Regeling · BWBR0043946
Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht BES
Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 13 maart 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2859101;
Gelet op de artikelen 79e, eerste lid, en 79v, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 juni 2020, nr. No.W16.20.0074/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 13 juli 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2948367.
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage16 juli 2020Willem-AlexanderDe Minister voor Rechtsbescherming,S.Dekkerde vierentwintigste juli 2020De Minister van Justitie en Veiligheid,F.B.J.GrapperhausIn dit besluit wordt verstaan onder:
- −
bevel voorlopige hechtenis: bevel als bedoeld in artikel 484 van het Wetboek van Strafvordering BES;
- −
jeugddetentie: jeugddetentie als bedoeld in artikel 79h, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
- −
jeugdige: persoon ten aanzien van wie de artikelen 79a tot en met 79w van de wet toepassing hebben gevonden;
- −
onveroordeelde: persoon ten aanzien van wie een bevel voorlopige hechtenis is gegeven als bedoeld in artikel 484, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering BES;
- −
Onze Minister: Onze Minister voor Rechtsbescherming;
- −
openbaar ministerie: het openbaar ministerie bij het gerecht dat de straf van jeugddetentie of van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen heeft opgelegd;
- −
pij-maatregel: maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen als bedoeld in artikel 79h, derde lid, onderdeel a, van de wet;
- −
project: project als bedoeld in artikel 79e van de wet;
- −
reclassering: de Stichting Reclassering Caribisch Nederland, bedoeld in artikel 1 juncto 4 van het Reclasseringsbesluit BES en de Jeugdzorg en Gezinsvoogdij Caribisch Nederland;
- −
verblijfsplan: plan als bedoeld in artikel 10 van dit besluit;
- −
voogdijraad: de voogdijraad, bedoeld in artikel 238, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES;
- −
voorwaardelijke veroordeling: voorwaardelijke oplegging als bedoeld in Titel VIIIA van de wet;
- −
vrijheidsbeneming: de tenuitvoerlegging van een bevel voorlopige hechtenis, jeugddetentie of pij-maatregel;
- −
wet: het Wetboek van Strafrecht BES.
Een voorstel tot deelname aan een project kan worden aangeboden bij zaken van eenvoudige aard, waarbij sprake is van overlastveroorzakend gedrag van geringe ernst en die betreffen de ontdekking van het strafbare feit omschreven in:
- a.
artikel 147 van de wet, voor zover het betreft openlijk geweld tegen goederen waarbij de schade beperkt is;
- b.
de artikelen 323, 324, onderdeel 4, en 334 van de wet en poging hiertoe, waarbij de hoogte van het ontvreemde bedrag of de waarde van het ontvreemde voorwerp beperkt is, alsmede in aansluiting op deze feiten gepleegde daden van heling, omschreven in artikel 431 van de wet;
- c.
artikel 339, eerste lid, van de wet, voor zover het betreft het door middel van listige kunstgrepen iemand bewegen tot afgifte van een goed tegen een lagere prijs dan de vastgestelde verkoopprijs en waarbij het vermogensnadeel beperkt is;
- d.
de artikelen 366 en 439 van de wet waarbij de schade, per dader, beperkt is;
- e.
- f.
- g.
- h.
artikel 87 van de Wegenverkeersverordening van onderscheidenlijk Bonaire, Sint-Eustatius en Saba;
- i.
artikel 2 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorvoertuigen BES.
Na uitdrukkelijk verkregen toestemming van de officier van justitie, kan een voorstel tot deelname aan een project worden gedaan in zaken die vergelijkbaar zijn met de in artikel 2 genoemde zaken, indien:
- a.
een strafbaar feit van geringe ernst is begaan;
- b.
het strafbare feit, de ernst daarvan en de schuld van de verdachte eenvoudig zijn vast te stellen;
- c.
de omvang van de door het strafbare feit toegebrachte schade beperkt is;
- d.
het strafbare feit zich leent voor een pedagogische benadering, en;
- e.
het strafbare feit de kern van het strafbare gedrag van de verdachte uitmaakt.
De voogdijraad is belast met de uitvoering van projecten.
Onze Minister wijst een gesticht of afdeling van een gesticht als bedoeld in artikel 2 van de Wet beginselen gevangeniswezen BES aan voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming van jeugdigen. De tenuitvoerlegging van de pij-maatregel kan daarnaast plaatsvinden in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, juncto artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
In een gesticht of afdeling van een gesticht als bedoeld in het eerste lid, verblijven jeugdigen gescheiden van volwassenen.
