Regeling · BWBR0045787

Uitvoeringsbesluit WVO 2020

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 14 oktober 2021, houdende nadere regels over de inrichting, examinering en bekostiging van en deelname aan het voortgezet onderwijs (Uitvoeringsbesluit WVO 2020)Uitvoeringsbesluit WVO 2020Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 6 juli 2021, nr. WJZ/27929139 (6797), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de Wet voortgezet onderwijs 2020, de artikelen 7.3.4, tweede lid, 7.4.11, derde en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en de artikelen 7.3.3, tweede lid, en 7.4.13, derde en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 augustus 2021, nr. W05.21.0191/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 12 oktober 2021, nr. WJZ/29176009 (6797), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage14 oktober 2021Willem-AlexanderDe Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,A.Slobde vijfde november 2021De Minister van Justitie en Veiligheid,F.B.J.Grapperhaus

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Dit besluit is ook van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tenzij anders is bepaald.

De kerndoelen voor de eerste twee leerjaren voortgezet onderwijs vwo, havo, mavo en vbo worden bepaald in bijlage 1.

Het vrije deel van een profiel in vwo omvat ter keuze van de leerling ten minste een vak uit het geheel van:

Het gemeenschappelijk deel van een profiel in havo omvat de volgende vakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:

Het vrije deel van een profiel in havo omvat ter keuze van de leerling ten minste één vak uit het geheel van:

Het bevoegd gezag kan de leerling van een school voor havo in de gelegenheid stellen in plaats van de vakken voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12, de overeenkomstige vakken voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, te volgen.

De leerling van een school voor havo met een diploma vmbo die in plaats van een vak voor het vmbo of als extra vak examen heeft afgelegd in een overeenkomstig vak voor havo of vwo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12 respectievelijk de artikelen 2.5 tot en met 2.7, is vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak.

Het gemeenschappelijk deel van een profiel in de theoretische leerweg omvat de volgende vakken:

Het bevoegd gezag kan de leerling in de theoretische leerweg in de gelegenheid stellen, in plaats van de vakken, genoemd in de artikelen 2.15, 2.16 en 2.17, onderdeel b, de overeenkomstige vakken voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, of voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12 te volgen.

Het gemeenschappelijk deel van een profiel in de beroepsgerichte leerwegen omvat de volgende vakken:

Het vrije deel van een profiel in de beroepsgerichte leerwegen:

Het gemeenschappelijk deel van een profiel in de gemengde leerweg omvat de volgende vakken:

Het bevoegd gezag kan in de gemengde leerweg vmbo één of meer van de achter het profiel vermelde praktijkgerichte vakken aanbieden:

Het vrije deel van een profiel in de gemengde leerweg:

Het bevoegd gezag kan de leerling in de gemengde leerweg in de gelegenheid stellen in plaats van de vakken, genoemd in de artikelen 2.24, 2.25 en 2.26, onderdeel c, de overeenkomstige vakken voor vwo, genoemd in de artikelen 2.5 tot en met 2.7, of voor havo, genoemd in de artikelen 2.10 tot en met 2.12 te volgen.

Het bevoegd gezag dat een praktijkgericht vak, genoemd in artikel 2.17a of artikel 2.25a, aanbiedt, werkt indien mogelijk, samen met ten minste één regionale arbeidsmarktpartij, dan wel instelling voor educatie en beroepsonderwijs bij het uitvoeren van het praktijkgericht vak.

De stage, bedoeld in de artikelen 2.26, derde lid, en 2.27, derde lid, van de wet, maakt onderdeel uit van de profielvakken van de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg, de praktijkgerichte vakken, genoemd in artikel 2.25a of van de beroepsgerichte keuzevakken.

Het bevoegd gezag kan voor de leerlingen een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst met een of meer stagebieders sluiten waarin ook een of meer onderdelen van de stageovereenkomst, bedoeld in artikel 2.36, derde lid, worden opgenomen.

De artikelen 2.34 tot en met 2.37 zijn van overeenkomstige toepassing op het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep aan een school voor praktijkonderwijs, voor zover dat onderwijs buiten die school plaatsvindt.

