Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juli 2016, kenmerk 986679-152755-MC, houdende vaststelling van beleidsregels inzake subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties (Besluit vaststelling beleidskader inzake subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties)Besluit vaststelling beleidskader inzake subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisatiesDe Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 1.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E.I.Schippers

De beleidsregels inzake de subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties worden vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Het Beleidskader voor subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties, vastgesteld op 1 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd op 28 juni 2013, wordt ingetrokken, met dien verstande dat dit vorige beleidskader van toepassing blijft op subsidies die op grond hiervan zijn verstrekt.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling beleidskader inzake subsidiëring van patiënten- en gehandicaptenorganisaties.

Uitgangspunten subsidiemogelijkheden en beoordelingskader voor subsidieaanvragen

Behorend bij de Visiebrief ‘Bundel je kracht, samen sterk’1 en de brief ‘Beleidsdoorlichting positie cliënt’2

Het beleidskader is vastgesteld op 1 juli 2011, laatstelijk gewijzigd op en vervalt per 1 januari 2019

Dit beleidskader beschrijft de mogelijkheden voor het verstrekken van subsidies aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties (hierna: pg-organisaties). In aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS bevat het de criteria waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor subsidie. Tevens wordt duidelijk gemaakt hoe het subsidiebedrag wordt bepaald. In dit beleidskader komen achtereenvolgens aan bod: de inleiding (Hoofdstuk 1), de uitgangspunten (Hoofdstuk 2) en de uitwerking van de drie subsidiestromen (Hoofdstuk 3, Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5).

Terugblik

In de Visiebrief ‘Bundel je kracht, samen sterk’, van 20 mei 20113 zijn door de minister en staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de contouren geschetst van het beleid voor het verstrekken van subsidies aan pg-organisaties op grond van de toen geldende Kaderregeling VWS-subsidies. Dit beleidskader, dat aan de Tweede Kamer is gezonden, geeft een nadere uitwerking van die contouren.

Aanleiding voor dit beleidskader:

Herziening juni 2012

In het beleidskader van 1 juli 2011 is een herziening aangekondigd vanwege het voornemen één pg-organisatie per aandoening of beperking te subsidiëren. Naar aanleiding daarvan is het beleidskader aangepast. De doorgevoerde wijzigingen en uitwerking betreffen:

Het gewijzigde beleidskader is 18 juni 2012 vastgesteld.

Herziening juni 2013

De aanleiding voor de aanpassing van het beleidskader in 2013 is een vereenvoudiging van de wijze van verstrekken van de instellingssubsidies voor lotgenotencontacten en informatievoorziening (subsidiestroom 1). De subsidie wordt verleend, 100% bevoorschot en daarna ambtshalve vastgesteld. De keuze voor dit subsidiearrangement heeft als gevolg dat er geen begroting met de aanvraag hoeft te worden meegestuurd en er geen aanvraag tot vaststelling hoeft te worden ingediend. Wel kunnen er steekproefsgewijze controles met betrekking tot het uitvoeren van de activiteiten plaatsvinden alvorens de subsidie wordt vastgesteld.

Een andere wijziging voor deze subsidie is dat het minimum bedrag van € 25.000,– is vervallen.

Verder is het nu mogelijk om vouchers niet alleen voor de start van een project in te zetten, maar ook tijdens een project (subsidiestroom 2).

Het gewijzigde beleidskader is 28 juni 2013 vastgesteld.

Herziening juni 2016

De aanleiding voor de aanpassing van het beleidskader in 2016 is de kamerbrief ‘Beleidsdoorlichting positie cliënt’9. In het licht van een meer fundamentele herziening per 1 januari 2019, wordt het beleidskader tot 1 januari 2019 vastgesteld. De aan te vragen instellingssubsidie voor lotgenotencontact en informatievoorziening (subsidiestroom 1) wordt verhoogd met € 10.000,–. Een pg-organisatie kan daarmee maximaal € 45.000,– aanvragen. Ook wordt het doel uitgebreid waarvoor deze instellingssubsidie kan worden ingezet. De instellingssubsidie kan, naast lotgenotencontact en informatievoorziening, ook worden ingezet voor (aandoeningspecifieke) belangenbehartiging. Ten slotte wordt bij een subsidieaanvraag van € 25.000,– of meer een activiteitenplan en een begroting gevraagd. Om de subsidie vast te stellen wordt bij de verantwoording een verklaring inzake werkelijke kosten gevraagd, waarin ook dient te worden aangetoond dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt zijn verricht, voorzien van een korte toelichting.

