Wet · BWBR0002595

Overgangswet W.V.O.

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 30 juni 1967, houdende vaststelling, ingevolge artikel 127 van de Wet op het voortgezet onderwijs, van de Overgangswet W.V.O. en tevens wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs Overgangswet W.V.O. Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 127 van de Wet op het voortgezet onderwijs het overgangsrecht en het tijdstip van het in werking treden van die wet bij de wet moeten worden geregeld en dat wijzigingen in de Wet op het voortgezet onderwijs wenselijk zijn gebleken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk 30 juni 1967 JULIANA. De minister van onderwijs en wetenschappen, VERINGA. De staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen, GROSHEIDE. De minister van landbouw en visserij, P. J. LARDINOIS. De minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk, M. KLOMPÉ. de vijfentwintigste juli 1967. De minister van justitie a.i., H. K. J. BEERNINK.

Deze wet verstaat onder:

"Onze minister": Onze minister van onderwijs en wetenschappen, voor het landbouwonderwijs Onze minister van landbouw en visserij en voor het onderwijs, dat ressorteert onder de minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk, Onze minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk;

"het bevoegd gezag": voor

Vervallen

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

De Wet op het voortgezet onderwijs treedt in werking met ingang van 1 augustus 1968.

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen hoofdstuk I van titel II en hoofdstuk III van titel III van de hoger-onderwijswet en de ter uitvoering van die hoofdstukken gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder gymnasia, hogereburgerscholen, middelbare scholen voor meisjes en handelsdagscholen zowel zelfstandige scholen als afdelingen verstaan.

Tot 1 januari 1975 wordt aan de leerlingen van de gymnasia, bedoeld in artikel 7, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de gymnasia, die op 31 juli 1968 ingevolge de hoger-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.

De vergoeding ten behoeve van een gemeentelijk gymnasium, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, waarvan een of meer leerjaren tevens vormen een of meer leerjaren van een rijksatheneum, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, wordt berekend volgens door Onze minister vast te stellen regelen.

Tot 1 januari 1975 wordt de gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen gymnasium volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de middelbaar-onderwijswet en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.

Tot 1 januari 1974 wordt aan de leerlingen van de hogereburgerscholen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de hogereburgerscholen, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Indien de cursusduur van deze scholen met een jaar is verlengd, wordt die gelegenheid gegeven tot 1 januari 1975.

Tot 1 januari 1975 wordt de gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen hogereburgerschool volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.

Tot 1 januari 1974 wordt aan de leerlingen van de middelbare scholen voor meisjes, bedoeld in artikel 17, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de middelbare scholen voor meisjes, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.

Tot 1 januari 1972 wordt aan de leerlingen van de handelsdagscholen met driejarige cursus, bedoeld in artikel 20, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de handelsdagscholen met driejarige cursus, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Deze gelegenheid wordt tot 1 januari 1973 gegeven aan de leerlingen van de handelsdagscholen met vierjarige cursus, bedoeld in artikel 20, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de handelsdagscholen met vierjarige cursus, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd.

Een gymnasium en een atheneum, die met inachtneming van de artikelen 7 en 13 ontstaan uit een gymnasium en een hogereburgerschool, waarvan de eerste of de eerste en de tweede leerjaren gemeenschappelijk zijn, worden met ingang van 1 augustus 1968 een lyceum, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Bij de toepassing van de artikelen 13, 17 en 20 wordt aan de desbetreffende school niet meer dan één school of afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs verbonden.

Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in dit hoofdstuk, blijft artikel 107 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.

Indien een niet uit ’s Rijks kas bekostigde avondhogereburgerschool in het schooljaar 1967-1968 geheel of gedeeltelijk uit de gemeentekas werd bekostigd en de school wordt omgezet in een avondschool voor voortgezet onderwijs, blijft de gemeente ook na 31 juli 1968 tot gehele of gedeeltelijke bekostiging bevoegd tot het tijdstip waarop de school ingevolge titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 33 bedoelde scholen in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot uiterlijk 1 augustus 1971.

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 35 bedoelde scholen in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot uiterlijk 1 augustus 1971.

