Wet · BWBR0003420

Wet op het basisonderwijs

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 2 juli 1981, houdende Wet op het basisonderwijs Wet op het primair onderwijsWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van

een ononderbroken ontwikkeling van de leerlingen, gewenst is de afzonderlijke onderwijsvormen kleuteronderwijs en gewoon lager onderwijs samen te voegen tot een onderwijsvorm die gericht is op een doorlopend ontwikkelingsproces van de leerlingen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Lage Vuursche 2 juli 1981 Beatrix De Minister van Onderwijs en Wetenschappen, A. Pais De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, A. J. Hermes de dertigste juli 1981 De Minister van Justitie, J. de Ruiter

In deze wet wordt verstaan onder:

Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

inspectie of inspecteur:

de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, voor zover belast met taken op het gebied van het basisonderwijs;

school:

een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, tenzij het tegendeel blijkt;

basisschool:

een school waar basisonderwijs wordt gegeven, niet zijnde een speciale school voor basisonderwijs;

speciale school voor basisonderwijs:

een school waar basisonderwijs wordt gegeven aan kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een zodanige orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is, dat zij althans gedurende enige tijd op een speciale school voor basisonderwijs moeten worden opgevangen;

school voor speciaal onderwijs:

een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs:

een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

school voor voortgezet speciaal onderwijs:

een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs:

een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede en derde volzin, van de Wet op de expertisecentra;

openbare school:

bijzondere school:

door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een stichting als bedoeld in artikel 48, in stand gehouden school;

openbare rechtspersoon:

een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld als bedoeld in artikel 47;

nevenvestiging:

deel van een school, dat op de plaats waar het onderwijs wordt gegeven voordat het een deel van de school werd als zelfstandige school functioneerde;

bevoegd gezag van volgens deze wet bekostigde scholen: voor wat betreft

burgerservicenummer:

burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

persoonsgebonden nummer:

het burgerservicenummer dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 40b, vierde lid;

ouders:

ouders, voogden of verzorgers;

schooljaar:

het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;

samenwerkingsverband:

een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede lid of een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, vijftiende lid, tenzij het tegendeel blijkt;

personeel:

schoolbegeleiding:

activiteiten ten behoeve van de schoolorganisatie of het onderwijs aan een school die dienen tot begeleiding, ontwikkeling, advisering, informatieverstrekking en evaluatie, alsmede activiteiten tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen;

Vroegschoolse educatie:

uitvoering van een programma, gericht op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes doorstromen in het basisonderwijs, dat wordt verzorgd in groep 1 en 2 van een basisschool als vervolg op de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang;

register onderwijsdeelnemers:

register onderwijsdeelnemers als bedoeld in artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers;

ondersteuningsaanbod van de school:

een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven;

basisondersteuningsvoorzieningen:

voorzieningen voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte die op alle vestigingen van scholen behorend tot een samenwerkingsverband aanwezig zijn;

afdeling:

een afdeling als bedoeld in artikel 85a;

verklaring omtrent het gedrag:

verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

richtlijn (EU) 2024/1346:

richtlijn 2024/1346/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.

In deze wet wordt onder inkomen verstaan: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Het basisonderwijs is het onderwijs bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks 4 jaar. Het legt mede de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs.

Artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing in het verkeer tussen ouders of leerlingen en het bevoegd gezag.

Het bevoegd gezag van een bijzondere school geeft binnen vier weken na de oprichting van de school onder overlegging van de statuten van de rechtspersoon, die de school in stand houdt, en van de reglementen, van die oprichting kennis aan Onze Minister. Indien de statuten of reglementen worden gewijzigd of ingetrokken, wordt eveneens binnen vier weken van de wijziging of van de intrekking van de statuten of reglementen aan Onze Minister kennis gegeven.

Vervallen

Ten laste van een andere openbare kas dan van Rijk en gemeente worden geen scholen in stand gehouden, noch uitgaven voor een school gedaan. Gemeenten doen geen uitgaven voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan krachtens de wet.

Vervallen

Vervallen

Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de school. Onder zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs wordt in elk geval verstaan het naleven van de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 12, vierde lid.

Vervallen

Het bevoegd gezag rapporteert met inachtneming van het leerling- en onderwijsvolgsysteem, bedoeld in artikel 45b, eerste lid, over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders.

Vervallen

Vervallen

Voorafgaand aan de vaststelling van de schoolgids stelt het bevoegd gezag leerlingen in de gelegenheid op een door hen te bepalen wijze vrijelijk hun mening naar voren te brengen over de basisondersteuningsvoorzieningen en het ondersteuningsaanbod van de school. Het bevoegd gezag biedt leerlingen daartoe de ondersteuning die zij nodig hebben. Het bevoegd gezag beschrijft in de schoolgids op algemene wijze de inbreng van de leerlingen en de mate van invloed op de vaststelling van de basisondersteuningsvoorzieningen en het ondersteuningsaanbod van de school.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Het bevoegd gezag streeft evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities na.

Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de inrichting en wijze van ordening van deze gegevens.

Totdat de bekwaamheidseisen voor werkzaamheden van leidinggevende aard, bedoeld in artikel 32a, tweede lid, in werking treden, blijven ten aanzien van de benoeming of tewerkstelling als directeur of adjunct-directeur de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften, zoals luidend op 31 juli 2006, van toepassing.

Artikel 12, derde lid,vindt, wat het onderhouden van de bekwaamheid betreft, voor een bepaalde personeelscategorie voor het eerst toepassing met ingang van het tijdstip waarop de bekwaamheidseisen voor die categorie in werking treden.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de rechtspositie van het personeel wordt geregeld.

Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat het personeel.

Vervallen

Vervallen

Over de door het bevoegd gezag ingevolge artikel 33 te treffen regelingen, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel, wordt door of namens het bevoegd gezag overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende verenigingen van werknemers, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze.

Vervallen

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/86.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/86.

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/86.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/86.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Onze Minister draagt zorg voor de beschikbaarheid van een doorstroomtoets als bedoeld in artikel 45b, derde lid, voor situaties waarin als gevolg van onvoorziene omstandigheden voor een school geen doorstroomtoets beschikbaar is.

Godsdienstonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens hun statuten het geven van godsdienstonderwijs ten doel stellen. Levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door volledige rechtsbevoegdheid bezittende organisaties op geestelijke grondslag.

Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit onderwijs uitsluitend wordt gegeven door een leraar die blijkens een daartoe strekkende verklaring van de aanwijzende instantie:

Vervallen

In afwijking van artikel 33a, zijn Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie bevoegd de disciplinaire straf of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het betreft een directeur, een adjunct-directeur, of een ander lid van het onderwijzend personeel van een openbare school en deze tevens lid is van de raad van de gemeente die de school in stand houdt.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Een bijzondere school wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten of reglementen het geven van onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.

Onverminderd artikel 9 kunnen de onderwijsactiviteiten godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs omvatten. Van de tijd daaraan te besteden worden ten hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 8, zevende lid, aanhef en onder b, ten minste moeten ontvangen. Het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs kan worden opgedragen aan een niet aan de school verbonden leraar.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vertegenwoordigers van het basisonderwijs en het speciaal onderwijs kunnen ten behoeve van de scholen en instellingen die zij vertegenwoordigen een overlegorgaan oprichten met het doel de samenwerking tussen die scholen en instellingen te bevorderen ten aanzien van de toelating van leerlingen en de inrichting van het onderwijs.

Met betrekking tot het basisonderwijs en het aansluitend voortgezet onderwijs is artikel 66 van overeenkomstige toepassing.

De op 31 juli 1998 uit de openbare kassen bekostigde scholen, uitgaande van de Stichting Muziekinstituut van de Kathedraal St. Bavo te Haarlem, onderscheidenlijk van de Stichting Nederlands Instituut voor Katholieke Kerkmuziek te Utrecht, ten behoeve waarvan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Lager-onderwijswet 1920 vergunning is verleend dat deze scholen minder dan 6 achtereenvolgende leerjaren omvatten, worden bekostigd als basisscholen, waarbij:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze paragraaf wordt onder «school» verstaan: basisschool.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze paragraaf wordt onder «school» verstaan: speciale school voor basisonderwijs.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Het college van burgemeester en wethouders stelt gelijktijdig met het programma, bedoeld in artikel 95, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip een overzicht vast van die voorzieningen die zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet op het programma zijn opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de desbetreffende voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Het college van burgemeester en wethouders stelt geen programma als bedoeld in artikel 95 en geen overzicht als bedoeld in artikel 96 vast, indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is ingediend voor scholen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.

Voorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 95, zijn opgenomen, komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het tijdstip dat daarvoor op grond van artikel 99, eerste lid, is vastgesteld,

Tenzij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat aanspraak heeft op bekostiging van een voorziening in de huisvesting, met het college van burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt, behoeven de bouwplannen en de desbetreffende begrotingen de instemming van het college van burgemeester en wethouders.

De gemeente brengt een voorziening in de huisvesting van een niet door de gemeente in stand gehouden school slechts tot stand, indien tussen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur krachtens de artikelen 108 of 110 door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school komen niet ten laste van de gemeente.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In afwijking van deze afdeling kan de gemeenteraad besluiten dat jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor zover die op het grondgebied van die gemeente in stand wordt gehouden. De gemeenteraad neemt het besluit in overeenstemming met het bevoegd gezag.

Vervallen

Het bevoegd gezag van een niet door de desbetreffende gemeente in stand gehouden school is gehouden aan de gemeenteraad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders alle inlichtingen te verschaffen die de gemeenteraad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders voor een adequate uitvoering van de bepalingen in deze afdeling noodzakelijk achten.

De gemeente bekostigt aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is onderworpen aan een of meer der in artikel 220 van de Gemeentewet bedoelde belastingen ter zake van onroerende zaken het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen met betrekking tot de in de gemeente gelegen gebouwen en terreinen.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven voor de verlening van voorschotten op de bekostiging en voor de verrekening van de betaalde voorschotten met het bedrag van de vastgestelde bekostiging of onderdelen daarvan.

Onze Minister is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een school met vorderingen van of op Onze Minister krachtens een andere wet.

In deze paragraaf wordt onder «school» verstaan: basisschool.

Waar in deze paragraaf sprake is van een aantal leerlingen, is dat het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar, verhoogd met 3% daarvan, waarbij de uitkomst naar beneden wordt afgerond op een geheel getal.

Voor iedere gemeente wordt, op basis van de leerlingdichtheid in die gemeente, een opheffingsnorm vastgesteld aan de hand van de formule:

Opheffingsnorm = 0,6 x (leerlingdichtheid : (0,15 + 0,0027 x leerlingdichtheid))

De uitkomst van de berekening wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en waarbij de decimalen worden verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5. De opheffingsnorm bedraagt minimaal 23 en maximaal 200. De leerlingdichtheid is de uitkomst van het aantal inwoners van 4 tot en met 11 jaar in die gemeente gedeeld door het aantal km2 grondoppervlakte van die gemeente. Indien het aantal km2 van de gemeente minder bedraagt dan 10 km2, wordt voor de berekening van de leerlingdichtheid uitgegaan van 10 km2. De leerlingdichtheid bedraagt maximaal 500.

Indien de instandhouding van een openbare school of de bekostiging van een bijzondere school niet mogelijk is op grond van de artikelen 139 tot en met 144, kan Onze Minister in bijzondere gevallen op aanvraag van het bevoegd gezag voor een door hem te bepalen tijd toestaan, dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd.

Artikel 148, eerste lid, en tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op speciale scholen voor basisonderwijs en nevenvestigingen daarvan.

Indien het college van burgemeester en wethouders in samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van de scholen, activiteiten ter bevordering van de beheersing van de Nederlandse taal op scholen wil verrichten met het oog op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden, wordt het onderwijs zodanig ingericht dat deze activiteiten plaatsvinden geheel of gedeeltelijk gedurende dan wel buiten het aantal uren onderwijs dat leerlingen op grond van artikel 8 tenminste ontvangen. Een leerling neemt slechts deel aan deze activiteiten als nadat de ouders van de leerling hun instemming schriftelijk kenbaar hebben gemaakt aan het bevoegd gezag.