In het licht van een meer fundamentele herziening per 1 januari 2019, wordt het beleidskader tot 1 januari 2019 vastgesteld. De beleidsdoorlichting positie cliënt doet aanbevelingen voor verbeteringen voor de korte termijn en geeft daarnaast reden om fundamenteel naar het beleidskader te kijken. Gezien de beperkte tijd die er is om het beleidskader voor 1 januari 2017 aan te passen en het feit dat de voucherprojecten per 1 januari 2019 aflopen, is ons voornemen in samenspraak met de stakeholders het beleidskader per 1 januari 2019 fundamenteel te herzien.

Het uitgangspunt van de gezondheidszorg in Nederland is dat mensen met een aandoening of beperking (hierna te noemen ‘cliënt’) centraal staan bij het kiezen van zorg waarbij de zorg betaalbaar, kwalitatief goed en toegankelijk moet blijven. Daarnaast is het streven dat cliënten hun eigen verantwoordelijkheid kunnen nemen en zo volwaardig mogelijk kunnen deelnemen aan de maatschappij. Bij pg-organisaties zijn dagelijks vele vrijwilligers actief die vanuit hun eigen ervaringen mensen begeleiden of ondersteunen. Pg-organisaties zijn van en voor cliënten, luisteren naar cliënten, brengen ervaringen bij elkaar en maken die toegankelijk voor anderen. Op die wijze dragen pg-organisaties bij aan een betere positie van de cliënt zodat deze zelf kan kiezen hoe hij de regie op zijn eigen leven wil voeren, betere kwaliteit van zorg krijgt en maatschappelijk kan participeren.

Het verbeteren van kwaliteit van zorg door middel van de inbreng van cliëntervaringen is een belangrijk speerpunt in het aangekondigde beleid. Zorg van goede kwaliteit is zorg die aansluit op de behoefte en wensen van cliënten, zodat zij zo lang mogelijk maatschappelijk kunnen participeren. Om ook in de toekomst te kunnen blijven zorgen voor betaalbare zorg heeft het kabinet kritisch gekeken naar de beschikbare middelen.

Het kabinet ziet het als haar rol om door middel van subsidies autonome private organisaties in staat te stellen een bijdrage te laten leveren aan deze beleidsdoelstellingen. Daarbij is het niet de inzet van het kabinet om instandhouding te financieren. Organisaties ontlenen hun legitimiteit en zeggingskracht aan het feit dat zij leden en donateurs hebben die bereid zijn bij te dragen aan de instandhouding van organisaties. Daarbij beschikken de pg-organisaties ook over een schat aan informatie die voor derden aantrekkelijk is. Pg-organisaties zouden idealiter ook een vergoeding van derden moeten kunnen ontvangen voor hun dienstverlening.

Uit de evaluatie van de Subsidieregeling PGO van 13 mei 201110 blijkt dat het mogelijk is om met minder middelen meer te bereiken. In het beleidskader is daarom meer focus aangebracht in de organisaties die voor subsidie in aanmerking komen, activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, en een efficiënte en effectieve uitvoering van deze activiteiten. Uit de beleidsdoorlichting ‘Positie cliënt’ en tevens evaluatie van het beleidskader11 blijkt dat het gevoerde beleid doelmatig en redelijk doeltreffend is geweest.

Dit beleidskader bevat een uitwerking van het subsidiebeleid voor pg-organisaties en stelt beleidsregels voor de uitvoering ervan. Met het subsidiëren van pg-organisaties wordt gestreefd naar effectief en efficiënt werkende organisaties, die samen activiteiten uitvoeren, zodat cliënten hun rol in het zorgstelsel en ten behoeve van maatschappelijke participatie optimaal kunnen innemen. Met dit beleidskader willen wij, de minister en de staatssecretaris van VWS, organisaties aan de ene kant een bijdrage bieden in de vorm van een structurele basis, maar hen aan de andere kant ook aanzetten tot en belonen voor samenwerking. Cliënten bezitten unieke ervaringskennis en kunnen door deze effectief in te zetten, zorgen voor betere kwaliteit van zorg en maatschappelijke participatie die is gericht op hun wensen en behoeften.

De subsidies worden verstrekt op grond van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Vanzelfsprekend is ook de Algemene wet bestuurrecht van toepassing.

