Wijzigingen Officiële bron
Aanvraagprocedures diploma-erkenning beroepsopleiding, ex artikel 7.1.2, tweede lid, WEBAanvraagprocedures diploma-erkenning beroepsopleiding, ex artikel 7.1.2, tweede lid, WEBDe directeur-generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs,HansSchutte

Niet-bekostigde onderwijsinstellingen hebben de gelegenheid diploma-erkenning te krijgen binnen de kwalificatiestructuur indien het aangeboden onderwijs aan dezelfde kwalitatieve maatstaven voldoet als het onderwijs dat wordt verzorgd door de van overheidswege bekostigde instellingen. Daarom kunnen deze instellingen ten aanzien van beroepsopleidingen op grond van artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) het recht verkrijgen om erkende diploma’s uit te reiken. In artikel 1.4.1 van de WEB is gespecificeerd aan welke vereisten zij daarvoor moeten voldoen. Bij de aanvraag tot verkrijging van dit recht overlegt het bevoegd gezag van de instelling – en in het geval van de zogenoemde derde leerweg (artikel 1.4.1, lid 1a, van de WEB) ook de bekostigde instelling – de gegevens waaruit blijkt dat het onderwijs voor de desbetreffende opleiding van voldoende kwaliteit is dan wel zal zijn en dat voldaan wordt aan de van toepassing verklaarde bepalingen met betrekking tot onder meer het onderwijs, de examinering en de kwaliteitszorg.

De aanvraag geldt ook als aanmelding van de diploma-erkenning van de betreffende opleiding(en) voor registratie in het centraal register beroepsopleidingen (crebo). Aanvragen kunnen gedurende het hele jaar worden ingediend. Als bewijs dat een opleiding met goed gevolg is afgesloten, reikt de examencommissie een diploma uit zoals bedoeld in artikel 7.4.6 van de WEB. Met deze diploma-erkenning mogen – indien aan de desbetreffende onderdelen van de kwalificatie dan wel de desbetreffende keuzendelen behorende bij die kwalificatie certificaten als bedoeld in artikel 7.2.3 van de WEB zijn verbonden – ook de daaronder vallende certificaten worden verstrekt.

Deze publicatie bevat in het eerste deel algemene informatie voor instellingen die diploma-erkenning willen gaan aanvragen, zoals welke procedure van toepassing is, het door de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) opgestelde kader inzake kwaliteitsbewaking, de voorwaarden voor behoud van diploma-erkenning etc. In het tweede deel van de publicatie vindt u inhoudelijke informatie over de procedure voor het aanvragen van diploma-erkenning.

Deze publicatie geldt voor:

Sinds 2012 is de aanvraagprocedure voor diploma-erkenning enkele malen aangescherpt en is een onderscheid gemaakt tussen:

Laatstgenoemde instellingen kunnen, zoals in paragraaf 1.5 uitgebreid vermeld wordt onder ‘tweede procedure’, in eerste instantie volstaan met het indienen van een aanvraagformulier. Daarna wordt aan de hand van een marginale toets beoordeeld of er risico’s zijn met betrekking tot de kwaliteit van de opleiding. Indien uit de marginale toets blijkt dat deze risico’s aanwezig zijn, is de instelling alsnog gehouden nadere gegevens over de beroepsopleiding te overleggen. Op basis van die gegevens wordt vervolgens beoordeeld of de opleiding waarvoor diploma-erkenning is aangevraagd van voldoende kwaliteit is dan wel zal zijn en voldoet aan de voorwaarden van artikel 1.4.1 van de WEB.

Zowel nieuwe instellingen als bestaande instellingen die diploma-erkenning aanvragen voor een opleiding die niet past binnen het bestaande aanbod c.q. de domeinen die de instelling al verzorgt, dienen daarentegen, zoals in paragraaf 1.5 onder ‘eerste procedure’ verder uitgelegd wordt, direct bij de aanvraag al de benodigde gegevens aan te leveren op basis waarvan geoordeeld wordt of de opleiding van voldoende kwaliteit is dan wel zal zijn en voldoet aan de voorwaarden van artikel 1.4.1 van de WEB.

Deze tweedeling is tot stand gekomen omdat bij een instelling die reeds soortgelijke opleidingen aanbiedt als de opleiding waarvoor diploma-erkenning is aangevraagd, door de inspectie een goede inschatting gemaakt kan worden van de kwaliteit van de nieuwe opleiding. De inspectie heeft namelijk de kwaliteit van de reeds aangeboden opleidingen kunnen beoordelen en de nieuwe opleiding ligt in het verlengde van de aangeboden opleidingen. Bij nieuwe instellingen alsmede bij bestaande instellingen die geheel andere opleidingen willen gaan aanbieden dan waarvoor eerder diploma-erkenning is verkregen, is dat anders. In dat geval is niet op voorhand door de inspectie een inschatting te maken van de kwaliteit van de opleiding. Om die reden wordt in die gevallen grondiger gekeken naar de aanvraag.

Ook na deze aanscherping van de aanvraagprocedure was het echter alleen mogelijk om bij een aanvraag de kwaliteit te beoordelen aan de hand van documenten. Deze documenten hoeven echter geen getrouw beeld te geven van (de kwaliteit van) de opleiding in de praktijk. Het hebben van een onderwijs- en examenregeling, een model-onderwijsovereenkomst etc. maakt niet automatisch dat het daadwerkelijk aangeboden onderwijs kwalitatief voldoende is of zal zijn. Zeker als de instelling nog niet eerder beroepsopleidingen heeft aangeboden of in het recente verleden geconstateerd is dat opleidingen van deze instelling niet van voldoende kwaliteit zijn.

Om zoveel mogelijk te voorkomen dat deelnemers opleidingen volgen die niet aan de voorwaarden van artikel 1.4.1 van de WEB voldoen en dus van onvoldoende kwaliteit zijn, is met de Wet van 26 oktober 2016 tot wijziging van de WEB en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES met betrekking tot enkele kwaliteitsaspecten (Stb. 2016, nr. 417) voorzien in de mogelijkheid om diploma-erkenning voor een opleiding te geven voor de periode van anderhalf jaar. Gedurende die periode kan de instelling in de praktijk laten zien dat de opleiding van voldoende kwaliteit is en aan de wettelijke voorwaarden voldoet. Of een opleiding voldoet aan de wettelijke eisen en van voldoende kwaliteit is, wordt beoordeeld door de inspectie waarbij het Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het mbo1 (hierna: Onderzoekskader mbo 2017) leidend is. Om tijdig een oordeel te kunnen geven over de kwaliteit van de opleiding dient de opleiding gestart te zijn binnen één jaar na afgifte van de diploma-erkenning.