Van het tweede lid kan voor een periode van ten hoogste drie maanden worden afgeweken in verband met een tekort aan plaatsen voor de tenuitvoerlegging. In dat geval kan de jeugdige die ouder is dan 16 jaar worden geplaatst in een afdeling als bedoeld in artikel 7 van de Wet beginselen gevangeniswezen BES.
Indien toepassing is gegeven aan artikel 79k van de wet kan de jeugdige die tijdens het verblijf de leeftijd van 18 jaar bereikt, worden geplaatst in een afdeling als bedoeld in artikel 7 van de Wet beginselen gevangeniswezen BES.
Onze Minister is belast met de plaatsing en overplaatsing. Onze Minister kan daartoe de overbrenging van jeugdigen bevelen en de overbrenging doen geschieden door personeelsleden of medewerkers die daartoe door hem zijn aangewezen.
Indien de jeugdige voor de tenuitvoerlegging van de pij-maatregel wordt geplaatst in een inrichting als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, is op de tenuitvoerlegging het bij of krachtens de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen bepaalde van toepassing.
Met handhaving van het karakter van de straf of maatregel wordt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming dienstbaar gemaakt aan de opvoeding van de jeugdige en de voorbereiding van de terugkeer in de maatschappij.
De jeugdige is verplicht tot het volgen van onderwijs of het deelnemen aan andere activiteiten in het kader van zijn pedagogische vorming.
In het voor de jeugdige opgestelde verblijfsplan wordt opgenomen welk onderwijs hij volgt of aan welke activiteiten hij in het kader van zijn pedagogische vorming deelneemt.
De tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming vindt, voor zover niet bij enige wettelijke bepaling anders is bepaald, plaats door onderbrenging van de jeugdige in een gesticht, inrichting of afdeling als bedoeld in artikel 5, dan wel door de deelname aan activiteiten buiten die afdeling of dat gesticht, onder de verantwoordelijkheid van de directeur.
Op het verblijf van jeugdigen in een inrichting zijn de artikelen 16, 18, eerste lid, 21 tot en met 23, alsmede de Hoofdstukken VII, VIIa, VIII, IX, XI en XII van de Wet beginselen gevangeniswezen BES van overeenkomstige toepassing, alsmede het ter uitvoering daarvan bepaalde in de Gevangenismaatregel 1999 BES en de regeling Urinecontrole gestichten BES.
Hoofdstuk X van de Wet beginselen gevangeniswezen BES is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de straf van opsluiting in de strafcel voor ten hoogste vier dagen kan worden opgelegd.
Op jeugdigen die tijdens het verblijf de leeftijd van 18 jaar bereiken, zijn hoofdstuk VI van de Wet beginselen gevangeniswezen BES en paragraaf 8 van de Gevangenismaatregel BES 1999 van overeenkomstige toepassing.
De directeur van een gesticht stelt uiterlijk binnen drie weken na de binnenkomst van de jeugdige een verblijfsplan voor hem vast. Alvorens het plan vast te stellen, overlegt hij met de jeugdige. De eerste volzin is niet van toepassing op jeugdigen die jeugddetentie ondergaan van een kortere duur dan drie weken.
Het plan geeft aan hoe het verblijf dienstbaar wordt gemaakt aan de verwezenlijking van de doelen van artikel 6 en op welke wijze de toekenning van verlof aan die verwezenlijking bijdraagt.
Bij het opstellen en wijzigen van het verblijfsplan voor jeugdigen die op strafrechtelijke titel in het gesticht verblijven, betrekt het gesticht tevens de reclassering en de voogdijraad.
Bij het opstellen en wijzigen van het verblijfsplan betrekt het gesticht zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:
- a.
deze te kennen geven hierbij geen rol te willen vervullen, of;
- b.
zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.
De jeugdige heeft recht op een periodieke evaluatie van het verblijfsplan door de directeur. Van de evaluatie wordt een verslag opgesteld.
Bij de evaluatie worden in elke geval de volgende aspecten betrokken:
- a.
het verblijf op de afdeling;
- b.
het bereiken van de gestelde doelen en de noodzaak tot wijziging van de doelen;
- c.
de veranderingen in het toestandsbeeld van de jeugdige tijdens het verblijf;
- d.
de bewegingsvrijheid binnen en buiten het gesticht;
- e.
belangrijke voorvallen waarbij de jeugdige betrokken is geweest.
- f.
de noodzaak van verlenging van het verblijf.
Verlof is incidenteel of planmatig.
Bij de beoordeling van een te verlenen verlof wordt het belang van de jeugdige afgewogen tegen de risico's voor de continuïteit van de tenuitvoerlegging, het belang van eventuele slachtoffers en risico’s voor de maatschappelijke orde en veiligheid. Het verlof kan slechts worden verleend indien de eventuele risico's aanvaardbaar worden geacht.
