Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 15 oktober 1997, houdende vaststelling van de kerndoelen en adviesurentabel basisvorming voor de periode tot 1 augustus 2003 (Besluit kerndoelen en adviesurentabel basisvorming 1998–2003)Besluit kerndoelen en adviesurentabel basisvorming 1998–2003Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen T. Netelenbos, van 1 juli 1997, nr. 1997/10 864 (3707), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op artikel 11a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1997, nr. WO5.97 0393);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 14 oktober 1997, nr. 1997/23 566 (3707), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage15 oktober 1997 Beatrix De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. J. van Aartsen dertigste oktober 1997 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager

De in artikel 11a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs bedoelde adviesurentabel voor de vakken, genoemd in artikel 11a, tweede lid, eerste volzin, van die wet die als grondslag dient voor de vaststelling van de kerndoelen, luidt als volgt:

De in het Besluit kerndoelen en adviesurentabel basisvorming 1993–1998 opgenomen adviesurentabel alsmede de in de bijlage bij dat besluit opgenomen kerndoelen, zoals deze luiden op 31 juli 1998, kunnen door het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs uiterlijk tot 1 augustus 2001 worden gehanteerd voor leerlingen die op 31 juli 1998 de periode van de basisvorming nog niet hebben afgesloten.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kerndoelen en adviesurentabel basisvorming 1998–2003.

1. Werken aan vakoverstijgende thema’s

De leerling leert, in het kader van brede en evenwichtige oriëntatie op mens en samenleving, enig zicht te krijgen op relaties met de persoonlijke en maatschappelijke omgeving.

Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan:

2. Leren uitvoeren

De leerling leert in zoveel mogelijk herkenbare situaties, mede met gebruikmaking van informatie- en communicatietechnologie, een aantal schoolse vaardigheden verder te ontwikkelen.

Het gaat daarbij om:

3. Leren leren

De leerling leert, mede met gebruikmaking van informatie- en communicatietechnologie, zoveel mogelijk eigen kennis en vaardigheden op te bouwen. Daartoe leert hij onder andere een aantal strategieën die het leerproces kunnen verbeteren.

Het gaat daarbij om:

4. Leren communiceren

De leerling leert, mede via een proces van interactief leren, een aantal sociale en communicatieve vaardigheden verder te ontwikkelen.

Het gaat daarbij om:

5. Leren reflecteren op het leerproces

De leerling leert, door te reflecteren op het eigen functioneren, zicht te krijgen op en sturing te geven aan het eigen leerproces.

Het gaat daarbij om:

6. Leren reflecteren op de toekomst

De leerling leert, door te reflecteren op het eigen functioneren, zicht te krijgen op de eigen toekomstmogelijkheden en interesses. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan:

De bijdrage per vak aan de algemene onderwijsdoelen wordt onder de kop «Bijdrage aan de algemene onderwijsdoelen», voorafgaand aan de kerndoelen aangegeven. Daarin worden eerst die onderdelen van de algemene onderwijsdoelen genoemd die in dat vak aan de orde moeten komen. Vervolgens worden de algemene onderwijsdoelen genoemd waaraan dat vak (verder) nog een bijdrage kan leveren. De school is dan echter vrij in haar keuze in welke vakken zij (onderdelen van) die algemene onderwijsdoelen aan de orde wil laten komen. Voorwaarde daarbij is wel dat alle (onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen in de basisvorming aan bod moeten komen.

Het onderwijs in de Nederlandse taal is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen bij spreken en luisteren rekening houden met en gebruik maken van specifieke kenmerken van een aantal tekstsoorten.

Het gaat daarbij om:

2. De leerlingen kunnen zich voorbereiden op spreek- en gesprekssituaties.

Het gaat daarbij om:

3. De leerlingen kunnen non-verbale communicatiemiddelen als lichaamshouding, gebaren, oogcontact en stembuigingen interpreteren en doelmatig gebruiken.

4. De leerlingen kunnen in klas- of schoolverband een korte monoloog houden met als doel informatie geven. Daarbij kunnen ze de tekst structureren met een indeling in inleiding, kernstuk en slot.

5. De leerlingen kunnen in klas- of schoolverband deelnemen aan een groepsgesprek met als doel:

6. De leerlingen kunnen in formele gesprekssituaties een dialoog voeren met als doel:

en daarbij hun woordkeus en toon aan de situatie aanpassen.

Het gaat daarbij om:

7. De leerlingen kunnen selectief («zoekend») luisteren en kijken.

8. De leerlingen kunnen intensief luisteren en kijken naar uitleg en naar radio- en televisieprogramma’s die qua onderwerp en taalgebruik voor hen geschikt zijn, en ze kunnen daarvan:

Daar waar gesproken wordt over teksten «die qua onderwerp en taalgebruik voor hen geschikt zijn» wordt bedoeld dat de teksten toegankelijk moeten zijn voor zowel allochtone als autochtone jongens en meisjes.

9. De leerlingen kunnen kritisch denken en praten over de aanpak en het resultaat van spreek-, luister-, en kijktaken en hieruit conclusies trekken voor het uitvoeren van nieuwe taken.

10. De leerlingen kennen specifieke kenmerken van een aantal tekstsoorten en kunnen deze kenmerken bij het lezen gebruiken.

Het gaat daarbij om:

11. De leerlingen kennen functies van beeld en opmaak in een tekst en gebruiken deze kennis bij het lezen.

12. De leerlingen weten hoe teksten gestructureerd kunnen zijn met behulp van alinea's, tussenkoppen en door middel van een indeling in inleiding, kernstuk en slot. Zij gebruiken deze kennis bij het lezen.

13. De leerlingen kunnen globaal lezen, zoekend lezen, intensief lezen en studerend lezen.

14. De leerlingen kunnen van teksten die qua onderwerp en taalgebruik voor hen geschikt zijn:

15. De leerlingen kunnen in teksten die qua onderwerp en taalgebruik voor hen geschikt zijn een aantal typen informatie aanwijzen en de betekenis van woorden afleiden uit de context en/of op opzoeken in een woordenboek. Het gaat daarbij om:

Daar waar gesproken wordt over teksten «die qua onderwerp en taalgebruik voor hen geschikt zijn» wordt bedoeld dat de teksten toegankelijk moeten zijn voor zowel allochtone als autochtone jongens en meisjes.

16.De leerlingen kunnen kritisch denken en praten over de aanpak en het resultaat van leestaken en hieruit conclusies trekken voor het uitvoeren van nieuwe taken.

17.De leerlingen kennen specifieke kenmerken van een aantal tekstsoorten en kunnen daar bij het schrijven rekening mee houden.

Het gaat daarbij om:

18.De leerlingen kunnen zich voorbereiden op een schrijftaak.

Het gaat daarbij om:

19.De leerlingen kunnen een tekst structureren met een indeling in inleiding, kernstuk en slot en daarbij gebruik maken van alinea’s en tussenkoppen.

20.De leerlingen kunnen op basis van gegeven of zelf verzamelde informatie teksten schrijven met als doel:

21.De leerlingen kunnen een eigen tekst functioneel van beeld voorzien en de tekst verzorgd vormgeven.

22.De leerlingen kennen regels voor de spelling van werkwoordsvormen en om deze regels te kunnen toepassen herkennen zij in een zin de persoonsvormen, de onderwerpen en de werkwoordelijke gezegdes.

23.Bij het schrijven kunnen leerlingen zich houden aan regels en afspraken met betrekking tot spelling, interpunctie en register, zonodig met gebruik van een woordenboek.

24.De leerlingen kunnen (eigen) teksten kritisch bezien en zonodig verbeteren.

Het gaat daarbij om:

25.De leerlingen kunnen bij het schrijven, verbeteren en vormgeven van teksten een tekstverwerkingsprogramma gebruiken.

26.De leerlingen kennen specifieke kenmerken van een aantal fictie-genres en kunnen bij het lezen gebruik maken van deze kenmerken.

Het gaat daarbij om:

27.De leerlingen kunnen beargumenteerd een fictie-werk kiezen om te lezen en/of te bekijken.