Op besluiten van de gemeenteraad betreffende de stichting van openbare scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs en tot medewerking aan de stichting van overeenkomstige bijzondere scholen, genomen of geacht te zijn genomen voor 1 augustus 1967, blijft de Lager-onderwijswet 1920 van toepassing. Wanneer de uitvoering van een besluit voor 1 augustus 1973 nog niet is aangevangen, wordt dit besluit geacht niet te zijn genomen.

De gemeenteraad besluit na 31 juli 1967 niet tot stichting van openbare scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs of tot medewerking aan de stichting van overeenkomstige bijzondere scholen en wordt na die datum niet ingevolge de artikelen 19bis, zesde lid, of 76, eerste lid, van de Lager-onderwijswet 1920 geacht tot stichting of tot medewerking aan de stichting van scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs te hebben besloten.

In alle gevallen, waarin de toepassing van de artikelen 41, 45, 46, 47 en 49 zoals die artikelen luidden op 31 december 1996 redelijkerwijs niet mogelijk is of tot ernstige onbillijkheden zou leiden, kan Onze minister in overeenstemming met Onze minister van financiën een afwijkende regeling treffen.

Voor de toepassing van de artikelen 82 en 83 van de Wet op het voortgezet onderwijs ten behoeve van scholen, als bedoeld in artikel 35, stelt Onze minister de waarde vast van de op 31 december 1968 in de school aanwezige inrichting, alsmede, voor zover het bijzondere scholen betreft, de waarde van de onderdelen van deze inrichting. De aldus vastgestelde bedragen worden in mindering gebracht op de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 82, tweede lid onder a, en 83, tweede lid eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in de artikelen 33, 35 en 37, blijft artikel 107 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.

Indien een avondschool voor uitgebreid lager onderwijs in het schooljaar 1967-1968 geheel of gedeeltelijk uit de gemeentekas wordt bekostigd en de school wordt omgezet in een school voor voortgezet onderwijs, blijft de gemeente ook na 31 juli 1968 tot gehele of gedeeltelijke bekostiging bevoegd tot het tijdstip, waarop de school ingevolge titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de Nijverheidsonderwijswet en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder scholen mede verstaan de daaraan verbonden of afzonderlijke cursussen.

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 56 bedoelde scholen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.

De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 56, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 56, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Tot 1 augustus 1971 kan de gemeente aan bijzondere opleidingsscholen voor kleuterleidsters die niet door het Rijk worden bekostigd, een vergoeding geven voor kosten van instandhouding, indien deze ook werd toegekend in het schooljaar 1967-1968.

Tot het einde van het schooljaar 1969-1970 kan met toestemming van Onze minister aan een opleidingsschool een tweejarige afdeling B verbonden zijn, die is ingericht overeenkomstig de op 31 augustus 1964 geldende voorschriften.

Tot en met het jaar 1970 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als hoofdleidster te verkrijgen volgens de op 31 augustus 1964 geldende voorschriften. Zij, die in 1970 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1971 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.

Tot en met het jaar 1970 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als leidster te verkrijgen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Zij, die in 1970 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1971 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.

Tot en met het jaar 1972 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als hoofdleidster te verkrijgen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Zij, die in 1972 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1973 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.

De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in dit hoofdstuk, blijft artikel 107, achtste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de ter uitvoering van titel IV van de Kleuteronderwijswet gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.

Tot en met het jaar 1973 blijft de gelegenheid bestaan de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer te verkrijgen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Zij, die in 1973 bij het examen ter verkrijging van deze akte zijn afgewezen, worden in het jaar 1974 nogmaals in de gelegenheid gesteld de akte te verkrijgen.

De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in dit hoofdstuk, blijven artikel 107, zevende lid, en artikel 110 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de voorschriften, gegeven met betrekking tot de scholen, bedoeld in artikel 81, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.

Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder scholen mede verstaan de daaraan verbonden of afzonderlijke cursussen.

De rijks- en van rijkswege gesubsidieerde scholen voor lager, middelbaar en hoger landbouw-, tuinbouw-, bosbouw- en landbouwtechnologieonderwijs worden met ingang van 1 augustus 1968 onderscheidenlijk scholen voor lager, middelbaar en hoger landbouwonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 81 bedoelde scholen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.

De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 81, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen, bedoeld in artikel 81, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Met ingang van 1 augustus 1968 vervalt de Interimregeling subsidiëring middenstandsonderwijs 1966.

Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder scholen mede verstaan cursussen.