Het aantal klokuren onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep, bedoeld in artikel 2.38, achtste lid, van de wet op een school voor praktijkonderwijs bedraagt gedurende de cursusduur gemiddeld ten hoogste 50% van het aantal uren waarin onderwijs wordt gegeven, met dien verstande dat voor leerlingen tot en met het schooljaar waarop zij de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt het aantal uren onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep per schoolweek ten hoogste 80% bedraagt van het aantal uren waarin in die week onderwijs wordt gegeven.

Het instrument ter monitoring van de veiligheid van leerlingen, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, onderdeel b, van de wet:

Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.100 van de wet omvat in elk geval:

Bij een samenwerking op grond van artikel 2.99, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet met een andere school wordt ten minste een deel van het onderwijs in de bovenbouw op de eigen school gegeven, met dien verstande dat:

Leerlingen als bedoeld in de artikelen 2.56 en 2.58 gelden voor de toepassing van hoofdstuk 8a WEB voor het onderwijs dat zij volgen aan een instelling ook als student als bedoeld in de WEB.

In afwijking van artikel 7.9, eerste lid, van de wet kan in geval van samenwerking het onderwijs bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs ook worden gegeven door docenten van de instelling voor educatie en beroepsonderwijs waarmee het bevoegd gezag van de school een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 2.100 van de wet.

Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan leerlingen jonger dan zestien jaar op grond van artikel 2.102, eerste lid, van de wet de gelegenheid geven om een entreeopleiding te volgen, indien:

Een leer-werkovereenkomst als bedoeld in artikel 2.103, zesde lid, van de wet regelt de rechten en plichten van partijen en omvat ten minste afspraken over:

Leerlingen van zestien en zeventien jaar die naar het oordeel van het bevoegd gezag van een aangewezen school als bedoeld in de artikel 2.66 van de wet een grotere kans hebben een diploma of volgend diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, van de wet te behalen indien zij vavo volgen in plaats van voortgezet onderwijs, kunnen op grond artikel 2.109, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet deelnemen aan een opleiding vavo bij een instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.109, eerste lid, van de wet en die opleiding met een examen afsluiten.

Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.109 van de wet omvat in elk geval:

Onze Minister kan bij een verzoek om beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in artikel 2.111 van de wet, bij hem bekende gegevens opnemen.

Bij de gegevensverstrekking op grond van artikel 2.111 van de wet maakt het bevoegd gezag gebruik van het burgerservicenummer van een lid van het personeel of gewezen personeel van de school.

Indien het eindexamen een of meer vakken omvat van een andere schoolsoort of leerweg dan die waarvoor de examenkandidaat als leerling is ingeschreven, behoort ten minste een vak van de schoolsoort of leerweg van inschrijving tot de voorgeschreven eindexamenvakken.

De rector of directeur deelt jaarlijks voor 1 november aan Onze Minister mee hoeveel examenkandidaten per vak aan het centraal examen in het eerste tijdvak zullen deelnemen.

Het college kan vakken aanwijzen waarin wegens het zeer geringe aantal examenkandidaten, het centraal examen in het tweede tijdvak door dit college wordt afgenomen.

Indien een examenkandidaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het afleggen van eindexamen in een overeenkomstig vak op een hoger niveau dan het niveau van de schoolsoort of leerweg van inschrijving, stelt de rector of directeur de examenkandidaat in de gelegenheid alsnog in dat vak het eindexamen af te leggen van die schoolsoort of leerweg.

Op de cijferlijst van een examenkandidaat als bedoeld in artikel 3.52 die eindexamen vmbo aan een school heeft afgelegd in een of meer vakken worden vermeld:

Bij het eindexamen vwo en het eindexamen havo geldt voor de vermelding op de cijferlijst van vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vrijstelling is verleend het volgende:

Bij het eindexamen vmbo geldt voor de vermelding op de cijferlijst van vakken waarvoor de examenkandidaat bij het eindexamen vrijstelling is verleend het volgende:

De rector of directeur van een scholengemeenschap of school voor vwo die gymnasium verzorgt, kan in plaats van een diploma gymnasium een diploma atheneum uitreiken aan een examenkandidaat indien:

De rector of directeur van een scholengemeenschap die in elk geval een school voor mavo omvat, reikt op verzoek van de examenkandidaat die met goed gevolg het examen vmbo gemengde leerweg aan die school heeft afgelegd en bovendien examen heeft afgelegd in een extra algemeen vak en met het meetellen van dat vak voldoet aan artikel 3.35 voor zover het gaat om de uitslag van het eindexamen vmbo theoretische leerweg, het diploma vmbo theoretische leerweg uit.

