. Dit bepaalt waar de levenscyclusfase proces begint, en welke inputs daarbij horen. Als u een referentieproces moet definiëren, bepaalt u ook hiervan een procesgrens.

Massa- en energiebalans

U stelt een massa- en energiebalans op van het productieproces van het NIKI-product. Hiermee maakt u de in- en uitgaande massa- en energiestromen inzichtelijk, die nodig zijn voor het vervaardigen van het product, zie figuur 2. Ook berekent u een koolstofbalans. Deze massa- en energiebalans dienen als basis voor het toekennen van CO2-emissies aan de verschillende stromen.

Figuur 2: Massa- en energiebalans van het productieproces.

Bepalen van CO2-emissies

Voor alle levenscyclusfasen bepaalt u de emissies naar de atmosfeer. Dit doet u voor het NIKI-product op basis van de massa- en energiebalans in combinatie met emissiefactoren en informatie over de emissies tijdens verbranding of einde levensduur.

Om de emissies te bepalen, moet u geschikte emissiefactoren selecteren. De NIKI CO2-emissiereductiemethode schrijft een hiërarchie voor in de keuze van emissiefactoren uit verschillende bronnen. Deze emissiefactoren worden vermenigvuldigd met de hoeveelheden van de verschillende massa- en energiestromen die uit de massa- en energiebalans zijn gebleken.

Voor het bepalen van de emissies van het referentieproduct zijn er twee routes:

Bepalen van de totale CO2-emissiereductie door het NIKI-project

U gebruikt het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie om de totale CO2-emissiereductie te berekenen en de gemaakte keuzes kunt verantwoorden.

Controleren of negatieve neveneffecten van het NIKI-project de emissiereductie overschrijden

‘Transport en gebruik’ van NIKI-producten is geen onderdeel van de systeemgrens in de NIKI CO2-emissiereductiemethode. Echter is het in sommige gevallen mogelijk dat het vervangen van conventionele producten door NIKI-producten in deze levenscyclusfase additionele emissies veroorzaakt. Omdat dit buiten de systeemgrens valt, wordt dit niet meegenomen in het bepalen van de totale emissiereductie. Neveneffecten mogen echter niet groter zijn dan de totale emissiereductie van het NIKI-project. Dit dient door u te worden vastgesteld conform hoofdstuk 8 stap 7 ‘Controle op negatieve neveneffecten’.

Stappenplan van de NIKI CO2-emissiereductiemethode

U doorloopt aan de hand van deze methode zeven stappen om de CO2-emissiereductie van uw NIKI-project te bepalen. De zeven stappen zijn als volgt:

Deze stappen worden in de komende hoofdstukken toegelicht.

Het uitgangspunt van de NIKI-regeling is dat door de productie van NIKI-producten in het NIKI-project andere producten in de markt worden vervangen, die gedurende hun levenscyclus meer CO2-emissies veroorzaken. NIKI-projecten kunnen ook de uitbreiding of nieuwbouw van conventionele productie-installaties vermijden in het geval van toenemende vraag naar het product. De functie van het NIKI-product is dan ook bepalend voor de referentie en de uiteindelijk berekende emissiereductie.

Voor het bepalen van NIKI-producten gelden de volgende voorwaarden:

Economisch verhandelbaar houdt in dat het product potentieel fysiek getransporteerd kan worden naar verschillende afnemers op de markt. Indien het product uitsluitend in een op de locatie van de aanvrager verbonden installatie verder verwerkt kan worden, wordt het product niet als verhandelbaar beschouwd.

U bepaalt NIKI-producten zodanig, dat ze samen ten minste 90% vormen van de uitgaande massastroom die een economische waarde heeft. U bepaalt zelf of en welke producten met economische waarde u niet als een NIKI-product beschouwt, tot een maximum van 10% van de uitgaande massastroom (zie Figuur 3). Deze producten vormen de restfractie. Voor de restfractie geldt dat de CO2-emissies berekend worden als de emissies die vrijkomen bij volledige verbranding daarvan.

Voorbeeld: 80% van de uitgaande massastromen heeft een economische waarde. Hier zitten echter enkele zeer kleine stromen tussen, die veel moeite kosten om los te beschrijven. U heeft de optie om een deel hiervan als restfractie aan te merken. Dit mag maximaal 10% van de uitgaande massastroom met een economische waarde zijn. De overige minimaal 90% moet u als NIKI-producten opnemen. In dit voorbeeld zal minimaal 72% (90% van de 80%) van de uitgaande massastromen van het NIKI-project NIKI-producten zijn.

Figuur 3: Afvalstromen en restfractie

Een referentieproduct is het product dat in de markt wordt vervangen door een NIKI-product. Vaak heeft dit referentieproduct (nagenoeg) dezelfde chemische samenstelling en fysieke eigenschappen als het NIKI-product, en vervult daarmee dezelfde functie.

Wanneer het referentieproduct fysiek niet identiek is of een afwijkende samenstelling heeft ten opzichte van het NIKI-product, dan moet u met bronnen onderbouwen dat de functionaliteit dezelfde is. Dit kan bijvoorbeeld door middel van afspraken met afnemers, die het product voor eenzelfde functie willen inzetten. Als het referentieproduct wel fysiek identiek is, is dit niet nodig, er wordt dan van uitgegaan dat de afzetmarkt vergelijkbaar zal zijn.

Als het product van het NIKI-project meerdere functionaliteiten heeft die niet gedekt worden door één referentieproduct, dan bepaalt u voor elke functionaliteit een referentieproduct.

Voorbeeld: Pyrolyseolie van biogene reststromen kan ingezet worden als grondstof voor plasticproductie, maar ook als brandstof voor de zeevaart. Het NIKI-project voorziet om 40% te leveren aan de plasticindustrie voor verdere verwerking tot grondstof en de overige 60% te verkopen als biobrandstof voor de zeevaart. Hiermee worden de vervangen referentieproducten respectievelijk nafta en stookolie.

U dient een correctiefactor te bepalen voor het mogelijke verschil in de benodigde hoeveelheid van het referentieproduct om dezelfde functie te vervullen als het NIKI-product. Als het referentieproduct fysiek identiek is aan het NIKI-product is de correctiefactor 1. De correctiefactor wordt bepaald aan de hand van de benodigde eenheden product van het referentieproduct dat vervangen wordt door één product-eenheid van het NIKI-product. Indien er meerdere referentieproducten zijn, kan er per referentieproduct een aparte correctiefactor van toepassing zijn.

Voorbeeld: Een producent voor een biologisch alternatief voor steenwol dient een NIKI-aanvraag in. Eerst moet worden onderbouwd welk referentieproduct vervangen wordt door de functionaliteit van het biologisch isolatieproduct. De aanvrager levert intentieverklaringen aan van meerdere bouwbedrijven die het isolatieproduct willen inzetten ter vervanging van steenwol. Uit door de aanvrager uitgevoerd onderzoek blijkt dat het biobased alternatief per m3 30% minder weegt in vergelijking met steenwol, maar dat er 10% meer volume nodig is om een equivalente isolatiewaarde te bereiken. De aanvrager past daarom een correctiefactor van 0,77 (=0,7 x 1,1) toe.

Voor het bepalen van de emissies van het referentieproduct bepaalt u allereerst of er een standaard emissiefactor beschikbaar is, of dat u zelf een referentieproces moet opstellen (zie ook figuur 4).

Figuur 4: Stappen om referentieproduct te bepalen

Een standaard emissiefactor is beschikbaar

Als er een voorgeschreven emissiefactor beschikbaar is, dan moet u deze gebruiken. Twee typen emissiefactoren zijn voorgeschreven:

Als u één van deze emissiefactoren moet gebruiken, dan hoeft u voor dat product geen referentieproces meer op te stellen.

Een referentieproces bepalen

Indien uit de bovenstaande bronnen geen emissiefactor voor een geschikt referentieproduct te bepalen is, doorloopt u voor het productieproces van het referentieproduct dezelfde stappen als voor NIKI-producten. Dit betekent dat u voor de referentie een of meer referentieprocessen zult moeten beschrijven waarmee alle producten met dezelfde functionaliteiten van de NIKI-producten zijn te produceren.

Voor elk NIKI-product moet u een referentieproduct aanwijzen en u moet u een referentieproces beschrijven voor elk referentieproduct waarvoor geen emissiefactor beschikbaar is. Indien een referentieproces meerdere referentieproducten in dezelfde productieverhoudingen tussen de producten als het NIKI-project produceert, volstaat dit ene referentieproces voor de desbetreffende referentieproducten. Is dit niet het geval, dan geldt als uitgangspunt dat voor elk referentieproduct een referentieproces moet worden opgesteld.

Indien het productportfolio van het NIKI-proces overeenkomt met het productportfolio van één enkel referentieproces, dan mag u de referentie met een enkel referentieproces beschrijven, zonder dat u voor een gedeelte van de producten een beschikbare emissiefactor toepast.

Voorbeeld: U vervangt de helft van een grondstof met een biobased alternatief. Het productportfolio blijft hetzelfde. Eén van de producten staat op CO2emissiefactoren.nl. Volgens bovenstaande stappen zou u hiervoor de beschikbare emissiefactor moeten gebruiken en voor de overige producten referentieprocessen moeten beschrijven. Omdat het productportfolio hetzelfde blijft, mag u in dit geval echter een referentieproces beschrijven dat alle referentieproducten vervaardigd. Als voor alle referentieproducten een emissiefactor beschikbaar is, gebruikt u de beschikbare emissiefactoren.

Let op: als de referentieproducten niet in dezelfde verhouding worden geproduceerd, of de correctiefactor niet overeenkomt, moeten de referentieproducten WEL in losse processen omschreven worden.

Indien geen emissiefactor beschikbaar is, beschrijft u referentieprocessen. Een referentieproces dient zo veel mogelijk overeen te komen met de Best Available Technology (BAT)3, waaronder energiegebruik per ton product. Bij het referentieproces gaat u uit van processen zonder toepassing van Carbon Capture and Storage (CCS), omdat CCS ook bij het NIKI-project is uitgesloten.

U stelt het referentieproces vast aan de hand van de hieronder beschreven hiërarchie. Indien er meerdere gangbare productieprocessen zijn, maakt u een keuze met onderbouwing waarom het gekozen productieproces het meest geschikte vergelijkbare proces is. In het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie is er ruimte om uw keuze te onderbouwen.

Voor het bepalen van de inputs, producten en procesemissies van het referentieproces volgt u onderstaande hiërarchie. U onderbouwt hierbij steeds waarom u een bepaalde bron kiest. Bij niveau 4 van de hiërarchie onderbouwt u ook waarom op de hogere niveaus geen geschikt referentieproces te vinden was.

Voor het referentieproces stelt u vervolgens een massa- en energiebalans op, zoals in hoofdstuk 5 beschreven. Hiervoor gebruikt u zoveel mogelijk dezelfde bron voor alle benodigde data, gebaseerd op bovenstaand hiërarchie. Ingeval niet alle data in dezelfde bron beschikbaar is, mag u, wederom de hiërarchie volgend, aanvullen met andere bronnen. Door een dergelijke combinatie van bronnen kan het voorkomen dat de massa- en energiebalans en/of koolstofbalans niet sluitend zijn. In dat geval mag u afwijken van de instructie om de laagste waarde van de bandbreedte in een BREF document gebruik te maken. Binnen de bandbreedte benaderd u dan een hogere waarde, waardoor de massa- en energiebalans wel sluitend wordt.

Indien het referentieproces naast het referentieproduct ook andere verhandelbare producten produceert, worden deze producten als co-producten beschouwd. Stoom of restgassen moeten bijvoorbeeld als co-producten worden beschouwd als deze zinvol toegepast kunnen worden. Als een reststroom niet als co-product wordt beschouwd, moet u dit goed onderbouwen. Let op: het gaat hier om het referentieproces en omdat we uitgaan van de BAT, is de uitgangspositie altijd dat reststromen die nog zinvol gebruikt kunnen worden, als co-product worden verhandeld.

Als het referentieproces stoom of elektriciteit exporteert, voert u dit als negatieve emissie op. U gebruikt hiervoor de emissiefactoren die in hoofdstuk 5.1.3 worden voorgeschreven en vult ze als negatieve waarde in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie in. Op het betreffende tabblad wordt dit eveneens benoemd.