De scholen, gesubsidieerd ingevolge de Interimregeling subsidiëring middenstandsonderwijs 1966, worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middenstandsonderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 86 bedoelde scholen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de Rijksregeling subsidiëring sociaal-pedagogisch onderwijs 1964, het Besluit reglement C.I.O.S. en de subsidiebeschikking ten behoeve van de stichting R.-K. Centraal Instituut voor de Opleiding van Sportleiders, gevestigd te Sittard.

De ingevolge de Rijksregeling subsidiëring sociaal-pedagogisch onderwijs 1964 gesubsidieerde cursussen hogere sociale arbeid worden met ingang van 1 augustus 1968 cursussen voor hoger sociaal-pedagogisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

De ingevolge de Rijksregeling subsidiëring sociaal-pedagogisch onderwijs 1964 gesubsidieerde Cursus voor Maatschappelijk Werk "Huize Bergen", scholen voor bezigheidstherapie en cursussen middelbare sociale arbeid worden met ingang van 1 augustus 1968 onderscheidenlijk scholen en cursussen voor middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

De door het Rijk in stand gehouden en gesubsidieerde centrale instituten voor de opleiding van sportleiders worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Indien de inrichting van het onderwijs van de in de artikelen 89 tot en met 91 bedoelde scholen of cursussen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool of -cursus betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school of cursus betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.

De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen en cursussen, bedoeld in de artikelen 89 tot en met 91, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de scholen en cursussen, bedoeld in de artikelen 89 tot en met 91, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de voorschriften, gegeven met betrekking tot de in artikel 95 bedoelde scholen.

Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 95 bedoelde scholen of cursussen niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, kan Onze minister, voor zover het een rijksschool of -cursus betreft, daarvan afwijken en, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school of cursus betreft, goedkeuren, dat daarvan wordt afgeweken.

De vergoeding van de stichtings- en inrichtingskosten van de in artikel 95 bedoelde scholen en cursussen geschiedt volgens door de gemeenteraad te stellen regelen voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs. De vergoeding van de stichtings- en inrichtingskosten van de in artikel 95 bedoelde scholen en cursussen geschiedt volgens door Onze minister te stellen regelen voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

De op 31 juli 1968 geldende voorschriften ter uitvoering van de hoger-onderwijswet, de middelbaar-onderwijswet, de Lager-onderwijswet 1920, de Kleuteronderwijswet, de Kweekschoolwet en de besluiten ter uitvoering van de wet van 14 februari 1963, Stb. 74, kunnen gedurende de tijd waarin zij krachtens deze titel nog van kracht blijven, voor zover zij door Ons zijn vastgesteld, door Ons en, voor zover zij door Onze minister zijn vastgesteld, door hem worden gewijzigd.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Dit artikel is nooit in het Staatsblad gepubliceerd.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Op geschillen, die ingevolge de op 31 juli 1968 geldende voorschriften bij een commissie van beroep aanhangig zijn gemaakt, blijft de op die datum geldende regeling van toepassing.

De artikelen 26 en 29, derde lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs treden in werking met ingang van 1 augustus 1968, voor zover dit nog niet is geschied.

Met ingang van 1 augustus 1968 vervalt de wet van 28 juli 1924, Stb. 376, betreffende onthouding van rijkssubsidie aan na 6 oktober 1921 geopende hogereburgerscholen en gymnasia, zoals deze wet is gewijzigd bij de wet van 2 april 1948, Stb. I 127.

Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de wet van 11 juli 1963, Stb. 346, en de artikelen 122, tweede lid, en 135, eerste lid, van de hoger-onderwijswet.

Bij twijfel, of aangelegenheden, die betrekking hebben op een tijdvak of tijdstip, gelegen voor 1 augustus 1968, moeten worden behandeld volgens de oude of volgens de nieuwe bepalingen, beslist Onze minister, volgens welke bepalingen de behandeling geschiedt.

De gewijzigde tekst van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt door Onze minister in een doorlopende reeks van artikelen genummerd en de verwijzingen in de Wet op het voortgezet onderwijs en in de titels IV tot en met VI van deze wet worden daarmee in overeenstemming gebracht. De gewijzigde tekst van de Wet op het voortgezet onderwijs en van de titels IV tot en met VI van deze wet wordt door de zorg van Onze minister van justitie opnieuw in het Staatsblad geplaatst.