Het subsidiebeleid is gebaseerd op een aantal algemene uitgangspunten (zie ook paragraaf 4 in de visiebrief ‘Bundel je kracht, samen sterk’):

De subsidieverstrekking vindt plaats door middel van een beperkt aantal financiële stromen, namelijk voor:

In dit beleidskader zijn verschillende soorten criteria opgenomen.

Criteria voor organisaties zijn:

Criteria die samenhangen met de uitvoering van activiteiten, zijn:

Indien van toepassing, is per subsidiestroom aangegeven welke specifieke criteria en eisen van toepassing zijn. Per subsidiestroom zijn daarnaast aanvullende eisen gesteld. In dat geval is ook aangegeven wanneer deze van toepassing zijn.

De organisatie beschikt over:

Pg-I-organisaties zijn pg-organisaties die samen alle mogelijke doelgroepen van mensen met aandoeningen of beperkingen vertegenwoordigen en een instellingssubsidie kunnen aanvragen op grond van subsidiestroom 1. De organisatiecriteria voor pg-I-organisaties om in aanmerking te komen voor een instellingssubsidie op grond van subsidiestroom 1 zijn als volgt.

Voor een instellingssubsidie op grond van subsidiestroom 1 voldoet de organisatie aan de volgende eisen:

Pg-II-organisaties richten zich primair op organisaties door de belangen van de bij haar aangesloten organisaties te behartigen. Pg-II-organisaties ontvangen geen instellingssubsidie, maar kunnen wel een projectsubsidie aanvragen en daarmee de verantwoordelijkheid voor een project op zich nemen. De organisatiecriteria voor pg-II-organisaties om subsidieontvanger te zijn van een voucherproject op grond van subsidiestroom 2 zijn als volgt.

Voor een projectsubsidie op grond van subsidiestroom 2 voldoet een pg-organisatie aan de bovengestelde eisen voor een instellingssubsidie of aan de hieronder gestelde eisen:

NB: De landelijke koepels en het platform (Ieder(in), NPCF en LPGGz) zoals omschreven in subsidiestroom 3, en organisaties die zich primair richten op ouderen, vallen in dit kader niet onder bovenstaande organisatiecriteria.

Specifieke inhoudelijke criteria zijn afhankelijk van de inhoud van de activiteiten en deze zijn opgenomSubsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten, die:

en in de uitwerking per subsidiestroom.

In de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (zie hoofdstuk 3) gelden eisen ten aanzien van de aanvraag tot verlening van subsidie. Daarnaast moeten de activiteiten:

De subsidie wordt aangevraagd met een beschikbaar gesteld format. Zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-patientenorganisaties-en-gehandicaptenorganisaties-fonds-pgo. In dit format dient bij een subsidieaanvraag van € 25.000 of meer een activiteitenplan en een begroting te worden opgenomen.

Reikwijdte van het beleidskader

Dit beleidskader heeft betrekking op zelfstandige en statutair in Nederland gevestigde maatschappelijke organisaties, die krachtens hun statutaire doelstelling zich richten op patiënten en gehandicapten en hun positie in de Nederlandse samenleving vanuit het perspectief van die patiënten of gehandicapten zelf. Dit beleidskader ziet op pg-organisaties en activiteiten met een landelijk bereik. Subsidies worden verstrekt voor een bijdrage aan de invulling van het rijksbeleid. Subsidiabele activiteiten moeten ten goede komen aan cliënten in heel Nederland, dus zonder geografische beperking. Activiteiten met een louter lokale of regionale reikwijdte vallen buiten dit beleidskader. Ook pg-organisaties met een lokaal of regionaal werkterrein vallen buiten dit beleidskader. Internationale activiteiten zijn mogelijk, indien de activiteiten ten goede komen aan de patiënten- en gehandicapten in Nederland.

