Wijzigingen Officiële bron
Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorgRegeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg

Gelet op artikel 36, 37, 38, 62 en 68 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van de forensische zorg.

Leeswijzer

In Hoofdstuk 3 van deze nadere regel zijn de regels met betrekking tot de diagnose-behandel-beveiligingscombinaties (dbbc’s) weergegeven. In hoofdstuk 4 staan de bepalingen met betrekking tot de zorgzwaartepakketten (zzp’s) genoemd. Meer uitgebreide informatie over het hele registratieproces (registreren-valideren-afleiden), voorbeelden, nadere toelichting en stroomschema’s staan vermeld in Bijlage 1: Toelichting op de nadere regel.

Sinds 2017 wordt voor nieuwe zorgtrajecten de diagnose geclassificeerd in DSM-5. De DSM-5 diagnose wordt geconverteerd naar een bijbehorende DSM-IV diagnose. De registratie en bekostiging vinden nog conform DSM-IV plaats.

De bijlagen maken integraal onderdeel uit van deze nadere regel.

de Nederlandse Zorgautoriteit,M.J.Kaljouwvoorzitter Raad van Bestuur

Deze nadere regel is van toepassing op zorgaanbieders die forensische zorg in strafrechtelijk kader, als omschreven bij of krachtens het Interimbesluit forensische zorg of, bij inwerkingtreding daarvan, artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg, verlenen.

Het doel van deze nadere regel is het stellen van voorschriften voor de forensische zorg (fz) op het gebied van registratie, validatie, declaratie en informatie, die zorgaanbieders in acht moeten nemen bij én voorafgaand aan het declareren van dbbc’s, zzp’s, extramurale parameters fz en overige zorgproducten.

In deze nadere regel wordt verstaan onder:

In de fz bestaan de volgende typen zorgprestaties:

Deze nadere regel beschrijft welke voorschriften gelden voor de bovenstaande zorgprestaties. In hoofdstuk 2: Algemene bepalingen wordt de samenloop en afbakening tussen de verschillende typen prestaties in de fz beschreven. In daarop volgende hoofdstukken 3 en 4 staan de voorschriften die voor bovenstaande zorgprestaties gelden.

De fz kent naast de dbbc-systematiek ook zzp’s en extramurale parameters voor de forensische zorg (fz). Voor de afbakening tussen de dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters fz geldt het volgende:

Deze nadere regel is van toepassing op dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters in de fz.

Een dbbc wordt gedeclareerd als er sprake is van zorg die wordt geleverd in het kader van de behandeling van de cliënt. Zzp’s en extramurale parameters worden gedeclareerd als er sprake is van begeleidingszorg.

Een zorgaanbieder kan tegelijkertijd een ambulante dbbc en zzp in rekening brengen voor één en dezelfde patiënt als er sprake is van een zzp in combinatie met ambulante dbbc behandelzorg.

Het is mogelijk om een dbc voor de gespecialiseerde ggz te declareren naast een dbbc voor fz. Voorwaarde is dat aan de afzonderlijke regelgeving voor dbc- en dbbc-registratie wordt voldaan. Ggz die geen onderdeel uitmaakt van het door de rechter opgelegde vonnis, komt ten laste van de Zvw als de patiënt op de openingsdatum van de dbc een geldige zorgverzekering heeft.

In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de algemene registratiebepalingen, het openen, het typeren, het registreren en het sluiten van een dbbc besproken.

Meer uitgebreide informatie over het hele proces (registreren-valideren-afleiden), voorbeelden, nadere toelichting en stroomschema’s staan vermeld in Bijlage 1: Toelichting op de nadere regel.

Zie voor meer informatie het onderdeel 3.1.2.3. Heropenen in bijlage 1.

Het typeren van een dbbc bestaat uit het vastleggen van de volgende informatie:

Onderdeel I – Vastleggen identificatiegegevens van de patiënt

Onderdeel II – Vastleggen van het zorgtype

Onderdeel III – Vastleggen van aard en mate van het gevaar

Onderdeel IV – Vastleggen van de aard van het delict

Onderdeel V – Classificeren en vastleggen van de diagnose van de patiënt

Registreren van primaire diagnose

Meerdere (primaire) diagnoses

Meer gedetailleerde richtlijnen staan in het onderdeel 3.1.3.9 Omgaan met meerdere primaire diagnoses in bijlage 1.

Zodra een dbbc geopend is kunnen activiteiten op verschillende categorieën geregistreerd worden: diagnostiek en behandeling, dagbesteding, verblijf en verrichtingen. De codelijst die hiervoor gebruikt moet worden is te vinden in Bijlage 4: Activiteiten en verrichtingen. Daarin staan ook de definities van de activiteiten en verrichtingen. Voor meer informatie zie ook het onderdeel 3.1.4 Registreren in Bijlage 1.

Categorie I – Diagnostiek en behandeling

Categorie II – Dagbesteding

Voor een nadere toelichting zie het onderdeel 3.1.4.11 – 3.1.4.17 Dagbesteding registreren in bijlage 1.

Categorie III – Verblijf

Er wordt binnen de dbbc-systematiek onderscheid gemaakt tussen het registreren van behandelactiviteiten en van verblijf. Bij de registratie van een deelprestatie verblijf gaat het om een ’kale verblijfsdag’. Verblijf wordt geregistreerd op basis van dagen aanwezigheid door middel van een deelprestatie verblijf.

Voor de keuze van de deelprestatie van verblijf is de zorgvraag van de patiënt leidend. Op basis van de zorgvraag van de patiënt wordt bepaald wat de vereiste intensiteit (A t/m G) en beveiligingsniveau (1 t/m 4) van de deelprestatie verblijf is. Dit resulteert in één van de 28 deelprestaties verblijf die het meest overeenkomt met de beschreven verblijfszorg.

Zie ook Bijlage 7: Deelprestaties verblijf en Bijlage 8: Dbbc-beveiligingsniveaus.

Voor meer informatie zie onderdelen 3.1.4.18 – 3.1.4.23 Verblijf registreren in bijlage 1 en Bijlage 7: Deelprestaties verblijf.

Categorie IV – Overige deelprestaties

Binnen de zorgcategorie overige deelprestaties wordt een onderscheid gemaakt tussen elektroconvulsie therapie (ect), ambulante methadon verstrekking (amv), forensisch psychiatrisch toezicht (fpt) en dagbesteding.

Voor meer informatie over de registratie vereisten van de overige deelprestaties zie onderdeel 3.1.4.24 – 3.1.4.27 Overige deelprestaties in bijlage 1.

Deze nadere regel stelt voorschriften, voorwaarden of beperkingen met betrekking tot het declaratieproces in de fz.

Te declareren dbbc-tarief

Overige zorgproducten

Voor meer informatie over ozp’s wordt verwezen naar de beleidsregel ‘Prestaties en tarieven forensische zorg’.

Onderlinge dienstverlening dbbc

Elke factuur moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten als onderdeel van de prestatiebeschrijving:

In dit hoofdstuk worden de registratie- en declaratiebepalingen van zzp’s en extramurale parameters fz in de fz beschreven. Deze prestaties gelden voor verblijf met begeleiding (zzp-C), fz aan verstandelijk beperkten (zzp-VG) en ambulante begeleiding (extramurale parameters fz).

Met prestaties wordt in dit hoofdstuk bedoeld:

Onderlinge dienstverlening zzp’s en extramurale parameters fz

Voor meer informatie over onderlinge dienstverlening wordt verwezen naar de beleidsregel ‘Prestaties en tarieven forensische zorg’.

Elke factuur moet in ieder geval onderstaande gegevens bevatten als onderdeel van de factuur voor zzp’s en extramurale parameters fz.

Strafrechtelijke titel

Startdatum strafrechtelijke titel

Einddatum strafrechtelijke titel

Gedeclareerde tarief

AGB-code

Zzp-code en/of code voor extramurale parameters

Prestatiecode

Strafrechtketennummer (skn)

Plaatsingsbesluitnummer

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze regeling wordt de nadere regel ‘Dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg’, met kenmerk NR/REG-1806, ingetrokken.

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze regeling wordt de al wel gepubliceerde maar nog niet in werking getreden Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg, met kenmerk NR/REG-1916 ingetrokken.

De nadere regel ‘Dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg’, met kenmerk NR/REG-1806, blijft van toepassing op gedragingen (handelen en nalaten) van zorgaanbieders die onder de werkingssfeer van die regeling vielen en die zijn aangevangen – en al dan niet beëindigd – in de periode dat die regeling gold. Dit betekent dat voor overlopende dbbc’s (dbbc’s geopend in 2018 en doorlopend in 2019) de op het moment van opening van de dbbc geldende nadere regels van toepassing zijn.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019.

Indien de Staatscourant, waarin deze regeling wordt bekendgemaakt, wordt uitgegeven na 31 december 2018, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2019.

Deze regeling wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant op grond van artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg).

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg.

Deze bijlage geeft een toelichting op de Nadere regel; ‘Dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters fz’ en is als volgt opgebouwd:

Fz in strafrechtelijk kader vindt plaats op basis van indicatiestelling door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP/Ifz), de Reclassering of het Psycho Medisch Overleg (PMO, Gevangeniswezen). In de indicatiestelling wordt het recht van de patiënt op fz vastgelegd. De Divisie Forensische Zorg (ForZo/JJI) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) koopt deze zorg vooraf in bij zorgaanbieders.

Voor zorg in het kader van de behandeling van de patiënt (zowel met als zonder verblijf) geldt de dbbc-systematiek. Hieronder valt ook de behandeling aan sterk gedragsgestoorde licht verstandelijk gehandicapten (sglvg), op voorwaarde dat er een indicatie is voor deze zorg met behandeling. Ook de begeleidings- en dagbestedingsactiviteiten die onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de behandeling, worden gerekend tot de dbbc-systematiek.

De zorgaanbieders verantwoorden de geleverde zorg door middel van de dbbc-registratie. De dbbc-systematiek geldt voor instellingen die aan volwassenen (of jongeren die volgens het volwassenenrecht zijn berecht) psychiatrische zorg, verslavingszorg of verstandelijk gehandicaptenzorg bieden als onderdeel van een straf.

De strafrechtelijke titel en bijbehorend advies bepalen welke fz een patiënt zal ontvangen. Een advies over deze titel, bijbehorende zorg en beveiligingsniveau wordt op basis van een indicatiestelling bepaald. De indicatiestelling wordt onafhankelijk en objectief uitgevoerd, zodat het zorgaanbod afgestemd wordt op de zorgbehoefte van de patiënt. Na het afgeven van een indicatieadvies wordt met inachtneming van dit advies door het OM of de Rechtspraak een besluit genomen of de patiënt klinische zorg, ambulante zorg of beschermd wonen nodig heeft. De patiënt wordt geplaatst binnen een instelling 5 om daar vervolgens zorg te ontvangen van de zorgaanbieder.

Figuur 1 Proces plaatsing patiënt

Naast de dbbc-systematiek wordt in de bekostiging van de fz ook gewerkt met zorgzwaartepakketten (zzp’s) en extramurale parameters. Of de dbbc-systematiek of de zzp-bekostiging/extramurale parameters van toepassing is, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of behandeling onderdeel is van het zorgplan.

Specifieke zaken die niet geregistreerd kunnen worden op basis van de dbbc-systematiek zijn:

Zie ter illustratie Figuur 2 Bepaling dbbc-systematiek zzp/extramurale parameters.

Begeleiding, al dan niet in combinatie met verblijf, die gericht is op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid van de patiënt, wordt tot de zzp- dan wel extramurale bekostiging gerekend.

Ambulante behandeling kan aangeboden worden naast begeleiding (met of zonder verblijf). De ambulante behandeling wordt dan afgerekend in dbbc’s, de begeleiding in extramurale parameters (zonder verblijf) of in zzp’s (met verblijf).

Figuur 2 Bepaling dbbc-systematiek zzp/extramurale parameters

Dbbc staat voor diagnose behandeling beveiliging combinatie. Een dbbc omvat het traject tot maximaal 365 kalenderdagen dat een patiënt doorloopt als hij zorg nodig heeft voor een specifieke diagnose, vanaf het eerste contact bij een fz-zorgaanbieder tot en met de behandeling die hier eventueel uit volgt. De dbbc vormt de basis voor de declaratie van de geleverde zorg in het kader van deze diagnose bij de verzekeraar (i.c. ForZo/JJI).

Een dbbc in de fz is opgebouwd uit patiëntgerichte activiteiten, verblijfsdagen, dagbesteding en verrichtingen en de daaraan bestede tijd of aantallen. Afhankelijk van de set van activiteiten, verblijfsdagen, uren dagbesteding en verrichtingen en de tijd of aantallen die hieraan besteed zijn, wordt een aparte behandelprestatie, verblijfsprestatie en/of overige prestatie afgeleid. Aan de behandel- en verblijfsprestaties zijn tarieven verbonden. Deze tarieven worden jaarlijks vastgesteld door de NZa.

De dbbc-systematiek in de fz werkt volgens een proces van registratie, validatie en afleiding.

Figuur 3: Proces van registratie, validatie en afleiding

Voor de fz gelden andere registratieregels dan voor de geestelijke gezondheidszorg (ggz). Wel is de dbbc-systematiek zo goed mogelijk afgestemd op de dbc-systematiek van de ggz om de continuïteit van zorg in de zorgketen te verbeteren. Essentiële verschillen met de dbc-systematiek van de ggz zijn:

In de fz vindt voorafgaand aan het zorgtraject een onafhankelijke indicatiestelling plaats. Dit is nodig om de zorgbehoefte en de beveiligingsnoodzaak vast te stellen. Daarnaast is deze indicatiestelling bepalend voor de plaatsing van patiënten bij zorgaanbieders.

Een essentieel onderdeel van de fz is het beveiligingsniveau. De mate van en de kosten voor de beveiliging van de patiënt en de behandelomgeving worden in de productstructuur inzichtelijk gemaakt. Daarom is de extra ‘b’ van beveiliging in de naamgeving van de dbbc-systematiek toegevoegd.