Na de periode van anderhalf jaar wordt de beschikking tot het verlenen van voorlopige diploma-erkenning automatisch (van rechtswege) verlengd in een beschikking voor onbepaalde tijd, tenzij de inspectie geconstateerd heeft dat de opleiding in de praktijk van onvoldoende kwaliteit is, het bevoegd gezag heeft aangegeven geen verlenging te wensen of de opleiding niet binnen één jaar na de toewijzing van de diploma-erkenning is gestart. In dat geval zal dit uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van de termijn van anderhalf jaar resulteren in een intrekkingsbeschikking.

Een beschikking die in eerste instantie geldt voor één periode van anderhalf jaar brengt echter ook onzekerheid met zich mee voor zowel de instelling als de deelnemer. Daarom is ervoor gekozen om het gebruik van deze voorlopige erkenning te beperken tot twee categorieën instellingen, te weten:

Bij de eerste categorie bestaat nog geen relatie met de instelling, daarom kan niet vooraf een inschatting gemaakt worden wat de kwaliteit van de opleiding in de praktijk zal zijn. Bij de tweede categorie gaat het om risico-instellingen, waarbij de inspectie uit het oogpunt van kwaliteitsbewaking een risico inschat.

Overigens hecht ik eraan op te merken dat het enkele feit dat een aanvrager van diploma-erkenning in een van deze categorieën valt, niet maakt dat het om een onbetrouwbare instelling gaat. De mogelijkheid van een voorlopige erkenning wordt alleen in het leven geroepen om gedurende een beperkte periode de vinger aan de pols te houden en indien dat nodig is, snel ingrijpen mogelijk te maken.

Om de opleiding in de praktijk te kunnen beoordelen, is het noodzakelijk dat de opleiding gestart is, voordat de inspectie onderzoek verricht. Indien de inspectie concludeert dat de opleiding niet binnen een jaar na afgifte van de diploma-erkenning gestart is, wordt de voorlopige erkenning ingetrokken en dus niet van rechtswege omgezet naar een erkenning voor onbepaalde tijd. In dat geval ontvangt de instelling dus een intrekkingsbesluit. Het is vervolgens mogelijk dat de instelling weer een nieuwe aanvraag indient. Aan het indienen van een aanvraag zijn geen kosten verbonden voor een instelling. De minister besluit binnen drie maanden na ontvangst op een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen drie maanden gegeven kan worden, bijvoorbeeld omdat er een uitgebreider onderzoek naar de opleiding plaats moet vinden, wordt de aanvrager daarvan zo spoedig mogelijk in kennis gesteld en wordt aangegeven op welke termijn het besluit wel genomen kan worden.

Indien een intrekkingsbeschikking is afgegeven voor een opleiding in verband met onvoldoende kwaliteit (waaronder ook verstaan wordt het niet voldoen aan de wettelijke vereisten) kan het bevoegd gezag pas een nieuwe aanvraag voor die opleiding indienen, nadat de aanvraag is verbeterd met betrekking tot de kwaliteitsgebreken die de inspectie tijdens haar onderzoek bij de opleiding heeft geconstateerd. Gedurende deze periode van verbetering is – zoals hiervoor vermeld – de diploma-erkenning ingetrokken en betreft het dus geen beroepsopleiding in de zin van de WEB. Aan het met goed gevolg afsluiten van de opleiding is dan ook vanaf het moment van intrekking van de diploma-erkenning geen bevoegdheid om diploma’s uit te reiken meer verbonden.

Wanneer bij de nieuwe aanvraag echter blijkt dat er geen stappen zijn ondernomen om de opleiding te verbeteren of aan te passen, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Dit om te voorkomen dat opnieuw een voorlopige beschikking wordt gegeven aan de hand van een aanvraag die op papier wel lijkt te voldoen, maar in de praktijk, naar al is gebleken, niet van voldoende kwaliteit is.

Omdat het niet verlengen van de diploma-erkenning gevolgen heeft voor deelnemers, dient het bevoegd gezag (aspirant-)deelnemers ervan op de hoogte te stellen dat de opleiding op dat moment over een voorlopige erkenning beschikt en dienen de deelnemers geïnformeerd te worden over de mogelijkheden waarop zij de opleiding kunnen afronden indien de diploma-erkenning niet verlengd wordt. Op deze wijze kan de aspirant-deelnemer een afgewogen keuze maken en wordt het bevoegd gezag gestimuleerd zich tijdig te beraden over de consequenties die voortvloeien uit de mogelijkheid dat de diploma-erkenning niet verlengd wordt.

Wettelijke voorwaarde

Artikel 1.4.1, eerste lid (1 en 1a) van de WEB stelt de voorwaarde dat de instelling in het geval van diploma-erkenning voor de desbetreffende opleiding in acht neemt al wat is bepaald voor:

Het bevoegd gezag dient de gegevens te verschaffen waaruit blijkt dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is of zal zijn en dat het voldoet aan artikel 1.4.1 van de WEB.

Verder is het zevende tot en met het elfde lid van artikel 1.4.1 van toepassing. Dit houdt onder meer in dat voor een instelling de volgende artikelen van toepassing zijn op beroepsopleidingen:

Kort samengevat dient het bevoegd gezag, voorafgaand aan het verkrijgen van de diploma-erkenning, aan te tonen dat de kwaliteit van de betreffende opleiding van voldoende niveau is en dat aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan. Het is dus niet zo dat eerst nadat diploma-erkenning verkregen is de opleiding ontwikkeld kan worden. Het ontwikkelen van de opleiding dient bij de aanvraag gereed te zijn, zodat onder meer de kwaliteit van de opleiding beoordeeld kan worden, voordat diploma-erkenning wordt toegekend. Dit laat onverlet dat na het verkrijgen van diploma-erkenning maatwerk binnen de kaders van de wet mogelijk blijft.

Er zijn twee aanvraagprocedures (de volledige tekst van de aanvraagprocedures is opgenomen in Deel II van deze publicatie).

De eerste procedure betreft:

De tweede procedure betreft:

Instellingen die diploma-erkenning aanvragen voor een opleiding die past binnen het bestaande aanbod en die in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag geen waarschuwing als bedoeld in de artikelen 6.1.5 of 6.2.3 van de WEB hebben ontvangen.

Of een opleiding past binnen het bestaand aanbod wordt bepaald aan de hand van de opleidingsdomeinen. Bij bestaande instellingen die diploma-erkenning aanvragen voor een opleiding die past binnen het bestaande aanbod, wordt aan de hand van een risicoanalyse bepaald of een integrale toetsing nodig is. Omdat de minister beschikt over informatie van (een) opleiding(en) die de instelling al aanbiedt binnen een bepaald domein, kan de risicoanalyse plaatsvinden aan de hand van een marginale toetsing. Daartoe hoeft de instelling alleen het aanvraagformulier in te dienen. Wanneer uit de risicoanalyse blijkt dat een integrale toetsing noodzakelijk geacht wordt, worden de benodigde gegevens, genoemd in Deel II paragraaf 2.2, bij de instelling opgevraagd. De risicoanalyse betreft alle opleidingen en domeinen. Een integrale toetsing wordt in elk geval wenselijk geacht als er voor de aangevraagde opleiding(en) wettelijke beroepsvereisten vastgesteld zijn.

Uitleg begrippen

Marginale toetsing

Om te borgen dat de kwaliteit van de betreffende opleiding van een voldoende niveau is voert de inspectie in samenwerking met DUO een risicoanalyse uit. Aan de hand van deze risicoanalyse wordt dan bezien of een integrale toetsing noodzakelijk is en indien dit het geval is, welke gegevens (nog) nodig zijn om deze integrale toetsing op zorgvuldige wijze te kunnen uitvoeren.

Integrale beoordeling

Een integrale beoordeling houdt in dat de aanvraag door de inspectie wordt getoetst op kwalitatieve aspecten door middel van kwaliteitsonderzoeken alsmede dat bezien wordt of voldaan is aan de verdere voorwaarden genoemd in artikel 1.4.1 van de WEB. Deze beoordeling vindt plaats op de wijze zoals beschreven onder en aan de hand van de wetsartikelen genoemd in Deel II, paragraaf 1.2, 1.3 en 1.4. De inspectie brengt op basis van deze onderzoeken een advies uit. De onderzoeken kunnen zowel dossier / bureauonderzoek zijn als onderzoek bij de instelling ter plaatse.

Brinnummer

Een Brinnummer is een administratief nummer waarmee een instelling wordt aangeduid in crebo en Bron. Iedere instelling die diploma-erkenning heeft voor één of meerdere opleidingen krijgt een Brinnummer toegekend door DUO.

Het hebben van een Brinnummer maakt echter niet dat het bevoegd gezag hiermee ook voor een nieuwe opleiding heeft aangetoond dat die opleiding van voldoende niveau is en voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 1.4.1 van de WEB. Per nieuwe opleiding dient diploma-erkenning aangevraagd te worden en bij die aanvraag dient telkens weer aangetoond te kunnen worden dat aan voornoemde voorwaarden is voldaan.

Opleidingsdomein

Een opleidingsdomein is een samenhangend geheel van kwalificatiedossiers die zijn gericht op en van belang zijn voor eenzelfde bedrijfstak of groep van bedrijfstakken. Met de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016 (gepubliceerd Stcrt. 2016, nr. 10144 en laatstelijk gewijzigd met ingang van 14 maart 2017, Stcrt. 2017, nr. 13497) zijn de volgende domeinen vastgesteld:

Per kwalificatiedossier is vastgesteld tot welk opleidingsdomein het behoort.

In de wet van 26 oktober 2016 is met artikel 1.4.1, derde lid, van de WEB de mogelijkheid geïntroduceerd om een erkenning voor anderhalf jaar toe te wijzen wanneer een andere opleiding van dezelfde instelling in de drie jaar daarvoor een waarschuwing heeft gehad van de inspectie. De waarschuwing voor de ene opleiding zegt niet per definitie iets over de andere opleiding. Alleen bij gerede twijfel of de instelling in staat is opleidingen van voldoende kwaliteit te realiseren, zal met een voorlopige erkenning een vinger aan de pols worden gehouden. Van deze bevoegdheid wordt daarom enkel gebruik gemaakt als de inspectie concreet vanuit een oogpunt van kwaliteitsbewaking daartoe aanleiding ziet. Om die reden heeft de inspectie een kader opgesteld, welke hieronder uiteen wordt gezet.

Instellingen die in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een waarschuwing hebben gehad, vallen zoals gezegd onder de eerste procedure. Aanvullend op de integrale beoordeling kijkt de inspectie bij deze instellingen wat het instellingsbrede inspectieoordeel is op het kwaliteitsgebied ‘Kwaliteitszorg en ambitie’. Dit kwaliteitsgebied is te vinden in het Waarderingskader Niet-bekostigd mbo zoals opgenomen in het Onderzoekskader mbo 2017 en bestaat uit twee standaarden die (ook) worden onderzocht op instellingsniveau. Als het oordeel onvoldoende is, ziet de inspectie vanuit het oogpunt van kwaliteitsbewaking aanleiding om DUO te adviseren een voorlopige erkenning te geven. Als het oordeel voldoende is, zal de inspectie DUO adviseren een erkenning voor onbepaalde tijd te geven. Dan kan de inspectie er namelijk van uit gaan dat het bevoegd gezag in het algemeen een goed functionerend stelsel van kwaliteitszorg heeft ingericht en de waarschuwing dus niet per definitie kwaliteitsrisico’s voor andere opleidingen inhoudt. Binnen de gehele procedure ziet dit er als volgt uit:

Een instelling biedt het onderwijs aan in de vorm van beroepsopleidingen. Een beroepsopleiding wordt door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam van de kwalificatie waarop zij is gericht. Het keuzedeel dat deel uitmaakt van de beroepsopleiding wordt door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam van dat keuzedeel. Een beroepsopleiding is vervolgens een onderwijstraject dat voor een student is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, van de WEB onverminderd artikel 1.4.1, lid 1a, van de WEB en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs alsmede een of meer daarbij behorende keuzedelen, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aan een onderdeel of onderdelen van een kwalificatie of kwalificaties dan wel aan een keuzedeel of keuzedelen een certificaat is verbonden. In dat geval reikt ten bewijze dat het betreffende deel van de opleiding c.q. het keuzedeel met goed gevolg is afgesloten, de examencommissie een certificaat uit indien de deelnemer niet de gehele opleiding heeft afgesloten en dus geen diploma ontvangt.

Wanneer diploma-erkenning verleend wordt voor een beroepsopleiding, moet de betreffende opleiding vanuit het oogpunt van kwaliteitsbewaking binnen één jaar na dagtekening van die erkenning verzorgd worden. De voorwaarde dat binnen één jaar de opleiding verzorgd moet worden, bevordert dat in het crebo alleen actieve opleidingen opgenomen zijn. De inspectie beoordeelt de kwaliteit van deze actieve opleidingen periodiek, waardoor geborgd is dat de beroepsopleidingen voldoende kwaliteit en continuïteit hebben. Inactieve opleidingen kunnen niet door de inspectie worden beoordeeld. Dit maakt dat de inspectie bij een beroepsopleiding waarvoor diploma-erkenning is verkregen, maar die niet binnen afzienbare tijd start, geen beeld kan krijgen van wat de kwaliteit van die opleiding zal zijn zodra deze verzorgd wordt. Dit ligt anders bij opleidingen die ‘gepauzeerd’ worden. Daarvan heeft de inspectie een historisch beeld van de kwaliteit. Omdat de bewaking van de kwaliteit voor deze ‘nieuwe’ opleidingen niet is geborgd, zal de inspectie in beginsel – indien een opleiding niet binnen één jaar na afgifte van de diploma-erkenning verzorgd wordt – vanuit het oogpunt van kwaliteitsbewaking adviseren dat de diploma-erkenning ambtshalve ingetrokken dient te worden. Een grondslag voor deze ambtshalve doorhaling van de diploma-erkenning is opgenomen in artikel 6.4.4 van de WEB. Of een opleiding wordt verzorgd, blijkt in beginsel uit de inschrijving van deelnemers in BRON. Een opleiding wordt dus niet verzorgd als het programma voor het overgrote deel nog ontwikkeld moet worden ten tijde dat een deelnemer zich aanmeldt.

Voordat de diploma-erkenning van een beroepsopleiding ambtshalve wordt ingetrokken zal de instelling daarvan op de hoogte worden gesteld met de mogelijkheid aan te geven of er redenen zijn om niet tot ambtshalve doorhaling over te gaan. Zie hiervoor verder paragraaf 2.2 Intrekken erkenning.

Indien de opleiding binnen één jaar na dagtekening van de erkenning verzorgd wordt, moet het bevoegd gezag om de erkenning te behouden het volgende doen:

Sinds 1 januari 2012 is het niet-bekostigd onderwijs wettelijk aangesloten op de systematiek van het persoonsgebonden nummer en het basisregister onderwijs. Dit heeft tot gevolg dat het bevoegd gezag, met betrekking tot opleidingen waarvoor diploma-erkenning is verkregen, het persoonsgebonden nummer van iedere deelnemer die is ingeschreven voor (een deel van) de beroepsopleiding moet verstrekken aan DUO/BRON, samen met de volgende gegevens:

Informatie ten behoeve van aanlevering BRON

De eerste stap is de aansluiting op BRON via de link:

https://www.duo.nl/zakelijk/middelbaar-beroepsonderwijs/niet-bekostigd-onderwijs/bron-gebruiken.jsp

De aanmelding moet worden gestuurd aan:

Dienst Uitvoering Onderwijs

Onderwijsnummer/IPO

Postbus 30152, 9700 LC Groningen

Na vastlegging van de formulieren wordt door DUO Groningen een gebruikersnaam, wachtwoord en token opgestuurd, wat toegang tot de beveiligde site geeft.

DUO heeft de tool Handleiding BRON mbo ontwikkeld zodat de gegevens in het juiste format doorgegeven kunnen worden.

Wettelijke verplichtingen opleidingen

Wanneer een beroepsopleiding in de bol wordt aangeboden moet de opleiding volgens artikel 7.2.7, derde lid, van de WEB voldoen aan de zogenoemde urennorm. Dit houdt in dat het bevoegd gezag voor de student een onderwijsprogramma verzorgt dat:

Artikel 7.2.4a, eerste lid, van de WEB vereist verder dat het bevoegd gezag de studieduur van de opleiding vaststelt. Niet-bekostigde instellingen kunnen daarbij op grond van artikel 1.4.1, eerste lid, onder b, van de WEB afwijken van de bepalingen omtrent studieduur, neergelegd in artikel 7.2.4a, derde lid, van de WEB. Indien een niet-bekostigde instelling van deze afwijkingsmogelijkheid gebruik maakt, mag zij bovengenoemde urennormen naar evenredigheid daarop aanpassen.

Wanneer een beroepsopleiding in de bbl wordt aangeboden moet het bevoegd gezag volgens artikel 7.2.7, vierde lid, van de WEB voor de deelnemer een onderwijsprogramma verzorgen dat voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 7.2.7, eerste lid, van de WEB indien het bevoegd gezag voor de deelnemer een onderwijsprogramma verzorgt dat elk studiejaar ten minste 850 klokuren omvat, waarvan ten minste 200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren beroepspraktijkvorming.

Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de hiervoor genoemde (al dan niet naar evenredigheid op de studieduur aangepaste) urennormen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is en dit in lijn is met de onderwijsvisie. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het verslag van werkzaamheden, bedoeld in artikel 1.4.1, derde lid, van de WEB.

Voornoemd onderwijsprogramma omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de deelnemer wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bevoegd gezag en bestaat uitsluitend uit begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming. De begeleide onderwijsuren zijn klokuren waarin onderwijs wordt gegeven onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van onderwijspersoneel, niet zijnde uren die deel uit maken van de beroepspraktijkvorming.

Bovengenoemde urennormen gelden op grond van artikel 1.4.1, lid 1a, van de WEB niet voor een opleiding in de derde leerweg.

Het bevoegd gezag moet er daarnaast voor zorgen dat de betreffende opleiding zodanig is ingericht dat de deelnemers de kwalificaties binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken, daarbij rekening houdend met de vooropleidingseisen genoemd in artikel 8.2.1 van de WEB.

Vervolgens moet het bevoegd gezag op grond van artikel 7.4.8, eerste lid, zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en examinering. De (aankomende) deelnemers moeten door het bevoegd gezag volledig en tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma en de examinering. Ook is het bevoegd gezag er voor verantwoordelijk dat de instelling over een deelnemersstatuut beschikt waarin de rechten en plichten van de deelnemers zijn opgenomen. Individuele rechten en plichten van zowel de betreffende deelnemer als de instelling moeten in de onderwijsovereenkomst opgenomen worden evenals bepalingen over in elk geval:

Een volledig overzicht van alle vereisten waaraan niet-bekostigde instellingen zich moeten houden is te vinden in art.1.4.1 van de WEB.

Wanneer uit regulier of specifiek onderzoek van de inspectie blijkt dat de kwaliteit onvoldoende is, niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste en tiende lid, van de WEB of de instelling in strijd handelt met artikel 5:20 van de Awb (medewerking aan inspectie) kan de minister de diploma-erkenning aan de desbetreffende beroepsopleiding ontnemen.

Voordat een dergelijke beslissing wordt genomen krijgt het bevoegd gezag eerst een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Die termijn is voor:

De waarschuwingen worden openbaar gemaakt op de website van de inspectie (www.onderwijsinspectie.nl).

Een aanvraag voor diploma-erkenning dient evenwel voor de bol/bbl tezamen of voor de derde leerweg. Er kan middels twee aanvragen tegelijkertijd voor zowel de bol/bbl als de derde leerweg diploma-erkenning worden aangevraagd voor dezelfde beroepsopleiding. Omdat voor zowel de bol/bbl als de derde leerweg een aparte erkenning verkregen wordt, kunnen deze erkenningen los van elkaar ingetrokken worden3.

Indien de aanvraag voor diploma-erkenning op grond van artikel 1.4.1, derde lid, van de WEB is toegewezen voor anderhalf jaar, wordt deze toewijzing na die periode van anderhalf jaar voor onbepaalde tijd van rechtswege verlengd, tenzij de minister uiterlijk twee maanden voordat die periode van anderhalf jaar is verstreken, besluit om de desbetreffende beschikking in te trekken. Deze intrekking zou de volgende redenen kunnen hebben:

Het vorenstaande houdt in dat de inspectie, zodra de opleiding is gestart, een regulier onderzoek zal verrichten bij uw instelling en daarover zal rapporteren. Daarvoor is het nodig dat het bevoegd gezag van de opleiding direct meldt dat een opleiding is gestart. Indien deze melding niet gedaan is binnen één jaar na toewijzing van de diploma-erkenning wordt ervan uitgegaan dat de opleiding niet tijdig is gestart en zal de voorlopige erkenning worden ingetrokken. De datum van melding is de datum dat DUO de melding via de dienstpostbus DUO-Z-Voorzieningen Planning MBO heeft ontvangen. Van deze melding ontvangt u altijd een ontvangstbevestiging.

Indien u geen verlenging van de voorlopige erkenning wenst, kunt u dit ook melden bij bovengenoemde dienstpostbus.

Op grond van het gestelde in artikel 6.4.4 van de WEB moet het bevoegd gezag van een niet-bekostigde instelling de minister melden dat de instelling een opleiding niet langer verzorgt in de bol/bbl en/of derde leerweg. Ook indien een opleiding enkel in één van de drie leerwegen (bol/bbl of derde leerweg) ophoudt te bestaan dient dit gemeld te worden, zodat in crebo vermeld kan worden in welke leerweg de opleiding verzorgd wordt.

Voorbeeld: Indien een opleiding voorheen zowel in de bol als in de derde leerweg werd aangeboden en het komende studiejaar de opleiding alleen nog maar in de bol wordt aangeboden dan moet dat gemeld worden en zal dat ertoe leiden dat de diploma-erkenning derde leerweg wordt doorgehaald in crebo.

Deze melding moet plaatsvinden uiterlijk één maand voorafgaand aan het studiejaar waarin de opleiding niet langer wordt verzorgd, dan wel zo spoedig mogelijk indien het beëindigen van de opleiding gelegen is in een externe oorzaak, bijvoorbeeld faillissement van de instelling of het stoppen van de opleiding naar aanleiding van een inspectiebezoek. De kennisgeving leidt tot een beëindiging van de registratie in crebo (uitgevoerd door DUO). Voornoemde melding dient het bevoegd gezag eveneens schriftelijk te melden aan DUO op voornoemd adres.

Wanneer een opleiding langer dan één jaar niet is verzorgd, kan de minister de crebo-registratie ambtshalve beëindigen. Dit geldt zowel voor de situatie waarin de opleiding niet binnen één jaar start als de situatie waarin de opleiding tussentijds meer dan één jaar ‘pauzeert’. De minister kan dit alleen doen als de inspectie uit het oogpunt van kwaliteitsbewaking hiertoe aanleiding ziet. Om die reden heeft de inspectie een kader opgesteld, welke hierna uiteen wordt gezet.

Om te bepalen of er aanleiding is de crebo-registratie ambtshalve te beëindigen, beoordeelt de inspectie of er kwaliteitsrisico’s zijn te verwachten als de opleiding (weer) start. In dat geval zal de inspectie de minister adviseren tot ambtshalve beëindiging van de crebo-registratie over te gaan. Of de inspectie kwaliteitsrisico’s verwacht, is allereerst afhankelijk van het meest recente kwaliteitsoordeel over de opleiding. Is dat onvoldoende of zeer zwak, verwacht de inspectie inderdaad kwaliteitsrisico’s. Is dat voldoende of is de opleiding nog nooit beoordeeld, kijkt de inspectie aanvullend naar het meest recente instellingsbrede oordeel op het kwaliteitsgebied ‘Kwaliteitszorg en ambitie’. Is dat onvoldoende, verwacht de inspectie eveneens kwaliteitsrisico’s. Is dat voldoende, kan de inspectie erop vertrouwen dat het bevoegd gezag in het algemeen een goed functionerend stelsel van kwaliteitszorg heeft ingericht en verwacht zij in beginsel dus geen kwaliteitsrisico’s. Ambtshalve beëindiging van de crebo-registratie is dan niet nodig.