Per subsidiestroom worden de volgende vragen behandeld:

Subsidiestroom 1: Delen van ervaringskennis

Waarvoor: instellingssubsidie voor lotgenotencontact, informatievoorziening en (aandoeningspecifieke) belangenbehartiging (waaronder lidmaatschap14)

Wanneer: vanaf 2017 t/m 2018

Wie: categorale pg-organisaties

Omvang: maximaal € 45.000 per organisatie

Hoe: door vóór 1 oktober een aanvraag met activiteitenplan in te dienen:

Subsidieaanvragen tot € 25.000:

Subsidieaanvragen van € 25.000 tot € 45.00016:

De subsidie is bedoeld voor activiteiten op het gebied van lotgenotencontact, informatievoorziening en (aandoeningspecifieke) belangenbehartiging, zodat individuele cliënten hun ervaringen samen kunnen brengen, informatie kunnen uitwisselen, van elkaar kunnen leren en pg-organisaties effectief vanuit hun aandoeningspecifieke belangen invloed kunnen uitoefenen op onder meer beleid, aanbod en onderzoek. Deze activiteiten dragen eraan bij dat cliënten zelf (beter) in staat zijn om keuzes te kunnen maken en de regie over hun leven te kunnen voeren en maatschappelijk te participeren. Het betreft de toekenning van een instellingssubsidie.

Een subsidieaanvraag die wordt ingediend onder deze subsidietitel heeft betrekking op drie thema’s: lotgenotencontact, informatievoorziening en (aandoeningspecifieke) belangenbehartiging.

De kern van lotgenotencontact is de mogelijkheid van (h)erkenning, bewustwording en het benutten van ervaringsdeskundigheid. Lotgenotencontact richt zich op: het organiseren en bevorderen van contacten tussen mensen met dezelfde vraagstukken zodat zij ervaringen kunnen uitwisselen. De pg-organisatie zorgt voor een laagdrempelige manier waarop contacten en ervaringsuitwisseling vorm krijgt.

Voorbeelden van activiteiten die onderdeel kunnen zijn van lotgenotencontact zijn, is het uitwisselen van ervaringen door middel van:

Bij informatievoorziening gaat het om het zorgen voor cliëntgerichte informatie over een specifieke aandoening of beperking en daarmee samenhangende zaken aan mensen met deze aandoening of functiebeperking en ouders, familieleden of derden in de kring van hun persoonlijke levenssfeer.

De informatievoorziening draagt eraan bij dat een cliënt wordt ondersteund om zelf de dialoog met zijn zorgverlener aan te kunnen gaan, wegwijs wordt gemaakt in beschikbare informatie om zelf te kunnen kiezen voor een bepaalde zorgaanbieder of een zorgverzekeraar, of in staat is om keuzes te maken op het gebied van maatschappelijke participatie.

Voorbeelden van activiteiten die onder informatievoorziening vallen, zijn:

(Aandoeningspecifieke) belangenbehartiging gaat over het effectief invloed uitoefenen vanuit de aandoeningspecifieke belangen op onder meer beleid, aanbod en onderzoek. Invloed uitoefenen gebeurt namens een bepaalde groep tegenover andere partijen die van belang zijn in verband met de ziekte of functiebeperking of de gevolgen daarvan. Dit kan zich uitstrekken tot het hele terrein van gezondheidszorg, gezondheidsbescherming, gezondheidsbevordering en maatschappelijke zorg.

Voorbeelden van activiteiten die onder (aandoeningspecifieke) belangenbehartiging vallen, zijn:

Van deze subsidietitel zijn uitgesloten:

Toelichting

Belangenbehartiging van cliënten en hun organisaties richt zich op andere actoren zoals maatschappelijke partijen of zorgaanbieders en heeft massa nodig om impact te hebben. Waar massa nodig is, daar stimuleren we het organiseren belangenbehartiging op het niveau van samenwerkingsverbanden (subsidiestroom 2) en op het niveau van de landelijke koepels en het platform (subsidiestroom 3). Ook op het niveau van de aandoeninggerichte organisatie is belangenbehartiging nodig, en daarom stimuleren we dit vanaf 2017 binnen subsidiestroom 1.

Het verschil tussen belangenbehartiging op basis van subsidiestroom 1 en subsidiestroom 3 is dat de overleggen veelal op een ander niveau en met een andere schaalgrootte plaatsvinden. De aandoeninggerichte organisatie praat met de zorgverzekeraar over de vergoeding van een bepaald medicijn. De koepels en het platform overleggen met de koepels van zorgverzekeraars, aanbieders etc.

Kwaliteitstoetsing en dienstverlening zijn optioneel. Pg-organisaties kunnen daar op grond van dit beleidskader geen subsidie voor aanvragen of aanwenden. Kwaliteitstoetsing is primair een taak voor zorgaanbieders. Pg-organisaties kunnen ervoor kiezen om deze activiteiten uit te voeren, maar zij ontvangen daar op grond van dit beleidskader geen subsidie voor. Inhoudelijke professionalisering willen wij bevorderen door projectsubsidie voor kennisdeling en samenwerking (subsidiestroom 2) en door het faciliteren van een kennis- en ondersteuningsfunctie.