De ForZo/JJI, onderdeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen, is verantwoordelijk voor de inkoop van fz in een strafrechtelijk kader en de plaatsing van volwassenen die deze zorg nodig hebben. In deze sector wordt ForZo/JJI gezien als zorgverzekeraar.6

Binnen de dbbc-systematiek wordt onderscheid gemaakt tussen de termen ‘zorgtraject’, ‘initiële dbbc’ en ‘vervolg-dbbc’.

Een dbbc maakt deel uit van een zorgtraject. Voordat een eerste dbbc geopend kan worden moet eerst een zorgtraject zijn gestart. De aanmeldingsdatum van de patiënt bepaalt de startdatum van het zorgtraject. Het vastleggen van de aanmeldingsdatum is verplicht volgens de minimale dataset (mds).

Een initiële dbbc, met eventueel één of meerdere vervolg-dbbc’s, vormen het zorgtraject. Dit omvat de totale zorg die wordt geleverd in het kader van de behandeling van één primaire diagnose.

Een zorgtraject kan bijvoorbeeld geopend worden door het secretariaat, op het moment dat een patiënt wordt aangemeld.

De startdatum van het zorgtraject kan hetzelfde zijn als de openingsdatum van de initiële dbbc, maar dit hoeft niet. De initiële dbbc wordt namelijk pas geopend wanneer de eerste patiëntgebonden activiteit, uitgevoerd door een beroep waarvan de tijd afleidt naar een prestatie, met een behandelaar plaatsvindt.

Het openen van een dbbc is een administratieve handeling. Iedereen onder verantwoordelijkheid van de hoofdhandelaar kan een dbbc openen.7

Figuur 4 Zorgtraject en dbbc's

Na plaatsing van de patiënt kan de hoofdbehandelaar starten met het openen van een dbbc. Bij het openen van een dbbc moet een openingsdatum vermeld worden. Dit is verplicht volgens de minimale dataset (mds). De openingsdatum van de initiële dbbc is altijd gelijk aan de datum waarop de eerst(volgende) directe of indirecte patiëntgebonden activiteit, uitgevoerd door een beroep waarvan de tijd afleidt naar een prestatie, plaatsvindt.

Een initiële dbbc is de dbbc die wordt geopend voor een eerste of nieuwe primaire zorgvraag van een patiënt. De initiële dbbc is altijd de eerste dbbc binnen een zorgtraject.

Wanneer een initiële dbbc openen:

Figuur 5 Situaties waarin een initiële dbbc moet worden geopend

Als de patiënt binnen 35 dagen na het afsluiten van de dbbc terugkomt in zorg voor dezelfde diagnose moet, tenzij de doorlooptijd van de dbbc meer dan 365 dagen wordt de voorafgaande dbbc heropend worden.

Als de patiënt terugkomt in zorg en een nieuw plaatsingsnummer krijgt, wordt de dbbc niet heropend, maar wordt een nieuwe dbbc geopend.

Een vervolg-dbbc is een dbbc die volgt op een initiële dbbc of een voorgaande vervolg-dbbc. Een vervolg-dbbc heeft altijd precies dezelfde primaire diagnose als de eerder afgesloten initiële dbbc of vervolg-dbbc. Een vervolg-dbbc wordt geopend op de dag na sluiting van de voorgaande dbbc.

Bij het openen van een vervolg-dbbc is altijd sprake van een bekende patiënt en precies dezelfde primaire diagnose. Een vervolg-dbbc valt altijd onder hetzelfde zorgtraject waaronder de bijbehorende initiële dbbc en eventuele eerdere vervolg-dbbc’s vallen.

Let op: Bij een vervolg-dbbc mag de primaire diagnose niet verschillen van de primaire diagnose van de vorige (initiële of vervolg-) dbbc. Dit houdt ook in dat als de primaire diagnose in dezelfde hoofdgroep valt als bij de voorgaande dbbc, maar niet precies hetzelfde is, een initiële dbbc geopend moet worden voor het behandelen van de nieuwe diagnose.

In de volgende situaties wordt een vervolg-dbbc geopend:

In dat geval wordt de voorgaande (vervolg)-dbbc gesloten (ook als de 365-dagen grens nog niet bereikt is). Als afsluitreden moet worden gekozen voor ‘afsluiten dbbc vanwege openen vervolg-dbbc’ (afsluitreden 4). Eén dag na sluiting van deze dbbc wordt een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ geopend. Wanneer de behandeling na 365 dagen na openingsdatum van de dbbc met zorgtype fpt voortgezet wordt, wordt opnieuw een vervolg-dbbc met zorgtype fpt geopend.

Het kan zijn dat de patiënt tijdens het fpt met zorgtype ‘proefverlof’ of ‘voorwaardelijke beëindiging’ in een time-out terechtkomt.

In dat geval moet de dbbc met zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ worden gesloten met reden ‘afsluiting time-out’ (afsluitreden 8). Aansluitend wordt in hetzelfde zorgtraject een nieuwe vervolg-dbbc geopend. Tijdens de fase proefverlof heeft deze het zorgtype ‘tbs met proefverlof (art. 51 Bvt)’ en tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging het zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege (art. 38 g Sr)’.

Let op:

Bij een vervolg-dbbc mag de primaire diagnose niet verschillen van de primaire diagnose van de vorige (initiële of vervolg-) dbbc. Dit houdt ook in dat als de primaire diagnose in dezelfde hoofdgroep valt als bij de voorgaande dbbc maar niet precies hetzelfde is, een initiële dbbc geopend moet worden voor het behandelen van de nieuwe diagnose.

Figuur 6 Fpt tijdens fase proefverlofFiguur 7 Fpt tijdens fase voorwaardelijke beëindigingFiguur 8 Situaties waarin een vervolg-dbbc kan worden geopend

Het typeren van een dbbc bestaat uit verschillende onderdelen: het vastleggen van de identificatiegegevens van de patiënt, het vastleggen van het zorgtype, het vastleggen van de aard en mate van gevaar, het vastleggen van de aard van het delict en het vastleggen van de (primaire) diagnose van de patiënt.

De hoofdbehandelaar is eindverantwoordelijk voor het juist invullen van de volledige typering. Alleen de hoofdbehandelaar mag typeren.

Uitsluitend zorgverleners met een beroep dat is opgenomen in het BIG-register8, waarvan het beroep is opgenomen op de dbbc-beroepentabel en die bevoegd en bekwaam zijn om patiënten te classificeren volgens de systematiek van de DSM-5, kunnen als hoofdbehandelaar worden aangemerkt.

De hoofdbehandelaar is uiteindelijk verantwoordelijk voor het juist invullen van de volledige typering. Met inachtneming van relevante wet- en regelgeving en bovenstaande eisen, mag elke instelling zelf bepalen wie als hoofdbehandelaar wordt aangewezen.