28.De leerlingen kunnen de relatie tussen een fictie-werk en de werkelijkheid toelichten.

29.De leerlingen kunnen bij fictie-werken uit verschillende culturen antwoord geven op een aantal vragen uit de verhaaltheorie.

Het gaat daarbij om:

30.De leerlingen kunnen, zowel mondeling als schriftelijk, een persoonlijke reactie geven op een fictie-werk en deze toelichten met ten minste voorbeelden uit het werk.

31. De leerlingen hebben enig inzicht in variatie en veranderingen in taal naar tijd en plaats.

Daarbij komen de volgende aspecten aan de orde:

32. De leerlingen hebben inzicht in de waarde, de betrouwbaarheid en de invloed van informatie die door massamedia verspreid wordt.

Het onderwijs in de Duitse, de Engelse en de Franse taal is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

Daarnaast draagt het vak bij aan de andere (onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen begrijpen de betekenis van aanwijzingen, opschriften, waarschuwingen en aankondigingen, mits deze gesteld zijn in taal die eenvoudig is wat betreft structuur en vocabulaire.

2. De leerlingen kunnen, gegeven een bepaalde informatiebehoefte, bepalen of een functionele tekst relevante informatie bevat en, zo ja, welke, mits deze informatie gesteld is in taal die eenvoudig is wat betreft structuur en vocabulaire.

Daarnaast kunnen zij deze informatie met elkaar vergelijken en uit deze vergelijking conclusies trekken.

Het gaat daarbij om:

3. De leerlingen begrijpen hoofdzaken van informatieve artikelen in kranten en tijdschriften, verhalende, literaire of cultureel getinte teksten en persoonlijke correspondentie.

Daarbij dienen de teksten te voldoen aan de volgende criteria:

4. De leerlingen hebben ervaring met het extensief lezen van teksten die meerdere pagina’s beslaan en die voldoen aan de onder kerndoel 3. vermelde criteria.

De leerlingen kunnen hun leeservaringen registreren in een leesdossier.

5. De leerlingen kunnen bij het opzoeken en verwerven van informatie gebruik maken van (elektronische) woordenboeken, grammatica-overzichten, bronnen in de doeltaal en van (elektronische) informatiesystemen.

6. De leerlingen kunnen compenserende interpretatiestrategieën inzetten.

Zij kunnen:

7. De leerlingen begrijpen de betekenis van aanwijzingen, waarschuwingen en aankondigingen in het verkeer en op reis.

Daarbij dienen de teksten te voldoen aan de volgende criteria:

8. De leerlingen kunnen relevante informatie selecteren uit functionele teksten die via radio, televisie of telefoon ten gehore worden gebracht zoals weerbericht, verkeersinformatie, reclameboodschappen en programma-aankondigingen en die voldoen aan de onder kerndoel 7 genoemde criteria.

9. De leerlingen begrijpen de hoofdzaak van interviews en monologen, verhalende en literaire of cultureel getinte teksten, mits deze teksten aansluiten bij en voortbouwen op de ervaringswereld van zowel autochtone als allochtone jongens en meisjes en hun ontwikkelingsniveau en voldoen aan de onder 7 genoemde criteria.

10. De leerlingen kunnen hoofdpunten uit informatieve televisieprogramma’s aangeven.

11. De leerlingen kunnen compenserende interpretatiestrategieën inzetten.

Zij kunnen:

12. In contacten, zoals aangegeven in de kerndoelen 13, 14, 15, 20. en 21 begrijpen de leerlingen een gesprekspartner die rekening houdt met het niveau van taalvaardigheid van de leerling als niet-moedertaalspreker.

13. In voorspelbare, alledaagse, communicatief relevante gesprekssituaties in winkels, in het verkeer, bij de bank en aan de telefoon, kunnen de leerlingen een aantal taalhandelingen uitvoeren op een manier die bij die situatie past.

Hierbij gaat het om:

Bij het uitvoeren van genoemde taalhandelingen drukken de leerlingen zich uit op een bij de gesprekssituatie passende wijze, en wel zo, dat de bedoeling van de leerling zonder grote moeite begrepen kan worden, ook door iemand die de doeltaal als moedertaal spreekt en weinig of geen ervaring heeft met communicatiepartners met een andere taalachtergrond. Dit impliceert een zekere mate van correctheid in uitdrukkingsvorm, woordgebruik en uitspraak, waarbij grammaticale correctheid een minder grote rol speelt, behalve waar grammaticale fouten de communicatie daadwerkelijk verstoren. Op eventuele vragen en opmerkingen van hun gesprekspartner reageren leerlingen met ten minste één zin zodanig, dat de bedoeling begrijpelijk is.

14. In minder voorspelbare gesprekssituaties waarbij voor autochtone en allochtone jongens en meisjes communicatief relevante onderwerpen aan bod komen uit het persoonlijk leven, school/studie en beroep, informele sociale contacten en vrije tijd kunnen de leerlingen de volgende taalhandelingen uitvoeren op een manier die bij de situatie past.

Hierbij gaat het om:

Bij de uitvoering van de genoemde taalhandelingen dienen de leerlingen te voldoen aan de eisen, zoals bij kerndoel 13 beschreven.

15. De leerlingen zijn in staat om gesprekken in de doeltaal zodanig te reguleren dat zij daar gezien hun beperkte taalvaardigheid optimaal aan kunnen deelnemen.

Zij kunnen:

16. De leerlingen kunnen compenserende productie-strategieën inzetten.

Zij kunnen:

17. De leerlingen kunnen in voor hen relevantie situaties op invulformulieren ten minste de volgende gegevens verstrekken: naam en geslachtsaanduiding, data, nationaliteit, type identiteitsbewijs, adres.

18. De leerlingen kunnen een standaardbriefje, fax of e-mail, schrijven en verzenden met verzoek om te reserveren of om inlichtingen te vragen in de toeristische sfeer.

19. De leerlingen kunnen een eenvoudig persoonlijk briefje, fax of e-mail, schrijven en verzenden om

Bij het uitvoeren van de kerndoelen 18 en 19 drukken de leerlingen zich uit op een bij de schrijfsituatie passende wijze, en wel zo, dat de bedoeling van de leerling zonder grote moeite begrepen kan worden, ook door iemand die de doeltaal als moedertaal hanteert en weinig of geen ervaring heeft met communicatiepartners met een andere taalachtergrond.

20. In contacten met de doeltaal laten de leerlingen zien dat zij enig inzicht hebben in het eigen karakter van de leefwereld in die landen waar de doeltaal als voertaal gebruikt wordt.

21. De leerlingen weten in welke landen en gebieden de doeltaal als omgangstaal gebruikt wordt en zij hebben kennis gemaakt met cultuuruitingen die specifiek zijn voor het betreffende taalgebied.

22. In mondelinge en schriftelijke contacten met gebruikers van de doeltaal kunnen de leerlingen omgangsvormen hanteren die in deze contacten adequaat zijn.

Zij kunnen op gepaste wijze:

23. De leerlingen hebben inzicht in, en kunnen de rol en het belang aangeven van, de vreemde taal als doeltaal in internationale contacten in binnen- en buitenland, zowel op zakelijk en technologisch als op sociaal en cultureel gebied.

Het onderwijs in de wiskunde is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

Daarnaast draagt het vak bij aan de andere (onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen problemen oplossen, waarbij zij om uitkomsten te berekenen, kunnen kiezen tussen hoofdrekenen, de zakrekenmachine, handig rekenen of cijferen.

Zij kunnen daarbij herkennen welke bewerkingen aan de orde zijn en de daarbij noodzakelijke berekeningen correct uitvoeren.

2. De leerlingen kunnen de zakrekenmachine adequaat gebruiken, in het bijzonder bij het omzetten van breuken, procenten, wortels en machten in eindige decimale getallen.

3. De leerlingen kunnen de uitkomst van een berekening en meting schatten, daarbij referentiematen gebruiken en de uitkomsten controleren op orde van grootte.