Voor toetreders ontstaan uit fusie

Toelichting

Samenwerking en fusie zijn uit het oogpunt van doelmatig subsidiebeleid gewenste handelingen, omdat deze versnippering tegengaan en effectieve uitvoering mogelijk maken. Het aangaan van samenwerkingsvormen en fusie zou dus niet belemmerd mogen worden door het effect dat de maximum instellingssubsidie na fusie zou worden beperkt tot die van één pg-I-organisatie.

Als pg-I-organisaties met een instellingssubsidie uit dit beleidskader besluiten tot een juridische samenwerking en tot oprichting van een formele samenwerkingsorganisatie (bijvoorbeeld een federatiestructuur met een hoofdvereniging of moederstichting, waarin de oorspronkelijke organisaties opgaan als ‘kamers’ of ‘afdelingen’), dan kan de samenwerkingsorganisatie als aanvrager in plaats van de aangesloten partijen aanspraak maken op ten hoogste maximaal de som van de instellingssubsidies van de oorspronkelijke partijen, mits het geheel blijft voldoen aan de gestelde drempelcriteria.

Rekenvoorbeeld fusies

Organisatie A kan voor 2017 maximaal € 45.000 aanvragen en voldoet in 2017 aan de eisen.

Organisatie B kan voor 2017 maximaal € 45.000 aanvragen en voldoet in 2017 aan de eisen.

Organisatie A & B fuseren medio 2016, zij kunnen dan in 2017 als nieuwe rechtspersoon maximaal € 90.000 aanvragen.

Organisatie C kan voor 2017 maximaal € 45.000 aanvragen en voldoet in 2017 aan de eisen.

Organisatie D voldoet vanaf 2017 niet meer aan de eisen (minder dan 100 leden).

Organisatie C & D fuseren medio 2016, zij kunnen dan maximaal € 45.000 aanvragen.

Organisatie E is in 2016 al gefuseerd en kon hierdoor op grond van het beleidskader zoals dat luidde tot 1 juli 2016 maximaal 2 x € 35.000 aanvragen. Voor 2017 kan deze gefuseerde organisatie maximaal 2 x € 45.000 aanvragen.

Voor toetreders ontstaan uit splitsing

Aangezien splitsing leidt tot versnippering en dit gevolgen heeft voor de gewenste doelmatigheid van het subsidiebeleid, wordt splitsing ontmoedigd.

Omvang per subsidieaanvraag

Per subsidiestroom worden de volgende vragen behandeld:

Subsidiestroom 2: Gezamenlijk bijdragen aan de werking van zorg, maatschappelijke ondersteuning en maatschappelijke participatie

Waarvoor: projectsubsidie voor het gezamenlijk bijdragen aan de werking van zorg, ondersteuning en maatschappelijke participatie door het inbrengen van cliëntenervaringen.

Wanneer: subsidie is beschikbaar vanaf 2013 t/m 2018

Wie: pg-I-organisatie die een instellingssubsidie uit het beleidskader ontvangt of pg-II-organisatie die subsidieontvanger van een voucherproject is

Omvang: minimaal € 126.000 (zeven vouchers).

Hoe: aanvragen voor 1 juni in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het project van start gaat door een vooraf in te dienen (gezamenlijk) activiteitenplan en vaststelling achteraf van de totale werkelijke kosten.

De subsidie is bestemd voor het bundelen van krachten met het doel om partijen op het uitvoeringsniveau van de zorg en maatschappelijke participatie (bijvoorbeeld zorgaanbieders, zorgverzekeraars, zorgkantoren, maatschappelijke organisaties, vervoersbedrijven, werkgeversorganisaties, hulpmiddelenfabrikanten, etc.) effectiever te beïnvloeden. De subsidie kan worden aangevraagd voor de uitvoering van projectvoorstellen, die met inspraak van pg-organisaties op zelf bepaalde thema’s in specifieke activiteiten worden uitgewerkt. Thema’s waarop activiteiten kunnen worden ontwikkeld zijn zorginhoudelijk van aard of kunnen zich richten op maatschappelijke participatie. Pg-organisaties hebben door middel van een voucher een stem in de invulling van thema’s, activiteiten en de uitvoering van het project.

