Wijzigingen Officiële bron
Wet van 27 juni 1990, houdende bepalingen inzake het toezicht op beleggingsinstellingen Wet toezicht beleggingsinstellingenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te geven voor beleggingsinstellingen met het oog op een adequate werking van de financiële markten en de positie van de beleggers op die markten, en dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (85/611/EEG);

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage 27 juni 1990 Beatrix De Minister van Financiën, W. Kok de negentiende juli 1990 De Minister van Justitie E. M. H. Hirsch Ballin

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Geen effecten in de zin van deze wet zijn:

Artikel 6 is niet van toepassing op een in dat artikel omschreven beheerder die het beheer voert over een beleggingsinstelling die:

Aan een vergunning kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate werking van de financiële markten en de positie van de beleggers op die markten, indien feiten en omstandigheden die betrekking hebben op degene voor wie de vergunning zal gelden dit vereisen. De beperkingen kunnen uitsluitend worden gesteld ten aanzien van de reikwijdte en de tijdsduur van de vergunning.

Indien Onze Minister van oordeel is dat van de in Nederland gevoerde of te voeren naam van de beheerder of de beleggingsinstelling gevaar voor verwarring of misleiding is te duchten, kan Onze Minister verlangen dat de beheerder of de beleggingsinstelling

Aan een vergunning kunnen ten aanzien van de reikwijdte en de tijdsduur beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering van de financiële markten en de positie van de beleggers op die markten.

Onze Minister verstrekt, op verzoek, aan de beheerder waaraan een vergunning is verleend en die het beheer voert over een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6 en die voornemens is rechten van deelneming in die beleggingsinstelling in een andere lidstaat te verhandelen een verklaring dat de beheerder en de door hem beheerde beleggingsinstelling aan de voorwaarden van de richtlijn voldoen.

Indien een accountant naar het oordeel van Onze Minister niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met betrekking tot de beleggingsinstelling naar behoren zal vervullen, kan Onze Minister bepalen dat hij niet bevoegd is de in deze wet en daaruit voortvloeiende besluiten bedoelde verklaringen omtrent de getrouwheid met betrekking tot die beleggingsinstelling af te leggen.

Indien het bevoegde gezag van de lidstaat van ontvangst van een beheerder als bedoeld in artikel 6 Onze Minister ervan in kennis stelt dat de aldaar gestelde wettelijke voorschriften niet worden nageleefd, en dat de beheerder, na daarop te zijn gewezen, hieraan geen einde maakt, treft Onze Minister de noodzakelijke maatregelen om de niet-naleving te beëindigen. Van deze maatregelen wordt het bevoegde gezag van de lidstaat van ontvangst in kennis gesteld.

Indien een beheerder de inkoop van rechten van deelneming in een door hem beheerde beleggingsinstelling opschort, stelt hij Onze Minister en, indien het een beheerder betreft als bedoeld in artikel 6, eerste lid, tevens het bevoegde gezag van elke lidstaat waar de rechten van deelneming van de beleggingsinstelling worden verhandeld, onverwijld daarvan op de hoogte.

Vervallen

Onze Minister kan, voor zover nodig in afwijking van artikel 24, periodiek in de Staatscourant mededeling doen van de voornaamste gegevens, voortkomende uit de informatieverschaffing als bedoeld in artikel 12. Zonder schriftelijke toestemming van de beheerder die het aangaat, worden gegevens met betrekking tot de beheerder en de door hem beheerde beleggingsinstellingen niet openbaar gemaakt.

Onze Minister werkt, voor zover noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van het toezicht op beheerders die in meerdere lidstaten bijkantoren hebben gevestigd of hun diensten aanbieden, samen met het bevoegde gezag van de betrokken lidstaten.

Onze Minister dan wel een rechtspersoon aan wie ingevolge artikel 29, eerste lid, taken en bevoegdheden zijn overgedragen, is bevoegd de kosten die gemaakt worden voor de uitvoering van die taken en de uitoefening van die bevoegdheden aan beheerders in rekening te brengen volgens door Onze Minister te stellen regels.

Onze Minister kan bepalen dat een vergunning op grond van deze wet wordt geweigerd of ingetrokken, of dat aan de vergunning beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden, dan wel dat de eerder gestelde beperkingen en gegeven voorschriften worden gewijzigd, indien:

Onze Minister kan ten aanzien van een beheerder die een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a of b beheert en die niet in een lidstaat is gevestigd dan wel in een lidstaat is gevestigd die nog geen uitvoering aan de richtlijn heeft gegeven, het bepaalde bij of krachtens artikel 6, derde tot en met zevende lid, alsmede artikel 12, tweede lid, van overeenkomstige toepassing verklaren.

Onze Minister kan een organisatie van beleggingsinstellingen, bewaarders of beheerders, de rechtspersoon of rechtspersonen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, gehoord, aanwijzen als representatieve organisatie met betrekking tot de uitvoering van deze wet.

Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Onze Minister kan, in afwijking van artikel 24, teneinde de naleving van deze wet te bevorderen ter openbare kennis brengen:

Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat Onze Minister zijn handelen of nalaten op grond van artikel 33n ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

De beschikking om op grond van artikel 33n een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:

Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 33n een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 33n ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Vervallen

Vervallen

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet toezicht beleggingsinstellingen.

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van Hoofdstuk VII B van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

1. Indien een boete wordt opgelegd voor overtreding van een bepaling als genoemd in tabel 1, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete de volgende categorie-indeling naar eigen vermogen onderscheidenlijk beheerd vermogen van toepassing, met de daarbij behorende factor:

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I: beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders met een eigen vermogen onderscheidenlijk beheerd vermogen van minder dan € 455.000; Factor 1;

Categorie II: beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders met een eigen vermogen onderscheidenlijk een beheerd vermogen van ten minste € 455.000 maar minder dan € 4.500.000; Factor 2;

Categorie III: beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders met een eigen vermogen onderscheidenlijk een beheerd vermogen van ten minste € 4.500.000 maar minder dan € 45.000.000; Factor 3;

Categorie IV: beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders met een eigen vermogen onderscheidenlijk een beheerd vermogen van ten minste € 45.000.000 maar minder dan € 450.000.000; Factor 4;

Categorie V: beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders met een eigen vermogen onderscheidenlijk een beheerd vermogen van ten minste € 450.000.000; Factor 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar eigen vermogen onderscheidenlijk beheerd vermogen, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent het vermogen niet aan de toezichthouder beschikbaar zijn gesteld, kan hij aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.

Op grond van artikel 33f, tweede lid, behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 of 2 is vastgesteld.

Tabel 1

Tabel 2