Beleidsregel · BWBR0036345

Richtlijn voor strafvordering Binnenvaart

Wijzigingen Officiële bron
Richtlijn voor strafvordering BinnenvaartRichtlijn voor strafvordering Binnenvaart

Deze richtlijn heeft betrekking op overtredingen van voorschriften op het gebied van de scheepvaart op de binnenwateren (beroeps- en recreatievaart). De tarieven zijn afgerond volgens de systematiek van de Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen.

Dit hoofdstuk bevat essentiële achtergrondinformatie voor alle in de navolgende hoofdstukken opgenomen richtlijnen.

Het strafvorderingsbeleid voor binnenvaart wijkt op een aantal punten af van het ‘Kader voor strafvordering’ en het gebruikelijke strafprocesrecht. De reden hiervoor ligt in het internationale recht.

De wet- en regelgeving op de Nederlandse binnenwateren verschilt per water.1 Op enkele scheepvaartwegen zijn een specifiek verdrag en bijbehorende voorschriften van toepassing. Van belang is met name de Herziene Rijnvaartakte (HRA, ook wel: Akte van Mannheim 1868), die in Nederland geldt op de Rijn, het Pannerdensch Kanaal, de Lek en de Waal (de zgn. ‘Aktewateren’). De HRA heeft een eigen sanctieregime. Zo berust de bevoegdheid om recht te spreken bij zgn. ‘Rijnvaartrechters’ (art. 34 HRA) en kent artikel 32 van de Herziene Rijnvaartakte uitsluitend een geldboete als sanctie. Dit betekent dat bij overtredingen op de internationale Rijn ingevolge artikel 94 Grondwet geen ruimte is voor oplegging van vervangende hechtenis. Hetzelfde geldt voor taakstraffen, verbeurdverklaring of ontzegging van de vaarbevoegdheid. De op te leggen geldboete is sinds 1 november 2011 gemaximeerd op 25.000 euro. De in deze richtlijn opgenomen tarieven zijn vergeleken met de Bussgeldkatalog van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) in Straatsburg.2 Bij een groot aantal feiten is er in navolging van de Bussgeldkatalog voor gekozen om marges aan te geven. Wegingsfactoren zijn daarbij onder meer de ernst van feit, de mate van gevaarzetting, het soort schip en de omstandigheden waaronder het feit werd gepleegd.

De richtlijn is gecomprimeerd en aangepast aan het nieuwe Kader voor strafvordering3. Omdat het daarin gebruikte puntensysteem is vervallen, zijn alle tarieven van punten omgezet naar euro’s.

De Binnenvaartwet (BVW) en enkele uitvoeringsregelingen van de HRA op het terrein van technische eisen voor schepen, bemanningsvoorschriften en vaar- en rusttijden worden primair bestuursrechtelijk gehandhaafd. Het strafrecht wordt nog slechts in een zeer beperkt aantal gevallen toegepast (zie hoofdstuk II van de Aanwijzing Binnenvaart).

1De mogelijkheid om bij de Binnenvaartwet van het bestuursrecht ‘op te schalen’ naar het strafrecht, wordt op de internationale Rijn niet toegepast over de band van art. 49 BVW (in verband met een voorbehoud in de strafbaarstelling in art. 1, onder 4, van de WED). Indien een overtreding strafbaar is op grond van art. 32 van de Herziene Rijnvaartakte, vormen dat artikel en het relevante voorschrift voor de internationale Rijn (bv. bepaling uit het ROSR) bij gevaar voor de openbare veiligheid de grondslag voor de strafrechtelijke handhaving.

2Het gaat met name om voorschriften ten aanzien van vaartijden, bemanningseisen, radarexamens en technische eisen. Het ROSR en RSPR zijn opgenomen als bijlagen bij de Binnenvaartregeling.

Dit hoofdstuk bevat achtereenvolgens de tarieven voor niet feitgecodeerde overtredingen van de Scheepvaartverkeerswet (SVW), het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en het Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR). Deze tarieven zijn van overeenkomstige toepassing op de conventionele (grens)wateren (Eems/Dollard, Westerschelde, Het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Gemeenschappelijke Maas).5

1Omdat verondersteld wordt dat het delict vaak in groepsverband wordt gepleegd, is de factor medeplegen in het delict begrepen.

2In geval van een taakstrafverbod (art. 22b Wetboek van Strafrecht) te vervangen door een geldboete van 1.200 euro (evt. in termijnen).

Dit hoofdstuk bevat het strafvorderings- en transactiebeleid voor ‘varen onder invloed’.

Tegen varen onder invloed op de internationale Rijn wordt – op grond van de Herziene Rijnvaartakte/Akte van Mannheim – opgetreden op basis van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 (RPR); tegen varen onder invloed op de overige scheepvaartwegen wordt opgetreden op basis van de Scheepvaartverkeerswet (SVW).

Uitgangspunt bij de bepaling van de transactie of strafeis is het adem- of bloedalcoholgehalte (AAG/BAG) van degene die het schip voerde of stuurde (first offender). Per schijf (zie onderstaande tabellen) zijn richtstraffen vastgesteld. Er worden drie basistabellen gehanteerd.

Voor bijzonderheden en een toelichting per delict (artikel) zie paragraaf 2, resp. 3.