Als risico kunnen worden aangemerkt:
- a.
onttrekking aan het verblijf in de inrichting;
- b.
weigering in te stemmen met preventieve maatregelen ter voorkoming van onttrekking aan de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
- c.
gevaar voor recidive;
- d.
maatschappelijke onrust als gevolg van het verlof;
- e.
vermoeden dat het verlof zal leiden tot alcohol- of drugsmisbruik dan wel poging tot invoer van ongeoorloofde voorwerpen in de inrichting;
- f.
twijfel over het nakomen van afspraken;
- g.
agressieve gedragskenmerken die een risico kunnen opleveren voor een ongestoord verloop van het verlof;
- h.
het bestaan van ernstige spanningsvelden in de leef- of woonsfeer of rond mogelijk te ontmoeten personen;
- i.
een mogelijke ongewenste confrontatie van de jeugdige met een slachtoffer of een anderszins bij het delict betrokkene;
- j.
het vermoeden dat de jeugdige slachtoffer zal worden van een wraakactie.
Bij de inschatting van de risico's betrekt de directeur in ieder geval:
- a.
de aard van het delict, de door het delict veroorzaakte maatschappelijke onrust en de inschatting van het ontvluchtings- of recidivegevaar;
- b.
relevante ervaringen bij eerder genoten verloven;
- c.
recente rapportages over de jeugdige en zijn gedrag in de inrichting.
De directeur kan bepalen dat het verlof zal plaatsvinden onder begeleiding of bewaking.
De directeur vraagt het openbaar ministerie om advies. De directeur kan de reclassering en de voogdijraad om advies vragen.
De directeur kan aan de jeugdige incidenteel verlof verlenen in verband met gebeurtenissen of omstandigheden in de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige waarbij zijn aanwezigheid naar het oordeel van de directeur noodzakelijk is.
De directeur bepaalt de duur van het incidenteel verlof. Deze duur is niet langer dan drie dagen. De directeur kan meermalen incidenteel verlof toekennen op grond van dezelfde gebeurtenis.
De directeur kan aan de jeugdige planmatig verlof verlenen. De wijze waarop planmatig verlof wordt verleend, vormt een onderdeel van het verblijfsplan.
Het verlofplan geldt telkens voor een periode van ten hoogste zes maanden en bevat:
- a.
een concrete aanduiding van het voorgenomen verloftraject in die periode wat betreft de frequentie, de duur, de aard en de bestemming van het verlof;
- b.
een motivering van het belang van het verlof met het oog op de behandeling en resocialisatie;
- c.
een afweging van de veiligheidsrisico's.
Planmatig verlof kan bestaan uit:
- a.
eendaags begeleid verlof zonder overnachting;
- b.
eendaags onbegeleid verlof zonder overnachting;
- c.
onbegeleid verlof met één overnachting;
- d.
onbegeleid verlof met meerdere overnachtingen.
Een onveroordeelde komt niet in aanmerking voor planmatig verlof.
Onze Minister kan nadere regels stellen over het aanvragen en het verlenen van verlof.
De directeur draagt zorg dat van de jeugdige een dossier wordt aangelegd. In het dossier worden in ieder geval de volgende gegevens opgenomen:
- a.
rapporten uitgebracht door of aan het gesticht betreffende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming;
- b.
het verblijfsplan;
- c.
verslagen van besprekingen die betrekking hebben op de vaststelling en wijziging van het verblijfsplan;
- d.
evaluatieverslagen;
- e.
opname- en ontslaggegevens;
- f.
aantekeningen omtrent de oplegging van een disciplinaire straf tijdens de vrijheidsbeneming;
- g.
adviezen en aantekeningen als bedoeld in artikel 79m, derde lid, van de wet.
Het dossier wordt op zorgvuldige wijze, volgens een vaste indeling, opgebouwd. In ieder geval worden hierin onderscheiden:
- a.
persoons- en identificatiegegevens;
- b.
justitiële gegevens;
- c.
opvang- of behandelgegevens;
- d.
gegevens omtrent het verblijf, als bedoeld in artikel 15.