Op het certificaat, bedoeld in artikel 2.58, eerste lid, onderdeel d, van de wet, voor de voor het eindexamen vmbo afgewezen examenkandidaat die de school verlaat, worden vermeld:

In het examenreglement, bedoeld in artikel 2.60 van de wet, kan worden opgenomen dat tot herkansingsmogelijkheden van het schoolexamen, bedoeld in artikel 2.60, eerste lid, onderdeel c, van de wet kunnen behoren gevallen dat de examenkandidaat door ziekte of ten gevolge van een bijzondere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid, niet in staat is geweest aan de toets deel te nemen.

Het bevoegd gezag stelt de vavo-student in de gelegenheid af te leggen:

Onverminderd de artikelen 3.42 en 3.43, wordt op de cijferlijst van de examenkandidaat aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs vermeld de vakken waarvoor de examenkandidaat is vrijgesteld op grond van artikel 3.64 of 4.5, met vermelding van het eerder behaalde cijfer.

De examencommissie vavo reikt aan de examenkandidaat die eindexamen heeft afgelegd aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs in een of meer vakken, een cijferlijst uit waarop worden vermeld:

De examencommissie vavo reikt aan de examenkandidaat die aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs eindexamen heeft afgelegd en aan wie op grond van de uitslag niet een diploma kan worden uitgereikt of die eindexamen heeft afgelegd in een of meer vakken, een certificaat uit, waarop voor zover van toepassing zijn vermeld:

Onze Minister kan toestaan dat wordt afgeweken van dit hoofdstuk voor experimenten met een andere inrichting van het eindexamen dan in dit hoofdstuk geregeld.

Het college-examen bestaat uit een examendossier. Het examendossier is het geheel van de onderdelen van het college-examen zoals gedocumenteerd in een door het college gekozen vorm.

Indien bij het college, al dan niet naar aanleiding van mededelingen van de examenkandidaat, twijfel is gerezen over de juistheid van de beoordeling van het college-examen in enig vak of onderdeel van een vak, kan het college die beoordeling ongeldig verklaren en een nieuw examen in dat vak of onderdeel opleggen.

Vervallen

Bij het staatsexamen vwo en het staatsexamen havo worden op de cijferlijst vermeld:

Bij het staatsexamen vmbo worden op de cijferlijst vermeld:

In afwijking van artikel 6.1, tweede lid, wordt er voor een school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap in het bedrag per vestiging geen onderscheid gemaakt tussen de hoofdvestiging en een nevenvestiging. De hoofdvestiging van de school of scholengemeenschap die voldoet aan artikel 6.1, eerste lid, komt in aanmerking voor het op grond van artikel 6.1, tweede lid, vastgestelde bedrag voor een nevenvestiging.

Onze Minister bepaalt de wijze waarop de artikelen 5.4 en 5.5 van de wet en de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van toepassing zijn op een cursus als bedoeld in artikel 4.28 van de wet, verbonden aan een school of scholengemeenschap, in verband met de aard, inhoud, omvang of duur van de cursus.

Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap met een bijzondere inrichting van het onderwijs besluiten dat wordt afgeweken van de artikelen 6.1 tot en met 6.14.

Onze Minister betaalt een correctie als bedoeld in artikel 6.21, tweede lid, die strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de bekendmaking van de mededeling, bedoeld in artikel 6.21, tweede lid.

Bij ministeriële regeling kan in spoedeisende gevallen een aanvullende vragenlijst over de bekostiging worden vastgesteld ter beantwoording door het bevoegd gezag.

Onze Minister kan bij het verzoek om beschikbaarstelling van gegevens als bedoeld in artikel 5.48, eerste lid, van de wet bij hem bekende gegevens opnemen.