De emissies van het referentieproces en inputs worden op basis van massa-allocatie toegewezen aan het referentieproduct dan wel aan de co-producten. U onderbouwt de allocatie in de aanvraag.

Voorbeeld: Een NIKI-project produceert twee producten, product A en product B. Het referentieproces produceert dezelfde producten in dezelfde verhouding als het NIKI-proces. Daarom volstaat het referentieproces voor zowel product A als voor product B van het NIKI-project. Het referentieproces produceert ook een derde product (C) als bijproduct uit het proces. Product C wordt beschouwd als een co-product uit het referentieproces, en de emissies worden verdeeld over producten A en B op basis van massa-allocatie.

Let op: bij het NIKI-proces spreken we van een restfractie, bij referentieprocessen van co-producten. Emissies worden bij co-producten anders toegewezen dan bij een restfractie. Voor de restfractie is dit beschreven in hoofdstuk 1.

De systeemgrens kadert welke levenscyclusfasen en de daaraan verbonden emissies meegenomen worden in de berekening en bepaalt daarbinnen ook de afbakening van de energie- en massabalans. Een levenscyclus betreft alle stappen van grondstofwinning tot afdanking over de levensduur van een product.

Voor uw NIKI-product en referentieproduct berekent u de emissies voor de volgende levenscyclusfasen:

Figuur 5: Levenscyclusfasen en gerelateerde emissies

Overige levenscyclusfasen, emissies tijdens gebruik van het product, zijn uitgesloten van de berekening. Dit heeft te maken met het feit dat de emissies in deze fase niet toerekenbaar zijn aan het NIKI-project, maar vaak het gevolg zijn van afspraken tussen ketenpartners of gedrag van eindgebruikers.

De levenscyclus begint bij grondstofwinning voor het product en eindigt bij de einde levensduur of langdurig gebruik van meer dan 50 jaar. Als de levenscyclus begint bij een afvalproduct als grondstof, begint de systeemgrens vanaf het moment van inzameling.

De levenscyclus fase ‘proces’ heeft een sleutelpositie in de levenscyclus van een NIKI-product of referentieproduct. Wanneer u de procesgrens – het begin- en eindpunt van deze levenscyclusfase – heeft bepaald, kunt u ook de grenzen van de andere levenscyclusfasen vastleggen. Ter verduidelijking van uw aanvraag maakt u een schematische weergave van het proces, met procesgrenzen, inputs, reststromen, afvalstromen, procesemissies en producten (voor een voorbeeld zie figuur 3). Deze neemt u op in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie, waarin u de CO2-emissiereductie berekent.

De procesgrens van het NIKI-project omvat de fysieke installatie of installaties waarmee het NIKI-product wordt vervaardigd. Dit betreft in ieder geval altijd de NIKI-installatie waarin wordt geïnvesteerd, maar kan ook andere installaties betreffen die onderdeel uitmaken van het productieproces en op hetzelfde terrein staan.

De procesgrens begint op het punt waar de inputs een installatie worden ingevoerd. De procesgrens eindigt waar het NIKI-product een installatie verlaat.

Hetzelfde principe past u ook toe, als u voor een referentieproduct een proces moet beschrijven. U bepaalt hierbij volgens de hiërarchie beschreven in hoofdstuk 3.2 het referentieproces en de daarbij horende procesgrenzen.

Figuur 6: Illustratie van de systeem- en procesgrenzen en onderverdeling van levenscyclusfasen voor een ammoniakkraker case.

Om op een consistente en navolgbare manier de emissies te bepalen stelt u voor het productieproces van een NIKI-product, en indien van toepassing ook voor het referentieproduct, een massa- en energiebalans (MEB) op. De MEB omvat alle relevante massa- en energiestromen voor een representatief jaar die de procesgrenzen passeren. Figuur 7 toont een voorbeeld van een MEB.

In het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie is een tabblad opgesteld voor het maken van de MEB. Hierin legt u de inputs van het proces als massa- of energiestromen vast. Uitgaande producten, restfractie, emissies naar de atmosfeer en afvalstoffen dienen vervolgens in balans te zijn met de ingaande stromen.

U moet de balans maken voor zowel de massastromen als energiestromen door het proces. Geef voor alle in- en uitgaande stromen zowel een massa- als energiestroom op, tenzij de stromen geen massa hebben (bijvoorbeeld elektriciteit) of geen energie bevatten (bijvoorbeeld CO2). Verklaar waar nodig de verschillen in de balans, bijvoorbeeld als gevolg van chemische reacties in het proces.

De koolstofinhoud per massastroom neemt u ook in de MEB op. De MEB legt hiermee vast hoe de stromen lopen tussen het proces en andere levenscyclusfasen betreffende hoeveelheid en koolstof-inhoud. Dit is inclusief het onderscheid tussen biogene en fossiele koolstof. Deze gegevens worden gebruikt om de emissies in andere levenscyclusfasen te bepalen.

Zorg ervoor dat de koolstofbalans in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie kloppend is. Bij onvolledige data zorgt u voor een kloppende koolstofbalans door inputstromen en procesemissies aan te passen, en uw keuzes hierover toe te lichten.

Voorbeeld: Uit de BREF en aanvullende bronnen leidt u af dat er CO2-uitstoot in het proces plaats vindt, maar deze is niet gekwantificeerd. Uit de koolstofbalans leidt u af hoeveel fossiele C uit het proces moet komen. U maakt de koolstofbalans kloppend door deze C-atomen als CO2 in procesemissies op te nemen.

De biogene koolstofinhoud bepaalt u op basis van de massabalans. De massa aan biogene koolstof wordt gelijk verdeeld over alle uitgaande stromen met koolstofinhoud, om tot het aandeel biogene koolstof per stroom te komen. Als u kunt aantonen dat de biogene fractie in de installatie apart behandeld wordt, dan kunt u de biogene fractie toewijzen volgens gedetailleerde (sub)MEBs.

De bepaling van de emissies is onderverdeeld in de verschillende levenscyclusfasen. De totale emissies van het NIKI-project en van de referentie bepaalt u door de emissies van de levenscyclusfasen op te tellen. De totale emissiereductie van het NIKI-project is het verschil tussen de emissies van de referentie en het NIKI-project.

Voor alle emissies moet u de bronnenhiërarchie, zoals beschreven in appendix A1, toepassen, en gaat u uit van de BAT of onderbouwt u waar het NIKI-project de BAT verbetert. U onderbouwt elke gebruikte emissiefactor, op basis van een goede overeenkomst van eigenschappen en het niveau in de hiërarchie.

Voorbeeld: U kiest een emissiefactor voor een grondstof die als input dient in uw proces (levenscyclusfase inputs). Op de eerste drie niveaus van de hiërarchie is de desbetreffende grondstof niet opgenomen. Op niveau 4 (GEMIS) vindt u een emissiefactor voor de grondstof, maar de data waarop de emissiefactor is gebaseerd zijn verouderd en de kwaliteit van de grondstof komt niet overeen. U kiest daarom een emissiefactor uit het volgende hiërarchieniveau (bijvoorbeeld Ecoinvent) en beredeneert waarom deze vermelding beter aansluit.

Inputs zijn alle inkomende energiestromen en grondstoffen voor het proces. De emissies per input berekent u aan de hand van een emissiefactor die de CO2-emissies van de input tot aan het proces omvat.

De emissiefactor voor inputs houdt ook het transport naar de installatie in, zoals in 4.1 beschreven. Voor biogene grondstoffen, afval en CCU-inputs gelden additionele rekenregels, die hieronder in de desbetreffende hoofdstukken worden beschreven.

De NIKI CO2-emissiereductiemethode maakt bij de inputs onderscheid tussen grondstoffen en energie, waarbij specifieke rekenregels worden voorgeschreven:

Voor iedere input moet u bepalen of het een rigide of elastische input betreft. Daarbij gelden de volgende definities:

Een rigide input kan negatieve of positieve neveneffecten hebben in een andere productketen waardoor er juist meer of minder CO2-emissies worden veroorzaakt.

Voorbeeld: Een NIKI-project gebruikt gemeentelijk afval als input. Dit afval wordt hierdoor niet langer verbrand om te voorzien in stadsverwarming. Afval is in dit scenario een rigide input voor het NIKI-proces. Doordat het afval niet wordt verbrand, ontstaan er geen verbrandingsemissies. Echter moet de warmte die voorheen voor stadsverwarming werd gebruikt nu anders worden opgewekt, bijvoorbeeld door het gebruik van een aardgasketel. Zowel de gereduceerde verbrandingsemissies, als de nieuwe emissies voor warmteproductie, moeten worden berekend om het effect van het inzetten van afval in het NIKI-project te bepalen.

Oppervlaktewater en lucht zijn per definitie rigide inputs. In deze methode worden deze twee stromen echter uitgesloten van rigide inputs: er wordt aangenomen dat ongezuiverd oppervlaktewater en lucht functioneel oneindige stromen zijn.

Standaard gaat de berekening uit van een elastische input. U hoeft dan niets te doen. Wanneer er binnen het NIKI-proces sprake is van een rigide input moet u rekening houden met de effecten van een verandering in de vraag van deze input op processen buiten het NIKI-project (extern proces). Daarom neemt u het vervangingseffect voor rigide input bij dat externe proces mee in de berekening. Dat doet u als volgt:

Wanneer het referentieproces een rigide input gebruikt, maar het NIKI-proces niet (of het gebruik ervan vermindert) dan vermindert het NIKI-project de vraag naar een rigide grondstof of energiestroom ten opzichte van de referentie. In dit geval berekent u ook het vervangingseffect: in hoeverre leidt de afname van de vraag tot verandering van de emissies in externe processen.

Voor het vaststellen van de emissiefactor voor een grondstof input, inclusief brandstoffen voor energievoorziening in het proces, worden de input-emissies in kaart gebracht volgens de bronnenhiërarchie in appendix A1. Voor enkele hieronder genoemde grondstoffen wordt afgeweken van of vindt aanvulling plaats op de bronnenhiërarchie.

Mogelijk zijn er verscheidene emissiefactoren beschikbaar op hetzelfde niveau van de hiërarchie voor verschillende processen voor het hetzelfde product. In dat geval kiest u het proces dat in de markt als eerste gaat opschalen bij een toenemende vraag naar de grondstof en licht u deze keuze toe.

Water als grondstof neemt u alleen in de emissieberekening mee indien het uit een externe ontziltings-, afvalwaterzuiverings- of aanvullende pompinstallatie komt. Anders mag u de voorketenemissies van water als 0 opnemen. Input-emissies van lucht mag u ook als 0 opnemen, indien hier geen externe voorbehandeling bij plaatsvindt.

De biogene grondstoffen moet zijn opgenomen in bijlage IX van de RED-II Richtlijn9 en zijn gecertificeerd. De duurzaamheidsverklaring van de ingekochte biomassa moet uitgegeven zijn door een certificatiesysteem dat door de EU conform artikel 30.4 erkend is voor deze scope. Waarbij het certificaat van toepassing is op de relevante grondstof uit bijlage IX en overeenkomstig de relevante bepalingen van artikel 29.1-29.10 is opgesteld.

Op het moment dat het Besluit duurzaamheid biomassa van kracht is, hanteert de aanvrager met betrekking tot de biogrondstoffen, die ten behoeve van de NIKI worden toegepast, een duurzaamheidssysteem dat door de minister voor het werkveld, waarvoor de geregistreerde het systeem toepast, is geaccepteeerd.

Voor input van biogene oorsprong berekent u de emissiefactor op onderstaande wijze. Deze wijkt af van de bronnenhiërarchie in appendix A1.

De bijlagen V, deel D en E en bijlage VI deel C van REDII geven de standaardwaarden voor teelt, verwerking, vervoer en distributie waaruit u de emissiefactoren voor biomassa, biogas, biomethaan, vloeibare biomassa of biobrandstoffen afleidt.

In andere levenscyclusfasen moet u ook de ‘niet-CO2-emissies’ bij verbranding meenemen, omdat deze een additioneel klimaateffect hebben: niet-CO2-emissies (methaan, lachgas en andere broeikasgassen) berekent u onder de levensfase ‘verbranding’ indien beschikbaar op basis van de RED II emissiefactor voor niet-CO2-emissies bij verbranding.

