Ministeriële regeling · BWBR0003392

EEG-IJkregeling gewichtscontrole- en gewichtssorteermachines

Wijzigingen Officiële bron
EEG-IJkregeling gewichtscontrole- en gewichtssorteermachinesEEG-IJkregeling gewichtscontrole- en gewichtssorteermachinesDe Staatssecretaris van Economische Zaken, Th. M. Hazekamp,

Gelet op artikel 23 van de IJkwet 1937 (Stb. 627) en de artikelen 4, 5, 7, 18, 19, 22, 23, 28, 30 en 38 van het Algemeen EEG-IJkbesluit (Stb. 1978, 168);

Besluit:

's-Gravenhage22 april 1981 De Staatssecretaris van Economische Zaken, Th. M.Hazekamp

De bepalingen van de bij deze regeling behorende bijlage moeten in acht worden genomen:

Deze regeling kan worden aangehaald als: EEG-IJkregeling gewichtscontrole- en gewichtssorteermachines.

Gewichtscontrolemachines en gewichtssorteermachines zijn machines die voorwerpen naar gelang van hun massa in twee of meer groepen onderverdelen.

1.1. Gewichtscontrolemachines

Machines die voorwerpen waarvan de massa varieert om een vooraf bepaalde waarde, nominale massa genoemd, onderverdelen.

De taak van een gewichtscontrolemachine is de voorwerpen in twee of meer groepen onder te verdelen, volgens de waarde van het verschil tussen hun massa en de nominale massa.

1.2. Gewichtssorteermachines

Machines die voorwerpen met verschillende massa, waarvoor geen nominale massa is vastgesteld, onderverdelen.

De taak van een gewichtssorteermachine is de voorwerpen in te delen in verschillende groepen, die ieder worden gekenmerkt door een gegeven massa-interval.

2.1. Indeling volgens de controle- of sorteermethode

2.1.1. Machines die de voorwerpen verdelen in groepen die de machine gescheiden verlaten.

2.1.2. Machines die de voorwerpen onderverdelen door ieder voorwerp een merkteken te geven waardoor de groep waartoe het voorwerp behoort, gekenmerkt wordt.

2.1.3. Machines die het aantal voorwerpen van elke groep tellen zonder deze voorwerpen van elkaar te scheiden.

2.1.4. Machines die voor elk voorwerp van een groep een visueel of auditief signaal geven zonder deze voorwerpen van elkaar te scheiden.

2.2. Indeling naar de werkwijze

2.2.1. Continu werkende gewichtscontrole- of gewichtssorteermachines

Machines met continue verplaatsing van de lasten.

De lasten worden in een continue beweging op de lastdrager gebracht en de informatie omtrent de massa wordt tijdens deze beweging verkregen.

2.2.2. Discontinu werkende gewichtscontrole- of gewichtssorteermachines

Machines met discontinue verplaatsing van de lasten.

De lasten worden in een discontinue beweging op de lastdrager gebracht en de informatie omtrent de massa wordt verkregen terwijl de last stilstaat.

2.3. Onderdelen

2.3.1. Meetsysteem

2.3.1.1. Weegcel

Inrichting die informatie geeft over de massa van de last die moet worden gecontroleerd of gesorteerd. Deze cel kan een niet-automatisch weegwerktuig of een deel van een niet-automatisch weegwerktuig zijn.

Zij omvat een lastdrager, een lastvereffeningsinrichting, en eventueel een aanwijsinrichting die bijvoorbeeld de waarde van de massa van de last of het verschil tussen die waarde en een referentiewaarde aangeeft in eenheden van massa.

2.3.1.2. Startinrichting

Inrichting die de opdracht geeft de informatie over de massa in te winnen.

2.3.1.3. Verwerkingsinrichting

Inrichting die de gegevens van de weegcel in een signaal omzet en dat signaal verwerkt tot een controle- of sorteeropdracht.

2.3.1.4. Aanwijsinrichting

Inrichting die ten minste één van de volgende inlichtingen verschaft:

2.3.2. Lastentransporteur

Inrichting waarmee de lasten op de lastdrager worden gebracht en ervan worden afgevoerd.

Deze inrichting kan deel uitmaken van de weegcel.

2.3.3. Instelinrichting

Inrichting met behulp waarvan de massagrenswaarden van de groepen kunnen worden ingesteld.

2.3.4. Sorteerinrichting

Inrichting waarmee de lasten automatisch in verschillende groepen worden verdeeld, Deze inrichting behoeft geen onderdeel van de machine te zijn.

2.3.5. Terugkoppelinrichting

Inrichting die de instelling van het toestel dat de lasten vóór de gewichtscontrolemachine samenstelt, automatisch corrigeert aan de hand van de controleresultaten.

2.3.6. Telwerk

Inrichting die het aantal lasten dat de lastdrager is gepasseerd, aangeeft (lastentelwerk) of die het aantal lasten van elk van de groepen telt (groepentelwerk).

2.4. Standaardproeflast

De standaardproeflast is de last waarmee de standaardgrensonscherpte (Us), onder de voorwaarden van 7.2.1. wordt bepaald,

2.5. Metrologische kenmerken

2.5.1. Nominaal instelpunt

In eenheden van massa uitgedrukte waarde die door de bediener met behulp van de instelinrichting tevoren wordt gekozen als grens tussen twee opeenvolgende groepen.

2.5.2. Werkelijk instelpunt

In eenheden van massa uitgedrukte waarde waarbij voor dezelfde last, twee verschillende beslissingen met dezelfde waarschijnlijkheid kunnen worden genomen.

2.5.3. Instelbereik

Gebied waarbinnen een nominaal instelpunt kan worden ingesteld voor een gegeven nominale massa van de lasten.

2.5.4. Instelinterval (Breedte van een groep)

In eenheden van massa uit gedrukt interval tussen opeenvolgende nominale instelpunten.

2.5.5. Instelfout

Verschil tussen de waarde van het nominale en het werkelijke instelpunt.

2.5.6. Gewichtsklasse

Groep van lasten die in een gegeven interval vallen. Bij n instelpunten is het gehele lastengebied, van nul tot oneindig, in (n+1) gewichtsklassen verdeeld.

2.5.7. Minimaal weegvermogen

Waarde van de belasting beneden welke de machine eventueel niet meer in staat is om de last op juiste wijze te identificeren of in te delen in de groep waartoe hij behoort.

2.5.8. Grensonscherpte

In eenheden van massa uitgedrukte waarde van het interval waarin de beslissing van de machine onbepaald is.

2.5.8.1. Standaardgrensonscherpte (Us)

Door de fabrikant opgegeven, in eenheden van massa uitgedrukte waarde van het interval waarin de machine twee verschillende beslissingen kan nemen voor een standaardproeflast en een gegeven werksnelheid.

2.5.8.2. Nominale grensonscherpte (Un)

Door de fabrikant opgegeven, in eenheden van massa uitgedrukte waarde van het interval waarin de machine twee verschillende beslissingen kan nemen voor een gegeven produkt en een gegeven werksnelheid.

2.5.8.3. Werkelijke grensonscherpte (Ua)

Door de ijkinstelling of een ijkbevoegde geconstateerde, in eenheden van massa uitgedrukte waarde van het interval waarin de machine twee verschillende beslissingen kan nemen voor een standaardproeflast of een gegeven produkt en een gegeven werksnelheid,

De conventionle waarde is gelijk aan 6 σ (van –3 σ tot +3 σ); σ is de standaarddeviatie.

2.5.9. Gewichtscontrole- of sorteersnelheid (Werksnelheid)

Aantal lasten die per eenheid van tijd op hun massa worden gecontroleerd of gesorteerd.

2.5.10. Lengte van de last

Lengte van de last, gemeten in de verplaatsingsrichting.

2.5.11. Weegtijd

Tijd die verloopt vanaf het ogenblik waarop de last zich volledig op de lastdrager bevindt tot het ogenblik waarop de informatie omtrent de massa wordt verstrekt.

2.5.12. Responsietijd

Tijd die verloopt tussen het ogenblik waarop de last zich volledig op de lastdrager bevindt en het ogenblik waarop het verschil tussen de op dat ogenblik bestaande en de uiteindelijke informatie van de weegcel, minder de Un bedraagt.

2.6. Het verband tussen de metrologische kenmerken, bedoeld in de punten 2.5.1.–2.5.4. en 2.5.8., wordt weergegeven in de onderstaande schematische voorstelling.

3.1. Afleeseenheid van de weegcel

Indien de weegcel een in eenheden van massa onderverdeelde aanwijsinrichting heeft, moeten de afleeseenheid en de ijkeenheid hiervan voldoen aan de bepalingen van bijlage I behorende bij de richtlijn nr. 90/384/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 1990 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake niet-automatische weegwerktuigen (PbEG L 189).

3.2. Maximale standaardgrensonscherpte

De standaardgrensonscherpte Us mag niet meer bedragen dan:

1 g voor nominale massa's tot en met 100g,

1% voor nominale massa's boven 100g.

3.3. Verband tussen de nominale grensonscherpte en de standaardgrensonscherpte

De nominale grensonscherpte (Un) mag niet kleiner zijn dan de standaard grensonscherpte (Us).

