Ministeriële regeling · BWBR0003559

Beschikking grondbankstelsel

Wijzigingen Officiële bron
Beschikking grondbankstelselBeschikking grondbankstelselDe Staatssecretaris van Landbouw en Visserij,

Gelet op de artikelen 57 en 58 van de Wet agrarisch grondverkeer (Stb. 1981, 248) en op artikel 2 van het Besluit grondbankstelsel (Stb. 1982, 692);

Gehoord de commissie beheer landbouwgronden;

Besluit:

De Staatseacretaris van Landbouw en Visserij,A. Ploeg

Indien meer natuurlijke personen voor gezamenlijke rekening een bedrijf uitoefenen, kan uitgifte slechts plaatsvinden, indien:

Indien een rechtspersoon een bedrijf uitoefent, kan uitgifte slechts plaatsvinden indien:

De aanvrage dient betrekking te hebben op een bedrijf waarvan de bedrijfsomvang van de sector veehouderij, dan wel van de sector akkerbouw, dan wel van deze sectoren gezamenlijk, in s.b.e. uitgedrukt, ten minste 80% van de totale bedrijfsomvang uitmaakt.

Ten behoeve van het bedrijf mag gedurende een tijdvak van drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvrage geen aanvrage zijn ingediend die tot uitgifte op de voet van deze beschikking heeft geleid.

De bedrijfsoppervlakte mag gedurende een tijdvak van vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvrage niet zijn verkleind, tenzij verkleining heeft plaatsgevonden door onteigening, minnelijke verkoop ter voorkoming van onteigening, een rechterlijke uitspraak ingevolge artikel 370, eerste lid, onder b, of 377 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, een verdeling als bedoeld in artikel 3:178 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel onderbedeling in het kader van landinrichting als gevolg van toepassing van de artikelen 139 tot en met 144 van de Landinrichtingswet, of van artikel 56 van de Wet inrichting landelijk gebied, in het kader van de reconstructie als gevolg van toepassing van artikel 15 van de Reconstructiewet Midden-Delfland of in het kader van de herinrichting als gevolg van toepassing van artikel 55 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.

De doelstellingen van het landbouwstructuurbeleid mogen door de uitgifte niet in nadelige zin worden beïnvloed. Van een zodanige beïnvloeding is onder meer sprake, indien: a. de levensvatbaarheid van het bedrijf waarvan de landbouwgrond afkomstig is door de uitgifte vermindert; b. met de uitgifte de verkavelingssituatie van het bedrijf waarop de aanvrage betrekking heeft, niet verantwoord is.

In afwijking van artikel 10, onder b, zal, voor zover één of meer in de uitgifte betrokken percelen zijn gelegen in Midden-Delfland als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet Midden-Delfland, in een deelgebied, genoemd in artikel 1 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, in een gebied ten aanzien waarvan een besluit tot landinrichting als bedoeld in de hoofdstukken III en IV van de Landinrichtingswet is genomen, of in een gebied ten aanzien waarvan een besluit tot landinrichting als bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied is genomen, uitgifte kunnen plaatsvinden, indien blijkens een schriftelijke verklaring inzake de toedeling van de landinrichtingscommissie, respectievelijk van gedeputeerde staten, na de verwezenlijking van het plan van toedeling de verkavelingssituatie van het bedrijf verantwoord zal zijn.

De oppervlakte van de uit te geven landbouwgrond bedraagt ten hoogste 5 ha, tenzij de aanvrager aantoont dat de financieringsstructuur van het bedrijf bij uitgifte van slechts 5 ha ongunstig wordt. De toepassing van het laatste zinsdeel laat het bepaalde in artikel 13, onder c, onderlet.

In geval van vergroting van de bedrijfsoppervlakte als bedoeld in artikel 2. onder c, van het besluit, kan uitgifte slechts plaatsvinden, indien:

Indien de uit te geven landbouwgrond gelegen is in een beheersgebied als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling, kan de uitgifte slechts plaatsvinden:

Het hoofd beheer landbouwgronden onderzoekt of er sprake is van een van de gevallen als bedoeld in artikel 2 van het besluit, alsmede of en in hoeverre wordt voldaan aan de in de artikelen 3, eerste lid, onder a en c, 4, onder a, voor zover het betreft het bepaalde in artikel 3, onder a en c, 5, 6, 7, 8, 14, eerste lid, 15, 16, 18 en 19 gestelde voorwaarden.

Het hoofd beheer landbouwgronden bereidt de verdere behandeling van aanvragen, waarop niet afwijzend is beslist, voor en gaat daarbij in ieder geval na of wordt voldaan aan de voorwaarden van deze beschikking om voor een toewijzing van een aanvrage in aanmerking te komen.

Namens de commissie legt de inspecteur een voorstel voor een beslissing omtrent een aanvrage met het verzoek om advies voor aan de sub-commissie.

De sub-commissie brengt over de aanvrage een met redenen omkleed advies uit en doet dit aan de directeur toekomen.

De inspecteur deelt de aanvrager namens de commissie mede dat uitgifte zal kunnen plaatsvinden, indien:

De in de Beschikking uitgiftevoorwaarden grondbank opgenomen voorwaarden maken deel uit van de in artikel 28 bedoelde erfpachtovereenkomst.

Vervallen.