Indien in de REDII geen waarden beschikbaar zijn, moet u de bronnenhiërarchie in appendix A1 alsnog volgen met inachtneming van de rekenregels betreffende transport en niet-CO2-emissies.

Voorbeeld: De emissiefactor voor houtsnippers van bosbouwresten is 5 g CO2/MJ als deze binnen 500 km zijn gewonnen van de NIKI-installatie. Echter dient er voor transport en verbranding gecorrigeerd te worden. De ‘transport’- en niet-CO2-emissies in de RED II emissiefactor zijn respectievelijk; 3,0 en 0,4 g CO2/MJ. Dus de winning- en productie-emissies volgens RED II zijn dan voor houtsnippers 5 – (3,0 + 0,4) = 1,6 g CO2/MJ. Voor het NIKI-project worden de houtsnippers binnen een straal van 350 km gewonnen, en worden vervoerd met een zware trekker + oplegger. Dit vervoer heeft een emissiefactor van 88 g CO2/tonkilometer. Hiermee komen de transportemissies voor de aanvoer van houtsnippers naar de NIKI-installatie op 88 g CO2/(ton km) * 350 km = 30,8 kg CO2/ton. Om dit uit te drukken per MJ houtsnippers passen we de en onderste verbrandingswaarde van houtsnippers toe, 13 MJ/kg. Omgerekend is het dus 2,4 g CO2/MJ. De totale emissies van houtsnippers als input bedragen dan 1,6 + 2,4 = 4,0 g CO2/MJ.

NIKI-projecten dienen de Kaderrichtlijn Afvalstoffen te volgen voor het gebruik van afval als input, waarbij u aantoont dat ‘afval’ niet op een hoger niveau behandeld kan worden. Dit wordt gedaan op basis van het Landelijke Afvalbeheerplan (LAP3).

Voorbeeld: Een kunststofresidu is niet meer geschikt voor de productie van nieuwe kunststof. Volgens de Kaderrichtlijn Afval mag dit geconverteerd worden tot een brandstof of chemische grondstof.

De emissies van afvalstoffen als input worden berekend vanaf inzameling van het afval tot en met aanlevering bij het proces. Hierbij moet u alle emissies van inzameling, verwerking, mogelijke opwerking en transport van het afval inventariseren en berekenen. De emissies van het transport van afvalstoffen neemt u mee in de berekening als deze meer dan 1% van de volledige verbrandingsemissies van de desbetreffende grondstof bedragen, inclusief biogene emissies.

Als een afvalstroom slechts gedeeltelijk wordt gebruikt voor het proces (bijvoorbeeld vanwege een onbruikbare fractie) dan baseert u de emissiereductie alleen op het deel van de afvalstroom dat werkelijk wordt gebruikt.

Omdat afvalstoffen een rigide input zijn, worden de vermeden emissies van afvalverbranding conform de beschreven stappen in 6.1.1 meegenomen in de berekening van de emissie van de input.

Wanneer u CO2 uit een extern proces inzet worden de emissies berekend vanaf het afvangen van de CO2 tot en met de aanlevering bij het proces. Voor de CO2 moleculen past u een startwaarde van 0 toe en dus geen negatieve emissie. Ook wordt er in de MEB bijgehouden welke fractie van de afgevangen CO2 van biogene oorsprong is. Dit heeft een effect in de levenscyclusfase einde levensduur

Ook voor CO2 als grondstof moet u de werkelijke transportemissies meenemen in de berekening, als deze meer dan 1% van de getransporteerde CO2bedragen De transportafstand meet u vanaf het eerste punt van inzameling tot de aflevering aan de procesinstallatie. U bepaalt de emissiefactor van het transportmiddel door middel van de bronnenhiërarchie in appendix A1.

Dit hoofdstuk betreft specifiek energiestromen die geen brandstof zijn. De NIKI CO2-emissiereductiemethode beschouwt brandstoffen als grondstof, waarvan de winning- en productie-emissies onder de inputs levensfase en de verbrandingsemissies onder de levenscyclusfase verbranding vallen. Overige energievormen worden hieronder beschreven.

Als emissiefactor voor elektriciteit dient u standaard 0,14 kg CO2/kWh te hanteren10.

Voor warmte- en koudestromen moet u bepalen of deze rigide of elastisch zijn. Voor rigide thermische stromen, zoals restwarmte, volgt u de regels voor rigide inputs (zie 5.1.1).

De emissies als gevolg van warmte- of koudeverbruik zijn afhankelijk van het lokale systeem en de hoeveelheid afgenomen energie. Om de emissies van deze energie-input te berekenen stelt u de wijze van warmte- of koude-opwekking vast.

Voor ingezette brandstoffen gebruikt u vervolgens de bronnenhiërarchie in appendix A1 voor de bepaling van de juiste emissiefactor. Bij warmtelevering door derden gebruikt u de EU ETS warmtebenchmark11 als emissiefactor.

Voor de keuze van emissiefactoren volgt u altijd de bronnenhiërarchie in appendix A1 en gaat u uit van de BAT of onderbouwt u waar het NIKI-proces de BAT verbetert. Als het NIKI-project duurzamere inputs gebruikt dan de gangbare fysiek-identieke input op de markt en u hierom een lagere emissiefactor wilt toepassen, dan moet u aantonen dat de inkoop van de duurzamere input verbonden is aan het NIKI-project; dat de duurzamere input aansluit bij een of meerdere NIKI-thema’s, dat het een elastisch input betreft; en dat de productie van deze inputs binnen de EU plaatsvindt. Als bewijsvoering voegt u een conceptcontract of ondertekende intentieverklaring aan de aanvraag toe. Bij aanvang van productie in het NIKI-project moet u een getekend leveringscontract kunnen overhandigen. Uit de documentatie moet blijken dat de levering voor minstens 5 jaar (de helft van de exploitatiefase van het NIKI-project) is voorzien. CCS als onderdeel van het referentieproces is ook in dit geval uitgesloten (zie paragraaf 2.3). Voor elektriciteit gelden altijd de regels zoals beschreven in alinea 5.1.3.1.

De levenscyclusfase ‘proces’ bevat alle emissies ten gevolge van het vervaardigingsproces en de ondersteunende processen. Het proces omvat de emissies ontstaan door verbranding van grondstoffen, chemische of biologische processen binnen de procesgrens, verliezen in het proces, restfracties en verwerking van afval uit het proces.

Overige emissies van CO2-broeikasgassen uit het proces ten gevolge van onderhoud, storingen, fakkelen en afblazen vallen ook binnen de proces levensfase emissies. U gebruikt hiervoor actuele data, uit bijvoorbeeld rapportages voor milieuvergunningen. Indien het onbekend is hoeveel en welke overige emissies worden uitgestoten tijdens onderhoud, storingen en afblazen, wordt er 2% van de totale emissies van de proces levensfase opgeteld bij de proces levensfase emissies.

Biogene CO2-emissies van processen hebben een emissiefactor van 0, mits voldaan is aan de voorwaarden voor biogene inputs.

Wanneer brandstoffen binnen het proces worden verbrand, worden de verbrandingsemissies meegerekend in de proces levensfase. De verbrandingsemissies van veelvoorkomende brandstoffen zijn opgegeven in appendix A1, onder brandstoffen.0 Daarnaast moet u de niet-CO2-broeikasgas- emissies meenemen (zie Bijlage 4.13.1 van de NIKI) die onder de verwachte verbrandingsomstandigheden ontstaan.

Wanneer een biogene grondstof in een proces wordt verbrand, heeft deze biogene grondstof een CO2 emissiefactor van 0, mits voldaan wordt aan de voorwaarden voor biogene grondstoffen beschreven onder 6.1.2.1. Overige broeikasgassen die ontstaan bij de verbranding van biogene grondstoffen tellen wel mee in de berekening.

CO2 kan binnen een NIKI-project geïmporteerd worden (zie alinea 5.1.2.3) om vervolgens te gebruiken in een product (CCU). In dat geval wordt het beschouwd als input. Bij import neemt u de procesemissies op in de berekening, en verlaat de CO2 eveneens het proces als bestanddeel van het product.

CO2 afvang kan ook onderdeel van het proces zijn. Het NIKI-project produceert CO2 binnen het NIKI-proces. Door CO2 af te vangen uit het NIKI-proces en te gebruiken in een product wordt de uitstoot daarvan vermeden, maar niet berekend. De koolstof verlaat het proces als bestanddeel van het product.

Indien u CO2 produceert met DAC en vervolgens in het NIKI-proces toepast (CCU) gelden dezelfde regels als hierboven beschreven voor CCU. De procesemissies zijn onderdeel van het NIKI-proces, en de koolstof verlaat het proces als bestanddeel van het product.

In de NIKI-regeling geldt dat technieken die onder een categorie van de ‘Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie’ zijn opgenomen (SDE++) alleen in aanmerking komen voor NIKI, als de investeringskosten daarvoor minder dan 10% van de totale investeringskosten bedragen. Dit betreft ook CCS. U kunt SDE++ en NIKI nooit combineren voor dezelfde activiteiten.

Als u CCS binnen de NIKI toepast, omdat het minder dan 10% van de investeringskosten bedraagt, mag u de afgevangen CO2 in de levenscyclusfase einde levensduur als langdurig vastgelegd beschouwen (zie rekenregels alinea 5.4.4). In dat geval wijkt u af op paragraaf 5.5. Indien de BAT van de referentie CCS bevat, neemt u dit nu WEL mee bij de referentie, immers doet u dit bij het NIKI-proces ook.

Tijdens het productieproces ontstaan er verschillende uitgaande stromen: de geproduceerde producten, directe procesemissies, de restfractie en afvalstromen.

Directe procesemissies van broeikasgassen neemt u in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie op met het desbetreffende CO2 equivalent, overeenkomstig met bijlage 4.13.1 bij de NIKI-regeling. Bij toepassingen van brandstoffen vult u de Tank-To-Wheel (TTW) emissies in (zie ook Appendix A1).

De restfractie zijn producten met economische waarde, die u niet als NIKI-product hebt aangewezen. Voor de restfractie geldt dat de CO2-emissies berekend worden als de emissies die vrijkomen bij volledige verbranding daarvan.

Van afvalstromen uit het proces, stromen zonder economische waarde niet zijnde emissies naar de atmosfeer, worden de CO2-emissies berekend op basis van volledige verbranding van deze stromen. Dit wordt berekend op basis van de koolstofinhoud van de afvalstroom. Zie rekenregels einde levensduur voor de berekeningsmethode bij volledige verbranding (alinea 5.4.4).

In de BREF’s van meerdere productieprocessen is waterzuivering als een processtap opgenomen waarbij de afvalwatersamenstelling is weergegeven in COD/CZV-eenheden. U mag de emissie van waterzuivering buiten beschouwing laten, tenzij waterzuivering een (hoofd)component is van het NIKI-project.

Sommige projecten produceren een of meerdere producten bedoeld voor verbranding. Bijvoorbeeld projecten voor de productie van nieuwe transportbrandstoffen, brandstofadditieven, vaste brandstoffen en aardgassubstituten. In die situatie vallen de emissies uit de verbranding van deze producten binnen de levenscyclusfase ‘verbranding’ (product). Voor transportbrandstoffen gebruikt u de bronnenhiërarchie in appendix A1 voor de berekening van de verbrandingsemissies van het referentieproduct.

Verbranding van biogene brandstoffen neemt u mee in de MEB en de emissieberekening met emissiefactor 0. Emissies van overige broeikasgassen ten gevolge van verbranding (ook van biogene brandstoffen) rekent u mee als CO2-equivalenten, aan de hand van de default waarden in RED II in tabel C. ‘Gedeaggregeerde standaardwaarden voor biomassabrandstoffen’ van Annex VI van de RED II Richtlijn.