De dbbc moet bij het sluiten volledig en juist getypeerd zijn. Bij voorkeur typeert de hoofdbehandelaar de dbbc binnen een maand na opening.

Let op:

Het eerste onderdeel van de typering is het vastleggen van de identificatiegegevens van de patiënt. Welke gegevens de zorgaanbieder in ieder geval moet invullen bij de identificatiegegevens van een patiënt, is gebaseerd op de minimale dataset (mds). Dit zijn de volgende gegevens:

Het tweede onderdeel van de typering is het vastleggen van de aanleiding tot fz. Dit heet het zorgtype. Het zorgtype beschrijft de reden van het (eerste) contact tussen de zorgaanbieder en de patiënt.

De aanleiding tot de zorg kan zijn dat een patiënt een strafrechtelijke titel heeft of dat er sprake is van een voorgenomen indicatiestelling, fpt of verdiepingsdiagnostiek.

Er zijn verschillende zorgtypen (codes) voor initiële en vervolg-dbbc’s.

Een uitgebreide beschrijving inclusief de te gebruiken codes is te vinden in Bijlage 2: Zorgtypen.

Het derde onderdeel van de typering is het vastleggen van de aard van het gevaar en de mate waarin de patiënt een gevaar vormt. Dit gevaar wordt in drie categorieën getypeerd:

Het vierde onderdeel van de typering is het vastleggen van de aard van het delict. De classificatie van de aard delict gebeurt aan de hand van tien clusters die zijn benoemd in het BooG-instrument.10 Deze clusters staan weergegeven in Bijlage 3: Vastleggen aard van delict.

Het is mogelijk om meer dan één aard delict te registreren. Bij het typeren van een aard delict wordt geen onderscheid gemaakt tussen een poging tot het delict en het daadwerkelijk plegen van het delict.

Het vijfde onderdeel van de typering is het vastleggen van de diagnose van de patiënt. De diagnoseclassificatie in de dbbc-systematiek sluit aan bij de regels die gelden voor het gebruik van de DSM-5. De DSM-5 diagnose wordt via een conversietabel vertaald naar een DSM-IV-TR diagnose. De hoofdbehandelaar registreert de diagnose met behulp van de diagnosetabel die is gebaseerd op de DSM-IV-TR. De diagnose moet geregistreerd worden op vijf assen.

Op As 1 kunnen één of meerdere stoornissen worden geselecteerd volgens de diagnosetabel. Tabel 1 laat tevens zien hoe de hoofdgroepen van de diagnosetabel volgen uit de hoofdgroepen van de DSM-IV-TR.

Op As 2 kunnen één of meerdere stoornissen worden geselecteerd volgens de diagnosetabel. Geef per stoornis aan of de stoornis aanwezig is of dat er trekken van deze stoornis aanwezig zijn. Naast de registratie van de persoonlijkheidsstoornissen kan maximaal één code voor zwakzinnigheid of zwakbegaafdheid worden geregistreerd. Tabel 2 laat zien hoe de hoofdgroepen van de diagnosetabel volgen uit de hoofdgroepen van de DSM-IV-TR.

Let op:

Registreer alleen de somatische aandoening die een directe relatie heeft met de As 1- of As 2-stoornis (bijvoorbeeld: delirium door een somatische aandoening).

De registratie van somatische aandoeningen is in de dbbc-systematiek beperkt tot drie niveaus:

De hoofdbehandelaar beoordeelt of er sprake is van enkelvoudig of complex. In Tabel 3 staan de omschrijvingen van de somatische aandoeningen die op As 3 van de diagnosetabel geselecteerd kunnen worden.

Op As 4 worden psychosociale factoren en omgevingsfactoren vastgelegd die een duidelijk zorgverzwarende factor vormen bij de behandeling van de primaire diagnose. Registreer ‘diagnose of aandoening niet aanwezig’ als er geen As 4-factor aanwezig is. Tabel 4 geeft deze factoren weer.

Ten slotte registreert de hoofdbehandelaar op As 5 de Global Assessment of Functioning-score (GAF-score) driemaal:

Bij openen (tweemaal):

Bij sluiten: de GAF-score op de einddatum van de dbbc.

De verdeling van de GAF-scores zoals deze wordt gebruikt in de dbbc-systematiek is weergegeven in Tabel 5.

Nadat de diagnose op alle assen is geregistreerd, kan worden aangegeven wat de primaire diagnose is. De primaire diagnose is de belangrijkste reden voor de behandeling. Deze is gekoppeld aan het zorgtraject. Alleen een diagnose op As 1 of As 2 kan worden geselecteerd als primaire diagnose. Wanneer de primaire diagnose van een openstaande initiële dbbc wijzigt en de nieuwe primaire diagnose valt in een andere hoofdgroep, dan moeten het zorgtraject en bijbehorende dbbc worden gesloten en wordt opnieuw een initiële dbbc geopend.

Let op:

Het is mogelijk dat bij een patiënt meerdere (primaire) diagnoses worden vastgesteld. Afhankelijk van hoe de diagnoses zich tot elkaar verhouden kan worden gekozen voor parallelle of opeenvolgende zorgtrajecten.

Alle activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van de zorg voor een patiënt moeten worden geregistreerd op een dbbc.

Registratie kan plaatsvinden door middel van het registreren van tijd op een bepaalde activiteit, en in sommige gevallen door het registreren van een aantal van een specifieke overige deelprestaties.

Een behandelaar mag alleen de patiëntgebonden tijd registreren die hij daadwerkelijk heeft besteed aan die activiteit.

Op een dbbc kunnen activiteiten op verschillende categorieën geregistreerd worden: diagnostiek en behandeling, dagbesteding, verblijf en verrichtingen. Deze categorieën worden hieronder apart besproken.

Figuur 11 Zorgcategorieën

Alleen behandelaren waarvan het beroep op de openingsdatum van de dbbc is opgenomen in de dbbc-Beroepentabel (Bijlage 5: Dbbc-beroepentabel) mogen op de dbbc diagnostiek en behandeling registreren zoals beschreven in de Activiteitenlijst (Bijlage 4: Activiteiten enverrichtingen).

Er kunnen verschillende vormen van tijd worden geregistreerd: direct patiëntgebonden tijd, indirect patiëntgebonden tijd en indirect patiëntgebonden reistijd.

Patiëntgebonden activiteiten omvatten de activiteiten die een behandelaar uitvoert in het kader van de diagnostiek en behandeling van een specifieke patiënt.

Let op: Niet-patiëntgebonden activiteiten kan de behandelaar niet op een dbbc registreren. Dit zijn activiteiten zoals: scholing, algemene vergaderingen, intervisies over het functioneren van collega’s, productontwikkeling en het lezen van vakliteratuur.

De behandelaar moet bij het registreren van patiëntgebonden activiteiten aangeven of het om directe of indirecte (reis)tijd gaat. In de activiteiten- en verrichtingenlijst staat per activiteit aangegeven welke vormen van tijd geregistreerd mogen worden.