Het kan ook voorkomen dat de inspectie überhaupt nog nooit een instellingsbreed oordeel op het kwaliteitsgebied ‘Kwaliteitszorg en ambitie’ heeft kunnen geven of dat het oordeel inmiddels verouderd is. Ook in deze gevallen verwacht de inspectie kwaliteitsrisico’s. De inspectie kan er dan namelijk niet (meer) op vertrouwen dat het bevoegd gezag in het algemeen een goed functionerend stelsel van kwaliteitszorg heeft ingericht. De toezichtscyclus van de inspectie duurt vier jaar en houdt in dat elke instelling ten minste eens in deze vier jaar uitvoerig wordt onderzocht. Na deze vier jaar is het instellingsbrede oordeel op het kwaliteitsgebied ‘Kwaliteitszorg en ambitie’ verouderd en niet langer betrouwbaar. Deze situatie zal echter alleen voorkomen bij instellingen die geen van hun opleidingen verzorgen. Instellingen die nog steeds één of meer opleidingen verzorgen, kunnen daarmee immers nog steeds de toezichtscyclus doorlopen.

Samenvattend is het dus mogelijk om opleidingen tijdelijk niet te verzorgen, tenzij (1) de kwaliteit van de opleidingen daarvoor onvoldoende of zeer zwak was, (2) het meest recente instellingsbrede oordeel op het kwaliteitsgebied ‘Kwaliteitszorg en ambitie’ onvoldoende is, (3) er geen instellingsbreed oordeel op het kwaliteitsgebied ‘Kwaliteitszorg en ambitie’ is en/of (4) het meest recente instellingsbrede oordeel op het kwaliteitsgebied ‘Kwaliteitszorg en ambitie’ ouder dan vier jaar is. Als aan één of meer van die vier criteria wordt voldaan, zal de inspectie de minister zoals gezegd adviseren de crebo-registratie ambtshalve te beëindigen. Bovenstaande geldt overigens niet voor opleidingen met een voorlopige erkenning, want die moeten sowieso binnen een jaar starten (zie hierover 1.3).

Schematisch ziet dit er als volgt uit:

Voordat de crebo-registratie ambtshalve wordt beëindigd zal eerst een voorgenomen besluit aan het bevoegd gezag worden toegezonden, waarin de mogelijkheid wordt geboden om een zienswijze op het voorgenomen besluit te geven. Pas na het verkrijgen van de zienswijze of het ongebruikt verstrijken van de gestelde termijn zal een definitief besluit genomen worden. Bij dit besluit zal de zienswijze worden betrokken. Tegen dit besluit staat vervolgens bezwaar en beroep open.

Mocht de instelling na verloop van tijd de opleiding weer gaan verzorgen dan moet het bevoegd gezag voor diploma-erkenning opnieuw een aanvraag indienen. Pas nadat weer erkenning is verkregen, is aan de met goed gevolg afgelegde examens een diploma verbonden.

Indien een instelling in verband met overmacht niet binnen één jaar de opleiding kan verzorgen, maar het in de rede ligt dat hij alsnog binnen afzienbare tijd na afloop van dat jaar de opleiding zal gaan verzorgen kan de instelling een gemotiveerd verzoek indienen tot uitstel van de start van de opleiding.

Dit verzoek kan worden gehonoreerd wanneer geen kwaliteitsrisico’s worden voorzien voor de betreffende opleiding en de instelling als geheel naar behoren functioneert.

Een dergelijk verzoek dient het bevoegd gezag schriftelijk te melden aan DUO:

Dienst Uitvoering Onderwijs

Postbus 30205

2500 GE Den Haag

Aan de hand van de ingediende motivering van het verzoek zal bezien worden of er zwaarwegende redenen zijn om uitstel te verlenen. Uitstel wordt verleend onder vermelding van de termijn waarbinnen de opleiding alsnog verzorgd dient te worden.

Let op: bij een voorlopige erkenning is geen uitstel van de start van de opleiding mogelijk. De beroepsopleiding moet in die gevallen binnen één jaar na toewijzing zijn gestart, anders wordt de voorlopige erkenning ingetrokken.

Wanneer de laatste aan de instelling verbonden opleiding wordt beëindigd, wordt ook de registratie van de instelling in Brin beëindigd. Indien de instelling op termijn een nieuwe opleiding wil gaan verzorgen, zal bij de diploma-erkenning voor die opleiding door DUO opnieuw een Brinnummer worden uitgegeven. Het bevoegd gezag dient in dat geval aanvraagprocedure 1 te volgen. Bovendien zal in dat geval de situatie als bedoeld in artikel 1.4.1, derde lid, onder a van toepassing zijn en kan de diploma-erkenning toegewezen worden voor anderhalf jaar.

Uitzondering is de instelling die binnen drie maanden na beëindiging van de registratie in Brin een nieuwe aanvraag indient. In dat geval zal de instelling weer het ‘oude’ brinnummer toegewezen krijgen en zal aan de hand van de opleidingen die in de drie maanden voorafgaand aan de beëindiging van de registratie verzorgd zijn, bezien moeten worden welke aanvraagprocedure van toepassing is. Deze instelling zal niet gezien worden als nieuwe instelling en kan daarom direct een erkenning voor onbepaalde tijd verkrijgen.

Het beëindigen van de registratie in Brin is slechts een administratieve handeling en is daarom gekoppeld aan het beëindigen van de laatste opleiding in crebo. De instelling zal hierover separaat door DUO bericht worden.

Wanneer er wijzigingen plaatsvinden die betrekking hebben op de instelling of een opleiding moet het bevoegd gezag dit schriftelijk melden aan DUO.

Diploma-erkenning wordt verleend aan het bevoegd gezag van een instelling.

Als de relatie tussen dat bevoegd gezag en de instelling, dan wel de opleiding waarvoor diploma-erkenning verleend is, verbroken wordt, vervalt daarmee de erkenning en dient deze doorgehaald te worden in crebo. De volgende situaties kunnen zich voordoen:

Een fusie of overdracht van rechten dient zo spoedig mogelijk gemeld te worden aan DUO.

Deelnemers aan voltijdse beroepsopleidingen (BOL) als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid van de WEB kunnen in aanmerking komen voor studiefinanciering. Het formulier ‘Verklaring Toepassing Wet op de studiefinanciering voor BOL’ wordt gebruikt bij nieuw te registreren beroepsopleidingen bij een instelling. U zendt dit in samen met de aanvraag diploma-erkenning. Het vormt één geheel met de procedure voor diploma-erkenning, registratie crebo en toetsing urennorm (WSF).

Bovengenoemd formulier is te vinden op de internetsite van DUO https://www.duo.nl/zakelijk/middelbaar-beroepsonderwijs/niet-bekostigd-onderwijs/diploma-erkenning-aanvragen.jsp. U kunt het formulier tegelijkertijd met uw aanvraag diploma-erkenning indienen.

NB. Er dient een aparte aanvraag ingediend te worden voor zowel de opleiding die in de bol/bbl wordt aangeboden als voor de opleiding die in de derde leerweg wordt aangeboden. Indien een instelling dus alle drie de leerwegen wil aanbieden dan dienen twee separate aanvragen ingediend te worden.

Een aanvraag voor diploma-erkenning van nieuwe instellingen (instellingen zonder brinnummer), van bestaande instellingen voor een opleiding buiten het bestaande aanbod (opleidingen die niet vallen binnen de domeinen waarbinnen de instelling al erkende opleidingen aanbiedt) en instellingen die drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een waarschuwing hebben gekregen moet worden ingediend met het formulier ‘Aanvraag diploma-erkenning beroepsonderwijs procedure 1’ te vinden via www.duo.nl, Zakelijk, Middelbaar Beroepsonderwijs, Niet-bekostigd onderwijs, Diploma-erkenning aanvragen.

Bij dit aanvraagformulier moeten de gegevens, genoemd in onderstaande paragraaf 1.2, gevoegd worden. Zonder deze gegevens is de aanvraag niet compleet.

Wanneer de aanvraag niet compleet is, wordt de aanvrager overeenkomstig de artikelen 4:5 en 4:6 van de Awb in de gelegenheid gesteld binnen twee weken de ontbrekende gegevens aan te leveren. Wanneer het niet mogelijk is de gevraagde gegevens binnen deze twee weken toe te sturen dan kan de aanvrager binnen deze termijn van twee weken gemotiveerd om uitstel vragen. Omdat de opleiding al voor de aanvraag ontwikkeld dient te zijn – zodat de kwaliteit van de opleiding beoordeeld kan worden- en de benodigde gegevens dus al bij de instelling aanwezig moeten zijn, zal uitstel slechts in uitzonderlijke gevallen worden verleend.

Wanneer de ontbrekende gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn ontvangen door DUO en er geen uitstel is verleend, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten.

Hierover bericht DUO zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen vier weken. Heeft de aanvraag betrekking op meerdere opleidingen en ontbreken gegevens met betrekking tot (een) bepaalde opleiding(en) en worden de ontbrekende gegevens niet binnen de gestelde termijn aangeleverd, dan wordt de aanvraag voor wat betreft die opleiding(en) buiten behandeling worden gelaten. De aanvraag voor de opleiding(en) waarvan alle benodigde gegevens wel zijn ontvangen zal in behandeling worden genomen.

Een complete aanvraag wordt vervolgens altijd ter beoordeling voorgelegd aan de inspectie. Deze integrale beoordeling houdt in dat de inspectie de aanvraag toetst op de kwalitatieve aspecten door middel van kwaliteitsonderzoek. Daarnaast neemt de inspectie – indien van toepassing – eerdere ervaringen met rechtsvoorgangers van de instelling of het bevoegd gezag daarvan in haar beoordeling mee. De inspectie brengt op basis van deze onderzoeken een advies aan DUO uit. Kwaliteitsonderzoeken kunnen zowel dossieronderzoek zijn als onderzoek bij de instelling, ook als de instelling nog geen opleidingen verzorgt. Indien een onderzoek op locatie plaatsvindt, zal de inspectie het bevoegd gezag hiervan zo spoedig mogelijk in kennis brengen. Na ontvangst van het advies beslist DUO op de aanvraag.

In bovengenoemd formulier is een standaardformulering opgenomen waarmee het bevoegd gezag door ondertekening van het formulier verklaart:

Wanneer de aanvraag door een derde namens het bevoegd gezag van een instelling wordt gedaan, moet een rechtsgeldige machtiging bij de aanvraag worden overgelegd. De correspondentie wordt in dat geval verder gevoerd met die derde-gemachtigde.

Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de volledige aanvraag kan de instelling een besluit tegemoet zien. Wanneer de aanvraag niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden kan worden afgehandeld, kan deze termijn worden verlengd. DUO stelt de instelling hiervan vóór het aflopen van de genoemde termijn op de hoogte, onder vermelding van de termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden.

Instellingen die beroepsopleidingen in de beroepsopleidende leerweg onder de werkingssfeer van de Wet op de studiefinanciering wensen te plaatsen, gebruiken daarvoor het formulier ‘Verklaring Toepassing Wet op de studiefinanciering voor BOL’.

Verplicht in te zenden gegevens

Bij de aanvraag voor diploma-erkenning moeten in ieder geval de gegevens ingezonden worden waaruit blijkt dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is of zal zijn en dat wordt voldaan aan de voorwaarde in artikel 1.4.1, eerste lid dan wel lid 1a, van de WEB.

Daartoe moet bij het formulier ‘Aanvraag diploma-erkenning beroepsonderwijs procedure 1’ in elk geval de volgende gegevens gevoegd worden:

In de beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg (artikel 1.3.6 van de WEB) moet in ieder geval worden aangegeven:

Verder moet worden beschreven:

In de beschrijving van het onderwijs en de examens (hoofdstuk 7 van de WEB) moet in ieder geval worden ingegaan op de volgende onderdelen:

Erkenning van kwalificaties brengt de wettelijke verplichting met zich mee om deelnemer- en inschrijfgegevens te leveren aan het basisregister onderwijs (BRON).