Voorbeeld: Een NIKI-project produceert mierenzuur uit waterstof en CO2 van deels biogene oorsprong (70%) ter vervanging van diesel. Tijdens het gebruik van mierenzuur als transportbrandstof komt er CO2 vrij. Dit wordt behandeld als verbranding van het product. Er komt 0,96 ton CO2 vrij per ton bij volledige verbranding van het mierenzuur. Aangezien 70% van de koolstof in het product van biogene oorsprong is, is de effectieve emissiefactor door verbranding van het NIKI-product 0,96 *30% = 0,29 ton CO2 per ton mierenzuur.

Wanneer het product koolstof bevat moet u rekening houden met de verwachte emissies bij het einde van de levensduur van het product. Dit geldt voor zowel het NIKI-product als het referentieproduct. Er zijn vier verschillende routes waarop CO2-emissies vrijkomen, of juist niet, aan het einde van de levensduur:

De route is afhankelijk van de toepassing van het product.

Indien de toepassing van uw product u onbekend is, gaat u uit van verbranding waarbij de koolstofinhoud van het product leidend is. Indien uw product meerdere toepassingen kent maar u de specifieke toepassing niet, gaat u uit van de meest voorkomende toepassingen Zie hiervoor het uitgewerkte voorbeeld. Is de toepassing wel bij u bekend en ook door u te onderbouwen dan volgt u de instructies in de onderstaande sub-paragrafen.

Voorbeeld: Een producent van PET mist het zicht op directe toepassingen van PET maar uit verschillende geraadpleegde bronnen blijkt dat de belangrijkste producten van PET zijn: flessen (42%), trays (12%), overige verpakkingen (6%) en textiel (40%). Hiervan worden alleen flessen significant gerecycled (42%). Netto wordt daarmee 18% van het PET gerecycled, de rest wordt verbrand.

Voor referentieprocessen kunt u eveneens de meest voorkomende toepassing onderbouwen, of uitgaan van verbranding.

Voor verbranding en decompositie gelden de rekenregels beschreven in 5.4.4. De andere drie opties worden hieronder beschreven.

Als de levenscyclusfase einde levensduur van een NIKI-product en het betreffende referentieproduct hetzelfde zijn, mag u de einde levensduur emissies voor dit product buiten beschouwing laten. In dat geval onderbouwt u in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie waarom de levenscyclusfases hetzelfde zijn. Dit is altijd het geval als het NIKI-product en referentieproduct fysiek identiek zijn.

Als het NIKI-product fysiek identiek is aan het referentieproduct, dan is het uitgangspunt dat hetzelfde recyclingpercentage geldt voor het NIKI-product en het referentieproduct. In dat geval mag u de emissies bij einde levensduur buiten beschouwing houden.

Als het NIKI-product niet fysiek identiek is aan het referentieproduct, dan moet u het (nieuwe) recyclingpercentage onderbouwen op basis van publieke recyclingstatistieken of wetenschappelijke onderzoeksresultaten (publicaties in peer-reviewed journals of rapporten van publieke instanties, bijvoorbeeld het EC Joint Research Centre) en aannemelijk maken dat er verwerkingscapaciteit/structuur voor dit product in de markt beschikbaar is.

De emissiefactor voor einde levensduur voor gerecyclede fracties is 0. Als minimaal 90% van het geproduceerde materiaal wordt gerecycled, is de emissiefactor voor einde levensduur voor het gehele product 0.

Wanneer er een combinatie is van recycling (< 90%) en ontbinding, storting of energieterugwinning dan is er sprake van een emissie voor de einde levensduur levensfase. De emissiefactor baseert u op de koolstoffractie in het product dat niet wordt gerecycled.

Voorbeeld: Een project produceert recyclebare plastic flessen, die conventionele niet-recyclebare plastic flessen vervangen. De producten zijn dus niet fysiek identiek. De aanvrager levert bewijs dat het typische recyclingpercentage van het geproduceerde materiaal in zijn regio 85% is. 15% zal worden verbrand. De einde levensduur emissiefactor van de gerecyclede fractie is 0. Voor de verbrande fractie van 15% is de einde levensduur emissiefactor de volledige verbranding van de koolstofinhoud van de fles.

Het vermijden van primair materiaalgebruik door recycling geeft geen additionele emissiereductie in de rekenmethodiek.

Een product met een levensduur van meer dan 50 jaar legt de koolstof in het product vast en vermijdt CO2-emissies. In dat geval mag u de einde levensduur emissies berekenen met de gehalveerde12 waarde van de emissiefactor voor verbranding.

Het is uw verantwoordelijkheid om aan te tonen dat het redelijk is om aan te nemen dat de koolstof ten minste 50 jaar in vastgelegd blijft. U moet consequent zijn in uw beweringen van langdurig gebruik van zowel het NIKI-product als van het referentieproduct. Als het NIKI-product en het referentieproduct fysiek identiek zijn, wordt verondersteld dat het koolstofgebruik op lange termijn identiek zal zijn. In dit geval vallen beide emissies tegen elkaar weg en mag u de emissies bij einde levensduur buiten beschouwing laten.

Een product van biogene oorsprong heeft een emissiefactor voor CO2-emissies bij einde levensduur van 0 als de koolstof volledig wordt omgezet in CO2. Echter u moet u wel een correctiefactor toepassen voor ‘niet-CO2’ emissies die bij verbranding van biogene stoffen ontstaan, zoals is aangegeven in RED II, bijlage V in tabel C ‘Gedesaggregeerde standaardwaarden voor biomassabrandstoffen’ op pagina 114 voor vloeibare en vaste stoffen en pagina 121 voor biomethaan. Als producten niet alleen biogene koolstof bevatten, maar ook fossiele koolstof of koolstof uit een CCU-proces, bepaalt u de CO2-emissie naar rato van het percentage niet-biogene koolstof, blijkend uit de koolstofbalans.

Bij het langdurig vastleggen van biogene koolstof rekent u met een negatieve CO2-emissie: -50% van de volledige verbrandingsemissies. Ook voor een (gedeeltelijk) gerecycled product van biogene oorsprong rekent u voor het biogene en gerecyclede deel een emissiefactor van -50% van de emissies bij volledige verbranding. In een gerecyclede productstroom wordt een gedeelte van de koolstof langdurig vastgelegd, waardoor (biogene) koolstof uit de atmosfeer wordt opgeslagen.

Voorbeeld: Een NIKI-project produceert bioPET-flessen ter vervanging van conventionele fossiele PET-flessen. Beide typen flessen zijn recyclebaar en de aanvrager toont aan dat het recyclingpercentage in de desbetreffende regio meer dan 90% bedraagt. Een emissie van 0 is opgenomen binnen einde levensduur van het referentieproduct, terwijl negatieve emissie is opgenomen in het kader einde levensduur van het NIKI-product gelijk aan 50% van de volledige verbrandingsemissies voor de koolstof in het PET.

De onderstaande rekenregels voor de emissies ‘Einde levensduur’ past u toe voor eindproducten:

Waarbij de volgende definities gelden:

Bij de inzet van een NIKI-product, binnen de eigen productielocatie, als input voor een andere productieproces, gaat u uit van de koolstofinhoud in het product. Rekenregels voor biogene koolstof zijn dan wel van toepassing maar omdat er voor dit product geen gebruiksfase is, zijn de rekenregels voor recycling uiteraard niet van toepassing.

Bepaalde emissies zijn uitgesloten van de berekening vanwege een wettelijke kader of omdat deze emissies niet significant zijn voor de totale berekening. De volgende emissies zijn standaard uitgesloten:

Let op: Goederen die in de looptijd van het NIKI-project verbruikt worden en niet meer inzetbaar zijn aan het einde van de projectlooptijd worden als grondstoffen beschouwd. Bijvoorbeeld verbruikte katalysatoren uit het productieproces.

Voor de beoordeling van een NIKI-project is de absolute reductie in CO2-emissies over de levenscyclus nodig. Deze wordt in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie als volgt berekend.

De absolute CO2-emissiereductie van de levenscyclus emissies van het NIKI-project volgt uit het verschil tussen de emissies van het NIKI-product en het (gecorrigeerde) referentieproduct, vermenigvuldigd met het genormaliseerde productieniveau over de exploitatiefase:

Waarbij:

CO2NIKI = CO2-emissie van het NIKI-project over het totaal van het NIKI-project, en

CO2ref = som van CO2-emissie van de referentie

Waar P het relevante referentie proces is.

J = jaar van NIKI project

Waar thx de massa of energie hoeveelheid is van de desbetreffende massa of energiestroom x, per uur, en EFx de desbetreffende emissiefactor.

Transport en gebruik van NIKI-producten zijn geen onderdeel van de systeemgrens in de NIKI CO2-emissiereductiemethode. Veranderingen in emissies in deze levenscyclusfases zijn daarom geen onderdeel van de emissiereductie-berekening. Om ongewenste effecten voor de maatschappij te voorkomen, moet u in deze stap echter nog wel controleren of er negatieve neveneffecten in deze fases optreden. Dit is het geval, wanneer er door het vervangen van conventionele producten door NIKI-producten additionele emissies ontstaan tijdens transport en gebruik van de NIKI-producten. Deze additionele emissies mogen de totale emissiereductie van het NIKI-project, die in stap 6 is berekend, niet overschrijden. Als dit toch het geval is, wordt de aanvraag afgewezen.

Wanneer het NIKI-product fysiek identiek is aan het referentieproduct en het referentieproduct in de markt een-op-een zal vervangen, treden geen negatieve neveneffecten op. In dit geval hoeft u voor dit product geen verdere onderbouwing te geven

Negatieve neveneffecten kunnen bijvoorbeeld ontstaan als een NIKI-product fysiek niet identiek is aan het referentieproduct.

Voorbeeld: Een aanvrager van een NIKI-project produceert een biologisch alternatief voor steenwol als gebouwisolatie. Van dit product is 10% meer volume nodig om dezelfde isolatiewaarde te behalen als met steenwol. Hierdoor moet de isolatielaag (spouw) breder worden en is er meer isolatiemateriaal en zijn meer bakstenen nodig. De extra emissies door de productie en het transport van extra bakstenen, en de extra transportemissies door additionele ruimte die het NIKI-product inneemt dienen te worden berekend.

Afwijkingen in de benodigde hoeveelheid NIKI-product worden verrekend door toepassing van de correctiefactor, zoals beschreven in Stap 2: referentie bepalen. Emissies tijdens transport en gebruik zijn hier echter geen onderdeel van, en moeten daarom in deze stap beoordeeld worden. Dit doet u als volgt:

A1 Hiërarchie van emissiefactoren

De hiërarchie van emissiefactoren uitgesplitst omdat per levenscyclusfase bepaalde CO2-emissies wel of niet in scope zijn voor de desbetreffende fase:.

Voor alle bronnen dient de meest recent gepubliceerde versie gebruikt te worden.

Inputs (voorketen – Scope 2 en 3 upstream):

Transport (vervoersmiddel – WTW):

Brandstoffen (Scope 1 – verbrandingsemissies / TTW):

Bij de beoordeling van uw aanvraag wordt er gekeken naar de bronnen voor de emissiefactor die u gebruikt. Als u te veel terugvalt op laag gerangschikte bronnen zonder aanvullende onderbouwing hiervoor, kan dit een grond zijn om de aanvraag af te wijzen.

In de kabinetsvisie basisindustrie 2050 werd de inzet op ‘flagship’ projecten voor het eerst aangekondigd, waarbij het kabinet aangeeft dat Nederland effectiever grote opschaling van industriële technieken moet kunnen ondersteunen. Specifiek gaat het om innovatieve technieken grootschalig uit te rollen in de industrie, zoals voor groene chemie of elektrificatie. Voorts is in het coalitieakkoord van 15 december 2021 de doelstelling opgenomen dat Nederland in 2050 volledig klimaatneutraal moet zijn, wat in lijn is met het gelijkluidend streven van de Europese Unie.

De subsidiemodule NIKI richt zich specifiek op het ondersteunen van projecten in Nederland, waarbij een innovatieve technologie op commerciële schaal wordt toegepast en die leiden tot aanzienlijke CO2-emissiereductie. Via de NIKI komt hiermee subsidie beschikbaar voor technieken met een groot potentieel voor CO2-emissiereductie waarvan de opschaling niet binnen bestaande subsidieregelingen past. Op deze wijze is de NIKI aanvullend op de bestaande instrumenten en worden investeringen in de opschaling van belangrijke industriële klimaatprojecten aangemoedigd.