Met een voucher wordt een modelverklaring bedoeld. Dit houdt in dat een vouchergever de projectsubsidieaanvraag van de subsidieaanvrager steunt. Een voucher is geen waardebon noch een zelfstandig recht op subsidieverstrekking. Bij de aanvraag van een projectsubsidie moeten tenminste zeven vouchers worden overlegd om in aanmerking te komen voor subsidie; één van de vouchers kan van de aanvrager zelf zijn. De subsidie wordt alleen verstrekt aan de aanvrager; degene die de aanvrager met een voucher ondersteunt, krijgt zelf geen subsidie.

Met het subsidiëren van projecten onder deze subsidiestroom wordt bundeling van krachten, cliëntervaringen en ervaringsdeskundigheid beoogd. Bundeling leidt tot effectieve belangenbehartiging die én aansluit bij de behoeften van individuele pg-organisaties én een effectievere aanpak van problemen voorstaat dan in een solistische aanpak van aandoening- of beperkingspecifieke problemen door individuele pg-organisaties op individuele basis te realiseren is.

Op die wijze leidt schaalgrootte tot synergie en kennisvoordeel door een thematische specialisatie en kennisdeling. De voordelen zijn beschikbaar voor grote en kleine organisaties.

Met deze subsidiestroom wordt ruimte gegeven aan initiatieven door de keuze voor en invulling van thema’s en activiteiten zoveel mogelijk aan de subsidieaanvragers te laten.

Voorbeelden van mogelijke thema’s zijn: arbeid, onderwijs, zorg, zorginkoop, vervoer, Woningbouw en communicatie met verzekeraars.

Individuele pg-organisaties zijn betrokken bij:

De keuze voor een getrapte aanpak voor projectsubsidies versterkt de legitimiteit van belangenbehartiging van onderop en brengt meer samenwerking en kennisuitwisseling tussen pg-partijen tot stand. Samenwerking is geen doel op zichzelf maar een middel om te komen tot een sterkere positie van de cliënt. Om die reden behoeft de rol van de vouchergever in de voorgestelde systematiek een inhoudelijke toelichting.

Vouchergevers oriënteren zich op potentiële projectaanvragen, andere vouchergevers en mogelijke uitvoerders. Vouchergevers zullen hierin praktisch worden ondersteund (door de opdracht tot ontwikkeling van een kennisfunctie). De minister draagt zorg voor een openbaar raadpleegbaar register waarin informatie te vinden is over projectvoorstellen en de aanvrager en vouchergevers.

Vouchergevers verenigen zich op grond van een vrije keuze. Het is niet toegestaan om in ruil voor een voucher een vergoeding te vragen of te ontvangen. Het motief om zich met andere vouchergevers in te zetten voor één subsidieaanvraag is dat een vouchergever gelijkgestemde partijen vindt met een gedeeld ambitieniveau om door middel van een project de belangen van zijn achterban te laten behartigen. Het gezamenlijk optrekken van meerdere organisaties zorgt voor verdere krachtenbundeling op inhoud en een projectaanpak van een zekere schaalgrootte. Dit draagt bij aan de doeltreffendheid van het subsidiebeleid.

Het minimumaantal is zeven vouchers. Er is om meerdere redenen gekozen voor het minimum van zeven. Ten eerste betreft zeven een overzichtelijk aantal organisaties. Idealiter werken nog meer organisaties samen in samenwerkingsverbanden, maar het minimum van zeven stimuleert organisaties om voldoende massa te scharen achter gedeelde ambities, die specifieke belangen en doelgroepen overstijgen. Belangrijk is daarbij is dat grote en kleine organisaties in het vouchersysteem evenveel inbreng hebben. Daarnaast stelt de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS als hoofdregel dat geen subsidies van minder dan € 125.000 verstrekt worden, omdat vanwege het landelijk belang, de effectiviteit en de efficiency van kleine subsidies in het algemeen beperkt wordt geacht, ten opzichte van de beheerslast bij VWS. Subsidiestroom 1 vormt hierop een uitzondering.

Vouchergevers werken samen door het inbrengen van hun specifieke kennis en kunde van het veld voor het doen opstellen van een realistisch projectvoorstel. Die inbreng geschiedt zoals gezegd om niet. Vouchergevers maken duidelijk welke belangen van hun achterban zij in de uitvoering van

projectactiviteiten wensen te borgen. Vouchergevers onderhandelen onderling over de inhoud van een projectaanvraag, de uit te werken projectthema’s, de te ontplooien activiteiten en de partij die verantwoordelijk wordt voor de projectaanvraag en de projectuitvoering. De partij die de subsidie aanvraagt, voert de regie over de inspraak en het opstellen van een concept-projectplan. De vouchergevers ‘overleggen’ hun voucher aan de beoogde subsidieaanvrager indien zij instemmen met het concept-projectplan.