Dit is de tijd waarin een behandelaar, in het kader van de diagnostiek of behandeling11, contact heeft met de patiënt of met familieleden, gezinsleden, ouders, partner of andere naasten (het systeem) van de patiënt. Direct patiëntgebonden tijd kan bestaan uit:

Dit betreft tijd die de behandelaar besteedt aan zaken rondom een contactmoment (de direct patiëntgebonden tijd), maar waarbij de patiënt (of het systeem van de patiënt) zelf niet aanwezig is. Voorbeelden van indirect patiëntgebonden tijd zijn:

Dit betreft tijd die de behandelaar besteedt aan het reizen van en naar de patiënt die buiten de instelling behandeling, begeleiding of verpleging ontvangt. De behandelaar mag alleen reistijd registreren als de reistijd in het teken staat van direct patiëntgebonden activiteiten. Uitzondering hierop zijn de algemeen indirecte contacten ‘no show’, ‘activiteiten i.v.m. juridische procedures’ en ‘overleg met derden’. Deze activiteiten kunnen ook in combinatie met reistijd worden geregistreerd – maar alléén als deze reistijd niet via een andere financieringsbron vergoed wordt.

Let op: Tijd om binnen de eigen organisatie (AGB-code) de patiënt te bereiken mag niet geregistreerd worden als reistijd. Ook niet als de zorginstelling over meerdere locaties beschikt.

Deze tijd is wel patiëntgebonden maar heeft geen betrekking op de uitvoering van een directe behandelactiviteit. Algemeen indirecte tijd wordt bijvoorbeeld geregistreerd bij een multidisciplinair overleg of bij de eindverslaglegging van een behandeltraject. Het betreft de activiteiten met code 7.x.

Figuur 12 Bepaling directe tijd, indirecte (reis)tijd of algemeen indirecte tijd

Let op: Het is niet toegestaan om dbbc’s met alleen indirecte tijd te declareren, met uitzondering van de dbbc forensisch psychiatrisch toezicht (fpt). Dit betekent dat er altijd directe tijd geleverd moet worden om de dbbc te declareren. Dit geldt voor zowel de initiële dbbc’s als de vervolg-dbbc. Daarnaast geldt dat er in een initiële dbbc altijd directe tijd door een hoofdbehandelaar moet zijn geregistreerd.

Behandelaren mogen beginnen met registreren zodra de dbbc geopend is. Registreren van diagnostiek- en behandelactiviteiten kan direct na het uitvoeren van de activiteit of op een later moment. Behandelaren moeten bij het registreren gebruik maken van de codes die op de registratiedatum in de activiteiten- en verrichtingenlijst staan.

Tip: Het beste is de behandelactiviteiten zo snel mogelijk na uitvoering te registreren. Dit bevordert de betrouwbaarheid en juistheid van de geregistreerde activiteiten.

Let op: Als er sprake is van parallelle zorgtrajecten, dan moet de behandelaar de geboden zorg registreren op de dbbc waarop deze betrekking heeft.

Instellingen mogen op hun eigen manier invulling geven aan het registreren van de werkelijk bestede tijd. Bijvoorbeeld door de registratie te koppelen aan het elektronisch patiëntendossier (epd) of een planningsmodule. Het is ook toegestaan om standaardtijden of normtijden12 per activiteit vast te stellen.

Het hangt van de situatie af of activiteiten in een klinische setting geregistreerd mogen worden. Immers, activiteiten in het kader van 24-uurscontinuiteitszorg mogen niet als patiëntgebonden tijd geregistreerd worden. De kosten van de zorg van sommige beroepen zitten namelijk al in het tarief van verblijf versleuteld.

Aan het registreren van diagnostiek en behandeling is een aantal bijzonderheden verbonden zie ook Tabel 7.

Tijdens een behandeling kan ook behandeltijd besteed worden aan het ‘systeem’ van de patiënt. Met het systeem worden de familieleden, gezinsleden, ouders, partner of andere naasten van de patiënt bedoeld. Registreer deze bestede (in)directe tijd, in het kader van de behandeling van de diagnose/aandoening van de patiënt, op de dbbc van de betreffende patiënt. Tijdsbesteding aan het systeem kan zowel met als zonder aanwezigheid van de patiënt plaatsvinden. Tevens kan het zowel individueel als in een groep plaatsvinden. Hierdoor kent een deel van de behandelactiviteiten zes varianten. In Tabel 7 staan de verschillende varianten toegelicht.

Het kan voorkomen dat de behandelaar tijdens één sessie met een patiënt meerdere behandelvormen toepast, bijvoorbeeld het toepassen van farmacotherapie en psychotherapie. De behandelaar verdeelt dan de bestede tijd naar verhouding over deze behandelvormen.

Wanneer een patiënt groepstherapie krijgt waarbij twee of meer mensen tegelijkertijd behandeld worden, deelt de behandelaar de bestede tijd door het aantal deelnemers in de groepstherapie. Dus bij een behandeling van 160 minuten waaraan acht patiënten deelnemen, registreert de behandelaar 20 minuten op de dbbc van een patiënt.

De hoofdbehandelaar (opdrachtgever) kan een gespecialiseerde behandelaar uit een andere zorginstelling inschakelen (opdrachtnemer), bijvoorbeeld voor het uitvoeren van een psychodiagnostisch onderzoek. In dat geval opent de opdrachtnemer geen eigen dbbc voor de patiënt, maar de hoofdbehandelaar registreert de activiteiten die de opdrachtnemer heeft uitgevoerd op de openstaande dbbc van de patiënt. De bestede tijd moet wel op naam van de opdrachtnemer op de dbbc geregistreerd worden. De opdrachtgever betaalt vervolgens de opdrachtnemer buiten de dbbc-systematiek om. De dbbc wordt na sluiting gedeclareerd. De reden voor deze werkwijze is dat alle bestede zorg voor de behandeling van een diagnose binnen één dbbc geregistreerd wordt.

Als een zorgaanbieder een deel van de zorg uitbesteedt voor een patiënt met een lopend zorgtraject, blijft de opdrachtgevende zorgaanbieder verantwoordelijk voor de verlening en declaratie van deze zorg.

Let op: het tarief voor prestaties in het kader van onderlinge dienstverlening is vrij en moet onderling bepaald worden door de uitvoerende en opdracht gevende zorgaanbieder.

1 Wanneer in een groep tijd aan het systeem wordt besteed, gelden dezelfde registratieregels als bij groepstherapie.

Het doel van dagbesteding is het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid van de patiënt.

Binnen de fz is van belang dat de dagbesteding altijd plaatsvindt in het kader is van de (psychiatrische) behandeling en is

terug te vinden in het behandelplan van de patiënt, dat is opgesteld door de behandelaar.

Dagbesteding is dus niet:

Dagbesteding in de fz wordt met ingang van 1 januari 2013 geregistreerd als een overige deelprestatie. Hiervoor geldt een maximumtarief per patiënt per uur

Iedereen onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar kan binnen de dbbc dagbesteding registreren.

Registreren van dagbesteding kan direct nadat de patiënt dagbesteding heeft gekregen. Er moet bij het registreren van dagbesteding gebruik worden gemaakt van de codes die op de openingsdatum van de dbbc in de activiteiten- en verrichtingenlijst staan.