Indien niet binnen een redelijke termijn met alle partijen, bedoeld in artikel 160, tweede lid, afspraken als bedoeld in artikel 160, eerste lid, zijn gemaakt, kan het college van burgemeester en wethouders de werkingssfeer van de gemaakte afspraken, voor zover noodzakelijk voor een samenhangend onderwijsachterstandenbeleid, uitbreiden naar de partijen, bedoeld in artikel 160, tweede lid, waarmee geen afspraken zijn gemaakt.

De voorschriften, bedoeld in artikel 165, derde lid, artikel 166, tweede lid, en artikel 167, tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op andere gegevens waarmee een leerling wordt geïdentificeerd.

In deze afdeling wordt verstaan onder:

Het bekwaamheidsonderzoek strekt ertoe, vast te stellen of de leraar voldoet aan de in artikel 32a, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor het onderwijs waarvoor die eisen zijn vastgesteld.

Het in artikel 174 en het in artikel 176 bedoelde bestuur verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig acht ten behoeve van een goede naleving van deze afdeling. Op verzoek van de inspectie zendt het bestuur een overzicht van afgegeven geschiktheidsverklaringen en bekwaamheidsonderzoeken waaraan met goed gevolg is deelgenomen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het persoonsgebonden nummer van een leerling uitsluitend ten behoeve van een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969.

Schoolbegeleiding vindt plaats op verzoek van het bevoegd gezag van een school.

Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.

Vervallen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder nieuwkomer tevens verstaan een jongere in de zin van de Leerplichtwet 1969 die vier jaren of korter in Nederland is en om die reden de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om in het basisonderwijs in te stromen.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, voor een tijdelijke nieuwkomersvoorziening regels worden gesteld over:

Vervallen.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 10a en artikel 157, en vervolgens telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 10a en artikel 157 in de praktijk.

Vervallen.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel I van de Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van enige onderwijswetten in verband met het invoeren van de verplichting voor scholen om zorg te dragen voor de veiligheid op school (Stb. 238) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de artikelen 4c en 13, eerste lid, onderdeel n, in de praktijk.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 29 november 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer ten behoeve van het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van onderwijsdeelnemers (Stb. 508) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van artikel 182, elfde tot en met veertiende lid, in de praktijk.

Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de gewijzigde systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe scholen in de praktijk. Daarbij wordt in ieder geval gelet op de effecten op de segregatie.

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES en de Wet op het voortgezet onderwijs vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (vereenvoudiging bekostiging po, Stb. 2021, 171) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wijzigingen in hoofdstuk I, titel IV, in de praktijk.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Onze Minister zendt binnen vijf en vervolgens binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

De school voor openbaar en protestants-christelijk onderwijs in Earnewâld wordt niet voor een bij koninklijk besluit te bepalen datum opgeheven, tenzij deze school indien zij als nevenvestiging onderdeel zou vormen van een andere school wegens het niet voldoen aan een van de normen voor bekostiging van een nevenvestiging, genoemd in artikel 146, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs zou moeten worden opgeheven. Indien deze school op een bij koninklijk besluit te bepalen datum voldoet aan de criteria voor het voortbestaan als zelfstandige school, kan de bekostiging van deze school met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen datum worden voortgezet zolang na laatstgenoemde datum geen opheffing op grond van de artikelen 139 tot en met 149 van de Wet op het primair onderwijs behoeft plaats te vinden.

Op geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten van de gemeente inzake bouwkundige aanpassingen die zijn genomen voor de inwerkingtreding van artikel I van de Wet van 7 mei 2014 houdende wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet primair onderwijs BES in verband met de overheveling van taak en budget voor aanpassingen in onderwijshuisvesting van gemeente naar school (Stb. 175) op grond van bepalingen bij of krachtens hoofdstuk I, titel IV, afdeling 3, van deze wet, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van artikel I van die wet, blijven de op die datum geldende regelingen van toepassing. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.

Vervallen

De Overgangswet WBO zoals die luidde op 31 juli 1998 blijft van toepassing op aanspraken die op die datum op grond van artikel E 17 of E 18 van die wet bestonden.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs, worden de leerresultaten als bedoeld in artikel 10a, derde lid, op de volgende wijze beoordeeld:

Deze wet wordt aangehaald als «Wet op het primair onderwijs».

Vervallen