Wet · BWBR0010041

Experimentenwet Stad en Milieu

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 26 november 1998, houdende regels over experimenten inzake zuinig en doelmatig ruimtegebruik en optimale leefkwaliteit in stedelijk gebied (Experimentenwet Stad en Milieu)Experimentenwet Stad en MilieuWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is experimenten in het belang van een zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het bereiken van een optimale leefkwaliteit in het stedelijk gebied mogelijk te maken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage26 november 1998 Beatrix De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J. P. Pronk zeventiende december 1998 De Minister van Justitie, A. H. Korthals

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

experimenteergebied: een gebied als bedoeld in artikel 2;

milieukwaliteitseis: bij of krachtens de wet vastgestelde eis ten aanzien van de kwaliteit van een onderdeel van het milieu;

inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar;

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit;

toezichthoudend bestuursorgaan: bestuursorgaan dat toezicht als bedoeld in titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht, uitoefent op een ander bestuursorgaan.

De gemeenteraad maakt van de bevoegdheid bedoeld in artikel 3, eerste lid, niet eerder gebruik dan nadat hij tot het oordeel is gekomen dat daarmee, vergeleken met de situatie waarbij de binnen de geldende regelgeving bestaande mogelijkheden optimaal worden benut, de belangen genoemd in de aanhef van artikel 3, eerste lid, aanzienlijk beter gediend zijn.

Indien de gemeenteraad besluit tot afwijking van milieukwaliteitseisen, worden de daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen zoveel mogelijk beperkt. Voor zover dit niet mogelijk is, worden de nadelige gevolgen gecompenseerd op een zodanige wijze dat daarmee de belangen genoemd in de aanhef van artikel 3, eerste lid, gediend zijn. Compensatie geschiedt zoveel mogelijk binnen het betreffende onderdeel van de milieukwaliteit. De compensatie heeft zoveel mogelijk plaats binnen het experimenteergebied.

In een besluit krachtens artikel 3, eerste lid, worden aangegeven:

De motivering van het besluit bevat in ieder geval een beschrijving van:

Het niet tijdig bekendmaken van een besluit omtrent goedkeuring of een besluit tot verdaging van de beslissing omtrent goedkeuring heeft niet tot gevolg dat een besluit tot goedkeuring geacht wordt te zijn genomen.

De bestuursorganen die met de uitvoering en handhaving van de in artikel 3, eerste lid, bedoelde bepalingen zijn belast en de toezichthoudende bestuursorganen nemen bij de uitoefening van hun taak ten aanzien van de experimenteergebieden het daarop betrekking hebbende besluit krachtens artikel 3, eerste lid, in acht.

Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van deze wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Deze wet wordt aangehaald als: Experimentenwet Stad en Milieu.

De vermelde experimenteergebieden zijn aangegeven op een kaart waarvan exemplaren ter inzage liggen bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag en bij de gemeente waarbinnen het experimenteergebied is gelegen.