Het bevoegd gezag doet binnen twee weken na een besluit tot opheffing van de school daarvan mededeling aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de inspectie, en indien het een bijzondere school betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school is gelegen.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/4.

Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2024/14.

Het bevoegd gezag stelt een procedure op voor de toelating van leerlingen tot het eerste leerjaar en zendt de procedure aan de inspectie.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een verslag op over de middelen die het heeft toegepast voor de toelating van leerlingen tot het eerste leerjaar en over de daarmee opgedane ervaringen en zendt het verslag jaarlijks binnen zes maanden na de toelating aan de inspectie.

Het bevoegd gezag stelt de directeur van de basisschool, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs, de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in kennis van:

Bij toelating plaatst het bevoegd gezag de leerling, die van een gelijksoortige school afkomstig is, in het leerjaar waarin die leerling op die andere school onderwijs had mogen volgen.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Indien een vacature voor het geven van onderwijs in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening niet kan worden vervuld door een bevoegde leraar of door onderwijspersoneel als bedoeld in artikel 9.3h van de wet, dan kan het bevoegd gezag in afwijking van de artikelen 2.38, eerste tot en met negende lid, en 2.39 eerste en tweede lid, van de wet het aantal klokuren onderwijs in de tijdelijke nieuwkomersvoorziening tijdelijk beperken, met dien verstande dat:

Bij vaststelling van het schoolplan en de schoolgids, bedoeld in de artikelen 2.88, 2.89, 2.90, 2.91 en 2.92 van de wet, wordt de tijdelijke nieuwkomersvoorziening niet betrokken.

Hoofdstuk 8a vervalt op het tijdstip waarop hoofdstuk 9, paragraaf 2a, van de wet vervalt.

Dit hoofdstuk is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 2.41 is niet van toepassing.

Hoofdstuk 2, paragraaf 9, is niet van toepassing.

Hoofdstuk 2, paragraaf 10, is niet van toepassing.

Artikel 2.70 is niet van toepassing.

Artikel 3.10 is niet van toepassing.

Artikel 3.51, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel 3.52 is niet van toepassing.

In afwijking van artikel 3.53, eerste lid, is een extraneus een financiële bijdrage van USD 45 verschuldigd voor het afleggen van het eindexamen.

In artikel 3.55 wordt voor «ten hoogste zes jaar onderwijs in Nederland heeft gevolgd» gelezen «ten hoogste zes jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd».

Artikel 4.21, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing.

Artikel 4.33, derde lid, is niet van toepassing.

In afwijking van artikel 4.35, derde lid, kan de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal examen in elk geval bestaan uit een verlenging van de duur van een toets met een door het college noodzakelijk geoordeelde periode, en het verlenen van toestemming tot het gebruik van een verklarend woordenboek der Nederlandse taal.

Hoofdstuk 5 is niet van toepassing.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

In plaats van artikel 6.1 is artikel 9.25 van toepassing.

In artikel 6.3 wordt telkens voor «de artikelen 5.4 en 5.5» gelezen «de artikelen 5.4 en 11.56» en wordt voor «hoofdstuk 4 van de wet» gelezen «hoofdstukken 4 en 11, paragraaf 4, van de wet».

Artikel 6.4 is niet van toepassing.

Artikel 6.5 is niet van toepassing.

Artikel 6.6 is niet van toepassing.

In plaats van artikel 6.8 is artikel 9.32 van toepassing.

Artikel 6.9 is niet van toepassing.

In plaats van artikel 6.11 is artikel 9.35 van toepassing.

Artikel 6.14 is niet van toepassing.

Hoofdstuk 6, paragraaf 7, is niet van toepassing.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs kan als leerling toelaten degene die ten minste de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt.

In afwijking van artikel 8.13, eerste lid, schrijft het bevoegd gezag de leerling uit met ingang van de dag volgende op de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de ouders of de leerling indien deze handelingsbekwaam is een bewijs van uitschrijving.

Vervallen

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor het Europese deel van Nederland en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verschillend kan worden vastgesteld.

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

De eerste tien kerndoelen zijn vooral gericht op de communicatieve functie van de Nederlandse taal en kennen een belangrijke plaats toe aan strategische vaardigheden. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan culturele en literaire aspecten (kerndoelen 2 en 8).