Naast de in artikel 15 genoemde gegevens worden in het dossier opgenomen:
- a.
gegevens over verlof en incidenten tijdens verlof;
- b.
afschriften van mededelingen van de directeur over jegens de jeugdige genomen beslissingen;
- c.
uitspraken van de beklagcommissie en de beroepscommissie;
- d.
ontvangen afschriften van rechterlijke beslissingen betreffende de vrijheidsbeneming; kopieën van correspondentie van het gesticht of de inrichting over de jeugdige;
- e.
verzoeken om strafonderbreking en daarop genomen beslissingen;
- f.
mededelingen omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling;
- g.
gegevens omtrent de gezondheid van de jeugdige en uitgevoerde verrichtingen, voor zover de opname van deze gegevens voor een goede opvang of behandeling van hem noodzakelijk is.
De jeugdige heeft, behoudens de overeenkomstig het tweede en derde lid te stellen beperkingen, recht op inzage van de in zijn dossier vastgelegde gegevens.
De directeur kan de jeugdige die een verzoek doet tot inzage van zijn dossier of delen daarvan, bepaalde gegevens onthouden, indien dit noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, in het belang van de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen dan de jeugdige of wanneer de uitvoering van het verblijfsplan dit vereist.
De directeur kan, in geval van toepassing van het tweede lid:
- a.
de jeugdige mondeling kennis geven van de gegevens waarvan hij inzage verlangt, of;
- b.
een door de jeugdige gemachtigde persoon inzage geven in de gegevens waarvan de inzage aan de jeugdige wordt onthouden;.
- c.
een samenvatting van de gegevens ter inzage geven.
Het recht op inzage in het verblijfsplan omvat het recht op het ontvangen van een afschrift.
De ouders of voogd, stiefouder of pleegouders hebben recht op inzage in het dossier van de jeugdige, tenzij belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten of inzage achterwege dient te blijven ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen. Ten aanzien van jeugdigen van 18 jaar en ouder is instemming van de jeugdige vereist.
Aan de reclassering en de voogdijraad kan inzage in het dossier worden gegeven voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van hun taak.
Aan Onze Minister, de directeur en door deze aan te wijzen personeelsleden of medewerkers kunnen gegevens uit het dossier worden verstrekt voor zover dat noodzakelijk is voor:
- a.
de behandeling van verzoeken en procedures die de jeugdige betreffen;
- b.
het beheer van de dossiers;
- c.
de behandeling van andere beslissingen, de jeugdige betreffende.
Gedurende het verblijf van een jeugdige wordt zijn dossier in een afsluitbare ruimte bewaard.
De directeur zendt het dossier gelijktijdig met een overplaatsing van de jeugdige aan de directeur van de inrichting waar de jeugdige verder zal verblijven.
Bij invrijheidstelling, ontvluchting of overlijden van de jeugdige zendt de directeur het dossier aan Onze Minister.
Het dossier wordt gedurende een termijn van tien jaar bewaard, te rekenen vanaf het tijdstip van invrijheidstelling.
Na de in het eerste lid bedoelde termijn worden de bescheiden, opgenomen in het dossier, vernietigd, of zodanig bewerkt dat deze niet meer tot de jeugdige kunnen worden herleid, tenzij de vernietiging of bewerking in strijd is met een aanmerkelijk belang van een ander dan de jeugdige.
Indien de jeugdige vóór de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn opnieuw tot vrijheidsbeneming wordt veroordeeld, wordt de bewaartermijn geschorst voor de duur van de tenuitvoerlegging van de nieuwe vrijheidsbeneming.
Indien de jeugdige voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld als bedoeld in artikel 79j, vierde lid, van de wet, ontvangen de voogdijraad en de reclassering daarvan mededeling. De mededeling behelst de voorwaarden waaronder de invrijheidstelling is verleend.
Bij invrijheidstelling als bedoeld in het eerste lid, kunnen de in artikel 31 genoemde bijzondere voorwaarden worden gesteld.
Tijdens de proeftijd, bedoeld in artikel 79j, vierde lid, van de wet, doet het openbaar ministerie aan de reclassering, de voogdijraad en aan Onze Minister onverwijld mededeling van:
- a.
elke vrijheidsbeneming van de jeugdige door het daartoe bevoegde gezag;
- b.
elk misdrijf dat de jeugdige heeft begaan of vermoedelijk heeft begaan en;
- c.
elk ter zijner kennis gekomen overtreding van de voorwaarden door de jeugdige.
Bij een voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 79j, tweede lid, van de wet, draagt de rechter de reclassering op de jeugdige te begeleiden en op voorwaarden toezicht te houden.
De reclassering ontvangt mededeling van de invrijheidsstelling en, indien van toepassing, van de voorwaarden waaronder deze is verleend.
De directeur, de voogdijraad en het openbaar ministerie worden zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van een beslissing en de voorwaarden bedoeld in het eerste lid.