De aanvraag wordt ingediend door één subsidieaanvrager. Dit kan één van de zeven vouchergevers zijn, maar dat hoeft niet. Alleen pg-I-organisaties die een instellingssubsidie uit het beleidskader ontvangen en pg-organisaties bedoeld in paragraaf 4.2.6 krijgen een voucher, maar zowel deze organisaties als pg-II-organisaties die subsidieontvanger zijn van een voucherproject kunnen een subsidieaanvraag indienen. Per project is er één subsidieontvanger. Alleen de subsidieontvanger is gehouden aan de subsidieverplichtingen. Vouchergevers die niet de subsidieaanvrager en subsidieontvanger zijn, worden op de inhoud en het proces betrokken, maar dragen geen formele verantwoordelijkheid voor de uitvoering jegens de subsidieverstrekker. Deze vouchergevers zijn ook geen direct begunstigden van de subsidieverstrekking. Er mag geen sprake zijn van (in)directe doorsubsidiëring aan de vouchergever of andere partijen. Subsidieverstrekking is immers een publieke taak, die door een bestuursorgaan wordt uitgevoerd met alle waarborgen van dien. Betaling van geleverde diensten die ten behoeve van het project worden gemaakt door andere organisaties dan de projectaanvrager kunnen uiteraard wel gefinancierd worden uit de subsidie, mits deze geleverde diensten duidelijk kunnen worden toegelicht.

Inhoudelijke criteria

Eisen aan vouchergevers

Voorwaarden aan vouchers

De prognose is dat van 2013 t/m 2018 jaarlijks € 4,5 miljoen beschikbaar is voor deze subsidiestroom.

Inhoudelijke criteria

Vouchergevers bundelen hun kracht door gezamenlijke belangen te identificeren en te prioriteren en deze uit te werken aan de hand van één of meerdere zelfbepaalde thema’s en specifieke activiteiten. De activiteiten zijn in het belang van de doelgroepen (achterban) van de betreffende vouchergevers.

Kwaliteitscriteria projecten

Duur van het project

Omvang van het project

Uitvoering van het project

Het betreft de toekenning van projectsubsidie vanaf een bedrag van € 126.000, afhankelijk van het aantal vouchers.

Per subsidiestroom worden de volgende vragen behandeld:

Subsidiestroom 3: Regierol bij het positioneren van ervaringsdeskundigheid

Waarvoor: instellings- en projectsubsidie voor een regierol bij het positioneren van ervaringsdeskundigheid en het bevorderen van samenhang ten aanzien van zorg, ondersteuning en maatschappelijke participatie.

Wanneer: instellingssubsidie vanaf 2012, projectsubsidie vanaf 2013 t/m 2018.

Wie: NPCF, Ieder(in) en LPGGz.

Omvang: € 4 miljoen instellingssubsidie (volgens verdeelsleutel per organisatie) en € 2 miljoen projectsubsidie bij indiening gezamenlijk werkplan.

Hoe: aanvraag instellingssubsidie voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd en projectsubsidie voor aanvang van het project, door een vooraf in te dienen (gezamenlijk) activiteitenplan en vaststelling achteraf van de werkelijke kosten.

De subsidie is bedoeld voor activiteiten van bepaalde landelijke koepels en het platform, te weten Ieder(in), de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) en het Landelijk Platform Geestelijke Gezondheidszorg (LPGGz), die namens de aangesloten leden (pg-organisaties en samenwerkingsorganisaties) en hun achterban structurele aandacht vragen voor de positie van cliënten in de zorg, voor maatschappelijke participatie en voor de inbreng van ervaringsdeskundigheid bij onder meer richtlijnontwikkeling. Het doel van deze regierol is het vergroten van de invloed van hun achterban op de kwaliteit van zorg en maatschappelijke participatie.