NB. Er dient een aparte aanvraag ingediend te worden voor zowel de opleiding die in de bol/bbl wordt aangeboden als voor de opleiding die in de derde leerweg wordt aangeboden. Indien een instelling dus alle drie de leerwegen wil aanbieden dan dienen twee separate aanvragen ingediend te worden.

Een aanvraag voor diploma-erkenning van bestaande instellingen voor een opleiding binnen het bestaande aanbod (opleiding valt binnen het domein waarvoor de instelling al erkende opleidingen aanbiedt) kan worden ingediend met het formulier ‘Aanvraag diploma-erkenning beroepsonderwijs procedure 2’ te vinden via www.duo.nl, Zakelijk, Middelbaar beroepsonderwijs, Niet-bekostigd onderwijs, Diploma-erkenning aanvragen.

Per aanvraagformulier kan diploma-erkenning aangevraagd worden voor één of meerdere opleidingen. Per opleiding kunnen aanvullende gegevens opgevraagd worden. Wanneer het aanvraagformulier niet compleet is ingevuld, wordt de instelling in de gelegenheid gesteld binnen twee weken de ontbrekende gegevens aan te leveren. Indien uit de marginale toets blijkt dat aanvullende gegevens noodzakelijk zijn en deze opgevraagd worden dienen de aanvullende gegevens binnen twee weken ingediend te worden. De artikelen 4:5 en 4:6 van de Awb zijn van overeenkomstige toepassing.

In het bovengenoemde aanvraagformulier is een standaardformulering opgenomen waarmee het bevoegd gezag door ondertekening van het formulier verklaart:

Wanneer de aanvraag door een derde namens het bevoegd gezag van een instelling wordt gedaan, moet een rechtsgeldige machtiging bij de aanvraag worden overgelegd. De correspondentie wordt in dat geval verder gevoerd met die derde-gemachtigde.

Instellingen die beroepsopleidingen in de beroeps opleidende leerweg onder de werkingssfeer van de Wet op de studiefinanciering wensen te plaatsen, gebruiken daarvoor het formulier ‘Verklaring Toepassing Wet op de studiefinanciering voor BOL’.

Mede aan de hand van het aanvraagformulier vindt een marginale toetsing plaats. Op basis van die toetsing wordt beoordeeld of een integrale beoordeling noodzakelijk geacht wordt. Indien een dergelijke beoordeling nodig is, kan de aanvrager gevraagd worden de aanvraag met verdere gegevens aan te vullen.

Verder maakt de inspectie ten behoeve van de marginale toetsing in samenwerking met DUO een risicoanalyse. Aan de hand van deze risicoanalyse wordt dan bezien of en zo ja, welke aanvullende gegevens nog noodzakelijk zijn om op zorgvuldige wijze te kunnen besluiten over de aanvraag. De risicoanalyse zal onder meer aan de hand van de volgende vragen plaatsvinden:

Indien uit de risicoanalyse is gebleken dat een integrale beoordeling noodzakelijk wordt geacht, kunnen aanvullende gegevens worden opgevraagd. Deze integrale beoordeling is vergelijkbaar met de integrale beoordeling zoals beschreven onder Deel II, paragraaf 1.2, 1.3 en 1.4, met als verschil dat in sommige gevallen niet alle onderwerpen aan bod hoeven te komen. De inspectie brengt op basis van dit onderzoek een advies aan DUO uit. Het onderzoek kan zowel dossieronderzoek zijn als onderzoek bij de instelling. DUO beslist vervolgens op de aanvraag.

Binnen drie maanden na ontvangst van de complete aanvraag kan een besluit tegemoet worden gezien. Wanneer DUO de aanvraag niet binnen deze wettelijke termijn kan afhandelen, kan deze termijn worden verlengd. DUO stelt aanvrager hiervan vóór het aflopen van de genoemde termijn op de hoogte, onder vermelding van de termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.

Nader in te dienen gegevens bij integrale beoordeling

Indien voor de integrale beoordeling van de aanvraag aanvullende gegevens noodzakelijk zijn, wordt de aanvrager daarvan op de hoogte gesteld. Daarbij wordt meteen aangegeven welke aanvullende gegevens ingediend moeten worden, zodat de integrale beoordeling kan plaatsvinden. Indien de aanvullende gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn ontvangen, dan wordt de aanvraag afgewezen.

De aanvullende gegevens die kunnen worden opgevraagd zijn genoemd onder Deel II, paragraaf 1.2, 1,3 en 1.4.

De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld binnen twee weken de aanvullende gegevens in te dienen. Wanneer het niet mogelijk is de aanvullende gegevens binnen twee weken toe te sturen dan kan de aanvrager, binnen deze termijn van twee weken, gemotiveerd om uitstel vragen.

Omdat de opleiding vóór de aanvraag ontwikkeld moet zijn – zodat de kwaliteit van de opleiding beoordeeld kan worden – en de benodigde gegevens dus al bij de instelling aanwezig moeten zijn, zal uitstel slechts in uitzonderlijke gevallen worden toegekend.

Wanneer de aanvullende gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn ontvangen door DUO en er is geen uitstel verleend, dan wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Hierover bericht DUO de instelling zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken.

Heeft de aanvraag betrekking op meerdere opleidingen en ontbreken gegevens met betrekking tot (een) bepaalde opleiding(en) en worden de ontbrekende gegevens niet binnen de gestelde termijn aangeleverd, dan kan de aanvraag voor wat betreft die opleiding(en) buiten behandeling worden gelaten. De aanvraag voor de opleiding(en) waarvan alle benodigde gegevens wel zijn ontvangen zal in behandeling worden genomen.

Een bestuursorgaan verstrekt bij de uitvoering van zijn taak informatie overeenkomstig de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie. Een ieder kan bovendien een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Het verzoek hoeft niet gemotiveerd te zijn.

De gegevens die bij DUO worden ingediend in het kader van een aanvraag vallen onder de Wob. Dit houdt in dat DUO deze gegevens – indien daarom verzocht zou worden – openbaar moet maken, met uitzondering van de situaties bedoeld in artikel 10 van de Wob. Alvorens over te gaan tot openbaarmaking wordt de instelling altijd in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de openbaarmaking en wordt aan de hand van deze reactie bezien of openbaarmaking aan de orde is.