Wet · BWBR0001880

Pandhuiswet 1910

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 8 november 1910, houdende wettelijke bepalingen tot regeling van de banken van leeningPandhuiswet 1910Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben dat het wenschelijk is een wettelijke regeling vast te stellen voor de banken van leening en daarmede gelijk te stellen inrichtingen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize het Looden 8sten November 1910WILHELMINA.De Minister van Binnenlandsche Zaken,Heemskerk.den twee en twintigsten November 1910.De Minister van Justitie,E. R. H. Regout.

In elke gemeente, waarin aan een gemeentelijke bank van leening genoegzame behoefte bestaat, wordt zoodanige bank opgericht.

In het reglement wordt bepaald:

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, een of meer van de in art. 4 genoemde onderwerpen, betreffende de ambtenaren van de bank, te regelen bij een of meer afzonderlijke reglementen. Met betrekking tot zoodanig reglement is van toepassing het bepaalde in art. 3, lid 2 en 3.

Indien hetgeen ingevolge het reglement ter zake van een beleening op een pandbewijs is vermeld niet overeenstemt met hetgeen te dier zake in het register is ingeschreven, beslist de inhoud van het pandbewijs, zoolang niet de valschheid of de vervalsching van het pandbewijs is bewezen.

De bank is, behoudens het bepaalde in art. 11, verplicht de panden tot de lossing of den verkoop te bewaren.

Indien een pand door brand of diefstal verloren is gegaan, en de panden tegen brand- of diefstalschade zijn verzekerd, wordt hetgeen de krachtens de verzekering te vorderen vergoeding meer bedraagt dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, aan den rechthebbende uitgekeerd, indien deze een daartoe strekkend verzoek doet binnen twaalf maanden na den dag, waarop het pand gelost had moeten worden.

Particuliere banken van leening worden niet gehouden dan na toelating door Burgemeester en Wethouders.

Vervallen

Op of terzijde van elke deur, die toegang geeft tot het perceel, waarin de bank wordt gehouden, is, duidelijk zichtbaar, een wit bord aangebracht, waarop in zwarte letters van den openbaren weg duidelijk leesbaar is te lezen: "Pandhuis".

In een uitsluitend daartoe bestemd register, waarvan de bladen door of van wege de burgemeester zijn gewaarmerkt, wordt op den dag der beleening achtereenvolgens zonder open vakken, tusschenregels of kantteekeningen, met betrekking tot ieder pand ingeschreven het nummer van het pand, het bedrag der geschatte waarde van het pand, de beleensom, een omschrijving van het pand en de dag der beleening. In dat register wordt bij ieder pand mede ingeschreven ingeval van lossing of van verkoop de datum daarvan en in geval van verkoop bovendien de opbrengst van den verkoop.

Het pandbewijs houdt in:

Op Zondagen en algemeen erkende Christelijke feestdagen worden panden niet aangenomen of afgegeven en wordt geld niet verstrekt of in ontvangst genomen.

Van kinderen, die kenlijk den leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, en van personen, in kenlijken staat van dronkenschap, worden panden of gelden niet aangenomen; aan die kinderen en personen worden panden of gelden niet verstrekt.

Tot pand worden niet aangenomen:

De houder van de bank is, behoudens het bepaalde in art. 33, verplicht de panden tot de lossing of den verkoop te bewaren.

Indien een pand door brand of diefstal verloren is gegaan, wordt hetgeen de krachtens de verzekering te vorderen vergoeding meer bedraagt dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is, aan den rechthebbende uitgekeerd, indien deze een daartoe strekkend verzoek doet binnen twaalf maanden na den dag, waarop het pand gelost had moeten worden.

Burgemeester en Wethouders zenden een schriftelijke waarschuwing aan den houder van een bank van leening, door of voor wien of in wiens bank wordt gehandeld in strijd met een van de bepalingen van deze wet, voor zoover tegen overtreding van die bepalingen niet bij de artt. 49-52 straf is bedreigd, of in strijd met de bepalingen van een krachtens deze wet vastgestelde verordening.

De toelating van den houder van een bank van leening kan door Burgemeester en Wethouders worden ingetrokken:

Indien de intrekking onherroepelijk is geworden, kan nieuwe toelating van denzelfden persoon niet plaats hebben vóór dat vijf jaren zijn verstreken.

De houders van banken van leening verleenen te allen tijde aan personen, voorzien van een schriftelijke lastgeving van Burgemeester en Wethouders tot binnentreden, toegang tot hun localiteiten.

Hij, die behoudens het bepaalde in art. 43, eerste lid, zonder de vereischte toelating een bank van leening houdt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

Hij, die handelt in strijd met het bepaalde in de artt. 26, 27 of 32 of met een besluit, vastgesteld ingevolge art. 37, letter d, of e, of die nalaat, daartoe verplicht zijnde, het bewijs af te geven, bedoeld in art. 31, tweede lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.

Vervallen

De reglementen van de gemeentelijke banken van leening vervallen zes maanden na het in werking treden van deze wet, indien zij niet met inachtneming van de bepalingen van deze wet binnen dien termijn zijn herzien.

De processen-verbaal van verkoop van panden worden gratis geregistreerd.

De feiten, bij de artt. 48, 49, 50 en 51 strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen.

Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van "Pandhuiswet" onder bijvoeging van jaartal en nummer van het Staatsblad, waarin zij is geplaatst.