Dit document beschrijft de NIKI rekenmethode en dient als instructie om de methode correct toe te passen. Naast dit document zal voor het voorbereiden van NIKI-aanvragen een ‘NIKI rekenmodel subsidie’ gepubliceerd worden, die zorgt voor een uniforme wijze van indienen. Dit rekenmodel zal tegelijk met de publicatie van de regeling in de Staatscourant worden gepubliceerd op de site van RVO. U dient het ingevulde rekenmodel bij uw aanvraag in.

Deze rekenmethode voor de subsidieberekening van de NIKI beschrijft de stappen die gevolgd moeten worden door de aanvrager voor het berekenen van de subsidie. De aanvrager moet de rekenmethode toepassen in verschillende fasen van het NIKI-project, zoals weergegeven in onderstaande tabel.14

De NIKI is een tenderregeling. Aanvragen die positief op hun haalbaarheid worden beoordeeld, worden daarvoor uitsluitend gerangschikt op basis van het uitgebrachte bod in euro’s per ton vermeden CO2. Deze werkwijze is een inhoudelijke invulling van de voorwaarde in de CEEAG, dat bij tenders het rangschikkingscriterium een directe relatie moet hebben tot het na te streven beleidsdoel van de steunmaatregel (voor de NIKI: aanzienlijke CO2-emissiereductie).

Het is van belang te benadrukken dat voor aanvragen die worden gerangschikt, het bod in euro’s per ton vermeden CO2 niet alleen leidend is in de rangschikking, maar ook dat het bod zelf niet wordt beoordeeld en daarom ook niet kan worden gewijzigd. Wel dient het bod, of beter gezegd: de haalbaarheid daarvan, te worden onderbouwd door het benodigde subsidiebedrag te berekenen met de rekenmethode die in dit document wordt beschreven. De aanvrager dient daarbij uit te gaan van hetzelfde productievolume en verwachte CO2-emissiereductie als in de berekeningen met de NIKI CO2 reductiemethode. De gevraagde subsidie dient echter te worden berekend door het bod met de verwachte CO2-emissiereductie te vermenigvuldigen. Een te groot verschil tussen de benodigde subsidie en de gevraagde subsidie kan gezien worden als een financieel te risicovolle situatie, met name als onduidelijk is hoe het verschil tussen het bod en de benodigde subsidie opgebracht gaat worden. De aanvraag wordt dan afgewezen op onvoldoende onderbouwing van de (financiële) haalbaarheid.

De subsidie die projecten ontvangen is gebaseerd op een combinatie van investeringskosten (CAPEX) en exploitatiekosten (OPEX). De rekenmethode begint met het vaststellen van de netto contante waarde (NCW) van de kasstromen, waarbij alle toekomstige inkomsten en uitgaven naar het heden worden verdisconteerd. Door deze NCW te delen door het productievolume gedurende het project, wordt een NCW per eenheid product verkregen. Dit is een maatstaf voor de gemiddelde huidige netto productiekosten per eenheid product. Vervolgens worden deze productiekosten vergeleken met de toekomstige marktprijzen van vergelijkbare producten.

In de uitbetaling van de voorschotbedragen kunnen de investeringsfase en de exploitatiefase onderscheiden worden. In de toelichting op de NIKI zijn beide fasen nader uiteengezet. In het bijzonder voor de exploitatiefase geldt dat de voorschotten gedurende een NIKI-project een aantal keer worden bijgesteld aan de hand van de herberekening van de benodigde subsidie. Deze herberekeningen dienen om overstimulering te voorkomen en terugvordering van te veel verstrekte voorschotten zo veel mogelijk te vermijden. Benadrukt wordt dat het hierbij alleen gaat om herberekening van het voorschot en niet om tussentijdse bijstelling van de subsidie. Deze zal pas 10 jaar na de start van de exploitatiefase van het project (einde NIKI-project) definitief worden vastgesteld. Het subsidiebedrag bij vaststelling is maximaal het in de aanvraagfase toegekende subsidiebedrag. Er kan derhalve geen verhoging plaatsvinden.

In hoofdstuk 2 wordt gedetailleerd ingegaan op de rekenmethode en de stappen die nodig zijn om deze toe te passen. Hoofdstuk 3 beschrijft in welke fasen van het NIKI-project de onderneming (de aanvrager en tevens ontvanger van de NIKI subsidie) de rekenmethode dient te gebruiken, en hoe dat bijdraagt aan verantwoording en verslaglegging van de bereikte resultaten van het NIKI-project.

Inhoudsopgave

Dit hoofdstuk biedt een uiteenzetting van de rekenmethode die moet worden gehanteerd door de aanvrager om bij de subsidieaanvraag, gedurende het NIKI-project, en bij de aanvraag tot subsidievaststelling, de benodigde subsidie te berekenen. De stappen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de berekeningen worden beschreven, beginnend bij de formule voor de benodigde subsidie en de stappen zoals opgenomen in paragraaf 2.3. Het doel is om de aanvrager een grondig begrip te verschaffen van zowel de procedurele aspecten als de belangrijkste variabelen binnen het model.

De NIKI-regeling is gebonden aan een juridisch kader dat enkel de begrippen kosten en baten kent. Echter, zoals ook in paragraaf 1.1 staat beschreven dient het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ op kasstroombasis te worden ingevuld. Daar waar in deze handleiding de begrippen kosten en baten staan vermeld is sprake van respectievelijk uitgaven en inkomsten.

Het model gaat uit van gebruikelijke bedrijfseconomische principes waarbij toekomstige kasstromen worden verdisconteerd op basis van de WACC en het rendement wordt berekend over de volledige economische levensduur van de investering (de NIKI-installatie). De investeringen worden daarom volledig opgevoerd, waarbij deze uitgaven niet worden verdisconteerd. De kasstromen tijdens de exploitatiefase worden wel verdisconteerd, waarbij de jaarlijkse netto kosten worden verminderd met de verkoopopbrengst van de NIKI-producten (baten). In formule:

Bij de berekening moeten alle bedragen exclusief btw worden opgenomen, tenzij de aanvrager niet in staat is de btw te verrekenen. Te betalen vennootschapsbelasting (zie paragraaf 2.3, Stap 4), dat toe te rekenen is aan het NIKI-project maakt onderdeel uit van de exploitatiekosten. Alle kosten moeten ‘technisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar’ zijn aan de NIKI-installatie(s), het operationaliseren van NIKI-installaties en het exploiteren van de NIKI-installaties, zoals ook van toepassing is in de Energie-investeringsaftrek (EIA). Indien de kosten niet uitsluitend dienstbaar zijn aan het NIKI-project, dient de aanvrager de kosten in aanmerking te nemen indien en voor zover die zien op het NIKI-project. Het toegepaste allocatiemechanisme dient degelijk onderbouwd te worden in de aanvraag.

Gedurende de exploitatieperiode van het NIKI-project mag er voor elementen die in beide methodieken voorkomen geen verschil in hoeveelheden (in/output) zijn tussen de rekenmethode en de hoeveelheden waarmee de CO2-berekening is uitgevoerd. Hierbij dient men ook rekening te houden met een mogelijk verschil in hoeveelheden tussen een NIKI- en een referentieproduct, in het geval dat deze producten niet fysiek identiek zijn.

De rekenmethode is opgebouwd uit zeven stappen. In de volgende secties wordt elk van deze zeven stappen in nader uitgewerkt.

Stap 1 – De totale economische levensduur

De NIKI geeft subsidie voor investeringsactiviteiten en voor exploitatieactiviteiten, de laatste gedurende de eerste 10 jaar van de exploitatie van de NIKI-installatie. Het benodigde subsidiebedrag wordt in de rekenmethode berekend over de gehele economische levensduur van de NIKI-installatie, de subsidie wordt verstrekt in de eerste 10 jaar van de exploitatiefase. De totale economische levensduur is minimaal 20 jaar. De methode voor het bepalen van de exploitatiekosten na 10 jaar tot einde economische levensduur staat beschreven in Stap 4 ‘Bepaal de exploitatiekosten (OPEX) voor de operationele fase’. Na 10 jaar exploitatie vindt een herberekening van het subsidiebedrag plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten en opbrengsten en volgt een vaststelling. Het is een vereiste dat de economische levensduur van een NIKI-installatie langer zal zijn dan de exploitatiefase van 10 jaar van het NIKI-project. Hierbij is van belang dat de aanvrager bij het indienen van het bod aannemelijk maakt dat de NIKI-installatie ook na jaar 10 operationeel blijft en na die 10 jaar zonder subsidie rendabel kan opereren. Dit houdt in dat er jaarlijks, zonder subsidie, positieve operationele kasstromen gerealiseerd worden.

Stap 2 – Bepaal de investeringskosten (CAPEX)

Introductie

In stap 2 worden de investeringskosten (CAPEX) berekend voor een NIKI-project. De investeringskosten moeten ‘technisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar’ zijn aan de NIKI-installatie(s) en het operationaliseren van NIKI-installaties, zoals ook van toepassing is in de EIA. Indien de kosten niet uitsluitend dienstbaar zijn aan het NIKI-project, dient de aanvrager de kosten in aanmerking te nemen voor zover die zien op het NIKI-project. NIKI-installaties zijn die installaties waarmee het milieuvoordeel in het NIKI project wordt behaald.

In deze stap worden de investeringskosten nader toegelicht. Kosten voor het vervangen of herstellen van installatie(s) mogen niet in de investeringsfase opgenomen te worden. Deze kosten maken onderdeel uit van de exploitatiekosten zoals opgenomen onder stap 4.

De investeringsfase van een NIKI-project begint uiterlijk 12 maanden na het toekennen van de beschikking en niet eerder dan het moment waarop de eerste bindende verplichting wordt aangegaan die een investering onomkeerbaar maakt, bijvoorbeeld de definitieve bestelling van apparatuur of het starten van bouwwerkzaamheden. De subsidie wordt in deze periode uitgekeerd op basis van een mijlpaalmethode. Bij het indienen van de subsidieaanvraag kan de aanvrager aangeven op welke momenten in het ontwikkelingsproces de investeringssteun nodig is. Op deze manier heeft de aanvrager de ruimte om het investeringsproces te optimaliseren met de zekerheid dat de investeringssteun op de juiste momenten wordt ontvangen. Elke mijlpaalperiode dient te worden afgesloten met een concreet definieerbaar resultaat van uitgevoerde activiteiten in het project. De mijlpalen dienen onderbouwd te worden in het NIKI-projectplan. Alle subsidiabele kosten die gemaakt zijn in aanloop naar het te behalen resultaat dienen opgenomen te worden in deze mijlpaal. De aanvrager dient minimaal 3 en maximaal 5 mijlpalen te formuleren voor het NIKI-project. Een mijlpaal kan niet het verkrijgen van een subsidiebeschikking zijn.

Het totaal van het voorschot in de investeringsfase mag niet hoger zijn dan het laagste van de volgende bedragen die bij aanvraag met de NIKI rekenmethode zijn berekend:

Na afloop van de investeringsperiode berekent de aanvrager opnieuw de benodigde subsidie. In deze berekening wordt rekening gehouden met de daadwerkelijke investeringskosten en moeten tevens nieuwe inschattingen worden aangedragen voor de exploitatiefase.

Aanschafkosten

Bereken de totale aankoopprijs van de installaties en machines voor de realisatie van het project. Dit omvat betalingen aan derden voor engineeringskosten na toekenning van de subsidie, het voorbereiden van de NIKI-installaties en het zorgen dat de installaties klaar zijn voor gebruik.

De onderstaande kosten kunnen hiervoor relevant zijn, deze lijst is niet limitatief.

Aankoopprijs van installaties en machines: Dit omvat de kosten voor de aanschaf van alle fysieke activa voor het NIKI-project.

Engineering en ontwerp na FID: Kosten die gemaakt worden voor engineeringdiensten na de toekenning van de subsidie. Dit omvat het ontwerp en de optimalisatie van de NIKI-installaties, alsook eventuele aanpassingen die nodig zijn om aan specifieke projectvereisten te voldoen.

