Ministeriële regeling · BWBR0006126

Warenwetregeling Zuigelingenvoeding

Wijzigingen Officiële bron
Warenwetregeling ZuigelingenvoedingWarenwetregeling ZuigelingenvoedingDe Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op Richtlijn 91/321/EEG van de Commissie van 14 mei 1991 inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding (PbEG L 175), alsmede op artikel 13 van de Warenwet (Stb. 1988, 360), op artikel 19, eerste lid, van de Landbouwwet, en op artikel 10, eerste en tweede lid, van het Warenwetbesluit Produkten voor bijzondere voeding;

Gezien de adviezen van de Adviescommissie Warenwet van 19 januari 1989 met nummer 14107/(24)15, van 17 oktober 1990 met nummer 14337/(1)5 en van 10 maart 1993 met nummer 14633/(3)5

Besluiten:

De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en CultuurHans J.SimonsDe Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J.D.Gabor

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.zuigelingen:

kinderen jonger dan twaalf maanden;

b.volledige zuigelingenvoeding:

voedingsmiddelen die speciaal zijn bedoeld als voeding voor gezonde zuigelingen in de eerste vier tot zes levensmaanden, en die volledig aan de voedingseisen van deze categorie personen voldoen;

c.opvolgzuigelingenvoeding:

voedingsmiddelen die speciaal zijn bedoeld als voeding voor gezonde zuigelingen die ouder zijn dan vier maanden, en die het belangrijkste vloeibare bestanddeel vormen van de steeds gevarieerder wordende voeding van deze personen;

d.residu van bestrijdingsmiddelen:

het residu in volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding, van een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, met inbegrip van de metabolieten daarvan en de producten die bij de afbraak of de reactie vrijkomen.

Bij de bereiding van volledige zuigelingenvoeding en van opvolgzuigelingenvoeding wordt geen gebruik gemaakt van:

Grondstoffen welke gebruikt worden bij de bereiding van volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding, voldoen aan de navolgende eisen:

Vervallen.

Volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding, die gereed zijn voor onmiddellijke consumptie of zijn gereconstitueerd volgens de aanwijzingen van de fabrikant daarvan, bevatten ten hoogste:

Onverminderd het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen worden bij opvolgzuigelingenvoeding vermeldingen gebezigd, aangevende dat de waar:

Schenking of aflevering tegen lage prijzen van zuigelingenvoeding aan instellingen of organisaties, vindt slechts plaats ten behoeve van zuigelingen die met zuigelingenvoeding moeten worden gevoed, gedurende de periode dat die zuigelingen daaraan behoefte hebben.

De Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel te Leusden is mede belast met het toezicht op de naleving door de bij haar aangeslotenen van de bij deze regeling gestelde voorschriften.

Als methoden van onderzoek welke bij uitsluiting beslissend zijn voor de vaststelling of met betrekking tot zuigelingenvoeding of opvolgzuigelingenvoeding al dan niet is voldaan aan artikel 6a, worden aangewezen de algemeen aanvaarde gestandaardiseerde methoden.

De Regeling zuigelingenvoeding (Warenwet) wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 1994.

Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling Zuigelingenvoeding. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Essentiële samenstelling van volledige zuigelingenvoeding na oplossen volgens de instructies van de fabrikant

NB: De aangegeven waarden hebben betrekking op het gebruiksklare produkt.

(Eiwitgehalte = stikstofgehalte x 6,38) voor koemelkeiwit.(Eiwitgehalte = stikstofgehalte x 6,25) voor fracties van soja-eiwit en partiële eiwithydrolysaten. Onder ``chemische index'' wordt verstaan de laagste waarde van de verhouding tussen de hoeveelheid van elk essentieel aminozuur van het onderzochte eiwit en de hoeveelheid van het overeenkomstige aminozuur van het referentie-eiwit.

Bij gelijkblijvende energiewaarde bevat de bereiding een beschikbare hoeveelheid van elk essentieel en semi-essentieel aminozuur die ten minste gelijk is aan de hoeveelheid in het referentie-eiwit (moedermelk zoals gedefinieerd in bijlage V); voor berekeningen mogen de concentraties van methionine en cystine echter worden opgeteld.

Bij gelijkblijvende energiewaarde bevat de bereiding een beschikbare hoeveelheid van elk essentieel en semi-essentieel aminozuur die ten minste gelijk is aan de goeveelheid in het referentie-eiwit (moedeermelk zoals gedefinieerd in bijlage V); voor berekeningen mogen de concentraties van methionine en cystine echter worden opgeteld.

De eiwitrendementscoëfficiënt (PER) en de netto-eiwitbenutting (NPU) zijn ten minste gelijk aan die van caseïne. Het gehalte aan taurine is ten minste 10 µmol/100 kJ) (42 µmol/100 kcal) en het gehalte aan L-carnitine is ten minste 1,8 µmol/100 kJ (7,5 µmol/100 kcal).

Bij de fabricage van deze bereidingen worden alleen soja-eiwit-isolaten gebruikt.De chemische index is ten minste 80 % van het referentie-eiwit (moedermelk) zoals gedefinieerd in bijlage VI).

Bij gelijkblijvende energiewaarde bevat het produkt een beschikbare hoeveelheid methionine die ten minste gelijk is aan de hoeveelheid in het referentie-eiwit (moedermelk, zoals gedefinieerd in bijlage V).

Het gehalte aan I-carnitine moet ten minste 1,8 µmol/100 kJ (7,5 µmol/100 kcal) zijn.

In alle gevallen worden aminozuren alleen toegevoegd om de voedingswaarde van de eiwitten te verhogen in de voor dat doel noodzakelijke verhouding

3.1

De volgende stoffen worden niet gebruikt:

3.5

Het gehalte aan alfa-linoleenzuur bedraagt ten minste 12 mg/100 kJ (50 mg/100 kcal). De verhouding linolzuur/alfa-linoleenzuur bedraagt ten minste 5 en ten hoogste 15.

3.6

Het gehalte aan trans-isomeren van vetzuren bedraagt ten hoogste 4% van het totale vetgehalte.

3.7

Het gehalte aan erucazuur bedraagt ten hoogste 1% van het totale vetgehalte.

3.8

LC-PUFA's, dat wil zeggen meervoudig onverzadigde vetzuren met een lange keten (20 en 22 koostofatomen) mogen worden toegevoegd tot een gehalte van ten hoogste:

Het gehalte aan eicosapentaeenzuur (20:5 n-3) is niet hoger dan het gehalte aan docosahexaeenzuur (22:6 n-3).

Deze bepaling geldt neit voor produkten waarin meer dan 50% van het totale eiwitgehalte bestaat uit sojaeiwit.

(*) Grenswaarden voor produkten met toegevoegd ijzer

(*) Deze grenswaarden gelden voor bereidingen met toegevoegd seleen

De verhouding calcium/fosfor is minimaal 1,2 en maximaal 2,0.

Voor deze produkten gelden alle bij punt 5.1 vermelde eisen, behalve die voor ijzer en zink, waarvoor de eisen als volgt zijn.

(*) RE = all transretinol-equivalent

(*) In de vorm van cholecalciferol, waarvan 10µg = 400 i.e. vitamine D

(*) [alpha]-TE = d-[alpha]-tocoferol-equivalent

(*) De totale nucleotide-concentratie is ten hoogste 1,2 mg/100 kJ (5 mg/100 kcal)

Essentiële samenstellingen van opvolgzuigelingenvoeding na oplossen volgens de instructies van de fabrikant

NB: De aangegeven waarden hebben betrekking op het gebruiksklare produkt.

(Eiwitgehalte = stikstofgehalte x 6,38) koemelkeiwit.

(Eiwitgehalte = stikstofgehalte x 6,25) voor soja-eiwit-isolaten.

De chemische index van de aanwezige eiwitten is ten minste gelijk aan 80% van die van het referentie-eiwit (caseïne of moedermelkeiwit zoals gedefinieerd in bijlage VI). Onder "chemische index" wordt verstaan de laagste waarde van de verhouding tussen de hoeveelheid van elk essentieel aminozuur van het onderzochte eiwit en de hoeveelheid van het overeenkomstige aminozuur van het referentie-eiwit.

Bij gelijkblijvende energiewaarde bevat de waar een beschikbare hoeveelheid methionine die ten minste gelijk is aan de hoeveelheid in moedermelk zoals gedefinieerd in bijlage V.

Voor opvolgzuigelingenvoeding, die uit sojaeiwit of een mengsel daarvan met koemelkeiwit wordt vervaardigd, worden alleen soja-eiwit-isolaten gebruikt.

Aminozuren mogen om de voedingswaarde van de eiwitten te verhogen en in de voor dat doel noodzakelijke verhoudingen aan opvolgzuigelingenvoeding worden toegevoegd.

3.1

De volgende stoffen worden niet gebruikt:

3.5

Het gehalte aan trans-isomeren van vetzuren is ten hoogste 4% van het totale vetgehalte.

3.6

Het gehalte aan erucazuur is ten hoogste 1% van het totale vetgehalte.

Deze bepaling geldt niet voor opvolgzuigelingenvoeding waarvan meer dan 50% van het totale eiwitgehalte bestaat uit soja-eiwit-isolaten.

4.1

Gluten bevattende bestanddelen worden niet gebruikt.

5.2. Zink

De concentraties zijn ten minste gelijk aan de normaal in koemelk aangetroffen concentraties, eventueel verlaagd in de dezelfde verhouding als die tussen de eiwitconcentratie van de opvolgzuigelingenvoeding en die van koemelk. Bijlage VII bevat ter indicatie de normale samenstelling van koemelk.

5.4

De verhouding calcium/fosfor is niet groter dan 2,0

(*) RE = all transretinol-equivalent

(*) In de vorm van cholecalciferol, waarvan 10µg = 400 i.e. vitamine D

(*) [alpha]-TE = d-[alpha]-tocoferol-equivalent

(*) De totale nucleotide-concentratie is ten hoogste 1,2 mg/100 kJ (5 mg/100 kcal)

Criteria voor de samenstelling van volledige zuigelingenvoeding waarbij bepaalde vermeldingen zijn toegelaten

Essentiële en semi-essentiële aminozuren in moedermelk

Het gehalte aan essentiële en semi-essentiële aminozuren van moedermelk, uitgedrukt in mg per 100 kJ en 100 kcal, is als volgt:

Aminozuursamenstelling van caseine en moedermelkeiwit

De aminozuursamenstelling van caseïne en moedermelkeiwit (g/100 g eiwit) is als volgt:

Mineralen in koemelk

Als referentie gelden de volgende gehaltes aan mineralen van koemelk, uitgedrukt per 100 g vetvrije droge stof en per g eiwit:

Vervallen.

Referentiewaarden voor de voedingswaarde-etikettering van voor zuigelingen en peuters bestemde eet- en drinkwaren

Deze bijlage behoort bij artikel 6a, onder a.

De in artikel 6a, onder a, bedoelde bestrijdingsmiddelen en omschrijving van de desbetreffende residuen zijn:

Scheikundige naam van de stof (omschrijving van de residuen)

disulfoton (som van disulfoton, disulfotonsulfoxide en disulfotonsulfon, uitgedrukt als disulfoton)

fensulfothion (som van fensulfothion, het zuurstofanalogon daarvan en de sulfonen van deze stoffen, uitgedrukt als fensulfothion)

fentin, uitgedrukt als trifenyltin-kation

haloxyfop (som van haloxyfop en de zouten en esters daarvan, met inbegrip van conjugaten, uitgedrukt als haloxyfop)

heptachloor en trans-heptachloor-epoxide, uitgedrukt als heptachloor

hexachloorbenzeen

nitrofeen

omethoaat

terbufos (som van terbufos, het sulfoxide en het sulfon ervan, uitgedrukt als terbufos)

aldrin en dieldrin, uitgedrukt als dieldrin

endrin

Deze bijlage behoort bij artikel 6a, onder b.

De in artikel 6a, onder b, bedoelde bestrijdingsmiddelen en maximumgehalten aan residuen zijn: