Ministeriële regeling · BWBR0007384

IJkregeling taxameters

Wijzigingen Officiële bron
IJkregeling taxametersIJkregeling taxametersDe Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 11, derde lid, 13, vierde lid, en 28, eerste lid, van de IJkwet en de artikelen 2, tweede lid, en 3, tweede lid, van het IJkreglement;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage4 mei 1995 De minister van Economische Zaken, G.J.Wijers

In deze regeling wordt verstaan onder:

wet:

de IJkwet;

taxi:

een auto waarmee taxivervoer, bedoeld in artikel 1, onder j, van de Wet personenvervoer 2000 wordt verricht;

ritbedrag:

het totale bedrag dat, afgezien van een eventuele toeslag, aan de passagier in rekening wordt gebracht voor de geleverde dienst;

taxameter:

een toestel dat is bestemd om in een taxi het ritbedrag te bepalen op basis van de afgelegde afstand, de duur van de taxirit en het gehanteerde tarief;

onderzoek tot toelating van een model:

het onderzoek, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet;

keuring:

de keuring, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet;

herkeuring:

de herhaalde keuring, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de wet;

toezicht:

het onderzoek, bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaring van toelating:

de verklaring, bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de wet;

ijkmerk:

het ijkmerk, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet;

zegelmerk:

het eerste deel van het ijkmerk;

mechanische taxameter:

een taxameter waarbij de meting en de berekening van het ritbedrag geheel of hoofdzakelijk plaatsvindt door middel van mechanische componenten;

elektronische taxameter:

een taxameter waarbij de meting en de berekening van het ritbedrag geheel of hoofdzakelijk plaatsvindt door middel van elektronische componenten;

dubbelsysteemmeter:

een taxameter waarbij het ritbedrag, afgezien van eerste aanslag, gelijktijdig door tijd- en afstandstarief wordt bepaald;

enkelsysteemmeter:

een taxameter waarbij het ritbedrag, afgezien van eerste aanslag, afhankelijk van de snelheid, hetzij door het tijdtarief hetzij door het afstandstarief wordt bepaald;

tarief:

het samenstel van de geldbedragen die aan de passagier in rekening worden gebracht per tijdseenheid, per afstandseenheid, als vast bedrag voor de eerste aanslag en, in voorkomend geval, de toeslag;

tijdtarief:

het bedrag dat aan de passagier in rekening wordt gebracht per tijdseenheid;

afstandstarief:

het bedrag dat aan de passagier in rekening wordt gebracht per afstandseenheid;

omschakelsnelheid:

de snelheidswaarde verkregen door de deling van het tijdtarief door het afstandstarief;

toeslag:

het bedrag dat aan de passagier in rekening wordt gebracht voor extra diensten;

eerste aanslag:

het bedrag dat aan de passagier in rekening wordt gebracht als vast bedrag, ongeacht de duur en de afstand van de taxirit;

geldsprong:

het bedrag waarmee de aanwijzing van het ritbedrag sprongsgewijs wordt verhoogd nadat de prestatie voor de eerste aanslag is geleverd;

begintijd:

de tijd gedurende welke beneden de omschakelsnelheid van de taxi gebruik kan worden gemaakt voordat de eerste geldsprong plaatsvindt;

beginafstand:

de afstand over welke vanaf de omschakelsnelheid van de taxi gebruik kan worden gemaakt voordat de eerste geldsprong plaatsvindt;

prestatie-eenheid:

de prestatie bestaande uit afstand, in meters, dan wel tijd, in seconden, die bij gebruik van de dubbelsysteemmeter per cent wordt geleverd;

beginprestatie:

het aantal prestatie-eenheden dat wordt geleverd op basis van de eerste aanslag;

tariefstand:

de instelling van de taxameter waarbij een bepaald tarief wordt gehanteerd voor de berekening van het ritbedrag;

rekeninrichting:

de inrichting die de gemeten tijd en de gemeten afstand omrekent naar het ritbedrag;

normomstandigheden:

de condities van voertuig en meting, waarbij een aantal invloedsfactoren is geëlimineerd of beperkt, met als doel te komen tot vergelijkbare metingen of vaststelling van correctiefactoren;

weggetal:

de grootheid die getal en aard van de signalen aangeeft, die worden gebruikt bij het meten van de afgelegde weg;

apparaatconstante:

de grootheid die getal en aard van de signalen aangeeft, die nominaal aan de taxameter worden toegevoegd per kilometer afgelegde weg.

De keuring van taxameters wordt in twee fasen verricht, waarbij de eerste fase betrekking heeft op de taxameter voordat deze is ingebouwd in de taxi. De tweede fase wordt uitgevoerd aan de taxameter, nadat deze in de taxi is ingebouwd.

Bij de tweede fase van de keuring, de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht wordt de taxameter onderzocht in samenhang met de taxi, waarin de taxameter is ingebouwd en waarop deze is afgesteld.

Het weggetal en de apparaatconstante moeten in de volgende eenheden zijn uitgedrukt:

Bij enkelsysteemmeters moet de verhouding tussen de beginafstand en de begintijd gelijk zijn aan de omschakelsnelheid.

De geldsprong dient € 0,10 te bedragen.

De taxameter moet voorzien zijn van een tariefaanpassingsinrichting waarmee tariefwijzigingen in de taxameter kunnen worden ingevoerd, alsmede van een justeerinrichting waarmee de apparaatconstante in overeenstemming gebracht kan worden met het weggetal.

De taxameter moet voorzien zijn van een aanwijsinrichting die het ritbedrag, de toeslag en de functiestand moet aanwijzen.

De aanwijsinrichting van de taxameter moet zodanig uitgevoerd zijn, dat de aanwijzingen bedoeld in de artikelen 11 en 35, eerste lid, onder a en b, zowel bij dag als bij nacht gemakkelijk kunnen worden afgelezen.

Het ritbedrag moet gemakkelijk door middel van een reeks van op een lijn geplaatste cijfers met een hoogte van ten minste 10 mm kunnen worden afgelezen.

De taxameter moet, onder uitsluiting van andere functiestanden, zijn voorzien van onderstaande functiestanden, waarin de taxameter handmatig met behulp van een bedieningsinrichting moet kunnen worden gebracht:

Indien een taxameter is voorzien van hulpinrichtingen, dienen deze zo uitgevoerd te zijn dat de goede werking van de taxameter gewaarborgd is en geen aanleiding tot misleiding of misvatting kan bestaan.

De aanwijzing van de functiestand moet plaatsvinden door het verschijnen of het aanwijzen van een van de aanduidingen: ’vrij’, ’tarief’ met, indien er meer tariefstanden zijn, het nummer van de tariefstand, ’meetstand’ en ’kas’ of ’te betalen’.

In de functiestand ’vrij’:

In de functiestand ’tarief’:

In de functiestand ’kas’ of ’te betalen’ moet:

De bedieningsinrichting moet zodanig functioneren, dat:

De bepalingen in deze paragraaf zijn van toepassing op mechanische taxameters.

De taxameter moet ingericht zijn als enkelsysteemmeter.

De aandrijving van de taxameter op basis van afstand moet geschieden door middel van de omwenteling van de wielen van de taxi waarin de taxameter is ingebouwd.

De aandrijving van de taxameter op basis van tijd moet geschieden door middel van een uurwerk, dat alleen kan worden ingeschakeld met behulp van de bedieningsinrichting van de taxameter, bedoeld in artikel 15.

De in artikel 10 bedoelde justeerinrichting moet zodanig zijn uitgevoerd, dat door het openen van het huis van de inrichting geen toegang wordt verkregen tot de overige onderdelen van de taxameter.

Onverminderd het bepaalde in artikel 20 moet in de functiestand ’kas’ of ’te betalen’ de afstandsmeting gekoppeld zijn met de rekeninrichting.

De bepalingen in deze paragraaf zijn van toepassing op elektronische taxameters.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

tijdmeetsignaal:

het aan de rekeninrichting toegevoerde signaal, evenredig met de tijd;

afstandsmeetsignaal:

het aan de rekeninrichting toegevoerde signaal, evenredig met de afgelegde afstand;

meetstand:

de instelling van de dubbelsysteemmeter, waarbij uitsluitend de afgelegde weg tijdens de taxirit en de gebruiksduur van de taxi voor die rit worden aangegeven.

Het afstandsmeetsignaal moet aan de volgende eisen voldoen:

De taxameter moet ingericht zijn hetzij als enkelsysteemmeter, hetzij als dubbelsysteemmeter.

De taxameter moet het overschakelen vanuit de functiestand ’vrij’ naar de functiestand ’tarief’ of ’meetstand’ en van de functiestand ’tarief’ of ’meetstand’ naar de functiestand ’kas’ of ’te betalen’ verhinderen, indien er met de taxi wordt gereden met een snelheid, hoger dan 5 km/h.

De taxameter moet voorzien zijn van een testaansluiting welke:

De rekeninrichting moet zijn functie correct blijven uitoefenen, indien het afstand- en tijd-testsignaal, die ten behoeve van de controle van de taxameter op de testaansluiting worden ingevoerd, een frequentie hebben van zowel ten hoogste het dubbele van de frequentie van het afstandsmeetsignaal als ten hoogste het twintigvoudige van de frequentie van het tijdmeetsignaal, bij een snelheid van 100 km/h.

De blootstelling aan omgevingscondities bestaat voorts uit sinusvormige trillingen in 3 richtingen in een frequentiebereik van 10 tot 150 Hz en een frequentieverandering van 1 octaaf per minuut, met een maximale versnelling van 10 m/s2 gedurende 20 periodes per richting.

De blootstelling aan omgevingscondities bestaat voorts uit:

De voedingsspanning wordt gevarieerd tussen 9 V en 16 V.

De maximaal toelaatbare fouten van de taxameter, bedoeld in de artikelen 54 en 56, gelden uitsluitend onder de volgende normomstandigheden:

Voor mechanische taxameters is de maximaal toelaatbare fout bij de tweede fase van de keuring, de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht gelijk aan, in plus of min:

Voor elektronische taxameters is de maximaal toelaatbare fout bij de tweede fase van de keuring, de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet, en het toezicht voor een impulsaantal hoger dan 2000, gelijk aan, in plus of min:

Op elke taxameter moeten in ieder geval de volgende gegevens duidelijk zichtbaar en leesbaar zijn aangebracht:

In de onmiddellijke nabijheid van de taxameter moet in de taxi waarin de taxameter is ingebouwd en waarop deze is afgesteld, in ieder geval zichtbaar voor de passagier een voorziening aanwezig zijn waarop de volgende gegevens zijn vermeld:

Uitsluitend de volgende delen van de taxameter moeten worden verzegeld door middel van het zegelmerk:

De verzegelingen door middel van het zegelmerk, bedoeld in artikel 60, onder a, b en c, moeten zodanig worden aangebracht dat verbreking van de verzegeling voor de passagier eenvoudig zichtbaar is.

Voor elektronische taxameters geldt artikel 60, onder b en c, niet.

Op taxameters, die voor de inwerkingtreding van deze regeling in de handel zijn gebracht, is het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de wet niet van toepassing.

Op elektronische taxameters als bedoeld in artikel 65, eerste lid, zijn de artikelen 32 en 41 en paragraaf 4 van hoofdstuk 2, niet van toepassing gedurende drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze regeling.

Deze regeling wordt aangehaald als: IJkregeling taxameters.