Voorbereidingskosten van de locatie: Kosten voor het klaarmaken van de locatie waar de NIKI-installaties worden geplaatst. Dit kan grondwerk, funderingen, en de inrichting van de locatie omvatten, zodat deze geschikt is voor installatie en gebruik. Kosten voor de sloop van bestaande installaties zijn uitgesloten.

Aanvragers kunnen bovenstaande kosten aantonen door middel van bijvoorbeeld offertes, inkooporders, en facturen van leveranciers, afhankelijk van de fase waarin de aanvrager zich bevindt. De documentatie moet de specificaties en prijzen van elk item omvatten, evenals de overeenkomstige betalingsbewijzen.

Onderstaande kosten maken nadrukkelijk geen onderdeel uit van de investeringskosten:

Realisatiekosten

Arbeidskosten en extern ingehuurd personeel: de arbeidskosten voor eigen medewerkers en extern ingehuurd personeel die nodig zijn voor de installatie van de NIKI-installaties, dienen te zijn gebaseerd op de daadwerkelijke kosten.

Kosten van kranen, steigers en tijdelijke voorzieningen: de kosten van de kranen, steigers, tijdelijke voorzieningen ten behoeve van het NIKI-project.

Investeringen in infrastructuur: de investeringen in infrastructuur voor de realisatie van het NIKI-project. De volgende kosten zijn uitgezonderd; kosten gerelateerd aan milieueffecten, kosten met betrekking tot landgebruik en milieu-impact veroorzaakt door anderen dan de aanvrager. De waarde van investeringen in infrastructuur die kan worden toegerekend aan het NIKI-project is onderdeel van de CAPEX. De hoogte van dit bedrag wordt bepaald door de ratio van de economische levensduur van de NIKI-installatie ten opzichte van de totale boekhoudkundige afschrijfperiode van de investeringen in de desbetreffende infrastructuur, voor zover de boekhoudkundige afschrijvingsperiode langer is dan de economische levensduur.

Ter illustratie: Er vindt een infrastructuurinvestering plaats van € 500.000. Er wordt een totale afschrijvingsperiode van 50 jaar gehanteerd met een economische levensduur van 25 jaar. Dan dient men de CAPEX als volgt op te voeren: (25/50) * € 500.000 = € 250.000. Dit bedrag wordt niet verdisconteerd.

Aansluiten externe verbindingen: Bereken de kosten gerelateerd aan het aansluiten op externe verbindingen voor het NIKI-project. Deze investeringen worden op dezelfde wijze opgevoerd in de rekenmethode als investeringen in infrastructuur, zie bovenstaand punt.

Voorbeelden:

Aanpassingskosten

Het aanpassen van installaties om deze geschikt te maken voor de uitvoering van het NIKI-project zijn toerekenbaar aan de investeringskosten.

Reguliere onderhoudskosten van NIKI-installaties zullen onder stap 4 besproken worden. Deze uitgaven versterken de operationele capaciteit of efficiëntie van de NIKI-installatie(s), en worden daarom beschouwd als investeringen die de fundamentele waarde van de NIKI-installatie(s) verhogen.

De aanvrager dient de volgende stappen te zetten om de noodzakelijke aanpassingskosten te berekenen:

Kosten voor gebouwen

Het gaat hier om het vaststellen van de aanschafkosten van bedrijfspanden voor de realisatie van het NIKI-project. De volgende kosten zijn uitgezonderd: kosten gerelateerd aan milieueffecten, kosten met betrekking tot landgebruik en milieu-impact veroorzaakt door anderen dan de aanvrager.

Deze kosten vormen een fundamenteel onderdeel van de initiële investeringen, aangezien ze de fysieke basis leggen waarop het project wordt gebouwd en ontwikkeld. In geval bedrijfspanden voor meer dan alleen een NIKI-project wordt aangewend, dient de aanvrager aannemelijk te maken of en welk deel hiervan toe te rekenen zijn aan het NIKI-project. De kosten dienen naar verhouding meegenomen te worden. De focus ligt op het identificeren en berekenen van de totale kosten die geassocieerd zijn met de aanschaf van deze activa. De waarde van investeringen in gebouwen die kan worden toegerekend aan het NIKI-project is onderdeel van de CAPEX. De hoogte van dit bedrag wordt bepaald door de ratio van de economische levensduur van de NIKI-installatie ten opzichte van de totale boekhoudkundige afschrijfperiode van de investeringen in het desbetreffende gebouw, voor zover de boekhoudkundige afschrijvingsperiode langer is dan de economische levensduur.

Ter illustratie: Er vindt een investering in een gebouw plaats van € 500.000. Er wordt een totale afschrijvingsperiode van 50 jaar gehanteerd met een economische levensduur van 25 jaar. Dan dient men de CAPEX als volgt op te voeren: (25/50) * € 500.000 = € 250.000. Dit bedrag wordt niet verdisconteerd.

Uitgesloten investeringskosten

Bij het zorgvuldig berekenen van de investeringskosten, voor een NIKI-project, is het essentieel om expliciet rekening te houden met het feit dat bepaalde kosten moeten worden uitgesloten van deze berekening. Onderstaande kosten maken geen deel uit van de investeringskosten.

Kosten, investeringen en aankopen die voor de datum van indiening van de NIKI-aanvraag zijn gemaakt: Kosten, investeringen en aankopen die gemaakt zijn voordat de NIKI-aanvraag is ingediend, bevinden zich in een specifieke categorie die belangrijke implicaties heeft voor het aanvraagproces en de financieringsmogelijkheden. Deze uitgaven kunnen variëren van voorbereidende studies en ontwerpen tot de aanschaf van apparatuur of zelfs initiële bouwwerkzaamheden. Hoewel deze kosten essentieel kunnen zijn geweest voor de voorbereiding en planning van het project, mogen ze niet meegenomen worden in de berekening van de investeringskosten.

Kosten voor grond: Kosten voor aankoop van grond zijn uitgesloten.

Onderhoudskosten: Deze kunnen worden meegenomen als exploitatiekosten. Zie onder Stap 3 van de berekening van de exploitatiekosten.

Kosten om bestaande activiteiten of productiecapaciteit te beëindigen: Kosten gerelateerd aan het beëindigen van bestaande activiteiten of productiecapaciteit gericht op het afbouwen of stopzetten van bedrijfsprocessen of -faciliteiten, zijn uitgesloten voor de investeringskosten. Dit kan onder meer de kosten omvatten voor het uitfaseren van verouderde apparatuur, het sluiten van fabrieken of productielijnen, en het afvloeien van personeel. Sloopkosten van bestaande installaties zijn uitgesloten.

Kosten van goodwill, intellectueel eigendom en vergunningen: Kosten voor bijvoorbeeld het onderhouden van de IE-rechten zijn niet toegestaan, maar de aanvraag voor een patent, merkrecht of intellectueel eigendom kan worden opgenomen.

Restwaarde NIKI-installatie: In het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ wordt de restwaarde van de NIKI-installatie aan het eind van de economische levensduur (minimaal 20 jaar) gelijkgesteld aan € 0,–.

Stap 3 – Bepaal de omzet

Voor elk NIKI-product moet volgens de instructies in de CO2-berekeningsmethode een referentieproduct worden bepaald. Marktprijzen dienen voor de gehele economische levensduur van de NIKI-installatie te worden opgevoerd. Zowel werkelijke resultaten als projecties van referentiemarktprijzen maken deel uit van de controle door een accountant.

Gegevens marktprijs €markt van producten

Marktprijsgegevens worden verondersteld bekend te zijn bij de aanvragers, gezien hun huidige activiteiten in de markt of de markten die ze zullen betreden na het voltooien van het NIKI-project. Hierdoor kennen zij de marktprijzen van de producten waarmee ze concurreren of die ze zullen vervangen. In veel gevallen zullen aanvragers hun eigen bestaande productiefaciliteiten willen verbeteren en zijn ze daarom al goed bekend met kosten en marktprijzen. De marktprijs refereert in dit kader naar de gewogen gemiddelde marktprijs die relevant is voor het berekenen van de subsidie.

Marktprijsgegevens zijn beschikbaar voor de meeste sectoren. Voor producten met een duidelijke marktprijs die van toepassing is in de lidstaten, kunnen aanvragers ervoor kiezen om een vaste bron voor de referentieprijs te specificeren. De prijs van de meeste producten zal per land variëren, daarom moeten aanvragers in elk geval de meest geschikte referentie voorstellen. Over het algemeen is historische informatie vaak beschikbaar, evenals beperkte spot- en futureshandelsprijzen. De prijsstelling voor specialty chemicals is bijvoorbeeld relatief transparant, maar aanvragers hebben waarschijnlijk al activiteiten in de relevante sector of uitgebreid onderzoek gedaan om nieuwe markten te betreden.

Aanvragers moeten rekening houden met de mogelijkheid dat de geproduceerde producten tegen een groene premie kunnen worden verkocht in vergelijking met de bestaande ‘grijze’ alternatieven. De haalbare marktverkoopprijs van het nieuwe product geproduceerd door de aanvrager is de referentieprijs. Het is essentieel dat aanvragers duidelijk de reden voor de ‘groene’ prijspremie of het ontbreken daarvan uitleggen en bewijs leveren dat zo’n premie mogelijk is (bijvoorbeeld door details van een afnameovereenkomst of een ander verifieerbaar middel te leveren). Als een prijspremie slechts in een beperkt aantal jaren wordt verwacht, moet dit duidelijk worden uitgelegd door de aanvrager. Er moet ook consistentie zijn tussen de productprijsvoorspelling in het financiële model van de aanvrager en de projectproductprijs die wordt gebruikt om relevante kosten te bepalen.

Eenheden geproduceerd

De geproduceerde eenheden vertegenwoordigen de output per jaar gedurende de economische levensduur van de NIKI-installatie. De hoeveelheden moeten overeenkomen met de cijfers in de berekening van de CO2-emissiereductie.

Stap 4 – Bepaal de exploitatiekosten (OPEX)

In stap 4 worden de exploitatiekosten gedurende de economische levensduur van de NIKI-installatie (minimaal 20 jaar) berekend. De volgende vier categorieën worden onderscheiden:

Het is van belang dat deze kostentechnisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar zijn aan het NIKI-project. Zoals al eerder vermeld in deze handleiding gaat het hier om kasstromen, de verwachte uitgaven dienen in het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ te worden opgenomen op het moment dat deze plaatsvinden. Binnen het kader van het NIKI-project dienen de opgenomen vaste exploitatiekosten nadrukkelijk gerelateerd te zijn aan de activiteiten en doelstellingen van het project. Dit betekent dat alleen die kosten die direct voortvloeien uit of noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het NIKI-project in aanmerking komen. Het onderscheid tussen algemene bedrijfskosten en project specifieke exploitatiekosten vereist een zorgvuldige administratie, transparante allocatiemechanismes en planning om te waarborgen dat aan de financieringscriteria wordt voldaan. Het allocatiemechanisme dient in de aanvraag te worden onderbouwd.

Bij het berekenen van de exploitatiekosten dient de aanvrager de volgende prijsprojecties in euro’s (€) te hanteren:

Nettarieven

Voor de vaststelling van de hoogte van de nettarieven dient de aanvrager de bij de aanvraag geldende nettarieven te hanteren met een jaarlijkse stijging van 6%.

Energiebelasting

Voor de vaststelling van de hoogte van de energiebelasting geldt de op het moment van indiening geldende tarieven, zoals opgenomen in hoofdstuk 6 van de Wet belastingen op milieugrondslag.

Afbouwpad EU ETS rechten

Voor de gratis EU ETS rechten dient de aanvrager een lineaire afbouw van de vrije allocatie te hanteren waarbij de huidige allocatie vanaf 2025 lineair afneemt tot 0 in 2040.

CO2-heffing industrie

Voor de vaststelling van de hoogte van de CO2-heffing geldt de op het moment van indiening geldende tarieven, zoals opgenomen in hoofdstuk 6B van de Wet belastingen op milieugrondslag. De tarieven voor het laatste jaar zoals deze in de wet is opgenomen dienen aangehouden te worden voor alle daaropvolgende jaren bij de toepassing van de rekenmethode.