4.1. Maximaal toelaatbare fouten bij de EEG-modelgoedkeuring

4.1.1. Weegcel

Indien de weegcel een in eenheden van massa onderverdeelde aanwijsinrichting heeft, wordt zij als een niet-automatisch weegwerktuig beschouwd en dienen de maximaal toelaatbare fouten bij statische beproeving te voldoen aan bijlage I behorende bij de richtlijn nr. 90/384/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 1990 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake niet-automatische weegwerktuigen (PbEG L 189), welke bij de eerste EEG-ijk gelden.

4.1.2. Werkelijke grensonscherpte (Ua)

De werkelijke grensonscherpte(n) die bij proeven volgens hoofdstuk V wordt (worden) bepaald, mag (mogen) niet groter zijn dat 0,8 maal de standaardgrensonscherpte (Us).

4.1.3. Instelfout

De instelfout mag niet groter zijn dan 0.5 maal de standaardgrensontscherpte (Us).

4.1.4. Variatie van het werkelijke instelpunt met de tijd

De variatie van het werkelijke instelpunt mag niet groter zijn dan 0,5 maal de standaardgrensonscherpte (Us) tijdens een 8-urige werkingsperiode van de machine.

4.1.5. Variatie van het werkelijke instelpunt met de temperatuur

De Variatie van het werkelijke instelpunt mag niet groter zijn dan 0,5 maal de standaardgrensonscherpte (Us) per 5°C.

4.1.6. Effect van excentrische belastingen

Indien excentrische belastingen kunnen voorkomen mag het grootst mogelijke verschil tussen de waarden van de massa's die bij een belasting gelijk aan het minimale weegvermogen met de evenwichtsstand overeenkomen, niet groter zijn dan 0,5 maal de standaardgrensonscherpte (Us), ongeacht de plaats op de lastdrager waar deze massa's zijn opgesteld.

4.2. Maximaal toelaatbare fouten bij de eerste EEG-ijk

4.2.1. Weegcel

Indien de weegcel een in eenheden van massa onderverdeelde aanwijsinrichting heeft, wordt zij als een niet-automatisch weegwerktuig beschouwd en dienen de maximaal toelaatbare fouten bij statische beproeving te voldoen aan bijlage I behorende bij de richtlijn nr. 90/384/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 1990 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake niet-automatische weegwerktuigen (PbEG L 189), welke bij de eerste EEG-ijk gelden.

4.2.2. Werkelijke grensonscherpte (Ua)

De werkelijke grensonscherpte(n) die bij proeven volgens hoofdstuk V wordt (worden) bepaald, mag (mogen) niet groter zijn dan 0.8 maal de nominale grensonscherpte (Un).

4.2.3. Instelfout

De instelfout mag niet groter zijn dan 0,5 maal de nominale grensonscherpte (Un).

4.2.4. Variatie van het werkelijke instelpunt met de tijd

De variatie van het werkelijke instelpunt mag niet groter zijn dan 0,5 maal de nominale grensonscherpte (Un) tijdens een 8-urige werkingsperiode van de machine.

4.2.5. Variatie van het werkelijke instelpunt met de temperatuur

De variatie van het werkelijke instelpunt mag niet groter zijn dan 0,5 maal de nominale grensonscherpte (Un) per 5°C.

4.3. Maximaal toelaatbare fouten bij de herkeuring en het onderzoek, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, of 29c van de wet.

4.3.1. Weegcel

Indien de weegcel een in eenheden van massa onderverdeelde aanwijsrichting heeft, wordt zij als een niet-automatisch weegwerktuig beschouwd en dienen de maximaal toelaatbare fouten bij statische beproeving te voldoen aan bijlage I behorende bij de richtlijn nr. 90/384/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 1990 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake niet-automatische weegwerktuigen (PbEG L 189), welke bij de herkeuring en het onderzoek het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, of 29c van de wet, gelden.

4.3.2. Werkelijke grensonscherpte (Ua)

De grensonscherpte(n) die bij proeven volgens hoofdstuk V wordt: (worden) vastgesteld, mag (mogen) niet groter zijn dan de nominale grensonscherpte (Un).

4.3.3. Instelfout

De instelfout mag niet groter zijn dan 0,5 maal de nominale grens onscherpte (Un).

5.1. Normale gebruiksomstandigheden

5.1.1. Massa van de lasten

De massa van de lasten moet tussen het maximale en het minimale weegvermogen van de machine liggen.

5.1.2. Minimaal weegvermogen

Het minimale weegvermogen mag niet minder bedragen dan:

25 Un, wanneer Un ≤ 200 mg;

50 Un, wanneer 200 mg < Un ≤ 500 mg;

100 Un, wanneer 500 mg < Un.

5.1.3. Weegtijd

De weegtijd moet ten minste gelijk zijn aan de responsietijd en ten hoogste gelijk aan de tijd gedurende welke de last zich volledig op de lastdrager bevindt.

Deze eis geldt echter niet indien de wijze van constructie en/of de werking van de machine naar het oordeel van de ijkinstelling of een ijkbevoegde, daartoe aanleiding geeft.

Bij alle werksnelheden die lager zijn dan of gelijk aan de maximale werksnelheid mogen de instelfout en de grensonscherpte niet groter zijn dan de daarvoor in punt 4 vastgestelde waarden.

5.2. Beïnvloedingsfactoren

5.2.1. Temperatuur

De machines moeten voldoen aan de voorwaarden van punt 4 bij elke praktisch constante temperatuur binnen een gebied van ten minste 25°C.

Indien de machine bestemd is om te worden gebruikt in een omgeving met temperatuurbeheersing, behoeft echter het bedoelde temperatuurgebied niet groter te zijn dan 10°C.

De temperatuur wordt geacht praktisch constant te zijn indien aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:

5.2.2. Elektrische voeding

Het werkelijke instelpunt en de werkelijke grensonscherpte (Ua) moeten voldoen aan de voorwaarden van punt 4 bij de volgende variaties van de elektrische voeding:

5.2.3. Andere beïnvloedingsfactoren

De machines moeten ook aan de voorwaarden van punt 4 voldoen wanneer zij worden beïnvloed door andere factoren dan de onder 5.2.1. en 5.2.2. genoemde, indien die andere factoren zich kunnen voordoen ten gevolge van de omstandigheden van de installatie en het beoogde gebruik van de machines.

6.1. Geschiktheid

De machines moeten zodanig zijn ontworpen dat zij beantwoorden aan hun gebruiksdoel en moeten zorgvuldig en stevig zijn geconstrueerd.

6.2. Toevallige ontregeling

De machines moeten zo zijn geconstrueerd dat ontregelingen die hun werking kunnen verstoren in het algemeen niet kunnen voorkomen zonder dat het effect van de ontregeling gemakkelijk kan worden geconstateerd.

6.3. Schommelingsdemper

Schommelingsdempers waarvan de eigenschappen zodanig door temperatuursveranderingen worden beïnvloed dat de prestaties van de machine onvoldoende worden en de nauwkeurigheid van de machine buiten de voorgeschreven toleranties valt, moeten van een automatische compensatie-inrichting worden voorzien.

Er moet door middel van een signaal worden aangegeven wanneer de inrichting zich op de juiste temperatuur bevindt.

De schommelingsdemper mag niet gemakkelijk bereikbaar zijn voor onbevoegden.

6.4. Transporteur

Indien de transporteur banden of kettingen omvat met behulp waarvan de lasten op de lastdrager worden gebracht en indien deze banden of kettingen voorzien zijn van spanningsregelinrichtingen, mogen deze inrichtingen niet gemakkelijk bereikbaar zijn indien aanpassing van de spanning de van de weegcel afkomstige informatie over de massa kan beïnvloeden.

6.5. Waterpasstelling

6.5.1. De stand van de machines moet waterpas zijn.

6.5.2. Indien de machines verplaatsbaar zijn, moeten zij van een inrichting voor waterpasstelling en van een waterpas zijn voorzien, of voldoen aan de voorwaarden van punt 4 bij scheefstelling tot 5% in dwars- of lengterichting.

6.5.3. Indien een waterpas is aangebracht om aan punt 6.5.2. te voldoen, moet dit zo gevoelig zijn dat het beweegbare aanwijzende deel van het waterpas zich over ten minste 2 mm verplaatst bij een scheefstelling van het weegwerktuig van 0,5%.

6.6. Lastvereffenings- en instelinrichting

Het moet mogelijk zijn de bedieningsorganen zowel van de lastvereffeningsinrichting als van de instelinrichting, afhankelijk van de werkwijze van de machine al of niet in belaste toestand, in te stellen met een nauwkeurigheid van ten minste een kwart van de nominale grensonscherpte.

6.7. Losse gewichten

Losse gewichten moeten: hetzij gewichten voor gewone weging of nauwkeurigere gewichten zijn, die van geldige ijkmerken zijn voorzien, met dien verstande dat de gewichten indien zij behoren bij machines die voor uitvoer naar een andere EER-Staat zijn bestemd, EEG-geijkte gewichten moeten zijn.

