Wijzigingen Officiële bron
Wet van 18 april 1991, houdende wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de overdracht van het bestuur van rijksscholenRegeling bestuursoverdracht rijksscholenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat een terughoudende rol van de rijksoverheid waar mogelijk ten aanzien van uitvoerende taken gewenst is;

Overwegende dat in dit kader de taak van de rijksoverheid als bevoegd gezag van openbare scholen voor voortgezet onderwijs dient te worden beëindigd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage18 april 1991BeatrixDe Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,J. WallageDe Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,P. Bukmande eenentwintigste mei 1991De Minister van Justitie,E. M. H. Hirsch Ballin

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

A Begripsbepalingen

In de artikelen III, IV, V en X wordt verstaan onder:

"Onze minister": Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen;

"rijksschool": een door het Rijk in stand gehouden school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voor lager beroepsonderwijs;

"openbaar lichaam": een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. 1984, 669) waarin deelnemen een of meer gemeenten dan wel een of meer gemeenten en het Rijk, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.

B Kennisgeving van voornemen tot overdracht van rijksscholen

C Verzoek tot overdracht van een rijksschool

D Overleg met aanvrager

Onze minister treedt na de indiening van een verzoek als bedoeld in onderdeel C van dit artikel in overleg met de aanvrager. Dit overleg heeft in elk geval betrekking op de aangelegenheden, bedoeld in onderdeel C, tweede lid, van dit artikel.

E Beslissing op verzoek tot overdracht

Binnen twee jaar na de indiening van het verzoek, bedoeld in onderdeel C van dit artikel, neemt Onze minister een beslissing op dat verzoek.

F Voldoende openbaar onderwijs m.i.v. 1 augustus 1995

Indien Onze minister blijkt dat de overdracht van het bestuur van een rijksschool niet wordt verwezenlijkt en daardoor naar zijn oordeel met ingang van 1 augustus 1995 niet voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen, en gedeputeerde staten geen gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid, genoemd in onderdeel C, vierde lid, van dit artikel, draagt hij de gemeente op vóór 1 augustus 1994 een verzoek tot hem te richten tot overdracht van de rijksschool die in die gemeente is gevestigd met ingang van 1 augustus 1995.

G De overdracht van de rijksschool

Indien de in onderdeel E van dit artikel bedoelde beslissing strekt tot overdracht van een rijksschool, wordt deze school door Onze minister voor 1 augustus 1995 overgedragen aan de desbetreffende gemeente of het desbetreffende openbaar lichaam. Onze minister komt met de gemeente of het openbaar lichaam overeen op welk tijdstip de overdracht plaats vindt.

A Opheffing van niet bij overdracht betrokken scholen

B Gelegenheid tot het afleggen van eindexamen in de periode 1998-2001

Verzoeken als bedoeld in artikel 66 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor openbare scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor lager beroepsonderwijs, van een gemeente waarin een of meer zodanige rijksscholen zijn gevestigd, worden tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip niet in behandeling genomen, indien deze gemeente heeft nagelaten een verzoek als bedoeld in onderdeel C van artikel III in te dienen.

Indien Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij blijkt dat de overdracht van het bestuur van een rijksschool voor middelbaar landbouwonderwijs niet wordt verwezenlijkt en daardoor naar zijn oordeel met ingang van 1 augustus 1995 niet voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen, draagt hij de gemeente op vóór 1 augustus 1994 een verzoek tot hem te richten tot overdracht van de desbetreffende rijksschool die in die gemeente is gevestigd met ingang van 1 augustus 1995.

A Opheffing van niet overgedragen scholen

B Gelegenheid tot het afleggen van eindexamen in de periode 1998-1999

Degenen die in het schooljaar 1997/1998 zijn afgewezen voor het eindexamen, afgelegd aan een school voor middelbaar landbouwonderwijs als bedoeld in onderdeel A van dit artikel, hebben de gelegenheid in het schooljaar 1998/1999 het eindexamen af te leggen volgens de bij of krachtens artikel 29 van de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften die gelden op 31 juli 1998.

Indien beroep is ingesteld tegen een beslissing als bedoeld in artikel III onderdeel F of artikel VI, vinden de artikelen IV en VII geen toepassing. Indien de uitspraak op het beroep leidt tot een verzoek als bedoeld in artikel III onderdeel F of artikel VI, is artikel III voor zover nodig van overeenkomstige toepassing. Indien de uitspraak op het beroep leidt tot opheffing als bedoeld in artikel IV of artikel VII, is het bepaalde in deze artikelen van overeenkomstige toepassing met ingang van 1 augustus na de datum van de uitspraak op het beroep.

Indien met betrekking tot een voorgenomen besluit tot overdracht van het bestuur van een rijksschool de procedures, bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs, niet zijn afgerond voor 1 augustus 1995, vinden de artikelen IV en VII geen toepassing. Indien de uitkomst van de procedure, bedoeld in artikel 10 van de in de eerste volzin genoemde wet, leidt tot handhaving van het voorgenomen besluit tot overdracht van het bestuur van een rijksschool, zijn de artikelen III en VI van overeenkomstige toepassing. Indien de uitkomst van de in de tweede volzin bedoelde procedure niet leidt tot handhaving van het voorgenomen besluit tot overdracht van het bestuur van een rijksschool, zijn de artikelen IV en VII alsnog van overeenkomstige toepassing.