Wet · BWBR0002828

Vaarplichtwet

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 23 juni 1972, houdende regelen omtrent de vaarplicht in buitengewone omstandigheden VaarplichtwetWij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen betreffende de vaarplicht in geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verbandhoudende buitengewone omstandigheden alsmede enkele met dat onderwerp samenhangende bijzondere straf- en tuchtbepalingen vast te stellen, een en ander mede met het oog op bij Rijkswet gestelde algemene regelen betreffende de vaarplicht;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk23 juni 1972. JULIANA. De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, B. BIESHEUVEL.De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, R. J. H. KRUISINGA.De Minister van Justitie, VAN AGT.De Minister van Defensie, H. J. DE KOSTER.De Minister van Landbouw en Visserij, P. J. LARDINOIS.De Minister van Sociale Zaken, BOERSMA.de vijfde september 1972. De Minister van Justitie, VAN AGT.

Deze wet verstaat onder:

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

Onze Minister is bevoegd met inachtneming van artikel 3, eerste lid, aan zeelieden en gewezen zeelieden de vaarplicht op te leggen.

De algemene voorwaarden der dienstbetrekking, bedoeld in artikel 6, worden door Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en na overleg met de naar zijn oordeel representatieve organisaties van werkgevers en werknemers. Indien het dienst betreft aan boord van een schip of daarmede gelijk te stellen dienst, zal in deze voorwaarden niet, dan voor zover noodzakelijk is, ten ongunste van de vaarplichtige worden afgeweken van de voorwaarden van de collectieve arbeidsovereenkomsten en de daarbij behorende reglementen en andere bijlagen, gesloten tussen werkgevers en werknemers ter koopvaardij en ter visserij en van de eventueel krachtens artikel 5 of 6 van de Wet op de loonvorming vastgestelde regelingen met betrekking tot arbeidsverhoudingen ter koopvaardij en ter visserij, van kracht voor de arbeid aan boord van Nederlandse schepen op het tijdstip, waarop de dienstbetrekking aanvangt. In de voorwaarden der dienstbetrekking kan worden afgeweken van de bepalingen van dwingend recht in het Wetboek van Koophandel of het Burgerlijk Wetboek.

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

De kapitein, die gebruik maakt van de bevoegdheden hem in het vorige artikel gegeven, is verplicht daarvan melding te maken in het scheepsdagboek. Hij stelt tevens zo spoedig mogelijk Onze Minister in kennis van de genomen maatregel en van de feiten, die tot deze maatregel aanleiding hebben gegeven.

Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk een verbod, gesteld krachtens artikel 4, eerste lid, overtreedt, of die opzettelijk een voorschrift als bedoeld in het tweede lid van dat artikel niet naleeft.

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk ernstige schade veroorzaakt of teweegbrengt aan een Nederlands, Surinaams of Nederlands Antilliaans schip.

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

De kapitein die zonder dringende reden opzettelijk geen gevolg geeft aan de aanwijzingen, hem gegeven door een bevoegde autoriteit van het Koninkrijk of een verbonden mogendheid, wordt gestraft:

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft hij die een verplichting, als omschreven in artikel 13, tweede lid, niet nakomt.

Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.

Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de zeeman die niet nakomt enig van overheidswege gesteld voorschrift voor de handhaving van de orde aan boord of ter bescherming van de algemene veiligheid.

Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft de vaarplichtige aan wie overeenkomstig artikel 5 door Onze Minister de aanwijzing is gegeven, dienst te doen aan boord of ten behoeve van een schip en die:

De feiten, strafbaar gesteld bij de artikelen 14, tweede lid, en 15 tot en met 18 worden beschouwd als misdrijven. De feiten strafbaar gesteld bij de artikelen 14, eerste lid, 19, 20 en 21 worden beschouwd als overtredingen.

De artikelen 14 tot en met 22 zijn van toepassing, ongeacht waar het feit plaatsvindt.

Met de opsporing van de bij de artikelen 14 tot en met 21 strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast:

Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

De in artikel 24 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

Tenzij uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald laat het bij of krachtens deze wet bepaalde het bij of krachtens andere wetten bepaalde onverlet indien en voorzover dit laatste niet onverenigbaar is met het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Deze wet kan worden aangehaald als "Vaarplichtwet".

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij is geplaatst.