6.8. Opschriften

6.8.1. Verplichte opschriften

Op de machines moeten de volgende opschriften voorkomen:

6.8.2. Aanvullende opschriften

Afhankelijk van de gebruiksbestemming van de machine kunnen bij de EEG-modelgoedkeuringdoor de ijkinstelling één of meer aanvullende opschriften worden verlangd; deze opschriften worden vermeld in het certificaat van EEG-modelgoedkeuring.

6.8.3. Uitvoering van de opschriften

De opschriften moeten onuitwisbaar en van zodanige grootte, vorm en duidelijkheid zijn dat zij onder normale gebruiksomstandigheden van de machine gemakkelijk kunnen worden gelezen.

Zij moeten op een duidelijk zichtbare plaats zijn samengebracht, hetzij op een opschriftenplaat die dichtbij de aanwijsinrichting is bevestigd, hetzij op de aanwijsinrichting zelf.

6.8.4. Mogelijkheid voor het aanbrengen van het ijkmerk van eerste EEG-ijk

De opschriftenplaat mag een kleine voorziening bevatten waarop het ijkmerk van eerste EEG-ijk wordt aangebracht. Indien de opschriftenplaat deze voorziening niet bevat, moet in de nabijheid ervan een daartoe dienende voorziening zijn aangebracht.

6.8.5. Verzegeling

6.8.5.1. Mogelijkheid tot verzegeling

De opschriftendrager moet kunnen worden verzegeld, tenzij hij zo is uitgevoerd dat hij bij verwijdering wordt beschadigd.

6.8.5.2. Aanwezigheid van EEG-zegelmerken.

Machines, die een geldig ijkmerk van eerste EEG-ijk dragen, moeten op de verzegelingsmogelijkheid van de opschriftendragers, bedoeld in 6.8.5.1., voorzien zijn van EEG-zegelmerken.

6.8.5.3. Aanbrengen van EEG-zegelmerken

De EEG-zegelmerken worden door de ijkinstelling of een ijkbevoegde aangebracht bij de eerste EEG-ijk op een daarbij goedgekeurde machine.

7.1. Aanvraag tot EEG-modelgoedkeuring

Bij de aanvraag tot EEG-modelgoedkeuring moet een machine van het bedoelde model ter beschikking worden gesteld van de ijkinstelling. De aanvraag tot EEG-goedkeuring moet onder andere de onder 7.1.1. bedoelde gegevens bevatten en vergezeld zijn van de onder 7.1.2. bedoelde bescheiden en zo nodig van de in laatstgenoemd punt bedoelde maquettes.

7.1.1. Metrologische kenmerken:

7.1.2. Beschrijvende documenten en maquettes:

7.2. Onderzoek tot EEG-modelgoedkeuring

7.2.1. Proeven

De machines moeten voor standaardproeflasten binnen hun werkingsgebied, dat wil zeggen tussen het minimale en het maximale weegvermogen en de minimale en de maximale werksnelheid, voldoen aan de metrologische voorschriften van de punten 3, 4.1, en 5.

Machines die verschillende nominale instelpunten hebben, moeten voor ten minste twee nominale instelpunten worden beproefd.

Standaardproeflast

Wanneer er proeven worden uitgevoerd met het oog op de EEG-modelgoedkeuring, moet een standaardproeflast worden gebruikt.

Voor deze proeflast moet met de volgende voorwaarden rekening worden gehouden:

7.2.1.1. Statische proeven

7.2.1.1.1. Proeven met excentrische belastingen

Wanneer excentrische belastingen op de lastdrager kunnen voorkomen dient er een proef te worden uitgevoerd met een belasting die gelijk is aan het minimale weegvermogen en die achtereenvolgens op verschillende plaatsen op de lastdrager wordt aangebracht. De maximaal toelaatbare fouten zijn vermeld in punt 4.1.6.

7.2.1.1.2. Speciale proeven voor machines met een weegcel die uit een volledig niet-automatisch weegwerktuig bestaat

Op deze weegcel moeten de gevoeligheids- en beweeglijkheidsproeven als mede de proeven ter bepaling van de miswijzingscurven worden uitgevoerd die beschreven zijn in de punten 16.4.3. en 16.4.5. var de bijlage van de EEG-IJkbeschikking niet-automatische weegwerktuigen.

De maximaal toelaatbare fouten zijn dezelfde als voor niet-automatische weegwerktuigen, afhankelijk van hun ijkeenheid en hun nauwkeurigheidsklasse.

7.2.1.2. Meting van de responsietijd

De responsietijd wordt gemeten onder stabiele proefomstandigheden, zonder beïnvloeding door ongewenste factoren. De gevonden waarden mogen niet groter zijn dan de in de opschriften vermelde waarden.