Ook de acht kerndoelen voor het onderdeel Engelse taal zijn vooral gericht op de communicatieve functie. De nadruk ligt op Engels als wereldtaal. Vooral met de kerndoelen 11, 14, 15, 16 en 17 kan de relatie worden gelegd met het Europees Referentiekader [Council of Europe (1998), Modern languages; Learning, teaching, assessment. A Common European Framework of Reference (pp. 131–135). Strassbourg: Council of Europe]. Afhankelijk van de leerlingenpopulatie kan de school zich oriënteren op de resultaatbeschrijvingen van de cellen in A1, A2 en B1 in het Referentiekader.

Er zijn geen kerndoelen geformuleerd voor andere moderne vreemde talen – in het bijzonder Duitse taal en Franse taal (in Bonaire, Sint Eustatius en Saba Spaanse taal, Papiaments en Franse taal)- die voor de eerste drie leerjaar op grond van de artikelen 2.3 en 2.4 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 naast de Engelse taal verplicht worden gesteld. Wel kunnen scholen de kerndoelen voor Engels gebruiken als leidraad voor het onderwijs in andere moderne vreemde talen door overal waar «Engels» staat de benaming van de andere moderne vreemde taal te lezen.

Er zijn negen kerndoelen die betrekking hebben op rekenen en wiskunde. Er wordt ruimte gelaten deze uit te werken op basis van verschillende opvattingen en leerstijlen. Uiteindelijk gaat het bij deze kerndoelen in de eerste plaats om de gebruiksmogelijkheden van (elementaire) rekenvaardigheden en van wiskunde buiten en binnen het onderwijsprogramma, zowel in de onderbouw als in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs (inclusief het derde leerjaar havo / vwo). Systematische aandacht in het onderwijsprogramma voor (elementaire) rekenvaardigheden is van belang om doorlopende leerlijnen te realiseren van primair onderwijs, via het voortgezet onderwijs, naar mbo en hoger onderwijs.

De volgende acht kerndoelen bestrijken een groot inhoudelijk terrein, gericht op natuurwetenschappelijke, technologische en zorggerelateerde onderwerpen. Deze kerndoelen geven in globale termen aan waar het daarbij om gaat: een onderzoekende houding ten opzichte van de natuur, herkennen van samenhangen en wisselwerkingen, verbinden van theorieën en modellen met praktisch werk en waarneming, bevorderen van duurzaamheid. Het begint bij vragen stellen (28, 31) en gaat via de benadering van sleutelbegrippen (29, 30) naar kerndoelen waarin meer specifieke onderwerpen en vaardigheden worden genoemd (32 t/m 35).

In de twaalf kerndoelen van het onderdeel mens en maatschappij is een enigszins vergelijkbare structuur te herkennen als bij de kerndoelen van het onderdeel mens en natuur: vragen stellen en onderzoek doen (36, 39), verschijnselen in tijd en ruimte plaatsen (37, 38), gebruik van bronnen (40, 41, 42) en de inhoudelijke thema’s (42 tot 47) geordend van dichtbij en kleinschalig naar verder weg of grootschalig. Verschillende kerndoelen concretiseren de opdracht aan elke school om aandacht te besteden aan burgerschap. Het gaat vooral om de kerndoelen 43 en 44, maar ook met andere kerndoelen wordt invulling gegeven aan deze opdracht: te denken valt aan de kerndoelen 6, 35, 36 en 56.

De leerling in het Europese deel van Nederland leert daarbij in elk geval de relatie te leggen tussen de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de 20e eeuw (waaronder de Wereldoorlogen en de Holocaust), en hedendaagse ontwikkelingen. De vensters van de canon van Nederland dienen als uitgangspunt ter illustratie van de tijdvakken.

De leerling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba leert over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken: Precolumbiaanse culturen, kolonisatie en verdeling van de Cariben, Nederlandse koloniën en Afrikaanse slavernij, opkomst olie-industrie en de toename van migratie binnen de Antillen en de leerling leert elementen van de Nederlandse geschiedenis waarbij de canon als leidraad kan worden gebruikt

De leerling in Bonaire, Sint Eustatius of Saba leert een eigentijds beeld van de eigen omgeving, Europees Nederland, Europa en de wereld te gebruiken om verschijnselen en ontwikkelingen in hun omgeving te plaatsen.

