Wijzigingen Officiële bron
Regeling VFR-nachtvluchten en minimum vlieghoogten voor militaire luchtvaartuigenRegeling VFR-nachtvluchten en minimum vlieghoogten voor militaire luchtvaartuigenDe Staatssecretaris van Defensie

Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op de artikelen 44, 45 en 56 van het Luchtverkeersreglement;

De Staatssecretaris van Defensie, J.C.Gmelich Meijling

Aan gezagvoerders van militaire luchtvaartuigen behorend tot de Nederlandse strijdkrachten en aan door de Staatssecretaris van Defensie aan te wijzen luchtvaartuigen behorend tot bondgenootschappelijke strijdkrachten wordt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 2 en 12, vrijstelling verleend van het gestelde in artikel 44, eerste lid, onder a, van het Luchtverkeersreglement mits de volgende voorschriften en bepalingen in acht worden genomen:

De minimum vlieghoogte, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onder b, van het Luchtverkeersreglement bedraagt 300 meter (1000 voet) voor militaire vliegtuigen, met uitzondering van het Waddenzee-gebied waarvoor een minimum vlieghoogte geldt van 450 meter (1500 voet) en met uitzondering van militaire straalvliegtuigen in het luchtverkeersdienstverleningsgebied met klasse G, waarvoor een minimum vlieghoogte geldt van 365 meter (1200 voet).

Gezagvoerders van militaire luchtvaartuigen wordt vrijstelling verleend van het verbod bedoeld in artikel 45, eerste lid van het LVR en artikel 3 van deze regeling onder de voorwaarde dat de voorschriften, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 12, worden nageleefd.

De in artikel 6 bedoelde vrijstelling geldt boven zee, hieronder niet begrepen het Waddenzee-gebied, met inachtneming van een minimum vlieghoogte van 30 meter (100 voet), of zoveel lager als door het doel van de vlucht wordt vereist, en de volgende voorwaarden:

De in artikel 6 bedoelde vrijstelling wordt aan gezagvoerders van militaire hefschroefvliegtuigen behorende tot of in gebruik bij de Nederlandse of bondgenootschappelijke strijdkrachten verleend voor het uitvoeren van een VFR-vlucht waarbij de volgende minimum vlieghoogten in acht worden genomen:

De in artikel 6 bedoelde vrijstelling wordt aan gezagvoerders van voor opleidingsdoeleinden bestemde propellervliegtuigen behorende tot of gebruikt voor de Nederlandse strijdkrachten verleend voor het uitvoeren van een VFR-vlucht boven de in artikel 8, onder b, bedoelde gebieden waarbij een minimum vlieghoogte van 150 meter (500 voet) boven grond of water in acht wordt genomen.

De in artikel 6 bedoelde vrijstelling geldt voor gezagvoerders van militaire luchtvaartuigen behorend tot de Nederlandse strijdkrachten en aan door de Staatssecretaris van Defensie aan te wijzen luchtvaartuigen behorend tot bondgenootschappelijke strijdkrachten voor de in artikel 1 bedoelde VFR-nachtvluchten indien de volgende minimum vlieghoogte in acht wordt genomen:

De besluiten van de Chef van de Marinestaf en van de Chef van de Luchtmachtstaf van 1 juli 1987, nr. 094.385/070.039 en van 27 september 1988, nr. 099.295/070.039 worden ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995.

Deze regeling wordt aangehaald als:

Regeling VFR-nachtvluchten en minimum vlieghoogten voor militaire luchtvaartuigen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.