De gegevens genoemd in punt 7.1.1. betreffende de maximale werksnelheid, afhankelijk van de snelheid van de lastentransporteur en de lengte van de last, moeten in overeenstemming zijn met de waarden die voor de responsietijd worden gevonden.

7.2.1.3. Proeven onder normale gebruiksomstandigheden

7.2.1.3.1. Grensonscherpte en instelfout

De proeven worden uitgevoerd volgens de in punt 10.3 van hoofdstuk V beschreven methode C.

7.2.1.3.2. Variatie van het werkelijke instelpunt met de tijd

Deze proeven worden uitgevoerd met standaardproeflasten, zonder de instellingen van de machines te wijzigen en zonder de beïnvloedingsfactoren te veranderen; zij moeten verscheidene malen worden herhaald tijdens een 8-urige werkingsperiode van de machines. Om de uitkomsten te verkrijgen mogen tijdens de proeven elektrische meetmethoden worden gebruikt.

7.2.1.3.3. Variatie van het werkelijke instelpunt met de temperatuur

Deze proeven worden uitgevoerd met standaardproeflasten zonder wijziging van de machine-instellingen en van andere beïnvloedingsfactoren dan de temperatuur; zij moeten verscheidene malen worden herhaald, met temperatuurvariaties binnen de door de fabrikant opgegeven temperatuurgrenzen. Om de uitkomsten te verkrijgen mogen tijdens de proeven elektrische meetmethoden worden gebruikt.

7.2.2. Onderzoek naar de overeenstemming met de technische voorschriften.

Bij dit onderzoek moet worden nagegaan of de machines voldoen aan de in hoofdstuk III vermelde technische voorschriften.

7.2.3. Medewerking

De hulp die de ijkinstelling van de aanvrager kan verlangen, bestaat uit de standaardproeflasten, de bedieningsmiddelen, het vereiste deskundige personeel en de benodigde controle-instrumenten.

7.2.4. Plaats van uitvoering van de proeven

Machines waarvoor de EEG-modelgoedkeuring is aangevraagd kunnen worden beproefd:

8.1. Proeven voor de eerste EEG-ijk

De machines moeten voor het (de) gegeven produkt(en) binnen hun werkingsgebied, dat wil zeggen tussen het minimale en het maximale weegvermogen en de minimale en de maximale werksnelheid, voldoen aan de in de punten 3, 4.2, 5 en 6 bedoelde eisen.

De eerste EEG-ijk wordt in één of twee fasen uitgevoerd.

8.1.1. Proeven in de eerste fase

Er moeten statische proeven worden uitgevoerd volgens punt 7.2.1.1.

8.1.2. Proeven in de tweede fase

De grensonscherpte en instelfout moeten worden gecontroleerd volgens een van de in hoofdstuk V beschreven methoden en met de produkten waarvoor de machine bestemd is. De controle wordt in elk geval ten minste bij het minimale weegvermogen uitgevoerd.

In geval van geschil dient methode C als referentiemethode.

8.2. Medewerking

De hulp die de ijkinstelling van de aanvrager kan verlangen bestaat uit de proeflasten, de bedieningsmiddelen, het vereiste deskundige personeel en de benodigde controle-instrumenten.

8.3. Plaats van de eerste EEG-ijk

De eerste fase mag worden uitgevoerd in de werkplaats of op elke andere plaats die in overleg tussen de ijkinstelling of een ijkbevoegde en de aanvrager geschikt wordt geacht; de tweede fase moet op de plaats van opstelling worden uitgevoerd.

Wanneer de eerste EEG-ijk in één fase plaatsvindt, wordt zij op de plaats van opstelling uitgevoerd.

9.1 Medewerking

Het bepaalde in punt 8.2. is van overeenkomstige toepassing.

Mij bekend,

De Staatssecretaris van Economische Zaken,Th. M.Hazekamp

10.1.1. Werkwijze

10.1.1.1. Er wordt een standaardproeflast gebruikt die gelijk is aan de gewenste last.

10.1.1.2. Het te beproeven instelpunt wordt zodanig geregeld dat gedurende n wegingen steeds een signaal ‘afgekeurd’ wordt gegeven.

Indien er op een machine twee of meer instelpunten zijn en indien het instelinterval van de machine klein is, moet ervoor worden gezorgd dat het (de) niet gebruikte instelpunt(en) duidelijk gescheiden is (zijn) van het beproefde instelpunt, ten einde het optreden van interferentie tijdens de proeven te voorkomen.

