Wet · BWBR0004471

Monumentenwet 1988

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 23 december 1988, tot vervanging van de Monumentenwet Monumentenwet 1988Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe bepalingen vast te stellen voor het behoud van monumenten van bouwkunst en archeologie en lagere overheden meer bij dat behoud te betrekken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden

Gegeven te 's-Gravenhage 23 december 1988 Beatrix De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, L. C. Brinkman De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, E. H. T. M. Nijpels de dertigste december 1988 De Minister van Justitie, F. Korthals Altes

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Onze minister doet mededeling van zijn beschikking aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten. Ingeval van aanwijzing leggen burgemeester en wethouders de beschikking op de secretarie ter inzage. De burgemeester maakt die terinzagelegging op de gebruikelijke wijze bekend.

Indien de afschriften van het register niet overeenstemmen met het register dan wel onderling niet gelijkluidend zijn, worden als beschermd monument slechts aangemerkt de monumenten die staan vermeld op het afschrift van het register, dat is opgenomen in de openbare registers, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.

In afwijking van het bepaalde in artikel 12 wordt een aanvraag om vergunning die betrekking heeft op een archeologisch monument als bedoeld in artikel 7, eerste lid, ingediend bij Onze minister.

Vervallen

Vervallen

Voorzover blijkt dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, ten gevolge van de weigering daarvan of ten gevolge van de aan de vergunning verbonden voorschriften schade lijdt, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent Onze minister, de schadebeoordelingscommissie gehoord, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

De schadebeoordelingscommissie brengt binnen drie maanden na de dag waarop het verzoek om schadevergoeding is ingediend, advies uit aan Onze minister. Zij zendt gelijktijdig een exemplaar daarvan aan de verzoeker.

De kosten van de schadebeoordelingscommissie worden de verzoeker niet in rekening gebracht.

Onze minister beslist binnen twee maanden na ontvangst van het advies van de schadebeoordelingscommissie.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

De artikelen 39, 40 en 41, eerste lid, zijn niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.

Vervallen

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in de artikelen 39, tweede lid, 40, eerste lid, en 41, eerste en tweede lid.

Onze minister kan de opgravingsvergunning intrekken indien de vergunninghouder naar het oordeel van Onze minister niet langer bekwaam is tot het doen van opgravingen, zich niet houdt aan de gestelde beperkingen of de gestelde voorschriften niet naleeft.

De artikelen 45 tot en met 47 zijn van toepassing in de aansluitende zone, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling aansluitende zone.

Roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, zijn eigendom van:

Degene die bij het opsporen van monumenten, zonder dat daarbij verstoring van de bodem optreedt, waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo spoedig mogelijk bij Onze minister.

De artikelen 53 en 54 zijn van toepassing in de aansluitende zone, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling aansluitende zone.

Onze minister kan bij schade dan wel dreigende schade aan archeologische monumenten voorschriften geven met betrekking tot de uitvoering van het werk dat die schade dan wel die dreiging veroorzaakt, dan wel gelasten dat dat werk voor bepaalde of onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk wordt stilgelegd.

Rechtsvorderingen tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 58 staan ter kennisneming van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het werk, onderscheidenlijk het onderzoek, wordt uitgevoerd.

Onze minister kan formulieren vaststellen ten aanzien van de meldingen, bedoeld in de artikelen 46, eerste en tweede lid, 53, eerste lid, en 54.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Een rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente die ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg over een opgravingsvergunning voor onbepaalde tijd beschikt, blijft gerechtigd tot het doen van opgravingen onder de beperkingen en voorschriften die aan die vergunning zijn verbonden, gedurende twee jaar na inwerkingtreding van die wet.

Gedurende twee jaar na inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg kunnen roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van opgravingen worden opgeslagen in de depots van de vergunninghoudende gemeenten, bedoeld in artikel 65.

Gedeputeerde staten maken binnen een jaar na inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg aan de gemeentelijke vergunninghouders, bedoeld in artikel 65, kenbaar, hoe zij gebruik zullen maken van hun bevoegdheid, bedoeld in artikel 51, tweede lid.

Besluiten die voor de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg op grond van het bij die wet vervallen artikel 58, eerste lid, zijn genomen, berusten na inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg op artikel 63, eerste lid.

Deze wet wordt aangehaald als: Monumentenwet 1988.