We onderscheiden binnen deze subsidietitel:

De cliënt als collectief neemt ten opzichte van de zorgaanbieders en zorgverzekeraars en andere partijen binnen het zorgstelsel een centrale rol in als zorgontvangende partij, dan wel als partij die naar zijn mogelijkheden volwaardig aan de maatschappij wil deelnemen. Landelijk georganiseerde koepels en het platform organiseren op structurele wijze activiteiten die de positie van de cliënt en diens belangen ten opzichte van de zakelijke belangen van andere partijen voor het voetlicht weten te brengen. Hiertoe nemen de koepels en platform een regierol op zich waarvoor zij een instellingssubsidie kunnen aanvragen. De rol van de koepels en het platform is gericht op het creëren van aandacht voor behoeften van de cliënt in de maatschappelijke, bestuurlijke en politieke arena. De koepels en het platform geven vorm aan hun regiefunctie door onder andere de volgende activiteiten:

Het voeren van bestuurlijk overleg met de koepelorganisaties van zorgaanbieders, zorgverzekeraars, of vertegenwoordigers van de overheid of maatschappelijke organisaties vergt van de koepels en het platform eveneens een (intermediaire) regiefunctie door de volgende activiteiten:

De koepels en het platform vragen aandacht voor de positie van de cliënt op landelijk niveau via activiteiten die uitwerking geven aan diverse thema’s. Bovendien leidt het contact tussen individuele lidorganisaties of aangesloten organisaties en koepels en platform tot kennisontwikkeling en vergroot het de legitimiteit van de rol van koepels en het platform ten opzichte van hun lidorganisaties of aangesloten organisaties.

Het staat de subsidieaanvrager vrij om thema’s en activiteiten te kiezen. Als algemene randvoorwaarden gelden:

De stem van de cliënt is van belang in het kwaliteitsbeleid van zorg en maatschappelijke participatie. Hiertoe is een constant kwaliteitsniveau van de inbreng noodzakelijk, wil het cliëntenbelang op gelijkwaardige wijze meewegen in een belangenafweging bijvoorbeeld ter bepaling van zorgstandaarden, waarbij ook andere partijen (zorgaanbieder, zorgverzekeraar, wetenschappelijke verenigingen, beroepsorganisaties) hun belangen naar voren brengen. De koepels en het platform hebben tezamen een regierol bij de inbreng van cliëntervaringen bij onder meer professionele standaarden of richtlijnontwikkeling.

Activiteiten die binnen deze subsidiestroom vallen zijn in ieder geval:

Daarnaast kunnen overkoepelende (ondersteunende) activiteiten binnen deze subsidiestroom vallen die de sectorspecifieke belangen overstijgen, zoals:

De minister bepaalt jaarlijks het subsidiebudget. De prognose is dat van 2013 t/m 2018 een totaalbedrag beschikbaar is van maximaal € 4 miljoen voor instellingssubsidie en maximaal € 2 miljoen voor projectsubsidie.

Een instellingssubsidie kan worden aangevraagd door elk van de drie genoemde organisaties. De verdeling van het subsidiebudget geschiedt als volgt:

Verder blijven de uitgangspunten bij de verdeling van het subsidiebudget hetzelfde.

Als invulling van de regierol van Ieder(in), NPCF en LPGGz voor onder meer de inbreng van het cliëntenperspectief op het kwaliteitsbeleid, is vanaf 2015 t/m 2018 maximaal € 2 miljoen euro beschikbaar. Dit bedrag is beschikbaar indien de twee koepels en het platform erin slagen één aanvraag voor projectsubsidie in te dienen, die berust op onderlinge overeenstemming over de uitvoering van activiteiten die zijn gerelateerd aan zelfgekozen en gezamenlijk bepaalde thema’s.

Ten aanzien van de precieze verdeling van de beschikbare middelen voor projectsubsidie over de genoemde functies, kan de minister op een later tijdstip nadere voorwaarden stellen, bijvoorbeeld dat aan specifieke functies een zeker aandeel van het subsidiebedrag zal moeten worden besteed.

Bekendmaking zal tijdig geschieden. Dat wil zeggen dat partijen een redelijke termijn wordt gegund om daarmee voor het opstellen van hun aanvraag rekening te kunnen houden.

Criteria voor instellingssubsidie

Inhoudelijke criteria voor projectsubsidie

Kwaliteitscriteria projectsubsidie

Duur van het project

Uitvoering van het project

Instellingssubsidie

Projectsubsidie

Betrokkenheid zienswijze Kwaliteitsinstituut

Het controlebeleid voor subsidies die zijn verstrekt onder het nieuwe kader zijn bekend gemaakt via de website van unit PGO (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-patientenorganisaties-en-gehandicaptenorganisaties-fonds-pgo).