Wijzigingen Officiële bron
Regeling van 5 oktober 1994, houdende voorschriften voor de typekeuring van motorrijtuigen in verband met de luchtverontreinigingRegeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreinigingDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op:

richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen (PbEG L 76), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 94/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 (PbEG L 100);

richtlijn nr. 72/306/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 augustus 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG L 190), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 89/491/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 1989 (PbEG L 238);

richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de emissie van gasvormige verontreinigingen door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG L 36), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 91/542/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 oktober 1991 (PbEG L 295);

en op de artikelen 5 en 10 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging;

Besluiten:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage5 oktober 1994 De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, M. deBoer De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.besluit:

Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging;

b.overeenkomst van 20 maart 1958:

Overeenkomst van 20 maart 1958 betreffende het aannemen van eenvormige goedkeuringsvoorwaarden en de wederzijdse erkenning van goedkeuring van uitrustingsstukken en onderdelen van motorrijtuigen (Trb. 1959, 83);

c.richtlijn 70/220:

richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen (PbEG L 76);

d.richtlijn 72/306:

richtlijn nr. 72/306/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 augustus 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG L 190);

e.richtlijn 83/351:

richtlijn nr. 83/351/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1983 tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door uitlaatgassen van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 197);

f.richtlijn 88/76:

richtlijn nr. 88/76/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door uitlaatgassen van motoren en motorvoertuigen (PbEG L 36);

g.richtlijn 88/77:

richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de emissie van gasvormige verontreinigingen door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG L 36);

h.richtlijn 91/441:

richtlijn nr. 91/441/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1991 tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen (PbEG L 242);

i.richtlijn 93/59:

richtlijn nr. 93/59/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1993 tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen (PbEG L 186);

j.richtlijn 94/12:

richtlijn nr. 94/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen en tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG (PbEG L 100);

k.richtlijn 96/1:

richtlijn nr. 96/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 januari 1996 tot wijziging van Richtlijn 88/77/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door dieselmotoren bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PbEG L 40);

l.richtlijn 96/44:

richtlijn nr. 96/44/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 juli 1996 houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 70/220/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen (PbEG L 210);

m.richtlijn 96/69:

richtlijn nr. 96/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 oktober 1996 tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen (PbEG L 282);

n.richtlijn 97/20:

richtlijn nr. 97/20/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 april 1997 (PbEG L 125) houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 72/306/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen;

o.richtlijn 97/24:

richtlijn 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee- of drie wielen;

p.richtlijn 98/77:

richtlijn nr. 98/77/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 oktober 1998 (PbEG L 286) houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 70/220/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen;

q.richtlijn 98/69:

richtlijn nr. 98/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 1998 (PbEG L 350) met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen en tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG van de Raad;

r.richtlijn 1999/102:

richtlijn nr. 1999/102/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1999 (PbEG L 334) houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 70/220/EEG van de Raad betreffende maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen;

s. proef van type I:

proef van type I voor de controle van uitlaatemissies na een koude start als bedoeld in bijlage III van richtlijn 70/220.

t.richtlijn 1999/96:

richtlijn nr. 1999/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 (PbEG 2000, L 44) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking en tot wijziging van Richtlijn 88/77/EEG van de Raad;

u.richtlijn 2001/1:

richtlijn nr. 2001/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 januari 2001 (PbEG 2001, L 35) tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG van de Raad betreffende maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen;

v.richtlijn 2001/27:

richtlijn nr. 2001/27/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 april 2001 (PbEG 2001, L 107) houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 88/77/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of op vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking;

w.richtlijn 2001/100:

richtlijn nr. 2001/100/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 december 2001 (PbEG 2002, L 16) tot wijziging van richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen;

x.richtlijn 2002/51:

richtlijn nr. 2002/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 betreffende de verlaging van het niveau van verontreiniging door uitlaatgassen van motorvoertuigen op twee of drie wielen en tot wijziging van richtlijn nr. 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 252);

y. trial-motorfiets:

motorrijtuig met de volgende kenmerken:

z. enduro-motorfiets:

motorrijtuig met de volgende kenmerken:

aa.richtlijn 2002/80:

richtlijn nr. 2002/80/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 oktober 2002 (PbEG L 291) tot aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 70/220/EEG van de Raad betreffende maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen;

bb.richtlijn 2003/76:

richtlijn nr. 2003/76/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 11 augustus 2003 (PbEU L 206) tot wijziging van richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad betreffende maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen;

cc.richtlijn 2003/77:

richtlijn nr. 2003/77/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 11 augustus 2003 (PbEU L 211) tot wijziging van de richtlijnen nr. 97/24/EG en nr. 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen;

dd.richtlijn 2005/21:

richtlijn nr. 2005/21/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 maart 2005 (PbEU L61) tot aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn nr. 72/306/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen;

ee.richtlijn 2005/55/EG:

richtlijn 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 september 2005 inzake typegoedkeuring van zware bedrijfsvoertuigen en motoren voor wat betreft hun emissies (Euro IV en V) (PbEU L 275);

ff.richtlijn 2007/46/EG:

richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (Pb EU L 263);

gg.ECE-reglement nr. 115:

Regulation No. 115, concerning uniform provisions for the approval of specific LPG retrofit systems to be installed in motorvehicles for the use of LPG in their propulsion system, and for the approval of specific CNG retrofit systems to be installed in motorvehicles for the use of CNG in their propulsion system.

Met de in artikel 3 bedoelde beoordeling die dient ter uitvoering van artikel 23, derde lid, onder c, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 wordt gelijkgesteld een beoordeling door een onafhankelijke keuringsinstantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welke beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van ten minste gelijkwaardige eisen.

De keuring, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van het besluit wordt verricht aan de hand van de bepalingen van richtlijn 72/306, zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2005/21.

De keuring, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder a, en vierde lid, onder a, van het besluit, wordt verricht aan de hand van richtlijn 2005/55/EG.

De keuring van motorrijtuigen die reeds in het buitenland in het verkeer zijn gebracht en in Nederland worden ingevoerd, wordt verricht aan de hand van de keuringsvoorschriften zoals deze van kracht waren op het tijdstip waarop de motorrijtuigen voor de eerste maal zijn toegelaten tot het verkeer op de weg.

Voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het besluit die in Nederland nog niet zijn toegelaten tot het verkeer op de weg, houdt de goedkeuring, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of c, van het besluit, op te gelden en houdt de mededeling, bedoeld in dat lid, onder b, op van kracht te zijn:

De artikelen 8 en 9 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot, naar het oordeel van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van de Minister van Verkeer en Waterstaat, gelijkwaardige keuringen.

Een richtlijn tot wijziging of uitvoering van richtlijn 2005/55/EG, gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betreffende richtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

De Regeling keuringsvoorschriften typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging.

1.1

De aanvraag voor een keuring van het gassysteem wordt ingediend door de fabrikant of importeur daarvan.

1.2

De keuring wordt uitgevoerd op een voertuig dat als benzine-versie op basis van richtlijn 94/12/EG, richtlijn 96/44/EG of richtlijn 96/69/EG een typegoedkeuring heeft verkregen.

1.3

Het ter keuring aangeboden voertuig behoort tot een type waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat daarvan een groter aantal voertuigen zal worden omgebouwd op gas dan van de andere typen die behoren tot het desbetreffende merk voertuig. Hiertoe worden door de fabrikant of importeur gegevens verstrekt.

1.4

De keuring wordt uitgevoerd aan een voertuig dat ten minste 3000 kilometer heeft gereden.

2.1

De constructie van het gassysteem is zodanig dat de afstelling van onderdelen of functies van het gassysteem die van invloed zijn op de samenstelling van de uitlaatgassen, slechts kan worden gewijzigd door of onder direct toezicht van de fabrikant of importeur van dit systeem.

2.2

Het gassysteem is ongevoelig voor verandering van samenstelling van de gebruikte gassoort (LPG of CNG).

2.3

Het gassysteem beschikt over een boorddiagnosesysteem dat de goede werking van het systeem voortdurend bewaakt en de bestuurder van het voertuig waarschuwt indien het systeem niet naar behoren functioneert. Het boorddiagnosesysteem dient minimaal storingen in het signaal van de lambdasensor en afwijkingen van de gerealiseerde luchtbrandstofverhouding van de gewenste verhouding te detecteren. Indien het gassysteem zodanig is geconstrueerd dat automatische overschakeling op benzine plaatsvindt in het geval van een storing aan het gassysteem, dient het boorddiagnosesysteem deze overschakeling eveneens aan te geven.

3.1

De emissietesten worden uitgevoerd volgens de testprocedure van de richtlijn op basis waarvan de typegoedkeuring voor dat voertuig in de benzine-versie is verstrekt. De instelling van de rollenbank komt overeen met de instelling die bij de keuring van het voertuig in de benzine-uitvoering is gehanteerd, dan wel met de in de betreffende richtlijn opgenomen standaardinstelling.

3.2

Indien LPG als brandstof wordt gebruikt, wordt de keuring achtereenvolgens verricht met twee gasmengsels die voldoen aan de specificaties als genoemd in aanhangsel A bij deze bijlage. Alvorens de test met het tweede gasmengsel te verrichten, wordt tweemaal een volledige testcyclus gereden met dat mengsel.

Op verzoek van de aanvrager mag de keuring tot 1 januari 1998 worden verricht met twee gasmengsels die voldoen aan de specificaties genoemd in aanhangsel B bij deze bijlage.

3.3

Indien CNG als brandstof wordt gebruikt, wordt de keuring achtereenvolgens verricht met twee gasmengsels die voldoen aan de specificaties genoemd in aanhangsel C bij deze bijlage. Alvorens de test met het tweede gasmengsel te verrichten, wordt tweemaal een volledige testcyclus gereden met dat mengsel.

3.4

De resulterende massa's van de uitlaatgassen moeten voor de verschillende typen voertuigen beneden de grenswaarden liggen die in onderstaande tabel zijn vermeld:

4.1

De fabrikant/importeur dient in het kader van het kwaliteitsborgsysteem procedures te beschrijven en maatregelen te treffen opdat gegarandeerd wordt dat gassystemen die worden gefabriceerd, geleverd en ingebouwd overeenstemmen met het goedgekeurde type gassysteem.

4.2

De fabrikant/importeur selecteert in eerste instantie ten minste vijf voertuigen uitgerust met gassystemen die representatief zijn voor zijn serieproductie. Na deze selectie mogen geen afstellingen meer worden verricht aan de betreffende voertuigen.

4.3

De geselecteerde voertuigen mogen niet meer dan 10.000 kilometer hebben gereden.

4.4

De beproeving in het kader van de overeenstemming van productie wordt uitgevoerd met brandstof van handelskwaliteit.

4.5

Drie voertuigen worden aselect uit de serie van vijf genomen en aan de onder 3 van deze bijlage beschreven proef onderworpen. De grenswaarden zijn in pt. 3.4 vermeld.

4.6

Bij een minimum-steekproefomvang van 3 en een maximum-omvang van 10 voertuigen wordt de steekproef zo uitgevoerd dat een partij met 30% uitval de proef met een kans van 90% doorstaat (risico fabrikant = 10%), terwijl een partij met 65% uitval de proef met een kans van 10% doorstaat (risico consument = 10%).

4.7

Voor elk van de in punt 3.4 van deze bijlage bedoelde verontreinigingen wordt de procedure in stroomschema 4.7.1 gevolgd, waarbij:

L:

de voor de verontreiniging geldende grenswaarde voor gas is;

xi:

de meetwaarde voor de I-de motor uit de steekproef;

n:

de momentane steekproefomvang.

4.8

Berekening van de statistische waarde die het aantal voertuigen aangeeft die niet in overeenstemming zijn vindt plaats m.b.v. xi>L.

In de onderstaande tabellen is af te lezen in welke gevallen acceptatie dan wel verwerping van de test plaatsvindt.

In de onderstaande tabel wordt aangegeven op welke wijze bij twijfel de steekproef moet worden voortgezet. Indien het aantal geselecteerde voertuigen dat beschikbaar is gesteld nog niet volstaat om een beslissing te nemen, dient alsnog het resterende aantal voertuigen door de fabrikant/importeur te worden geselecteerd om vervolgens te worden onderworpen aan een nieuwe proef.

De productie van een serie wordt op basis van een steekproef van voertuigen als conform dan wel niet conform beschouwd zodra voor alle verontreinigingen acceptatie dan wel voor één verontreiniging verwerping plaatsvindt, overeenkomstig de proefcriteria beschreven in de punten 4.6 t/m 4.9.

Wanneer voor een van de verontreinigen acceptatie plaatsvindt, wordt de beslissing hiertoe niet gewijzigd door eventuele aanvullende proeven die worden verricht om tot een beslissing inzake de overige verontreinigingen te komen.

Indien niet voor alle verontreinigingen acceptatie plaatsvindt en indien voor geen enkele verontreiniging verwerping plaatsvindt, wordt de proef met een ander voertuig herhaald.

De fabrikant/importeur kan te allen tijde de proeven laten staken indien het niet tot een beslissing komt; dit wordt als verwerping geregistreerd.

5.1

Alle voertuigen die zijn uitgerust met gassystemen die zijn goedgekeurd volgens deze bijlage dienen gemiddeld over de effectieve levensduur van het voertuig – mits goed onderhouden en normaal gebruikt – aan de keuringseisen van deze bijlage te blijven voldoen.

5.2

Onder effectieve levensduur van het voertuig wordt verstaan: 80.000 kilometer of 5 jaar, welke van de twee het eerst wordt bereikt.

5.3

Het testen en het beoordelen van de duurzaamheid vindt plaats overeenkomstig de procedure en de criteria hiervoor beschreven onder 4.5 en volgende.

5.4

Het niet voldoen aan de eisen van duurzaamheid wordt aangemerkt als een gebrek in de overeenstemming van de productie.

Behorende bij de bijlage bij artikel 3 van de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging.

Referentiebrandstoffen LPG

Behorende bij de bijlage bij artikel 3 van de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging.

Referentiebrandstoffen LPG volgens grenswaarden V

EGAN-specificatie

Behorende bij de bijlage bij artikel 3 van de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging.

Referentiebrandstoffen CNG