4. De leerlingen kunnen werken met gangbare maten voor lengte, oppervlakte, inhoud, tijd, hoeken en geld en kunnen hiermee bewerkingen uitvoeren.

5. De leerlingen kunnen rekenen met verhoudingen en schaal.

6. De leerlingen kunnen in betekenisvolle situaties negatieve getallen ordenen, optellen en aftrekken.

7.De leerlingen begrijpen het verband tussen verhoudingen, breuken en decimale getallen en kunnen met gebruikmaking van rekenkundige modellen daarmee eenvoudige berekeningen uitvoeren.

8. De leerlingen kunnen eenvoudige verbanden tussen twee variabelen uit de werkelijkheid omzetten in de vier vormen verwoording, tabel, grafiek en (woord)formule en terug.

9. De leerlingen kunnen veranderingen in een verband in de werkelijkheid verwerken in de genoemde vormen.

10. De leerlingen kunnen de beschrijving van een verband in een vorm vervangen door de beschrijving in een andere vorm.

11. De leerlingen kunnen verbanden aflezen, vergelijken, interpreteren en gebruiken bij het oplossen van concrete problemen met behulp van verwoordingen, tabellen, grafieken en (woord)formules.

12. De leerlingen kunnen bij eenvoudige verbanden karakteristieke eigenschappen herkennen en interpreteren, als maximale en minimale waarden en welke waarden van de variabelen zinvol zijn in de gegeven situatie.

13. De leerlingen kunnen regelmaat in getalpatronen en tabellen vaststellen, verwoorden en voortzetten.

14. De leerlingen kunnen bij een gegeven grafiek, eventueel op een gegeven interval, vaststellen of er sprake is van een constant, stijgend, dalend of periodiek verband.

15. De leerlingen kunnen uit specifieke punten, het verloop en de vorm van een grafiek conclusies trekken over de bijbehorende situatie.

16. De leerlingen kunnen in een (woord)formule getallen substitueren voor variabelen. Zij kunnen de waarde van een overblijvende variabele berekenen.

17. De leerlingen kunnen, eventueel in benadering, bepalen wanneer twee eenvoudige verbanden gelijke uitkomsten hebben en bepalen op welke intervallen het ene verband groter is dan het andere.

18. De leerlingen kunnen eenvoudige computerprogramma’s gebruiken bij het oplossen van problemen waarbij verbanden tussen twee variabelen een rol spelen.

19. De leerlingen kunnen vlakke afbeeldingen van ruimtelijke situaties interpreteren, beschrijven, zich ruimtelijk voorstellen en al dan niet op schaal weergeven op papier of scherm.

Daarbij gaat het om:

20. De leerlingen kunnen concreet handelen aan de hand van voorstellingen van ruimtelijke figuren en met tastbare voorwerpen.

Zij kunnen aanzichten, uitslagen, patronen en dergelijke maken en vlakken uit ruimtelijke figuren op schaal tekenen.

21. De leerlingen kunnen hoeken, lengten, oppervlakten en inhouden van vlakke en ruimtelijke objecten schatten, meten en berekenen.

22. De leerlingen kunnen bij het tekenen, berekenen van hoeken en afstanden en redeneren gebruik maken van eigenschappen van hoeken en van meetkundige begrippen als: evenwijdig, loodrecht en richting.

23. De leerlingen kunnen regelmaat in, en eigenschappen van, meetkundige patronen en objecten beschrijven en gebruiken bij het maken van berekeningen en het uitbreiden en veranderen van deze patronen en objecten.

24. De leerlingen kunnen bij het tekenen, berekenen, concreet handelen en redeneren gebruik maken van instrumenten.

Daarbij gaat het om de volgende instrumenten:

25. De leerlingen kunnen bij het oplossen van problemen uit de werkelijkheid gebruik maken van grafen of andere visualiseringen van informatie en beoordelen of de visualisering de informatie op een geschikte wijze in beeld brengt.

26. De leerlingen kunnen statistische representaties aflezen en interpreteren.

Zij kunnen deze gegevens verwerken en bewerken in tabellen, grafieken of diagrammen en met behulp van centrummaten karakteriseren.

27. De leerlingen kunnen gegevens ten behoeve van statistisch onderzoek systematisch verzamelen, beschrijven en ordenen.

28. De leerlingen kunnen computerprogramma’s gebruiken waarmee zij data met statistische middelen kunnen verwerken. Zij kunnen de bijbehorende output interpreteren.

29. De leerlingen kunnen in eenvoudige, praktische situaties aan de hand van modellen uitspraken doen over mogelijk te verwachten gebeurtenissen en ontwikkelingen.

Het onderwijs in aardrijkskunde is erop gericht dat de leerlingen

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen informatie- en communicatietechnologie toepassen bij de bestudering van gebieden, aardrijkskundige verschijnselen, vraagstukken en processen.

In dat verband kunnen zij:

2. De leerlingen kunnen, onder andere met behulp van de computer, gebruik maken van atlassen, archieven, kaarten en remote sensing-beelden (met name luchtfoto's) bij oriëntatie in gebieden en bij beeldvorming over gebieden, aardrijkskundige verschijnselen, vraagstukken en processen.

In dat verband kunnen zij:

3. De leerlingen kunnen bij de bestudering van gebieden, aardrijkskundige verschijnselen en vraagstukken aardrijkskundige werkwijzen toepassen.

In dat verband kunnen zij:

4. De leerlingen kunnen uitleggen hoe zij in het dagelijkse leven te maken hebben met aardrijkskundige vraagstukken, met name op het gebied van herinrichting van stedelijke en landelijke gebieden, etnische en ruimtelijke segregatie en/of integratie, verkeersproblematiek, milieu en duurzame ontwikkeling, Europese integratie, ontwikkelingsproblematiek en -samenwerking.

In dat verband kunnen zij:

∗5. De leerlingen kunnen zo zelfstandig mogelijk een eenvoudig aardrijkskundig onderzoek van beperkte omvang in de eigen omgeving verrichten en daarbij bovenstaande vaardigheden toepassen.

6.De leerlingen kunnen de ruimtelijke opbouw van hun eigen omgeving beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

7. De leerlingen kunnen effecten van veranderingen in natuurlijke en maatschappelijke verschijnselen op de ruimtelijke inrichting en leefbaarheid van hun eigen omgeving beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

8. De leerlingen kunnen (her)inrichtingsvraagstukken in hun eigen omgeving beschrijven en beoordelen.

In dat verband kunnen zij:

9. De leerlingen kunnen een vergelijking maken tussen het ruimtegebruik in stedelijke en landelijke gebieden in Nederland.

In dat verband kunnen zij:

10. De leerlingen kunnen de betekenis van toegenomen verkeersmobiliteit voor stedelijke en landelijke gebieden in Nederland beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

11. De leerlingen kunnen met voorbeelden gevolgen van maatschappelijke veranderingen voor de (her)inrichting van stedelijke en landelijke gebieden in Nederland verklaren.

In dat verband kunnen zij:

12. De leerlingen kunnen de ontwikkeling van de openluchtrecreatie en het toerisme in Nederland beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

13. De leerlingen kunnen ontwikkelingen van het Nederlandse toerisme en gevolgen daarvan voor vakantiegebieden in Europa beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

∗14. De leerlingen kunnen het multiculturele karakter van de samenleving in Nederland beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

15. De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden ruimtelijke effecten van de ontwikkeling tot een multiculturele samenleving in Nederland beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

16. De leerlingen kunnen het ontstaan en de ruimtelijke spreiding van belangrijke landschapstypen in Nederland beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

17. De leerlingen kunnen de ligging en ruimtelijke spreiding van natuurlijke verschijnselen voor verschillende deelgebieden in Europa en de wereld beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

∗18. De leerlingen kunnen voorbeelden van belangrijke milieuvraagstukken in Europa en de wereld beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

19. De leerlingen kunnen in Europa belangrijke deelgebieden onderscheiden op grond van sociaal-geografische kenmerken, zoals bevolking, economische activiteiten, welvaart en levensomstandigheden, politiek en cultuur.

In dat verband kunnen zij op basis van genoemde kenmerken:

20. De leerlingen kunnen politiek-geografische ontwikkelingen en de gevolgen daarvan binnen Europa herkennen, beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

∗21. De leerlingen kunnen de gevolgen van de samenwerking tussen landen van de Europese Unie beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

22. De leerlingen kunnen in de wereld belangrijke deelgebieden onderscheiden op grond van sociaal-geografische kenmerken, zoals bevolking, economische activiteiten, welvaart en levensomstandigheden, politiek en cultuur.

In dat verband kunnen zij op basis van genoemde kenmerken:

∗23. De leerlingen kunnen aan de hand van een ontwikkelingsland kenmerken van het ontwikkelingsvraagstuk beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij:

∗24. De leerlingen kunnen voor kenmerken van het ontwikkelingsvraagstuk oplossingsalternatieven aandragen.

In dat verband kunnen zij:

Bij kerndoelen die voorzien zijn van een ∗ is er sprake van samenhang met kerndoelen bij andere M&M-vakken (Mens&Maatschappij-vakken). Deze samenhang wordt hieronder nader aangeduid

∗ Samenhangverwijzingen:

Kerndoel 5 hangt samen met kerndoel 6 van geschiedenis en staatsinrichting en kerndoel 3 van economie.

Kerndoel 14 hangt samen met kerndoel 18 van geschiedenis en staatsinrichting.

Kerndoel 18 hangt samen met kerndoel 19 van geschiedenis en staatsinrichting en kerndoel 24 van economie.

Kerndoel 21 hangt samen met kerndoel 24 van geschiedenis en staatsinrichting en kerndoel 27 van economie.

Kerndoel 23 hangt samen met kerndoel 25 van geschiedenis en staatsinrichting en kerndoel 28 van economie.

Kerndoel 24 hangt samen met kerndoel 29 van economie.

Het onderwijs in geschiedenis en staatsinrichting is erop gericht dat de leerlingen

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen met het oog op de beantwoording van een gegeven of een door hen zelf gestelde vraag hun behoefte aan historische informatie vaststellen en relevante (electronische) bronnen en/of bronfragmenten selecteren, daarbij lettend op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit.

2. De leerlingen kunnen ordening aanbrengen in historische gebeurtenissen, verschijnselen, ontwikkelingen en personen.

In dat verband kunnen zij:

3. De leerlingen kunnen verklaringen geven voor historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen.

In dat verband kunnen zij:

4. De leerlingen kunnen zich een weloverwogen beeld vormen van historische gegevens.

In dat verband kunnen zij:

5. De leerlingen kunnen ten aanzien van een gegeven of door hen zelf gestelde vraag een eigen standpunt weergeven en beargumenteren.

In dat verband kunnen zij:

∗6. De leerlingen kunnen op het gebied van geschiedenis of staatsinrichting zo zelfstandig mogelijk een eenvoudig onderzoek van beperkte omvang in de eigen omgeving verrichten en daarbij bovenstaande vaardigheden toepassen.

7. De leerlingen kunnen enkele belangrijke economische ontwikkelingen beschrijven.

Het gaat daarbij om:

8. De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden uit het 17e eeuwse, het vroeg-industriële en het hedendaagse Nederland herkennen, hoe maatschappelijke posities van individuen en groepen (mede) bepaald worden door factoren als afkomst, etniciteit, religie, bezit, opleiding, beroep en sekse.

9. De leerlingen kunnen beschrijven hoe emancipatieprocessen aan het einde van de 19e en in de loop van de 20e eeuw in Nederland hebben geleid tot veranderingen in posities van arbeiders en vrouwen.

10. De leerlingen kunnen beschrijven hoe huishoudens en gezinnen in Nederland in de 20e eeuw onder invloed van urbanisatie, industrialisatie en individualisering veranderden qua samenstelling, arbeidsverdeling en rolpatronen.

11. De leerlingen kunnen herkennen welke invloed de Romeinse cultuur in de Oudheid heeft uitgeoefend op samenlevingen in West-Europa en welke sporen hiervan in de huidige tijd nog merkbaar en zichtbaar zijn.

12. De leerlingen kunnen voorbeelden geven van contacten tussen de christelijke Europese cultuur en de islamitische Arabische cultuur in de Middeleeuwen en van invloeden van de islamitische Arabische cultuur op de christelijke Europese cultuur.

13. De leerlingen kunnen enkele belangrijke ontwikkelingen in moderne westerse samenlevingen herkennen.

Het gaat daarbij om de betekenis van:

14. De leerlingen kunnen hoofdlijnen in het ontstaan en de verdere bestuurlijk-politieke ontwikkeling van de Nederlandse staat weergeven.

In dat verband kunnen zij aandacht besteden aan de volgende aspecten:

15. De leerlingen kunnen kenmerken noemen van een rechtsstaat en de historische en hedendaagse betekenis van grondwet en grondrechten beschrijven.

∗16. De leerlingen kunnen aan de hand van concrete casussen de structuur en het functioneren van het hedendaagse Nederlandse politieke bestel op gemeentelijk en nationaal niveau beschrijven.

In dat verband kunnen zij aandacht besteden aan:

17. De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden bevoegdheden en functioneren van de rechterlijke organisatie beschrijven.

In dat verband kunnen zij aandacht besteden aan:

∗18. De leerlingen kunnen de ontwikkeling van multiculturele samenlevingen in West-Europa vanaf 1945 beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij aandacht besteden aan de betekenis van:

∗19. De leerlingen kunnen voorbeelden geven van milieuvraagstukken zoals die zich sinds de industrialisatie voordeden, deze beschrijven en verklaren.

In dat verband kunnen zij milieuvraagstukken in verband brengen met economische en technologische ontwikkelingen.

20. De leerlingen kunnen weergeven hoe verschillende oorzaken leidden tot de Tweede Wereldoorlog.

In dat verband kunnen zij aandacht besteden aan:

21. De leerlingen kunnen enkele gevolgen van de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog beschrijven.

Het gaat daarbij om:

22. De leerlingen kunnen verschillen in reacties van de Nederlandse bevolking op de Duitse bezetting herkennen. Zij kunnen verschillende betekenissen van het herdenken van de Tweede Wereldoorlog verklaren en daarbij de beeldvorming in Nederland over Duitsland betrekken.

23. De leerlingen kunnen weergeven onder invloed van welke omstandigheden en ontwikkelingen internationale politieke en economische verhoudingen in de tweede helft van de 20e eeuw zich wijzigden.

Zij kunnen daarbij aandacht besteden aan:

∗24. De leerlingen kunnen voorbeelden van samenwerking tussen landen van de Europese Unie noemen. Zij kunnen ontwikkelingen in de samenwerking tussen de lidstaten verklaren.

Daarbij kunnen zij gebruik maken van de volgende aspecten.

∗25. De leerlingen kunnen effecten van de koloniale en postkoloniale verhouding tussen Nederland en Oosten West-Indië op huidige ontwikkelingsvraagstukken in die gebieden beschrijven.

Daarbij betrekken zij:

Bij kerndoelen die voorzien zijn van een ∗ is er sprake van samenhang met kerndoelen bij andere M&M-vakken. Deze samenhang wordt hieronder nader aangeduid.

∗ Samenhangverwijzingen

Kerndoel 6 hangt samen met kerndoel 5 van aardrijkskunde en kerndoel 3 van economie.

Kerndoel 16 hangt samen met kerndoel 20, vierde aandachtsstreepje, van economie.

Kerndoel 18. hang samen met kerndoel 14 van aardrijkskunde.

Kerndoel 19 hangt samen met kerndoel 18 van aardrijkskunde en 24 van economie.

Kerndoel 24 hangt samen met kerndoel 21 van aardrijkskunde en 27 van economie.

Kerndoel 25 hangt samen met kerndoel 23 van aardrijkskunde en 28 van economie

Het onderwijs in de economie is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

Daarnaast draagt het vak bij aan de andere (onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen:

1. Leerlingen kunnen bij het verwerken van (electronische) informatie over economische verschijnselen, ontwikkelingen en vraagstukken economische begrippen, grootheden en relaties herkennen en toepassen.

2. Leerlingen kunnen bij het beschrijven en/of verklaren van economische verschijnselen, ontwikkelingen en vraagstukken:

li>c. gebruik maken van het redeneren binnen vooronderstellingen of contexten.

∗3. De leerlingen kunnen zo zelfstandig mogelijk een eenvoudig economisch onderzoek van beperkte omvang in de eigen omgeving verrichten en daarbij bovenstaande vaardigheden toepassen.

De leerlingen kunnen met het oog op de rol van de consument:

De leerlingen kunnen met het oog op hun rollen in relatie tot arbeid en productie en hun oriëntatie op studie en beroepen:

Leerlingen kunnen met het oog op hun rol als burger:

De leerlingen kunnen met het oog op de rol van burger:

De leerlingen kunnen met het oog op hun rol als burger:

Bij kerndoelen die voorzien zijn van een ∗ is er sprake van samenhang met kerndoelen bij andere M&M-vakken. Deze samenhang wordt hieronder nader aangeduid.

∗ Samenhangverwijzingen

Kerndoel 3 hangt samen met kerndoel 5 van aardrijkskunde en kerndoel 6 van geschiedenis en staatsinrichting.

Kerndoel 20, vierde aandachtsstreepje, hangt samen met kerndoel 16 van geschiedenis en staatsinrichting.

Kerndoel 24 hangt samen met kerndoel 18 van aardrijkskunde en 19 van geschiedenis en staatsinrichting.

Kerndoel 27 hangt samen met kerndoel 21 van aardrijkskunde en 24 van geschiedenis en staatsinrichting.

Kerndoel 28 hangt samen met kerndoel 23 van aardrijkskunde en kerndoel 25 van geschiedenis en staatsinrichting.

Kerndoel 29 hangt samen met kerndoel 24 van aardrijkskunde.

Het onderwijs in techniek is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen door middel van beperkt onderzoek relaties aangeven tussen technische ontwikkelingen en veranderingen in de samenleving.

Zij kunnen:

2. De leerlingen kunnen op grond van waarneming in hoofdlijnen het technisch functioneren van een productiebedrijf schetsen.

Zij betrekken daarbij:

3. De leerlingen kunnen op grond van concrete informatie of waarneming voorbeelden geven van technische middelen die in beroepen gebruikt worden en ze kunnen veranderingen in activiteiten van technische beroepen aangeven die ontstaan zijn door technische vernieuwing.

4. De leerlingen kunnen voorbeelden geven van de invloed van technische ontwikkelingen en technische productieprocessen op het milieu.

Zij kunnen:

De leerlingen kunnen:

De leerlingen kunnen:

De leerlingen kunnen:

14. De leerlingen kunnen een aantal technische ontwerpproblemen oplossen via een model voor probleemoplossend handelen.

Het gaat hierbij om het oplossen van:

15. De leerlingen kunnen voor een technisch product een ontwerp maken.

Zij kunnen:

De leerlingen kunnen:

19. De leerlingen kunnen het technische ontwerpproces en het product (werkstuk) evalueren, daarbij rekening houdend met ontwerpeisen en andere randvoorwaarden, en op basis van de evaluatie voorstellen doen voor verbetering.

Het onderwijs in informatiekunde is erop gericht dat leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

Bij de realisering van de hieronder uitgewerkte kerndoelen wordt ervan uitgegaan dat alle vakken in de basisvorming de bij die vakken vermelde bijdragen leveren aan informatie- en communicatietechnologie als facet. Bij de vakken wordt voorafgaande aan de kerndoelen aangegeven om welke toepassingen van informatie- en communicatietechnologie het bij dat vak in de basisvorming gaat. Daarnaast worden bij de meeste vakken nog expliciete toepassingen van informatie- en communicatietechnologie in de kerndoelen genoemd.

1. Leerlingen zijn in staat om met inzicht toepassingen van informatie- en communicatietechnologie te gebruiken voor het geven van een antwoord op een informatievraag en het communiceren daarover.

Ze kunnen daarbij het volgende proces gefaseerd doorlopen:

2. De leerlingen kunnen aangeven hoe in het algemeen een proces van gegevensverwerving, -verwerking en -verstrekking verloopt.

Zij kunnen daarbij aandacht besteden aan de volgende aspecten:

3. De leerlingen kunnen met apparatuur en programmatuur omgaan.

Dat houdt in dat:

4. De leerlingen kunnen een functionele beschrijving geven van gegevensverwerkende systemen in het algemeen en kennen in het bijzonder basisprincipes van de werking van een computer en geautomatiseerde gegevensverwerking. Ze kennen naast de mogelijkheden ook beperkingen van computers.

Dat houdt in dat:

5. De leerlingen kennen toepassingsmogelijkheden van informatie- en communicatietechnologie en hebben kennis en inzicht in belangrijke concepten en functies die nodig zijn voor het kunnen omgaan met verschillende toepassingen.

Dat houdt in dat:

6. De leerlingen kunnen een aantal toepassingen van informatie- en communicatietechnologie gebruiken, die voor hen zinvol zijn, ook bij andere vakken.

Dat houdt in dat leerlingen in (vak)contexten toepassingsmogelijkheden van de computer zinvol kunnen gebruiken voor het:

Daar waar gesproken wordt over toepassingsmogelijkheden «die voor hen zinvol zijn, ook bij andere vakken» wordt bedoeld dat de toepassingsmogelijkheden voor zowel jongens als meisjes aantrekkelijk en zinvol moeten zijn.

7. Leerlingen zijn in staat te reflecteren op het gebruik van informatie- en communicatietechnologie in de samenleving, waarbij inbegrepen reflectie op eigen gebruik van informatie- en communicatietechnologie op school, thuis en in de eigen omgeving.

Dat houdt in dat:

8. De leerlingen kunnen met voorbeelden invloeden aangeven van informatietechnologie in verschillende sectoren van de samenleving.

Dat houdt in dat:

Het onderwijs in verzorging is erop gericht dat leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen verbanden leggen tussen verschillende aspecten van zorg.

Zij kunnen met voorbeelden aangeven dat zorg een scala van activiteiten inhoudt, gericht op:

2. De leerlingen kunnen een verband leggen tussen begrippen uit het vak verzorging en zorg in het dagelijks leven en de samenleving.

3. De leerlingen kunnen met voorbeelden aangeven dat zorg bepaald wordt door een combinatie van individuele wensen en mogelijkheden, de sociale omgeving en de samenleving.

4. De leerlingen kunnen de betekenis van zorgzelfstandigheid, economische zelfstandigheid en maatschappelijke zelfstandigheid voor mannen en vrouwen uitleggen.

5. De leerlingen kunnen maatschappelijke en emancipatorische aspecten van betaalde en onbetaalde arbeid noemen en uiteenzetten wat dit voor hun toekomst kan betekenen.

6. De leerlingen kunnen het belang van geld, arbeid en tijd als middel om behoeften te realiseren aangeven.

Zij kunnen:

7. De leerlingen kunnen eisen benoemen waaraan een evenwichtig voedingspakket voldoet en kunnen mogelijke gevolgen van een niet-evenwichtig voedingspakket noemen.

8. De leerlingen kunnen het belang van hygiëne voor huishoudelijke verzorging aangeven.

Zij kunnen:

9. De leerlingen kunnen de behoeften en het belang van een evenwichtige tijdsbesteding aan zorg, arbeid, rust en ontspanning (hobby's) aangeven en mogelijke gevolgen van een niet-evenwichtige tijdsbesteding uitleggen.

10. De leerlingen kunnen aan de hand van enkele voorbeelden aangeven wat verslaving is en welke gevolgen deze kan hebben.

11. De leerlingen kunnen van enkele infectieziekten, waaronder seksueel overdraagbare aandoeningen, gedragsalternatieven noemen om de kans daarop te verkleinen.

12. De leerlingen kunnen het belang van het aangaan en onderhouden van relaties voor zorg verwoorden. Zij kunnen de veranderende betekenis van relaties in de puberteit erkennen en verwoorden.

13. De leerlingen kunnen sociale, culturele, sekse- en economische factoren noemen die behoeften en het gedrag als consument beïnvloeden.

Het gaat daarbij om het gedrag van de consument bij:

14. De leerlingen kunnen enkele belangrijke ontwikkelingen in de samenleving ten aanzien van zorg binnen huishoudens noemen en de consequenties daarvan voor huishoudens aangeven.

Deze ontwikkelingen zijn:

15. De leerlingen kunnen aangeven dat zorg cultureel bepaald is.

Zij betrekken daarbij:

16. De leerlingen kunnen rechten en plichten van consumenten noemen.

17. De leerlingen kunnen:

18. De leerlingen kunnen voorbeelden geven van professionele zorg in Nederland en aangeven waar deze zorg verkrijgbaar is.

De leerlingen kunnen onderstaande vaardigheden inzetten in directe relatie met kerndoelen uit het vorige domein.

19. De leerlingen kunnen een gesprek voeren over vraagstukken als de verdeling van verzorgende taken, professionele zorg en zorg in de samenleving.

In dat verband kunnen zij:

20. De leerlingen kunnen samen met anderen verzorgende activiteiten voorbereiden en uitvoeren. Zij kunnen daarbij tot een taakverdeling komen, zich houden aan afspraken en gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor het eindresultaat.

21. De leerlingen nemen verantwoordelijkheid en hebben aandacht voor het in gang zetten en in stand houden van verzorgende activiteiten. Zij houden daarbij rekening met waarden, normen, gewoonten, gebruiken en gedrag van anderen rondom zorg en kunnen dat relateren aan de situatie.

In dat verband kunnen zij:

22. De leerlingen kunnen keuzes maken op het terrein van zorg.

Zij kunnen:

23. De leerlingen kunnen zichzelf en anderen verzorgen door verzorgende activiteiten op een planmatige manier uit te voeren. Zij hebben daarbij aandacht voor het adequaat omgaan met materialen en producten.

Bij adequaat gaat het om:

24. De leerlingen kunnen reflecteren op de gegeven zorg.

Zij kunnen:

Het onderwijs in natuur- en scheikunde is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

Daarnaast draagt het vak bij aan de andere (onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen in directe relatie met kerndoelen uit de andere domeinen natuurkundige en scheikundige grootheden, eenheden en relaties hanteren.

Het gaat hierbij om:

∗2. De leerlingen kunnen natuur- en scheikundige aspecten in maatschappelijke situaties herkennen en de positieve en negatieve elementen hierin onderscheiden.

∗3. De leerlingen kunnen zo zelfstandig mogelijk een eenvoudig natuurwetenschappelijk onderzoek van beperkte omvang voorbereiden, uitvoeren en beschrijven en daarbij onder kerndoel 1. genoemde grootheden hanteren.

Zij kunnen:

4. De leerlingen kunnen wat betreft het gebruik van water:

5. De leerlingen kunnen wat betreft reinigingsmiddelen en cosmetica:

6. De leerlingen kunnen wat betreft het gebruik van materialen en producten:

7. De leerlingen kunnen wat betreft schakelingen:

8. De leerlingen kunnen wat betreft energiegebruik:

9. De leerlingen kunnen wat betreft de processen verbranden en verwarmen:

10. De leerlingen kunnen wat betreft maatregelen en effecten op het gebied van verbranden en verwarmen:

11. De leerlingen kunnen wat betreft energiebronnen:

∗12. De leerlingen kunnen wat betreft licht:

∗13. De leerlingen kunnen wat betreft beeldvorming:

∗14. De leerlingen kunnen wat betreft spraak en muziek:

∗15. De leerlingen kunnen wat betreft geluidshinder:

16. De leerlingen kunnen wat betreft opnemen en weergeven van geluid verwoorden hoe van een elektrisch signaal een geluidssignaal wordt gemaakt.

∗17. De leerlingen kunnen wat betreft soorten en eigenschappen van krachten:

18. De leerlingen kunnen wat betreft verkeer en veiligheid:

19. De leerlingen kunnen wat betreft de bouw van stoffen:

∗20. De leerlingen kunnen wat betreft het gebruik van water, reinigingsmiddelen, cosmetica, energie en geluid, zoals gespecificeerd in de voorgaande kerndoelen, een relatie leggen met natuur, milieu en duurzame ontwikkeling.

Bij kerndoelen die voorzien zijn van een ∗ is er sprake van samenhang met kerndoelen bij biologie. Deze samenhang wordt hieronder nader aangeduid

∗ Samenhangverwijzingen

De kerndoelen 2 en 3 hangen samen met de kerndoelen 2 en 3 van biologie.

De kerndoelen 12, 13, 14 en 15 hangen samen met kerndoel 7 c en d van biologie

Kerndoel 17 hangt samen met kerndoel 6 van biologie.

Kerndoel 19 heeft een relatie met kerndoel 8 van biologie.

Kerndoel 20 hangt samen met de kerndoel 15 van biologie

Het onderwijs in biologie is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

Daarnaast draagt het vak bij aan de andere (onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen in directe relatie met kerndoelen uit de andere domeinen biologische vaardigheden hanteren.

Het gaat hierbij om:

∗2. De leerlingen kunnen een verband leggen tussen biologische begrippen en vaardigheden en verschijnselen in het dagelijks leven.

∗3. De leerlingen kunnen zo zelfstandig mogelijk een eenvoudig natuur-wetenschappelijk onderzoek van beperkte omvang voorbereiden, uitvoeren en beschrijven.

Zij kunnen:

4. De leerlingen kunnen wat betreft lichaam en levensloop:

5. De leerlingen kunnen wat betreft seksualiteit en voortplanting:

∗6. De leerlingen kunnen wat betreft conditie, houding en beweging:

7. De leerlingen kunnen wat betreft coördinatie:

∗8. De leerlingen kunnen wat betreft stofwisseling:

9. De leerlingen kunnen wat betreft eenheid en verscheidenheid:

10. De leerlingen kunnen wat betreft gedrag aan de hand van een voorbeeld beschrijven dat gedrag van mensen in een bepaalde situatie meestal niet door een enkele oorzaak wordt bepaald, maar dat biologische, psychologische, sociaal-culturele en andere oorzaken een rol kunnen spelen.

11. De leerlingen kunnen wat betreft eenheid en verscheidenheid:

12. De leerlingen kunnen wat betreft aanpassing:

13. De leerlingen kunnen wat betreft afhankelijkheid:

14. De leerlingen kunnen bij waargenomen of beschreven gedrag van een dier aangeven wat de prikkel is, wat de reactie is en wat de relatie is van de reactie met de overlevingskans van het dier.

∗15. De leerlingen kunnen wat betreft natuur en milieu:

16. De leerlingen kunnen wat betreft erfelijkheid toelichten dat erfelijke eigenschappen via eicel of spermacel aan nakomelingen overgedragen worden.

17. De leerlingen kunnen wat betreft evolutie toelichten dat nieuwe rassen en soorten in de loop van de tijd zijn ontstaan.

Bij kerndoelen die voorzien zijn van een ∗ is er sprake van samenhang met kerndoelen bij natuur- en scheikunde. Deze samenhang wordt hieronder nader aangeduid.

∗ Samenhangverwijzingen

De kerndoelen 2 en 3 hangen samen met de kerndoelen 2 en 3 van natuur- en scheikunde.

Kerndoel 6 heeft een relatie met kerndoel 17 van natuur- en scheikunde.

Kerndoel 7c en d heeft een relatie met de kerndoelen 12, 13, 14 en 15. van natuur- en scheikunde.

Kerndoel 8 heeft een relatie met kerndoel 19 van natuur- en scheikunde.

Kerndoel 15 heeft een relatie met kerndoel 20 van natuur- en scheikunde.

Het onderwijs in lichamelijke opvoeding is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

Daarnaast draagt het vak bij aan de andere (onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen een slag- en loopspel (vormen van softbal) spelen.

Zij kunnen:

2. De leerlingen kunnen drie doelspelen spelen, te kiezen uit vormen van voetbal, handbal, hockey, basketbal, korfbal of rugby.

Zij kunnen:

3. De leerlingen kunnen twee terugslagspelen spelen, te weten (een vorm van) volleybal en één spel te kiezen uit vormen van badminton, tafeltennis, of tennis.

Zij kunnen:

4. De leerlingen kunnen taken verrichten die het samen spelen mogelijk maken.

Zij kunnen:

5. De leerlingen beheersen verschillende vormen van springen.

Zij kunnen:

6. De leerlingen beheersen verschillende vormen van zwaaien.

Zij kunnen:

7. De leerlingen beheersen verschillende vormen van balanceren.

Zij kunnen:

8. De leerlingen kunnen taken verrichten die het samen turnen mogelijk maken.

Zij kunnen:

9. De leerlingen kunnen binnen minimaal één van de volgende onderdelen van bewegen op muziek: ritme en bewegen, volksdansen, jazzdansen, conditionele vormen op muziek, een aantal bewegingen uitvoeren.

Zij kunnen:

10. De leerlingen kunnen taken verrichten die het samen bewegen op muziek mogelijk maken.

Zij kunnen:

11. De leerlingen beheersen verschillende vormen van lopen.

Zij kunnen:

12. De leerlingen beheersen verschillende vormen van springen.

Zij kunnen:

13. De leerlingen beheersen verschillende vormen van werpen.

Zij kunnen bij ten minste één van de volgende onderdelen (vanuit een aanloop) werpen of stoten om een zo groot mogelijke afstand te halen.

Het gaat daarbij om de onderdelen:

14. De leerlingen kunnen taken verrichten die het samen beoefenen van atletiek mogelijk maken.

Zij kunnen:

De leerlingen kunnen een vorm van zelfverdediging uitvoeren, te kiezen uit stoeispelen, trefspelen en zelfverdediging (voor meisjes).

15. Stoeispelen (vormen van judo).

De leerlingen kunnen:

16. Trefspelen (een keuze uit vormen van boksen, schermen of karate-do)

De leerlingen kunnen:

17. Zelfverdediging (voor meisjes)

De leerlingen kunnen maatregelen nemen om seksueel geweld te voorkomen.

Zij kunnen:

18. De leerlingen kunnen taken verrichten die het samen oefenen met zelfverdediging mogelijk maken.

Zij kunnen:

Het onderwijs in tekenen, handenarbeid, textiele werkvormen en audiovisuele vormgeving is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

Daarnaast draagt het vak bij aan de andere (onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen relevante kenmerken van wat ze waarnemen registreren met audiovisuele middelen.

2. De leerlingen kunnen vanuit beleving, fantasie en geheugen zich een voorstelling maken van een gegeven en deze zichtbaar en eventueel hoorbaar maken in het eigen beeldend werk.

3. De leerlingen kunnen beeldend werk maken dat hun ervaringen, gevoelens, ideeën en/of meningen zichtbaar en eventueel hoorbaar maakt.

Zij maken daarbij gebruik van een eigen voorstelling van gegevens en/of van registraties van wat ze waargenomen hebben.

4. De leerlingen kunnen beeldend werk maken dat voldoet aan communicatieve eisen.

Zij maken daarbij gebruik van een eigen voorstelling van gegevens en/of van registraties van wat ze waargenomen hebben.

1. De leerlingen kunnen relevante kenmerken van wat ze waarnemen zichtbaar en eventueel tastbaar maken in eigen beeldend werk.

2. De leerlingen kunnen vanuit beleving, fantasie en geheugen zich een voorstelling maken van een gegeven en deze zichtbaar en tastbaar maken in het eigen beeldend werk.

3. De leerlingen kunnen beeldend werk maken dat hun ervaringen, gevoelens, ideeën en/of meningen zichtbaar en eventueel tastbaar maakt.

Zij maken daarbij gebruik van een eigen voorstelling van gegevens en/of van wat ze waargenomen hebben.

4. De leerlingen kunnen beeldend werk maken dat voldoet aan communicatieve en/of gebruikseisen.

Zij maken daarbij gebruik van een eigen voorstelling van gegevens en/of van wat ze waargenomen hebben.

1. De leerlingen kunnen relevante kenmerken van wat ze waarnemen zichtbaar maken in eigen beeldend werk.

2. De leerlingen kunnen vanuit beleving, fantasie en geheugen zich een voorstelling maken van een gegeven en deze zichtbaar maken in het eigen beeldend werk.

3. De leerlingen kunnen beeldend werk maken dat hun ervaringen, gevoelens, ideeën en/of meningen zichtbaar maakt.

Zij maken daarbij gebruik van een eigen voorstelling van gegevens en/of van wat ze waargenomen hebben.

4. De leerlingen kunnen beeldend werk maken dat voldoet aan communicatieve en/of gebruikseisen.

Zij maken daarbij gebruik van een eigen voorstelling van gegevens en/of van wat ze waargenomen hebben.

1. De leerlingen kunnen relevante kenmerken van wat ze waarnemen zichtbaar en eventueel tastbaar maken in eigen beeldend werk.

2. De leerlingen kunnen vanuit beleving, fantasie en geheugen zich een voorstelling maken van een gegeven en deze zichtbaar en eventueel tastbaar maken in het eigen beeldend werk.

3. De leerlingen kunnen beeldend werk maken dat hun ervaringen, gevoelens, ideeën en/of meningen zichtbaar en eventueel tastbaar maakt.

Zij maken daarbij gebruik van een eigen voorstelling van gegevens en/of van wat ze waargenomen hebben.

4. De leerlingen kunnen beeldend werk maken dat voldoet aan communicatieve en/of gebruikseisen.

Zij maken daarbij gebruik van een eigen voorstelling van gegevens en/of van wat ze waargenomen hebben.

5. De leerlingen kunnen zich oriënteren op eenvoudige beeldende problemen.

Zij kunnen daarbij antwoord geven op de volgende vragen:

6. De leerlingen kunnen voor eenvoudige beeldende problemen oplossingen bedenken.

Zij kunnen daarbij antwoord geven op de volgende vragen:

7. De leerlingen kunnen eenvoudige zelfgekozen beeldende oplossingen uitvoeren.

8. De leerlingen kunnen de resultaten van hun beeldende activiteiten ordenen.

Zij kunnen daarbij antwoord geven op de vragen:

9. De leerlingen kunnen het eindresultaat presenteren aan anderen.

Zij geven daarbij antwoord op de vraag:

10. De leerlingen kunnen het doorlopen werkproces toelichten.

Zij geven daarbij antwoord op de volgende vragen:

11. De leerlingen kunnen vakeigen beeldende aspecten en symbolen zo gebruiken dat ze bijdragen aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

12. De leerlingen kunnen basale beeldende mogelijkheden van fotografische en videotechnieken, al dan niet ondersteund door eenvoudige computergestuurde vormgevingsprogramma's, adequaat in eigen beeldend werk gebruiken.

13. De leerlingen kunnen audiovisuele materialen en apparatuur op een veilige manier gebruiken.

11. De leerlingen kunnen vakeigen beeldende aspecten en symbolen zo gebruiken dat ze bijdragen aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

12. De leerlingen kunnen basale beeldende mogelijkheden van boetseren, beeldhouwen en construeren, al dan niet ondersteund door eenvoudige computergestuurde vormgevingsprogramma's, adequaat in eigen beeldend werk gebruiken.

13. De leerlingen kunnen handenarbeidmaterialen en gereedschappen op een veilige manier gebruiken.

11. De leerlingen kunnen vakeigen beeldende aspecten en symbolen zo gebruiken dat ze bijdragen aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

12. De leerlingen kunnen basale beeldende mogelijkheden van teken- en schildertechnieken, al dan niet ondersteund door eenvoudige computergestuurde vormgevingsprogramma's, adequaat in eigen beeldend werk gebruiken.

13. De leerlingen kunnen teken- en schildermaterialen en gereedschappen op een veilige manier gebruiken.

11. De leerlingen kunnen vakeigen beeldende aspecten en symbolen zo gebruiken dat ze bijdragen aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

12. De leerlingen kunnen basale beeldende mogelijkheden van het doen ontstaan, bewerken en verwerken van textiel, al dan niet ondersteund door eenvoudige computergestuurde vormgevingsprogramma's, adequaat in eigen beeldend werk gebruiken.

13. De leerlingen kunnen textiele materialen en gereedschappen op een veilige manier gebruiken.

14. De leerlingen kunnen overeenkomsten en verschillen tussen het eigen beeldend werk en dat van medeleerlingen, kunstenaars en vormgevers benoemen met betrekking tot het gebruik van beeldende middelen.

15. De leerlingen kunnen functie en vorm van beeldend werk in verband brengen met:

16. De leerlingen kunnen stereotiepe verbeelding van waarden en normen herkennen in alledaagse beelden.

17. De leerlingen kunnen symboolgebruik in alledaagse beelden herkennen.

18. De leerlingen kunnen verslag doen van hun indruk van authentiek beeldend werk aan de hand van tevoren aangegeven aandachtspunten met betrekking tot functie, vorm, beeldende middelen en/of culturele context.

19. De leerlingen hebben ten minste één tentoonstelling van beeldend werk bezocht en daar verslag van gedaan.

N.B.

Met alledaagse beelden en beeldend werk worden alleen objecten op het gebied van het desbetreffende vak bedoeld.

Het onderwijs in dans is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

Daarnaast draagt het vak bij aan de andere (onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen gevoelens, ervaringen, ideeën, situaties en gebeurtenissen in dans weergeven.

2. De leerlingen kunnen ideeën in dans vertalen met gebruikmaking van de danselementen ruimte, tijd en kracht.

Onder bewegingsideeën wordt verstaan:

3. De leerlingen kunnen in dans met elkaar communiceren en samenwerken.

4. De leerlingen kunnen in dans optimaal gebruik maken van de eigen fysieke en creatieve mogelijkheden.

5. De leerlingen kunnen door middel van exploreren, improviseren en structureren dansfrasen ontwerpen.

Daarbij wordt gevarieerd gebruik gemaakt van danselementen en wordt een inhoudelijke ontwikkelingslijn zichtbaar gemaakt.

6. De leerlingen kunnen bij het vormgeven van dans gebruik maken van attributen en vormgevingsmiddelen, die ontleend zijn aan muziek, beeldende vormgeving en drama.

7. De leerlingen kunnen zelf ontworpen en bestaande dansen uit verschillende culturen alleen en samen met anderen uitvoeren.

8. De leerlingen kunnen een zelf of gezamenlijk ontworpen dans en een bestaande dans met adequate zeggingskracht presenteren aan anderen.

Zij gebruiken daarbij de vaardigheden uit de domeinen Dansen en Vormgeven.

9. De leerlingen kunnen ingaan op elkaars ideeën en opvattingen over dans en reflecteren op hun eigen dans en dansproducten.

10. De leerlingen kunnen voorbeelden geven van de betekenis en beleving van dans in verschillende culturen en in verschillende tijden.

11. De leerlingen kennen de betekenis van veel voorkomende danstermen en kunnen kenmerken van de belangrijkste danssoorten noemen.

12. De leerlingen kunnen dans analyseren op het gebruik van het lichaam en de danselementen ruimte, tijd en kracht.

Zij kunnen van deze elementen de verschillende aspecten apart benoemen als snel, traag, groot, gespannen. Bij de analyse van het gebruik van het lichaam gaat het om: lichaamsdelen geïsoleerd, aanzetpunten, het lichaam als totaal, symmetrie, asymmetrie.

13. De leerlingen kunnen dansproducten duiden en analyseren naar aanleiding van een schoolvoorstelling, theaterbezoek of videovoorstelling.

14. De leerlingen hebben, mede naar aanleiding van praktische voorbereidende activiteiten, ten minste één voorstelling bezocht op het gebied van dans en daar aan de hand van tevoren opgegeven aandachtspunten verslag van gedaan.

Het onderwijs in drama is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

Daarnaast draagt het vak bij aan de andere (onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen hun non-verbale- en verbale uitingsmogelijkheden zowel afzonderlijk als in samenhang in spel toepassen.

Onder non-verbale uitingsmogelijkheden wordt verstaan:

Verbale uitingsmogelijkheden zijn taal- en stemgebruik.

2. De leerlingen kunnen tijdens hun spel spelgegevens van elkaar onderscheiden. Spelgegevens zijn: rol, actie, ruimte/plaats, verhaal, tijd, motief.

3. De leerlingen kunnen tijdens het spel spelgegevens met elkaar combineren.

4. De leerlingen kunnen functioneel inspelen op het spel van anderen.

5. De leerlingen kunnen voorzetten geven waar medespelers functioneel op kunnen reageren.

6. De leerlingen kunnen een rol en een spel vormgeven met dramatische middelen en attributen.

Daarbij kunnen zij:

7. De leerlingen passen de vaardigheden uit de domeinen Spelen en Vormgeven functioneel toe in een optreden voor publiek.

8. De leerlingen kunnen bij een presentatie van anderen aangeven of bepaalde, van tevoren opgegeven theatrale middelen gebruikt zijn.

Theatrale middelen in dit verband zijn:

9. De leerlingen kunnen bij een zelfgekozen televisieprogramma aangeven welke theatrale middelen zijn gebruikt.

10. De leerlingen kunnen volgens van tevoren aangegeven aandachtspunten reflecteren op de dramatische vormgeving:

11. De leerlingen hebben, mede naar aanleiding van praktische voorbereidende activiteiten, ten minste één voorstelling bezocht op het gebied van drama en daar aan de hand van tevoren opgegeven aandachtspunten verslag van gedaan.

Het onderwijs in muziek is erop gericht dat de leerlingen:

Het vak draagt in ieder geval bij aan het realiseren van de volgende onderdelen van de algemene onderwijsdoelen:

Daarnaast draagt het vak bij aan de andere (onderdelen van de) algemene onderwijsdoelen:

1. De leerlingen kunnen:

2. De leerlingen kunnen:

3. De leerlingen kunnen:

4. De leerlingen kunnen muziek componeren en improviseren.

Zij kunnen een (buiten)muzikaal gegeven met behulp van instrumenten of de stem aanvullen, variëren of als geheel vormgeven.

5. De leerlingen kunnen:

6. De leerlingen kunnen in groepsverband een repertoire presenteren aan anderen, bijvoorbeeld aan klasgenoten.

Bij dit repertoire gaat het om:

7. De leerlingen kunnen:

8. De leerlingen kunnen muzikale aspecten, zoals ritme, tempo, dynamiek, klankkleur, globaal verloop van toonhoogte en vorm in een luisterpartituur door middel van grafische notatie aanvullen, ordenen of wijzigen.

9. De leerlingen kunnen muzikale aspecten zoals ritme, tempo, dynamiek, klankkleur, globaal verloop van toonhoogte en vorm onderscheiden, herkennen en benoemen.

10. De leerlingen kunnen met eigen woorden betekenissen en functies van muziek aangeven, zo mogelijk met verwijzing naar muzikale aspecten en associaties met buitenmuzikale gegevens,

11. De leerlingen kunnen muzikale aspecten en betekenissen van muziek weergeven in beweging, spel, beeld of taal.

12. De leerlingen kunnen met eigen woorden aangeven hoe zij muziek ervaren door te verwijzen naar muzikale aspecten, betekenissen en functies van muziek. Zij kunnen daarin de meningen van anderen betrekken.

13. De leerlingen hebben, mede naar aanleiding van praktische voorbereidende activiteiten, ten minste één voorstelling bezocht op het gebied van muziek en daar aan de hand van tevoren opgegeven aandachtspunten verslag van gedaan.