De leerling in Bonaire, Sint Eustatius of Saba leert over overeenkomsten, verschillen en veranderingen in cultuur en levensbeschouwing, leert eigen en andermans leefwijze daarmee in verband te brengen, leert de betekenis voor de samenleving te zien van respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen, en leert respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.

Met de vijf kerndoelen voor het onderdeel kunst en cultuur wordt het gemeenschappelijke en het gelijkwaardige van de verschillende kunstzinnige disciplines benadrukt. Doel is een brede oriëntatie op kunst en cultuur. Deze kerndoelen geven ook variatie in activiteiten aan: eigen werk maken en presenteren, andermans werk ervaren en plaatsen, verslag doen van activiteiten, en reflecteren op eigen en andermans werk.

In de zes kerndoelen voor het onderdeel bewegen en sport gaat het om een brede oriëntatie op verschillende soorten bewegingsactiviteiten en daarin het verkennen en uitbreiden van de eigen mogelijkheden (53 t/m 55). Omdat sport en bewegen bij uitstek samenwerking vereisen, zijn daarvoor afzonderlijke kerndoelen opgenomen (56 en 57). Het laatste kerndoel (58) expliciteert de relatie met gezondheid en welzijn. Onderwijs in lichamelijke opvoeding, voornamelijk bestaande uit praktische bewegingsactiviteiten, vindt plaats gespreid over het gehele schooljaar, en in zodanige omvang dat wordt voldaan aan de inhoudelijke eisen op het gebied van kwaliteit en variëteit zoals neergelegd in deze kerndoelen.

Deze bijlage bevat een uitputtend overzicht van de gegevens waarover het bevoegd gezag of het samenwerkingsverband dient te beschikken om te kunnen voldoen aan de structurele gegevensvraag van Onze Minister voor zijn beleid voor het voortgezet onderwijs op grond van artikel 2.111 van de wet.

Richting school/instelling

Persoonsgegevens

Geboortedatum

Geslachtsaanduiding

Burgerservicenummer (Bonaire, Sint Eustatius en Saba: personeelsnummer)

Arbeidsrelatiegegevens

Administratienummer werkgever

Datum begin en einde arbeidsverhouding

Soort arbeidsverhouding (waaronder vast of tijdelijk)

Zij-instroom

Functie, betrekking en salarisgegevens

Administratienummer instelling/school (waar te werk gesteld)

Betrekkinggegevens, waaronder betrekkingsomvang en de

Bevordering Arbeidsparticipatie Ouderen (bapo) in fulltime equivalenten (fte)

Functie (code en omschrijving)

Functiecategorie

Salarisschaal

Salarisnummer

Bruto salaris

Toelagen

Ziekte en verlofgegevens

Deze bijlage bevat een uitputtend overzicht van de gegevens waarover het bevoegd gezag of het samenwerkingsverband dient te beschikken om te kunnen voldoen aan de structurele gegevensvraag van Onze Minister op grond van artikel 5.48 van de wet voor de berekening van de hoogte van de bekostiging. Dit laat onverlet dat daarnaast in geval van aanvullende bekostiging de daarvoor benodigde gegevens opgevraagd kunnen worden.

Per rubriek (A1, A2, enz.) is aangegeven op welk niveau de gevraagde informatie geleverd wordt.

Datum oprichting en opheffing

Een administratienummer

Naam en adresgegevens

Communicatiegegevens, zoals telefoonnummer en e-mailadres

Gegevens voor betalingen, zoals bankgegevens

Gegevens over de datum oprichting en opheffing

Datum ingang en einde bekostiging

Schoolsoort en code gedoceerd onderwijs

Een administratienummer

Naam en adresgegevens

Communicatiegegevens, zoals telefoonnummer en e-mailadres

Administratienummer

Datum ingang en einde bekostiging

Naam

Administratienummers scholen in samenwerkingsverband, inclusief de vestigingsnummers/administratienummers van de vestigingen

Deze bijlage treedt niet meer in werking. De bijlage is ingetrokken door Stb. 2024/14.