Indien een strafverzwarende omstandigheid zich voordoet, dient te worden uitgegaan van de voor de naast hogere schijf vastgestelde OM-transactie of eis. Bij cumulatie van strafverzwarende omstandigheden wordt in principe per cumulatie een schijf hoger gehanteerd. In tabel O (ontzegging mogelijk) is voor wat betreft de beroepsvaart (eenmalige) recidive al verdisconteerd.

Uitgangspunt is dat in beginsel ten behoeve van de strafmaatbepaling een voorlichtingsrapport bij de verslavingsreclassering wordt aangevraagd in geval van:

(Rijnvaart: artikel 1.02, zevende lid, of artikel 1.03, vierde lid, RPR):

varen onder invloed (AAG/BAG bekend)

(Rijnvaart: artikel 1.02, zevende lid, eerste volzin of artikel 1.03, vierde lid,

eerste volzin, RPR): varen onder invloed (AAG/BAG onbekend)

De uitgangspunten voor de straftoemeting bij overtreding van artikel 27, tweede lid, SVW (zoals uiteengezet in de vorige paragraaf) dienen hier als algemeen richtsnoer, met dien verstande dat schijf VII, VIII, IX, X of XI wordt toegepast, afhankelijk van de mate van ‘het niet in staat zijn’ (c.q. het ‘belemmerd worden in het functioneren’) en de gevaarzetting. Indien er sprake is van kennelijke staat van dronkenschap, wordt schijf XI toegepast. Ook hier moet onverkort rekening worden gehouden met eventuele strafverzwarende omstandigheden.

Voor kleine schepen (artikel 27, zesde lid, SVW) heeft de wetgever aan de delictsinhoud van artikel 27, eerste en tweede lid, SVW een bestanddeel toegevoegd: verdachte moet tevens het verkeer (dreigen te) belemmeren.6 Voor de hoogte van de transactie dient schijf II (tabel A) als uitgangspunt.

weigeren ademtest, respectievelijk ademanalyse of vervangende bloedproef

Ook hier gelden onverkort de strafverzwarende omstandigheden.

In het geval dat iemand wordt verdacht van het feit varen tijdens een vaarverbod (artikel 29, derde lid, SVW), en er geen samenloop is met andere strafbare feiten, geldt schijf II van de tabellen.

Dit hoofdstuk bevat het strafvorderings- en transactiebeleid voor overtredingen van deWet vervoer gevaarlijke stoffen(WVGS) bij vervoer over de binnenwateren.

Op het transport van gevaarlijke stoffen over de Nederlandse binnenwateren is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) van toepassing. Specifieke (technische) voorschriften zijn opgenomen in het Besluit Vervoer Gevaarlijke Stoffen (BVGS) en de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (VBG).

De materiële norm is afkomstig uit het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (‘het ADN’- bijlage 1 bij het VBG).7 De overtredingen van de ADN-randnummers zijn op de internationale Rijn overtredingen van de politievoorschriften van artikel 32 HRA. Op de overige wateren is het niet voldoen aan de ADN-randnummers een strafbaar feit opgenomen in de WVGS, gesanctioneerd in de Wet op de economische delicten. Zij zijn deels, mits opzettelijk begaan, misdrijven. Voor het overige zijn het overtredingen.

De tabel in par. 3 bevat een richtsnoer voor de hoogte van aan first-offenders aan te bieden transacties. Ter zitting kunnen deze bedragen worden verhoogd met 20%. Bijzonderheden (o.a. categorieën en strafverzwarende omstandigheden) worden toegelicht in par. 2.

Meerdere betrokkenen in de keten kunnen (tegelijkertijd) strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor hun betrokkenheid bij het onwettig uitvoeren van de handelingen zoals beschreven in artikel 2 lid 1 WVGS. In het ADN wordt aangegeven wie een veiligheidsplicht kennen (1.4 ADN e.v.). De belangrijkste betrokkenen (1.4.2 ADN) zijn de afzender, de vervoerder en de geadresseerde. Daarnaast zijn er andere betrokkenen (1.4.3 ADN), zoals de belader, de verpakker, de vuller, de exploitant van een tankcontainer of transporttank en de losser, die aansprakelijk zijn voor zover zij weten of zouden moeten weten, dat zij hun opdrachten uitvoeren in het kader van vervoer dat is onderworpen aan het ADN.

In de tabel (par. 3) is een onderscheid gemaakt in twee categorieën:

Wanneer sprake is van opzet (misdrijf) dient het basistarief met 25% te worden verhoogd.

Als uit het proces-verbaal blijkt dat sprake is van een verhoogde gevaarzetting (bijv. in één geval meerdere overtredingen zijn geconstateerd), kan het tarief met 20% worden verhoogd.

Toepassing:

In deze richtlijn wordt aangegeven wanneer een zodanige inbreuk wordt gepleegd op het doel van de wet, ‘de bevordering van de openbare veiligheid, bij het vervoer van gevaarlijke stoffen’, dat dagvaarden in de rede ligt. Waar in de tabel staat aangegeven dat er meteen gedagvaard dient te worden gaat het om een overtreding met een zeer ernstig karakter. Een tarief wordt bij deze overtredingen niet vermeld, omdat de hoogte van de geldboete bepaald dient te worden aan de hand van de omstandigheden van het geval.

1In geval van containervervoer op binnenschepen kan een gedeeltelijke vrijstelling gelden van de meet- en ventilatie-eisen (ADN 2013).

Overtredingen en tarieven worden in deze richtlijn verkort aangeduid.