10.1.1.3. De last wordt vermeerderd met ongeveer één tiende van de nominale grensonscherpte (Un), die op de machine is vermeld, en de proeflast wordt n maal over de machine gevoerd.

10.1.1.4. De proef wordt voortgezet terwijl de proeflast telkens met kleine stappen wordt vergroot, totdat het signaal ‘goedgekeurd’ tijdens n wegingen ten minste éénmaal wordt gegeven.

10.1.1.5. De proef wordt voortgezet terwijl de proeflast telkens met kleine stappen wordt vergroot, totdat tijdens de n wegingen altijd het signaal ‘goedgekeurd’ wordt gegeven.

10.1.1.6. De proef wordt voortgezet terwijl de last nog enkele keren wordt verzwaard.

10.1.1.7. De resultaten worden in een tabel opgenomen.

10.1.1.8. De proef wordt met dezelfde proeflasten herhaald waarbij de belasting met kleine stappen wordt verminderd, of de lasten in een willekeurige volgorde worden gebruikt.

Indien de proef in een willekeurige volgorde wordt uitgevoerd, moet er voor elke stap een proeflast worden gebruikt.

10.1.1.9. De resultaten worden in een tabel opgenomen.

10.1.2. Berekeningen

10.1.2.1. Aan de hand van de verkregen resultaten worden het percentage ‘afkeuringen’ en het percentage ‘goedkeuringen’ berekend.

10.1.2.2. Het verband tussen de opklimmende lasten en het percentage ‘afkeuringen’ wordt op waarschijnlijkheidspapier uitgezet.

10.1.2.3. Op de rechte lijn die aldus moet worden verkregen, wordt een geschikt interval gekozen aan beide zijden van het punt dat overeenkomt met 50%. (De waarde van de intervallen 2,275%–50% en 50%–97,725% komt overeen met 2 σ.)

10.1.2.4. Het met deze punten overeenkomende gewichtsinterval wordt afgelezen.

10.1.2.5. De helft van een gewichtsinterval geeft de waarde van σ.

10.1.2.6. De conventionele waarde van de grensonscherpte (6 σ) kan nu worden bepaald.

10.1.2.7. De waarde die overeenkomt met het 50%-punt (midden van de grensonscherpte) is de waarde van het werkelijke instelpunt.

10.1.2.8. De instelfout is het verschil tussen het nominale instelpunt en de waarde van het gevonden werkelijke instelpunt.

10.2.1. Werkwijze

10.2.1.1. Er wordt een proeflast gebruikt waarvan de massa ongeveer 5 maal de nominale grensonscherpte (Un) kleiner is dan de waarde van het nominale instelpunt.

10.2.1.2. Men kiest een waarde ‘d’ als basisincrement van de last. Deze waarde moet ongeveer Un/4 bedragen. (Om het gebruik van standaardgewichten mogelijk te maken en om de berekening te vereenvoudigen is het zaak een geschikte waarde te kiezen, bijvoorbeeld 10, 20, 50, 100, 200, 500).

10.2.1.3. Vervolgens wordt de proeflast telkens opnieuw op het weegtoestel gewogen, waarbij hij tussen de wegingen stapsgewijze wordt vergroot, totdat de proeflast plus de bijgevoegde lasten, met een totale massa Mo binnen de grensonscherpte bij het gekozen instelpunt valt. Nu is de machine gereed voor het registreren van de resultaten.

10.2.1.4. De proef wordt als volgt voortgezet:

De last Mo wordt over de machine gevoerd. Indien het signaal ‘afgekeurd’ wordt gegeven, wordt een en ander bij de tweede proef herhaald met een last (Mo + d); indien de eerste proef de uitkomst ‘goedgekeurd’ oplevert, wordt bij de tweede proef een last (Mo – d) gewogen.

Deze proefmethode, waarbij de waarde d wordt bijgevoegd of afgetrokken, afhankelijk van het resultaat van de gewichtscontrole, wordt herhaald tot het vereiste aantal wegingen is verricht.

10.2.1.5. De verkregen resultaten moeten worden genoteerd in een proeftabel als weergegeven sub 10.2.3. Elke horizontale lijn van de tabel komt overeen met een bepaalde belastingswaarde (Mo ± id); het totale aantal lijnen bestrijkt de breedte van de grensonscherpte. De resultaten van iedere weging worden in codevorm in de tabel opgenomen; bijvoorbeeld door een ‘X’ te noteren wanneer het signaal ‘afgekeurd’ en een ‘O’ wanneer het signaal ‘goedgekeurd’ wordt gegeven.

10.2.2. Berekeningen

10.2.2.1. Waarde van de grensonscherpte

De X'en en O's van elke lijn Mo ± id worden opgeteld: de aantallen N van de X'en en No van de O's worden eveneens voor alle lijnen opgeteld.