Dispensatierechten CO2-heffing

Voor de vaststelling van het aantal dispensatierechten geldt de op het moment van indiening geldende methode, zoals opgenomen in hoofdstukken 6B en 16B van de Wet belastingen op milieugrondslag. Overtollige dispensatierechten die toe te schrijven zijn aan de NIKI mogen niet verhandeld worden. Indien bij de herrekening blijkt dat de aanvrager toch dispensatierechten blijkt over te houden en deze inmiddels ook verhandeld heeft, dan dient men deze tegen de transactiewaarde te waarderen en van de benodigde subsidie af te trekken.

Vaste exploitatiekosten

Vaste exploitatiekosten vormen een essentieel onderdeel van de dagelijkse bedrijfsvoering en kunnen aanzienlijk variëren per bedrijf, afhankelijk van de sector, bedrijfsgrootte, en specifieke bedrijfsmodellen.

De meest voorkomende vaste exploitatiekosten zijn hieronder opgenomen:

Variabele exploitatiekosten

Variabele exploitatiekosten fluctueren direct met de productie- of verkoopvolumes. Deze kosten veranderen afhankelijk van de bedrijfsactiviteit. De variabele exploitatiekosten omvatten onder andere:

Onderhoudskosten binnen de investeringskosten

Deze uitgaven zijn van belang voor de voortzetting van projecten en het behoud van de operationele capaciteit in hun huidige staat. Voorbeelden hiervan zijn de vervanging van cruciale apparatuur of andere significante eenmalige aankopen die naar verwachting periodiek zullen voorkomen gedurende de levensduur van het project.

Alle kosten die gerelateerd zijn aan het onderhoud of de vervanging van kapitaalgoederen moeten zorgvuldig worden geëvalueerd om te bepalen of deze cruciaal zijn voor de voortzetting van het project. Dit betekent dat kosten voor de vervanging van essentiële apparatuur of significante eenmalige aankopen, die verwacht worden periodiek te gebeuren gedurende de levensduur van het project, duidelijk moeten worden onderscheiden van andere kapitaalinvesteringen.

Vennootschapsbelasting en Energie-investeringsaftrek (EIA)

Per jaar dient de daadwerkelijk te betalen VPB opgenomen te worden in het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ dat toerekenbaar is aan het NIKI-project. Meer specifiek gaat het om de VPB als onderdeel van de operationele kasstroom (OPEX). Let op: het gaat hier om kasstromen en dus niet de te betalen VPB (jaarlast VPB) over de behaalde winst in het desbetreffende boekjaar maar om het voorschot van het desbetreffende boekjaar en afrekening van oudere jaren

Als voor (onderdelen) van de NIKI-installatie een EIA-verklaring wordt verkregen dan zal dit de te betalen vennootschapsbelasting verlagen en dus van invloed zijn op het benodigde subsidiebedrag. Het EIA-voordeel moet daarom meegenomen worden in het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ in de vorm van een lagere Vpb-afdracht in de betreffende jaren voor het berekenen van het benodigde subsidiebedrag.

Uitgesloten exploitatiekosten

Hoewel dit uit de bovenstaande methodiek blijkt, volgt hieronder een opsomming van kosten die in ieder geval van de exploitatiekosten zijn uitgesloten:

Stap 5 – Verminder de exploitatiekosten (OPEX) met eventuele operationele voordelen

Bij het beoordelen van de jaarlijkse exploitatiekosten, is het essentieel om deze te corrigeren met de operationele baten. Deze voordelen kunnen voortkomen uit de volgende zaken:

EU ETS

Om de extra inkomsten uit de verkoop van EU ETS-uitstootrechten vast te stellen, zijn de volgende elementen nodig:

Om projecten onderling vergelijkbaar te maken, moeten alle aanvragers dezelfde CO2-prijsvoorspelling en afbouwpad van gratis rechten gebruiken, die door de Nederlandse overheid zullen worden verstrekt.

CO2-heffing

Realisatie van een NIKI-project kan ook resulteren in een overschot aan verhandelbare emissierechten voor de Nederlandse heffing. Als de aanvrager van plan is om deze rechten over te dragen, dan wordt deze transactie beschouwd als inkomsten door verkoop van deze rechten en dus eveneens meegenomen als operationele voordelen in het ‘NIKI rekenmodel subsidie’. Aanvragers moeten aannemelijk maken wat de hoeveelheid overtollige emissierechten is en in hoeverre dit toe te schrijven is aan het NIKI-project. Deze berekening dient in het klimaatplan nader te worden toegelicht.

Om projecten onderling vergelijkbaar te maken, moeten alle aanvragers dezelfde CO2-heffingsprijsvoorspelling en afbouwpad van dispensatierechten gebruiken, die door de Nederlandse overheid zullen worden verstrekt.

Stap 6 – Verdisconteer de OPEX en de omzet

Bereken de WACC

De maximale ondersteuning wordt berekend door toekomstige kasstromen naar de huidige waarde te disconteren. De disconteringsvoet die gebruikt moet worden, is de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet (WACC) van het bedrijf. De WACC moet worden berekend met behulp van de volgende formule:

De onderstaande tabel biedt een overzicht van welke partij de informatie levert (de aanvrager of de Nederlandse overheid) en welke bron gebruikt zal (moeten) worden.

De WACC wordt toegepast om toekomstige inkomsten- en kostenstromen over de economische levensduur van de NIKI-installatie te verdisconteren en ze vergelijkbaar te maken.

Aanvragers dienen de verplichte formule als onderdeel van het NIKI-schema correct toe te passen om de WACC te berekenen bij aanvraag. Deze zal vervolgens ook worden gebruikt tijdens de monitoringsfase van het project. Of de formule correct is toegepast, wordt bij de aanvraag gecontroleerd. Veel aanvragers zullen ervaren en bekend zijn met de kosten van eigen vermogen en vreemd vermogen – en dus de WACC die voor hun project gebruikt moet worden.

Voor de bepaling van de Beta, die als input dient voor de berekening van de WACC, kunnen aanvragers één van de volgende methoden hanteren:

Kiest u voor optie 3, dan moet uw onderbouwing en berekening voldoen aan de volgende voorwaarden:

Indien de Beta is vastgesteld op basis van optie 1 of 2 (voor beursgenoteerde bedrijven), dan wordt geacht dat de berekening aannemelijk is en wordt er geen verdere onderbouwing vereist.

Voor de WACC berekening dient de vermogensverhouding van de groep waarvan de aanvrager deel uitmaakt te worden toegepast conform de geconsolideerde jaarrekening. Hiervan kan alleen worden afgeweken als dit overtuigend kan worden onderbouwd (zoals bijvoorbeeld bij een Joint Venture).

Extrapolatie van OPEX en omzet na 10 jaar exploitatie tot en met einde economische levensduur NIKI-installatie (minimaal 20 jaar)

De benodigde subsidie wordt verkregen over de periode vanaf de start van het NIKI-project tot en met het tiende jaar van exploitatie. Na het tiende jaar wordt de subsidie definitief vastgesteld en is het NIKI-project afgerond. Echter, voor het berekenen van het benodigde subsidiebedrag wordt een berekening gemaakt over de gehele economische levensduur van de NIKI-installatie.

In het ‘NIKI rekenmodel subsidie’ worden de financiële gegevens ingevoerd tot en met het tiende jaar van exploitatie. Van de ingevulde gegevens over de exploitatiejaren 6 tot en met 10 wordt het geometrisch gemiddelde van de groei van de opbrengst (saldo OPEX, operationele baten en omzet) berekend door het model en automatisch geëxtrapoleerd met de geometrische groei naar de jaren 11 tot en met het jaar einde economische levensduur.

Deze berekening wordt gemaakt bij aanvraag van de subsidie. Bij vaststelling van de subsidie wordt de berekening opnieuw uitgevoerd met daadwerkelijke resultaten over de eerste 10 jaar van de exploitatiefase.

Stap 7 – Europese subsidie

Indien voor het project ook een Europese subsidie wordt verkregen dan wordt dit subsidiebedrag (zonder verdiscontering) afgetrokken van het benodigde subsidiebedrag dat is berekend met het ‘NIKI rekenmodel subsidie’. Dit laatste bedrag wordt dan het maximale toe te kennen subsidiebedrag.

In het vorige hoofdstuk is de rekenmethode inhoudelijk stap voor stap toegelicht. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd in welke fasen van het NIKI-project de onderneming (de ontvanger van de NIKI subsidie) de rekenmethode dient te gebruiken, en hoe dat bijdraagt aan verantwoording en verslaglegging van de bereikte resultaten met het NIKI-project.

De rekenmethode functioneert bij de aanvraag van een NIKI subsidie mede ter onderbouwing van de financiële haalbaarheid van het voorgestelde NIKI-project, en in de daaropvolgende fasen als middel voor het berekenen van het voorschot en de benodigde subsidie. De benodigde subsidie is pas na afloop van het NIKI-project definitief vast te stellen, omdat die onder andere afhankelijk is van de gerealiseerde CO2-emissiereductie tijdens het NIKI-project. Bij het verstrekken van elk voorschot wordt rekening gehouden met de benodigde subsidie zoals die op dat moment wordt voorzien. Op die manier zal bij de vaststelling van de NIKI subsidie het verschil tussen de vast te stellen subsidie en het verstrekte voorschot zo klein mogelijk zijn. Een eventuele nabetaling op de subsidie of gedeeltelijke terugbetaling daarvan wordt daardoor zo veel mogelijk voorkomen.

Er wordt bij het verstrekken van een voorschot verschil gemaakt tussen een voorschot tijdens de investeringsfase en een voorschot tijdens de exploitatiefase van het NIKI-project. Tijdens de investeringsfase wordt een voorschot verstrekt op basis van de subsidiebeschikking en de geraamde projectkosten voor de komende projectjaren. Tijdens de exploitatiefase wordt een voorschot niet meer verstrekt op basis van oorspronkelijke ramingen, maar op basis van gerealiseerde kosten, opbrengsten en productievolume van de achterliggende projectjaren en op basis van geactualiseerde ramingen voor de resterende economische levensduur van de NIKI installatie.

De berekende voorschotten en de vast te stellen subsidie is dan ook telkens het mindere van:

In dit verband heeft ten eerste ook het ‘claw-back mechanisme’, dat onderdeel is van de NIKI-regeling, een rol. De NIKI-regeling is een ruimhartige subsidie voor het verschil tussen het rendement dat de subsidieontvanger en zijn aandeelhouders/financiers willen realiseren met het NIKI-project en de daarvan afgeleide kosten, en de opbrengsten van de NIKI-installatie. De subsidie mag echter niet leiden tot het ontstaan van een bovenmatig hoog financieel rendement op het NIKI-project, ook wel bekend als ‘oversubsidiëring’. Indien tijdens de exploitatiefase van een NIKI-project met behulp van de rekenmethode blijkt dat een lager bedrag aan subsidie nodig is dan het bedrag dat in de subsidiebeschikking is toegezegd, dan wordt dat verschil tussen die beide bedragen verrekend met het nog te verstrekken voorschot. Eenzelfde aanpak wordt gevolgd bij de vaststelling van de subsidie.

Het ‘claw-back mechanisme’ is het principe van verrekening om oversubsidiëring te voorkomen. Het mechanisme bestaat uit een verdeelsleutel voor de verdeling van het genoemde verschil tussen beide bedragen, waarbij de subsidieontvanger een gedeelte van het verschil kan behouden en het andere gedeelte voor de Staat is. Hiermee wordt de subsidieontvanger aangemoedigd en beloond voor een gerealiseerde verbetering van het financiële rendement met het NIKI-project ten opzichte van de subsidieaanvraag. Tegelijkertijd is het redelijk dat de Staat daarin deelt, omdat de Staat bij de subsidieverlening een ruimhartige subsidie heeft verstrekt en daarmee ook een aanzienlijk financieel risico heeft genomen met een project dat dan nog de verwachte CO2-emissiereductie moet opleveren.