Tip: Het beste is om de dagbesteding zo snel mogelijk na afloop te registreren. Dit bevordert de betrouwbaarheid en juistheid van de geregistreerde dagbesteding.

De behandelaar registreert het aantal uren dat de patiënt dagbesteding krijgt. In de dbbc-systematiek worden de volgende vormen van dagbesteding onderscheiden:

Let op:

Het schrijven van tijd is anders voor dagbesteding dan voor diagnostiek- en behandelactiviteiten. De registratie van diagnostiek- en behandelactiviteiten gebeurt in minuten en de registratie van dagbesteding gebeurt in uren.

De volgende voorwaarden gelden bij het registreren van dagbesteding:

Alleen behandelaren van wie het beroep op de openingsdatum van de dbbc is opgenomen in de dbbc-beroepentabel, mogen binnen de dbbc verblijfsdagen registreren.

Behandelaren moeten bij het registreren gebruik maken van de activiteitencodes die op de openingsdatum van de dbbc in de activiteiten- en verrichtingenlijst staan. Elke verblijfsdag moet een unieke registratiedatum hebben. Het is dus niet toegestaan om aan het einde van de looptijd van de dbbc het totale aantal verblijfsdagen van meerdere opnameperiodes onder één code te registreren.

Er wordt binnen de dbbc-systematiek onderscheid gemaakt tussen het registreren van behandelactiviteiten en van verblijf. Bij de registratie van een verblijfsprestatie gaat het om een ‘kale verblijfsdag’. In het tarief van een verblijfsprestatie is wel meegenomen dat een patiënt eten en drinken ontvangt en wordt verpleegd en verzorgd, maar niet dat een patiënt wordt behandeld. De behandelactiviteiten tijdens een verblijfsdag moeten dus apart geregistreerd worden.

Bij het registreren van een verblijfsdag moet altijd de verblijfssoort13 worden genoteerd. Het vaststellen van de verblijfssoort gebeurt in drie stappen:

1 Voor beveiligingsniveau 2 geldt voor zorg, geleverd aan personen die een indicatie ‘sglvg+’hebben en verblijven in een setting die voldoet aan de omschrijving ‘sglvg+’, geldt een nhc-toeslag. Voor de omschrijving ‘sglvg+’: zie bijlage 6.

De verblijfssoort ‘A1’ vertegenwoordigt dus een beveiligingsniveau 1 in combinatie met een lichte verzorgingsgraad; verblijfssoort ‘G4’ staat voor de combinatie tussen een beveiligingsniveau 4 en een zeer intensieve verzorgingsgraad.

Verblijf wordt geregistreerd op basis van dagen aanwezigheid. Dagen dat de patiënt afwezig is, mogen niet worden geregistreerd als verblijfsprestatie, met uitzondering van de hieronder beschreven gevallen. Uitgangspunt daarbij is dat kosten die gemaakt worden, ook gedeclareerd kunnen worden:

Binnen de zorgcategorie verrichtingen wordt een onderscheid gemaakt tussen elektroconvulsietherapie (ect), ambulante methadonverstrekking (amv), forensisch psychiatrisch toezicht (fpt) en dagbesteding.

Bij elektroconvulsietherapie (ect) moet de behandelaar niet alleen de tijd registreren die hij aan deze activiteit besteedt, maar ook het aantal behandelingen ect. De behandeling kan namelijk niet geheel bekostigd worden met de vergoeding voor de geschreven behandeltijd. Aan de verrichting ect zijn de volgende kosten toegerekend: materiële kosten (zoals afschrijving, onderhoud van ect-apparatuur en overige materialen), loonkosten van betrokken behandelaren die niet op de beroepentabel staan (zoals de anesthesist, anesthesieverpleegkundige en verkoeververpleegkundige) en de tijd die een patiënt na de behandeling door brengt op de verkoeverkamer.

Als er sprake is van ect, dan bevat de dbbc dus altijd twee zaken:

Is dat niet het geval, dan valt de dbbc uit in de validatie.

Bij de verstrekking van methadon aan ambulante patiënten moet de behandelaar niet alleen de tijd registreren die hij aan deze activiteit besteedt, maar ook het aantal verstrekkingen van methadon per kalendermaand. De behandeling kan namelijk niet geheel bekostigd worden met de vergoeding voor de geschreven behandeltijd. Het tarief van de verrichting ‘ambulante methadon’ is vastgesteld op basis van de gemiddelde inkoopprijs voor het medicijngebruik en is een vergoeding voor de medicijnkosten van de stof methadon per maand.

Bij de verstrekking van methadon moeten er dus twee zaken geregistreerd worden:

Is dat niet het geval, dan valt de dbbc uit in de validatie.

Let op: Klinische verstrekking van methadon kan niet worden gedeclareerd. De kosten van klinisch verstrekte methadon worden versleuteld in het tarief van verblijfsdagen.

Op een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ en ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ mogen activiteiten geregistreerd worden die in verband staan met de begeleiding tijdens het forensische psychiatrisch toezicht. De behandelaar moet steeds twee zaken registreren:

De verrichting fpt kan geregistreerd worden om de kosten te vergoeden van de behandel- en begeleidingsactiviteiten en verrichtingen die in het kader van het fpt door een fpc uitgevoerd worden. De verrichting kan geregistreerd worden per patiënt per dag dat een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ geopend is.20

Let op:

Als er tijdens de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging een time-out optreedt, dan moet de dbbc met het zorgtype fpt gesloten worden en mag er dus geen verrichting fpt per dag geregistreerd worden.

Een behandelaar moet de activiteiten registreren die uitgevoerd worden in het kader van de fpt van een specifieke patiënt. Het verschilt per zorgtype welke activiteiten wel en niet geregistreerd kunnen worden. In tabel 9 is aangegeven welke activiteiten geregistreerd mogen worden op een dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’.

Als er geen sprake is van een time-out en de patiënt dus buiten het fpc verblijft, kunnen er geen verblijfsdagen geregistreerd worden. Wanneer de patiënt wordt teruggeplaatst binnen het fpc vanwege een time-out mogen er wel verblijfsdagen geregistreerd worden. Tijdens de fase proefverlof gebeurt dat op een nieuw te openen dbbc ‘tbs met proefverlof’ en tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging op een nieuw te openen dbbc met het zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’.

Tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging mogen er, met het optreden van een time-out, geen verrichtingen fpt geregistreerd worden.

Deze verrichting is bedoeld om de kosten te dekken die betrekking hebben op de inzet van de tolk gebarentaal / communicatiespecialist. De verrichting mag maar één keer per dbbc geregistreerd worden.

Deze prestatie mag worden gedeclareerd indien er zorg geleverd wordt aan patiënten met een auditieve beperking en waarvoor de inzet van een tolk gebarentaal / communicatiespecialist noodzakelijk is. Het gaat hierbij om vroegdoven, plots- en laatdoven, slechthorenden, doofblinden en patiënten met een gehoorstoornis als tinnitus, hyperacusis, ziekte van ménière of auditieve verwerkingsproblemen

Iedereen onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar mag een dbbc sluiten.

Bij het afsluiten van een dbbc moet de hoofdbehandelaar deze controleren (of laten controleren onder zijn of haar verantwoordelijkheid) op de volgende punten:

Als één of meer van bovenstaande punten niet of niet correct is ingevoerd, mag de dbbc niet worden afgesloten.

Let op: Als de dbbc wordt gesloten met sluitreden 5, kan de dbbc zonder weergave van een diagnoseclassificatie en gevaartypering afgesloten worden.

Het zorgtraject moet gesloten worden wanneer een patiënt 365 dagen niet in zorg is geweest. Het zorgtraject moet dus 365 dagen na sluitingsdatum van de laatste dbbc gesloten worden.

De specificaties van het plaatsingsbesluitnummer zijn als volgt:

Een dbbc met dit zorgtype bevat activiteiten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Er wordt geen dbbc geopend voor patiënten jonger dan 16 jaar.

‘Zelfstandig Gevestigde Praktijken’ kunnen geen dbbc openen met zorgtype tbs met dwangverpleging. Een dbbc met dit zorgtype kan niet geopend worden voor patiënten jonger dan 16 jaar.

‘Zelfstandig Gevestigde Praktijken’ kunnen geen dbbc met dit zorgtype openen. Er kan geen dbbc geopend worden voor patiënten jonger dan 16 jaar. Daarnaast moet er bij een initiële dbbc activiteiten geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep.

‘Zelfstandig Gevestigde Praktijken’ kunnen geen dbbc met dit zorgtype openen. Een initiële dbbc met dit zorgtype moet een opname bevatten en er moeten activiteiten geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Daarnaast kan zowel een initiële als een vervolg-dbbc met dit zorgtype niet geopend worden voor patiënten jonger dan 16 jaar.

Bij een initiële dbbc met tbs met proefverlof moeten activiteiten geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Daarnaast kan zowel een initiële als een vervolg-dbbc met dit zorgtype niet geopend worden bij patiënten jonger dan 16 jaar of door ‘Zelfstandig Gevestigde Praktijken’.

Een initiële of vervolg-dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Daarnaast kan zowel een initiële als een vervolg-dbbc met dit zorgtype niet geopend worden voor patiënten jonger dan 16 jaar of door ‘Zelfstandig Gevestigde Praktijken’.

Wanneer er sprake is van een strafrechtelijke titel tbs met voorwaarden, moet een dbbc geopend worden met dit zorgtype. Een initiële of vervolg-dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Daarnaast kan zowel een initiële als een vervolg-dbbc met dit zorgtype niet geopend worden voor patiënten jonger dan 16 jaar of door ‘Zelfstandig Gevestigde Praktijken’.

Een dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Er wordt geen dbbc geopend voor patiënten jonger dan 16 jaar.

Een dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Er wordt geen dbbc geopend voor patiënten jonger dan 16 jaar.

Een dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Er wordt geen dbbc geopend voor patiënten jonger dan 16 jaar.

Een dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Er wordt geen dbbc geopend voor patiënten jonger dan 16 jaar.

Een initiële of vervolg-dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep en mag niet worden geopend voor patiënten onder de 16 jaar. Ook mag een dbbc met dit zorgtype niet meer dan 49 dagen verblijf bevatten.

Voor een dbbc met dit zorgtype gelden geen extra voorwaarden.

Voor een dbbc met dit zorgtype gelden geen extra voorwaarden.

Een dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Er wordt geen dbbc geopend voor patiënten jonger dan 16 jaar.

Voor een dbbc met dit zorgtype gelden geen extra voorwaarden.

Voor een dbbc met dit zorgtype gelden geen extra voorwaarden.

Een initiële of vervolg-dbbc met dit zorgtype moet opnamedagen bevatten. Ook moet een initiële dbbc met dit zorgtype activiteiten bevatten die door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep geregistreerd zijn.

Voor een dbbc met dit zorgtype gelden geen extra voorwaarden.

Voor een dbbc met dit zorgtype gelden geen extra voorwaarden.

Een dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Er wordt geen dbbc geopend voor patiënten jonger dan 16 jaar.

De voorgenomen indicatiestelling biedt de mogelijkheid om een patiënt naar fz toe te leiden terwijl er (nog) geen sprake is van een strafrechtelijke titel. Deze nadere regel is bedoeld voor situaties waar escalatie dreigt in de (thuis)situatie en kan alleen worden geïndiceerd door de reclassering. De zorgvormen waarnaar in deze situaties kan worden toe geleid, beperken zich tot die waarvoor de reclassering mag indiceren: ambulante zorg en RIBW.

Dit zorgtype is van toepassing wanneer de behandeling van een tbs-patiënt zich in de fase proefverlof bevindt. Binnen een initiële of vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ worden contacten geregistreerd waarbij een patiënt doorgaans niet in het fpc verblijft. Als een patiënt overgaat naar een andere fase of overgaat naar reguliere behandeling, moet de dbbc met dit zorgtype gesloten worden. dbbc’s met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ kunnen geen verblijfsdagen bevatten. Er kan elke dag een verrichting fpt worden geregistreerd op een dbbc met dit zorgtype.

Dit zorgtype is van toepassing wanneer de behandeling van een tbs-patiënt zich in de fase voorwaardelijke beëindiging bevindt. Binnen een vervolg-dbbc met het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ worden contacten geregistreerd waarbij een patiënt doorgaans niet in het fpc verblijft. Als een patiënt overgaat naar een andere fase of overgaat naar reguliere behandeling, moet de vervolg-dbbc met dit zorgtype gesloten worden. Vervolg-dbbc’s met het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ kunnen geen verblijfsdagen bevatten. Er kan elke dag een verrichting fpt worden geregistreerd op een vervolg-dbbc met dit zorgtype.

Verdiepingsdiagnostiek is, naast de voorgenomen indicatiestelling, ook een manier om een patiënt naar fz toe te leiden zonder dat er sprake is van een strafrechtelijke titel. Verdiepingsdiagnostiek wordt ingezet bij verdachten waarbij er aanwijzingen zijn van psychische problemen, verslavingsproblematiek, een verstandelijke beperking of een combinatie ervan. Bij deze verdachten wordt door een forensische polikliniek psychologisch en/of psychiatrisch diagnostisch onderzoek uitgevoerd. Een dbbc met dit initiële zorgtype moet minimaal directe tijd bevatten op diagnostische activiteiten. Hiernaast mogen activiteiten op pre-intake, intake en/of algemeen indirecte tijd worden geregistreerd. Deze activiteiten moeten worden geregistreerd door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep en een dbbc met dit zorgtype mag niet worden geopend voor patiënten onder de 16 jaar.

Een dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. ‘Zelfstandig Gevestigde Praktijken’ kunnen geen dbbc openen met zorgtype Bevel voorlopige verpleging. Een dbbc met dit zorgtype kan niet geopend worden voor patiënten jonger dan 16 jaar. Een dbbc met dit zorgtype moet verblijfsdagen bevatten.