Voor de berekeningen wordt het stel met het numeriek kleinste totaal gebruikt, of wel de X-resultaten of wel de O-resultaten, aangezien elk stel resultaten ongeveer dezelfde statistische informatie verschaft,

De grensonscherpte wordt met de volgende formule berekend:

Ua= 9,72d

waarin d = basisincrement van de last (Un/4, zie punt 10.2.1.2),

i = aantal incrementen van de last,

nj = aantal in aanmerking genomen resultaten op een regel i.

N = totaal aantal gebruikte resultaten (het kleinste cijfer van No of Nx)

A = Σi * n1,

B = Σi2 * ni.

10.2.2.2. Instelpunt (punt 2.5.2)

Het instelpunt wordt berekend met de volgende formule:

m = Mo + d ()

Het (+)-teken wordt gebruikt wanneer de berekening is gebaseerd op ‘afkeuringen’ (X) en het (–)-teken wanneer ze op ‘goedkeuringen’ (O) is gebaseerd.

De instelfout wordt dan berekend als het verschil tussen het werkelijke instelpunt (m) (volgens bovenstaande berekening) en het nominale instelpunt.

10.2.2.3. Standaardafwijking van de berekende waarden.

10.2.2.3.1. Grensonscherpte (Ua)

De standaardafwijking van variabele Ua (in punt 10.2.2.1 berekend) kan met de volgende formule worden geschat:

SuA

De waarde van de coëfficiënt H varieert als een functie van de verhouding d/Ua volgens de tabel sub 10.2.2.3.1.1.

De wiskundige methode om de grensonscherpte te berekenen geldt alleen indien:

d/Ua < 1/3

10.2.2.3.1.1. De waarden van H zijn, afhankelijk van d/Ua

10.2.2.3.2. Instelfout

De standaardafwijking van de variabele m (als gevonden in punt 10.2.2.2.) kan met de volgende formule worden geschat:

Sn= GUa/ n

De waarde van coëfficiënt G varieert met de verhouding d/Ua volgens de tabel sub 10.2.2.3.2.1.

De wiskundige methode om het instelpunt te berekenen geldt alleen indien:

10.2.2.3.2.1. De waarden van G zijn, afhankelijk van d/Ua

10.2.3. Proeftabel (zie onder)

Wanneer deze methode wordt gebruikt bij het onderzoek tot EEG-modelgoedkeuring moet de machine worden beproefd met standaardproeflasten die een produktielijn simuleren. Om praktische redenen mag in uitzonderlijke gevallen de machine worden beproefd in een produktielijn met de produkten waarvoor de machine bestemd is.

10.3.1 Werkwijze

10.3.1.1. De waarde van de nominale grensonscherpte (Un) wordt vastgesteld overeenkomstig de op de machine voorkomende aanduidingen.

10.3.1.2. De massa van de proeflasten (7 in getal) die de gehele grensonscherpte overspannen, wordt door middel van de volgende formules berekend:

M1,2=

waar bij:

A=

B=

H en L zijn de benaderende waarden van de massa's die, voor een gegeven instelpunt, overeenkomen met de uiterste waarden van de grensonscherpte.

10.3.1.3. De proeflasten dienen de grensonscherpte van het onderzochte instelpunt te overspannen.

10.3.1.4. Elke proeflast moet de machine 50 maal passeren; in afwijking hiervan moeten echter de twee lichtste en de twee zwaarste proeflasten 200 maal zijn gepasseerd.

De proeflasten worden in willekeurige volgorde gewogen. De proeflasten aan de tegengestelde uitersten van de grensonscherpte behoren elkaar echter op te volgen met een tijdsinval dat overeenkomt met de tijdens de proef gebruikte werksnelheid.

10.3.2. De resultaten worden in een tabel opgenomen.

10.3.2.1. De resultaten worden opgeteld en genoteerd als in tabel 1.

10.3.2.2. De waarden van nw en nwy uit de tabellen 2 en 3, worden genoteerd, respectievelijk voor n = 50 en r = 200. De kolommen 5 en 6 worden opgeteld.

10.3.2.3. De waarden van niwixi, niwixi⁲ en niwixiyi worden berekend en de kolommen 7, 8 en 9 worden opgeteld.

10.3.2.4. De waarden van het geschatte instelpunt (M) en de geschatte grensonscherpte (Ua) uit de sommen van tabel 1 worden berekend zo als getoond in punt 10.3.3.

(zie nevenstaande pagina)

10.3.2.5. Tabel 1

Tabel 2

n = 50

Tabel 3

n = 200