Het openbaar ministerie doet aan de reclassering en aan Onze Minister onverwijld mededeling van:
- a.
elke vrijheidsbeneming van de jeugdige door het daartoe bevoegde gezag;
- b.
elk misdrijf dat de jeugdige heeft begaan of vermoedelijk heeft begaan, en;
- c.
elk ter zijner kennis gekomen overtreding van de voorwaarden door de jeugdige.
Behoudens het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, zijn de voorgaande leden eveneens van toepassing op de beëindiging als bedoeld in artikel 79m, achtste lid, van de wet. Indien de beslissing strekt tot onvoorwaardelijke beëindiging ten aanzien van een jeugdige aan wie reeds voorwaardelijke beëindiging was verleend, wordt die beslissing ter kennis van de reclassering en de voogdijraad gebracht.
Behoudens het bepaalde in artikel 5, zesde lid, worden omtrent de jeugdige aan wie de pij-maatregel is opgelegd, door of vanwege de directeur aantekeningen bijgehouden.
De aantekeningen bevatten in elk geval:
- a.
gegevens omtrent de lichamelijke en geestelijke toestand bij binnenkomst;
- b.
de voortgang in de behandeling;
- c.
gegevens omtrent belangrijke voorvallen gedurende het verblijf.
Behoudens het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, maakt de directeur uiterlijk drie maanden voordat de pij-maatregel eindigt, een schriftelijk met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies op en zendt dit aan Onze Minister. Het advies betreft:
- a.
de wenselijkheid van verlenging van de maatregel;
- b.
de termijn waarover de verlenging zich zou moeten uitstrekken.
Bij het advies wordt een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de jeugdige overgelegd.
Uiterlijk binnen een maand vanaf het tijdstip bedoeld in het eerste lid, zendt Onze Minister het advies met bijlagen aan het openbaar ministerie bij de rechter die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de pij-maatregel is opgelegd.
Behoudens het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, doet het openbaar ministerie Onze Minister zo spoedig mogelijk mededeling:
- a.
van zijn eventuele beslissing geen vordering tot verlenging van de pij-maatregel in te dienen, of
- b.
van de beslissing van de rechter, indien zodanige vordering wel is ingediend.
Indien de rechter de maatregel niet verlengt, stelt het openbaar ministerie zo spoedig mogelijk de directeur van die beslissing in kennis.
Indien de beslissing tot niet-verlenging van de maatregel ziet op een jeugdige ten aanzien van wie reeds een beslissing tot voorwaardelijke beëindiging van de maatregel was genomen, brengt het openbaar ministerie deze beslissing tevens ter kennis van de reclassering en de voogdijraad.
Het openbaar ministerie kan de reclassering, voor zover zij is belast met het toezicht, aanwijzingen geven omtrent het toezicht op de naleving van de voorwaarden.
De reclassering die is belast met het toezicht, draagt er zorg voor dat de aard en de intensiteit van het toezicht en de verplichtingen waaraan de jeugdige zich in het kader van het toezicht heeft te houden, worden vastgelegd.
De reclassering die is belast met het toezicht, draagt er zorg voor dat het toezicht aanvangt binnen een termijn van vijf dagen na het ingaan van de proeftijd.
De jeugdige volgt de aanwijzingen en opdrachten op die door de reclassering worden gegeven in het kader van het toezicht.
De jeugdige geeft veranderingen in de woon- of werksituatie onmiddellijk door aan de reclassering.
Zo spoedig mogelijk na de melding van niet-naleving van voorwaarden brengt de reclassering advies uit aan het openbaar ministerie. Zij geeft daarbij aan of de melding naar haar oordeel aanleiding vormt tot een van de volgende maatregelen:
- a.
het indienen van een vordering als bedoeld in artikel 79s van de wet;
- b.
het indienen van een vordering als bedoeld in artikel 79t, eerste lid, van de wet.
Met het oog op het beëindigen van het toezicht, stuurt de reclassering zo spoedig mogelijk een afloopbericht aan de voogdijraad en het openbaar ministerie. In het afloopbericht wordt het feitelijke verloop van het toezicht aangegeven.
Als bijzondere voorwaarden komen in aanmerking:
- a.
gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
- b.
geheel of gedeeltelijk herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade;
- c.
een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;
- d.
een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;
- e.
een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
- f.
een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
- g.
een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
- h.
een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;
- i.
het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
- j.
de opname in een inrichting als bedoeld in artikel 79q, tweede lid, van de wet;
- k.
het deelnemen aan een gedragsinterventie;
- l.
het volgen van onderwijs, gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;
- m.
het verrichten van arbeid, indien en zover dit dienstbaar is aan de opvoeding van de jeugdige;
- n.
andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht BES.