Bij het verstrekken van een voorschot tijdens de exploitatiefase, en bij de vaststelling, speelt ten tweede ook het gerealiseerde productievolume een rol. De gerealiseerde productie is een maat voor de bereikte CO2-emissiereductie. Een lagere productie houdt in: een verminderde CO2-emissiereductie. Het voorschot wordt dusdanig aangepast dat de subsidie-intensiteit, de verstrekte subsidie per vermeden ton CO2, nooit meer is dan het bod dat de subsidieontvanger bij aanvraag heeft ingediend. Het mechanisme van de claw-back, en het principe dat de subsidie-intensiteit niet hoger kan worden dan het bod van de subsidie-ontvanger bij de aanvraag, dienen gelijktijdig toegepast te worden in de berekening van het voorschot, en van de maximaal toegestane subsidie. Bovendien zal de vast te stellen subsidie nooit meer zijn dan de toegekende subsidie.

In onderstaande figuur zijn de verschillende fasen van een NIKI-project, het gebruik van de NIKI rekenmethode, en de daarbij behorende systematiek van voorschotbetalingen en verrekeningen schematisch weergegeven. In de volgende paragrafen worden deze fasen in chronologische volgorde nader toegelicht. Overigens dient ook in een situatie van een ‘essentiële wijziging’ van het NIKI-project, zowel tijdens de investeringsfase als tijdens de exploitatiefase, een geactualiseerde berekening met de rekenmethode opgesteld te worden.

De investeringsfase van een NIKI-project begint wanneer de eerste bindende verplichting wordt aangegaan die een investering onomkeerbaar maakt, bijvoorbeeld de definitieve bestelling van apparatuur of het starten van bouwwerkzaamheden. De aankoop van grond en voorbereidend werk, zoals het verkrijgen van vergunningen en het uitvoeren van voorbereidende haalbaarheidsstudies, luidt niet het begin van het NIKI-project in. De laatste mijlpaal is de datum waarop de NIKI-installatie commercieel in gebruik genomen wordt (commercial operation date) hetgeen het einde van de investeringsfase en het begin van de exploitatiefase markeert.

Een voorschot wordt verstrekt op basis van de goedgekeurde projectbegroting en door de aanvrager opgestelde mijlpalen. Voor elk van deze mijlpalen zal de aanvrager aangeven welke kosten overeenkomen met de activiteiten binnen deze mijlpaal. Een mijlpaal vertegenwoordigt een concreet te behalen resultaat en de daar aan verbonden kosten. Elke mijlpaalperiode dient te worden afgesloten met een concreet definieerbaar resultaat van uitgevoerde activiteiten in het project. De mijlpalen dienen onderbouwd te worden in het NIKI-projectplan. Alle subsidiabele kosten die gemaakt zijn in aanloop naar het te behalen resultaat dienen opgenomen te worden in deze mijlpaal. Als de mijlpalen niet behaald worden en u er langer over doet of de kosten gaan afwijken dient dit te worden gemeld bij de RVO. Naast de melding dient ook een wijzigingsverzoek in met een aangepaste planning en aangepaste mijlpalenbegroting. Dit kan gevolgen hebben voor de uitbetaling van de voorschotten. De aanvrager dient minimaal 3 en maximaal 5 mijlpalen te formuleren voor het NIKI-project. Een mijlpaal kan niet het verkrijgen van een subsidiebeschikking zijn.

Het totaal van het voorschot in de investeringsfase mag niet hoger zijn dan het laagste van de volgende bedragen die bij aanvraag met de NIKI rekenmethode zijn berekend:

De subsidieontvanger rapporteert jaarlijks met behulp van een geactualiseerde berekening op basis van de NIKI rekenmethodiek over de realisatie daarvan, en stelt waar nodig de mijlpalenbegroting bij. Na afloop van de investeringsfase wordt weer een uitgebreidere rapportage verwacht, waarin ook de werkelijke investeringskosten worden verantwoord. Bovendien dient de subsidieontvanger geactualiseerde berekening van de maximaal toegestane subsidie op te stellen op basis van de gerealiseerde investeringskosten, en op basis van geactualiseerde ramingen van kosten en opbrengsten voor de economische levensduur van de NIKI-installatie.

De exploitatiefase van een NIKI-project omvat de eerste tien jaar waarin de NIKI-installatie in bedrijf is, aansluitend op de investeringsfase van het project. Na afloop van de exploitatiefase eindigt het NIKI-project en wordt de NIKI subsidie vastgesteld. De NIKI-installatie blijft daarna in beginsel tot het einde van de economische levensduur in bedrijf.

De subsidie-ontvanger rapporteert gedurende de exploitatiefase jaarlijks over de voortgang van het project en over het gerealiseerde productievolume waaruit de gerealiseerde vermeden CO2 emissie wordt afgeleid. De jaarlijkse rapportage gaat vergezeld van een geactualiseerde berekening van de maximaal toegestane subsidie met de NIKI rekenmethodiek. De subsidie-ontvanger gebruikt hierbij de al eerder gerapporteerde investeringskosten, gerealiseerde exploitatiekosten, opbrengsten en productievolume van achterliggende operationele jaren, en bijgewerkte schattingen van deze gegevens voor toekomstige operationele jaren van de NIKI installatie. De subsidie-ontvanger bespreekt in de rapportage eventuele afwijkingen ten opzichte van eerdere ramingen. Bij de rapportage over het vijfde operationele jaar voegt de onderneming ook een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant toe over de tot dan toe gerapporteerde cijfers.

In de exploitatiefase wordt bij de voorschotverstrekking rekening gehouden met de op dat moment berekende maximaal toegestane subsidie en met een eventuele ‘claw-back’ die op dat moment wordt verwacht. In het daaropvolgende operationele jaar, als de berekening van de benodigde subsidie opnieuw is geactualiseerd, kan zodoende ook een claw-back die in een voorgaande jaar in het bedrag van het voorschot is verwerkt, weer worden gecorrigeerd. In de situatie waarbij na enkele operationele jaren het financiële rendement van de installatie zich gunstiger ontwikkelt dan bij de subsidieaanvraag werd geraamd, zal in principe het claw-back mechanisme optreden. Dat betekent dat het voorschotbedrag hierop wordt aangepast (wordt verlaagd) ten opzichte van eerdere ramingen. Veronderstel dat een of twee jaar later tijdens de exploitatiefase alsnog blijkt, dat het financiële rendement niet verbetert of zelfs verslechtert. Er zal dan, gebaseerd op nieuwe berekeningen, op dat moment geconcludeerd worden dat er te weinig voorschot is verstrekt. Dit zal met de nieuwe voorschotbetaling worden gecorrigeerd, zodat het totaal verstrekte voorschot aansluit op de meest actuele berekeningen van de maximaal toegestane subsidie volgens de NIKI rekenmethode.

Eenzelfde benadering wordt gevolgd met de gerealiseerde CO2 emissiereductie. Deze wordt afgeleid uit het bereikte NIKI productievolume. Het voorschot wordt bij een tegenvallend productievolume dusdanig aangepast dat de verstrekte subsidie per vermeden ton CO2 nooit meer is dan het bod dat de subsidieontvanger bij aanvraag heeft ingediend. De subsidieontvanger heeft echter de mogelijkheid tijdens de exploitatiefase dit tekort aan gerealiseerde CO2 emissiereductie in te lopen door een verhoogd NIKI productievolume in volgende jaren van de exploitatiefase. Dit principe staat ook wel bekend als ‘banking’: tekorten (verlaagd productievolume) in het ene operationele jaar kunnen worden gecompenseerd met overschot (verhoogd productievolume) in een ander operationeel jaar.

De exploitatiefase van het NIKI-project eindigt na het tiende operationele jaar. De exploitatiefase van de NIKI-installatie duurt langer, namelijk tot en met het einde van de economische levensduur van deze NIKI-installatie. Dit is minimaal 20 jaar.

De vaststelling van de subsidie volgt op de vaststellingsaanvraag van de subsidieontvanger. Deze dient daarbij een eindverslag in over het uitgevoerde project, voorzien van een laatste berekening met de NIKI rekenmethode van de maximaal toegestane subsidie. De onderneming gebruikt hierbij realisatiecijfers voor alle projectjaren (zowel de investeringsfase als de exploitatiefase) en extrapoleert de exploitatiejaren 6 tot en met 10 op basis van geometrisch gemiddelde naar het elfde tot en met het jaar einde economische levensduur van de NIKI-installatie. De gehanteerde cijfers dienen te worden toegelicht in het eindverslag en te worden ondersteund door een controleverklaring van een accountant.

Tegelijk met de financiële berekeningen, wordt uit het gerealiseerde productievolume gedurende de tien jaren van de exploitatiefase afgeleid hoe groot de bereikte CO2-emissiereductie is.

Eerder in dit hoofdstuk is aangegeven dat de vast te stellen subsidie altijd het mindere is van de volgende drie bedragen:

Er zijn daarom in principe zes situaties denkbaar waarin elk van deze drie bedragen groter of kleiner is dan de andere twee, en alle bedragen positief of nul zijn.

In onderstaande voorbeelden worden deze situaties nader uitgewerkt. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat de voorbeelden uitsluitend zijn bedoeld om de werking van de verschillende mechanismen te verduidelijken. Op geen enkele manier zijn de voorbeelden of de getallen bedoeld als maatgevend geachte waarden van een ingediende NIKI aanvraag.

In het geval de benodigde subsidie een negatieve waarde heeft, dan wordt de subsidie op nihil vastgesteld.

In het geval de aanvrager te veel subsidie heeft ontvangen, dan zal over het bedrag dat terugbetaald moet worden de door de Europese Commissie voorgeschreven wettelijke rente op te veel ontvangen subsidie worden geheven.

Om de zes gevallen dat de berekende subsidie minimaal EUR 0 is te verduidelijken, is voor elk geval een situatie geschetst. Deze zijn hieronder visueel weergegeven.

Kenmerken fictieve aanvraag en subsidieverlening:

Situatie 1

Deze situatie weerspiegelt de situatie waarin de onderneming bij gelijkblijvend of zelfs gegroeid productievolume het project kosten efficiënter uitvoert dan gepland. De onderneming realiseert minstens de oorspronkelijk geraamde emissiereductie en profiteert van de gerealiseerde efficiëntie door het behouden van een deel van de besparingen.

Projectresultaat:

Situatie 2

In deze situatie heeft de ondernemer aanzienlijke besparingen gerealiseerd, maar net niet de geraamde productie behaald. Hij heeft daardoor niet de volledige CO2-emissiereductie van de aanvraag gerealiseerd.

Projectresultaat:

Situatie 3

In deze situatie heeft de ondernemer net als in scenario 2 aanzienlijke besparingen gerealiseerd, maar is daarin iets minder succesvol. Wederom is de geraamde productie net niet behaald. Hij heeft daardoor niet de volledige CO2-emissiereductie van de aanvraag gerealiseerd.

Projectresultaat:

Situatie 4

In deze situatie is de ondernemer erin geslaagd meer te produceren dan bij aanvraag werd verwacht, waardoor er ook meer CO2-emissie is bespaard. Helaas betaalt de markt minder voor het product dan werd verwacht, waardoor er meer subsidie nodig is om het rendement te realiseren waarop de aanvraag is gebaseerd. Er is daardoor geen werking van het claw-back mechanisme.

Projectresultaat:

Situatie 5

De ondernemer heeft in deze situatie vooral te maken met tegenvallers. Hij is geconfronteerd met tegenvallers in de kosten van de productie en heeft daarom minder geproduceerd dan bij aanvraag werd verwacht. Er is hierdoor ook minder CO2 emissie bespaard. Door de toegenomen kosten en de grotere steun die nodig is, is er geen werking van het claw-back mechanisme.

Projectresultaat:

Situatie 6

In deze situatie is het omgekeerde gebeurd als in scenario 5. De ondernemer is ook nu geconfronteerd met tegenvallers in de kosten van de productie, maar hij heeft die kunnen compenseren met een hogere opbrengst door meer NIKI producten te verkopen dan bij aanvraag werd verwacht. Er is hierdoor ook meer CO2-emissie bespaard. Door de toegenomen kosten en de grotere steun die nodig is, is er geen werking van het claw-back mechanisme.

Projectresultaat:

Deze casussen illustreren de dynamiek tussen de toegekende subsidie, de benodigde subsidie, de gerealiseerde CO2 emissiebesparingen, en hoe het terugvorderingsmechanisme wordt toegepast in verschillende scenario's om ervoor te zorgen dat de vast te stellen subsidie in lijn is met zowel de projectprestaties als de regelgeving.