Een dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. ‘Zelfstandig Gevestigde Praktijken’ kunnen geen dbbc openen met zorgtype Bevel aanhouding. Een dbbc met dit zorgtype kan niet geopend worden voor patiënten jonger dan 16 jaar. Een dbbc met dit zorgtype moet verblijfsdagen bevatten.

Wanneer er sprake is van een strafrechtelijke titel zelfstandige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, moet een dbbc geopend worden met dit zorgtype. Een initiële of vervolg-dbbc met dit zorgtype moet activiteiten bevatten die geregistreerd zijn door een medisch, psychologisch, verpleegkundig of psychotherapeutisch beroep. Daarnaast kan zowel een initiële als een vervolg-dbbc met dit zorgtype niet geopend worden voor patiënten jonger dan 16 jaar of door ‘Zelfstandig Gevestigde Praktijken’.

1 Dit cluster komt niet voor in BooG, maar is toegevoegd aangezien de aard van het delict voor de dbbc registratie nog niet altijd bekend is.

In de dbbc-beroepentabel zijn die beroepen opgenomen, die bevoegd en bekwaam zijn om een rol te vervullen in de (individuele diagnosegerichte) behandeling van patiënten in de ggz.

De dbbc-beroepentabel onderscheidt zeven beroepenclusters: de clusters medische, psychotherapeutische, agogische, psychologische,

vaktherapeutische, verpleegkundige beroepen en de ‘somatische beroepen werkzaam in de ggz’. Hierbinnen vallen die beroepen, die vanuit hun somatische beroep activiteiten in de ggz uitvoeren, maar niet primair (breder) opgeleid zijn voor een rol in de ggz. Denk hierbij aan de huisarts, neuroloog, klinisch geriater, fysiotherapeut en dergelijke. De complete dbc-beroepentabel is hieronder opgenomen.

In elk beroepencluster worden vier niveaus onderscheiden. In de Wet BIG wordt bepaald wanneer sprake is van een basisberoep en van een specialisme. Hieraan zijn met instemming van de Minister van VWS en van de Tweede Kamer, ten tijde van invoering van de dbc-systematiek het initiële niveau en het niveau specialisatie/functiedifferentiatie toegevoegd.

Bij de indeling van de in de instelling of praktijk werkzame behandelaren volgens de dbbc-beroepentabel moet onderscheid gemaakt worden tussen:

In de dbbc-beroepentabel is de scheiding tussen beroepen en functies strikt doorgevoerd. De opgenomen lijst van beroepen op de dbc-beroepentabel is uitputtend, met uitzondering van de genoemde beroepen in categorie 3 (specialisatie/functiedifferentiatie (SF)). Hierin is namelijk vooruitlopend op de erkenning van bepaalde functies tot beroep een aantal voorbeelden van functies genoemd, die een specifieke ggz-specialisatie vereisen én dus door partijen als beroep worden gezien. Een voorbeeld hiervan bij het verpleegkundige beroepencluster is bijvoorbeeld de SPV. De tabel is op dit punt niet uitputtend. De instelling of praktijk kan onder eigen verantwoordelijkheid vergelijkbare beroepen laten registreren onder de noemer ‘overig [naam betreffend beroepencluster] SF’.

Per 2018 is een grote wijziging doorgevoerd. De beroepen die tot en met 2017 geen tijd mochten schrijven, mogen dat vanaf 2018 wel. Hun tijd leidt echter niet af naar een prestatie en daarmee niet naar (de hoogte van) de dbbc. Wij noemen dit beroepen waarvan de tijd niet afleidt naar een prestatie. Voor de beroepen die al tijd mochten schrijven verandert er niets. Deze beroepen noemen we beroepen waarvan de tijd wél afleidt naar een prestatie.

Twee beroepen konden per 2017 al tijdschrijven zonder dat de tijd afleidt naar een prestatie: de ervaringsdeskundige ggz en de hbo-pedagoog. Voor deze beroepen verandert er niets.

Om dit mogelijk te maken, zijn de definities van algemeen indirecte tijd, direct patiëntgebonden tijd, indirect patiëntgebonden tijd en indirect patiëntgebonden reistijd gewijzigd. Hier wordt expliciet aangegeven dat het gaat om activiteiten in het kader van diagnostiek en/of activiteiten uit het behandelplan, niet zijnde 24-uurscontinuïteitszorg. De wijziging beoogt niet dat het vov-personeel of ander niet direct bij de behandeling betrokken personeel tijd gaat schrijven.

De beroepen waarvan de tijd niet afleidt naar een prestatie in de ggz schrijven sinds 2018 tijd. Deze tijd leidt echter niet af naar een behandelactiviteit. In de kostprijsberekening, die vooraf gaat aan de bepaling van de maximumtarieven, is rekening gehouden met deze beroepen. De kosten hiervan zijn verdisconteerd in de kostprijs/uur van de beroepen waarvan de tijd wél afleidt naar een prestatie. Deze beroepen konden altijd al tijdschrijven.

Uitleg hierover vindt u in de beleidsregel ‘kostprijsberekening curatieve ggz’ (op dit moment BR/CU-5095). Na de dbc-beroepentabel vindt u de indeling van de ondersteunende beroepen conform het kostprijsmodel.

1 Dit betreft overige medische beroepen die niet via de categorie ‘MB.SF.overig’ tijd schrijven.

2 Tot deze categorie behoren ondersteuners die ingezet worden bij niet-strafrechtelijke zorg en niet bij een andere groep te plaatsen zijn.

3 Tot deze categorie behoren niet de ervaringsdeskundige ggz MBO 4 en HBO 5

4 Dit betreft overige agogische beroepen die niet via de categorie ‘AG.SF.overig’ tijd schrijven.

5 Dit betreft overige psychologische beroepen die niet via de categorie ‘PB.SF.overig’ tijd schrijven.

6 Dit betreft overige agogische beroepen die niet via de categorie ‘VB.SF.overig’ tijd schrijven.

Overzicht verschillende verblijfssoorten

1 sglvg+’: zie bijlage 6. Zie bijlage 8 voor de beveiligingsniveaus, waarbij er voor beveiligingsniveau 2 twee varianten bestaan: 2-hoog en 2-laag.

1 Netto fte staat voor ingeroosterd zorgverlenend VOV-personeel.

Uitgangspunten:

Materieel:

Immaterieel:

In de dbbc-systematiek is er sprake van 4 beveiligingsniveaus. In de praktijk worden 2 typen ‘beveiligingsniveau 2’ ingekocht: 2-laag en 2-hoog. De beschrijvingen hieronder zijn derhalve allebei gekoppeld aan beveiligingsniveau 2. Inkoper en zorgaanbieder moeten in onderling overleg bepalen welke voor hen van toepassing is.

Uitgangspunten:

Materieel:

Immaterieel:

Uitgangspunten:

Materieel:

Immaterieel:

Uitgangspunten:

Materieel:

Immaterieel:

Uitgangspunten:

Materieel:

Immaterieel: