Beleidsregel · BWBR0039576

Besluit Fiscaal Bestuursrecht

Wijzigingen Officiële bron
Besluit Fiscaal BestuursrechtBesluit Fiscaal Bestuursrecht

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisering van het Besluit fiscaal bestuursrecht van 15 februari 2016 nr. BLKB2016/19, Stcrt. 9680. Naast enkele redactionele wijzigingen is het beleid op punten verduidelijkt en zijn enkele onderwerpen toegevoegd.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag9 mei 2017De Staatssecretaris van Financiën,namens deze,J. deBliecklid van het managementteam Belastingdienst

In dit besluit heb ik mijn beleid dat ziet op het fiscale bestuursrecht neergelegd. Ook wordt aandacht besteed aan enkele civielrechtelijke aspecten. Dit besluit bevat enkele goedkeuringen met toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule (zie artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Naast actualisering van teksten en verwijzingen en redactionele wijzigingen is het volgende toegevoegd of aangepast ten opzichte van het besluit van 15 februari 2016, nr. BLKB2016/19:

Dit besluit is gewijzigd bij besluit van 16 december 2020, nr. 2020-0000027173, (Stcrt. 2020, 66541). De wijziging bevat een verbod op het opnemen van een geheimhoudingsverplichting in een vaststellingsovereenkomst. Op de inhoud daarvan is de wettelijke geheimhoudingsplicht (artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen) van toepassing. Deze bepaling dekt alle door de wetgever beoogde situaties en mag in een vaststellingsovereenkomst niet worden beperkt of opgerekt. De inspecteur of de ontvanger doet geen beroep op bestaande afspraken over geheimhouding, gesloten voor 2 december 2020 of in de aanloop naar publicatie van dit besluit, voor zover deze verder gaan dan de wettelijke geheimhoudingsplicht.

Als sprake is van fiscale grensverkenning of als er sprake is van strijd met de goede trouw, zet de inspecteur het vooroverleg niet voort en neemt hij ook geen inhoudelijk standpunt in.

Deze paragraaf is niet van toepassing op berichtenverkeer dat valt onder de toepassing van de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst en de daarmee samenhangende regelingen.

De inspecteur kan afzien van het horen voorafgaand aan het vaststellen van een belastingaanslag (zie artikel 4:12 van de Awb). De inspecteur neemt evenwel bij correcties van aangiften zo veel mogelijk vooraf contact op met de belanghebbende.

Voor de vraag bij welke rechtbank een belanghebbende een eventueel beroep moet indienen, is van belang waar een bestuursorgaan zijn zetel heeft (zie artikel 8:7 van de Awb). Hiervoor geldt het volgende:

Titel 9.1 van de Awb regelt de klachtafhandeling door bestuursorganen. De directeur die is aangewezen als inspecteur of ontvanger behandelt klachten die gaan over gedragingen van zijn medewerkers. Klachten over gedragingen van medewerker van andere organisatieonderdelen van de Belastingdienst worden door deze organisatieonderdelen zelf behandeld. Als daartoe aanleiding is, stemt het organisatieonderdeel de behandeling af met de inspecteur onder wie de belanghebbende ressorteert.

Op de website van de Belastingdienst wordt nadere informatie gegeven over de wijze waarop een klacht kan worden ingediend en hoe de afhandeling plaatsvindt.

De inspecteur nodigt voor het doen van aangifte in ieder geval uit:

Een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting wordt alleen opgelegd als het te betalen of te ontvangen bedrag EUR 100 of meer is. Dit geldt in het geval de voorlopige aanslag lopende het jaar wordt opgelegd. Deze doelmatigheidsgrens geldt echter niet als de belastingplichtige zelf verzoekt om een voorlopige aanslag.

De periode waarover de heffingsrente met betrekking tot de vennootschapsbelasting wordt berekend begint op de dag na het midden van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet (zie artikel 30f, derde lid, onderdeel a, van de AWR). De uitbreiding (sinds belastingjaar 2005) van het tijdvak heeft bij de wijziging van een boekjaar tot gevolg dat de belastingplichtige heffingsrente verschuldigd kan worden over een periode gedurende welke de fiscus geen rentenadeel heeft geleden. Daarom keur ik het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat het in rekening brengen van heffingsrente op verzoek wordt beperkt tot het daadwerkelijk door de fiscus geleden liquiditeitsnadeel.

Navordering

De inspecteur vergoedt geen heffingsrente over een teruggaaf als gevolg van de verrekening van een verlies van een volgend jaar (zie artikel 30g, vierde lid, van de AWR). Als navordering van (een deel van) die teruggaaf plaatsvindt, brengt de inspecteur wel heffingsrente in rekening over het bedrag van de navordering.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de inspecteur bij navordering van een verrekend verlies slechts heffingsrente in rekening brengt over het tijdvak dat begint op de dag na de dagtekening van de verliesverrekeningsbeschikking en eindigt op de dag van de dagtekening van de navorderingsaanslag.

Voorlopige verliesverrekeningsbeschikking

Ook over een negatieve voorlopige aanslag als gevolg van een voorlopige verliesverrekeningsbeschikking vergoedt de inspecteur geen heffingsrente (zie artikel 30g, vierde lid, van de AWR). Als de voorlopige verliesbeschikking bij de definitieve aanslag wordt verrekend, brengt de inspecteur heffingsrente in rekening over de ten onrechte verleende voorlopige verliesverrekening.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de inspecteur bij de verrekening van een ten onrechte verleende voorlopige verliesbeschikking slechts heffingsrente in rekening brengt over het tijdvak dat begint op de dag na de dagtekening van de voorlopige verliesverrekeningsbeschikking en eindigt op de dag van de dagtekening van de aanslag.

Om te voorkomen dat de inspecteur heffingsrente in rekening brengt als gevolg van de enkele omstandigheid dat de inspecteur niet binnen een redelijke termijn na het indienen van de aangifte een belastingaanslag vaststelt, streeft de Belastingdienst er naar om binnen drie maanden nadat een aangifte is ingediend een definitieve of voorlopige aanslag vast te stellen.

Als de inspecteur niet binnen drie maanden na het tijdig indienen van de aangifte een definitieve of (nadere) voorlopige aanslag vaststelt, beperkt hij het in rekening brengen van heffingsrente over de conform de aangifte verschuldigde belasting tot drie maanden.

Het bovenstaande is eveneens van toepassing op een schatting in een verzoek om uitstel voor het indienen van de aangifte.

De inspecteur kan heffingsrente in rekening brengen bij de naheffing vanwege een onterechte teruggaaf op verzoek. Een redelijke wetstoepassing brengt in dat geval met zich mee, dat het tijdvak waarover de heffingsrente wordt berekend, aanvangt op de dag na het eind van het kalenderjaar waarin de te hoge teruggaaf heeft plaatsgevonden. Pas in dat jaar heeft belastingplichtige ten onrechte een bedrag ter beschikking.

De inspecteur brengt geen heffingsrente in rekening aan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige die:

Dit kan bijvoorbeeld gelden voor een startende ondernemer of een onderneming die een andere rechtsvorm heeft gekregen. Hiermee wordt aangesloten bij de regel dat de inspecteur geen heffingsrente in rekening brengt als de naheffingsaanslag het gevolg is van een vrijwillige verbetering van de aangifte binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft (zie artikel 30f, tweede lid, letter a, van de AWR).

De inspecteur vergoedt geen heffingsrente over teruggaven die worden verleend op grond van een in de wet voorgeschreven aangifte, aanvraag of verzoek. De situatie kan zich voordoen dat belastingplichtige verzoekt om correctie van een eerdere teruggaaf of betaling op aangifte. Als de inspecteur aan dit verzoek tegemoetkomt, dan bestaat bij letterlijke wetstoepassing geen ruimte voor vergoeding van heffingsrente. Dit acht ik ongewenst omdat de fiscus geen liquiditeitsnadeel heeft geleden. Daarom keur ik het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de inspecteur heffingsrente vergoedt over de periode zoals bedoeld in artikel 30f, derde lid, onderdelen b en c van de AWR (vanaf het tijdvak dat aanvangt drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft).

De inspecteur vergoedt geen heffingsrente over zaken die geen herstel van een onjuistheid zijn. Een teruggaaf als gevolg van een negatieve (reguliere) aangifte, een in de wet- of regelgeving genoemde aanvraag of verzoek of een afzonderlijke aangifte is geen herstel van een onjuistheid.

Als de belastingplichtige niet binnen de (wettelijke) termijn een negatieve aangifte of een afzonderlijke aangifte indient maar op een later moment een teruggaaf verzoekt, is sprake van een verzoek om ambtshalve teruggaaf.

Als de inspecteur heffingsrente vergoedt over de periode waarover op grond van artikel 32r van de Wet op de omzetbelasting 1968 rente moet worden vergoed, wordt de heffingsrente geacht op grond van artikel 32r van de Wet op de omzetbelasting 1968 te worden vergoed.

De zogenoemde kleineondernemersregeling kan door middel van voorlopige verminderingen worden toegepast. Na afloop van het jaar vindt er verrekening plaats van de voorlopige verminderingen (zie artikel 24 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting). Als deze verrekening leidt tot een hoger bedrag dan over het jaar aan belasting is betaald, dan moet het verschil worden voldaan op de aangifte over het eerste belastingtijdvak van het volgende jaar.

Bij de forfaitaire berekeningsmethoden (zie artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting) vindt na afloop van het boekjaar een herrekening van de verschuldigde belasting plaats. Als deze herrekening leidt tot een hoger bedrag dan over het boekjaar aan belasting is afgedragen, dan moet het verschil worden voldaan op de aangifte over het eerste belastingtijdvak van het volgende boekjaar.

In deze situaties is sprake van een in de Wet op de omzetbelasting 1968 voorziene correctie. Om een versoepeling van de uitvoeringspraktijk mogelijk te maken, keur ik het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de inspecteur bij deze correcties geen heffingsrente in rekening brengt als zij plaatsvinden bij de aangifte over enig tijdvak van de in de voorgaande alinea’s genoemde (volgende) jaren.

De inspecteur berekent rente vanaf 8 maanden na het overlijden tot 6 weken na de datum van de aanslag. Als de inspecteur niet afwijkt van de aangifte blijft het tijdvak waarover rente wordt berekend beperkt tot 19 weken na het indienen van de aangifte (zie artikel 30g van de Awr). Bij nalatenschappen waarin zich een onroerende zaak bevindt kan het voorkomen dat de WOZ-waarde wordt verlaagd nadat de aangifte erfbelasting is ingediend, maar voordat de definitieve aanslag is opgelegd. Ook kan naderhand sprake zijn van een keuze voor de lagere WOZ-waarde in het volgende jaar. De inspecteur wijkt in een dergelijk geval af van de aangifte. Een redelijke wetstoepassing brengt evenwel met zich mee dat voor het berekenen van belastingrente de beperking tot 19 weken toch toepassing vindt.

De instemming om een belastingaanslag te formaliseren met toepassing van artikel 64 van de AWR laat onverlet de mogelijkheid om:

Bij bezwaarschriften of procedures komt het voor dat de belastingplichtige aangeeft bepaalde centraal verzonden documenten niet te hebben ontvangen. De behandelend ambtenaar kan in zo’n geval via een door B/CA beschikbaar gesteld formulier verzoeken om een rapport van waarnemingen en bevindingen in systemen van het tot stand komen van de datum van aanbieden aan de postleverancier. Dit rapport kan worden gebruikt bij de bewijsvoering dat het betreffende document door de Belastingdienst is verzonden.

Er is een Landelijk coördinator civiele heffingsprocedures (hierna: de coördinator). Als een inspecteur overweegt een belastingplichtige of een derde in een civiele heffingsprocedure te doen dagvaarden, raadpleegt hij de coördinator. Ook als een inspecteur zelf in een civiele heffingsprocedure wordt gedagvaard, neemt hij onverwijld contact op met de coördinator. In beide gevallen draagt de coördinator zorg voor de verdere procedure, zo nodig na raadpleging van het Directoraat-generaal Belastingdienst en zoveel als mogelijk in overleg met de inspecteur.

De volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:

Het besluit van 15 februari 2016 nr. BLKB2016/19, Stcrt. 9680.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.