Ministeriële regeling · BWBR0010335

Uitvoeringsregeling BSE 1999-I

Wijzigingen Officiële bron
Uitvoeringsregeling BSE 1999-IUitvoeringsregeling BSE 1999-IDe Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 4, derde lid, 5, 6, 14, tweede lid, en 17 van het Besluit subsidies energieprogramma’s;

Besluit:

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage12 maart 1999De Minister van Economische Zaken, A.Jorritsma-Lebbink

Wijzigt de Uitvoeringsregeling BSE 1998-I

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling BSE 1999-I.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem

Postbus 8242

3503 RE Utrecht,

tel 030 - 2393610

tel 030 - 2393662

Gemeenten hebben in de afgelopen jaren energiebeleids- en uitvoeringsplannen opgesteld. Het doel van het programma Loreen 1999 is het intensiveren van de beleidsontwikkeling en beleidsuitvoering door het stimuleren en ondersteunen van energiebesparing bij de belangrijkste door de gemeente aangeduide doelgroepen van het gemeentelijk energiebeleid.

Het programma is ingedeeld in twee onderdelen.

De voornaamste soorten projecten die voor subsidie in aanmerking komen zijn gericht op de uitvoering van het gemeentelijk energiebeleid. Hieronder vallen:

Projecten kunnen uitsluitend worden ingediend door de besturen van (deel-)gemeenten en gemeentelijke samenwerkingsverbanden.

Het subsidiebedrag per project is gemaximeerd en is afhankelijk van de grootte van de gemeente. De maximale subsidie per project staat vermeld in onderstaande tabel.

Indien een project wordt ingediend door een gemeentelijk samenwerkingsverband is de maximale subsidie het totaal van de voor de afzonderlijke gemeenten geldende maxima, echter met een totaal maximum van f 250 000,00.

Per (deel)gemeente en per samenwerkingsverband kan één project worden ingediend, met dien verstande dat een project van een samenwerkingsverband wordt beschouwd als projecten van de afzonderlijke (deel)gemeenten uit het betreffende samenwerkingsverband.

Gemeenten waaraan subsidie is of wordt verleend op grond van onderdeel 1 van het programma Loreen 1997 of onderdeel 1 van het programma Loreen 1998 komen op grond van onderdeel 1 van het programma Loreen 1999 niet voor subsidie in aanmerking.

De voornaamste soorten projecten die voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids- en kennisoverdrachtprojecten ten behoeve van mogelijke opties voor de optimale energie-infrastructuur bij kleine bouwlocaties.

Kennisoverdrachtprojecten dienen gericht te zijn op partijen betrokken bij de besluitvorming over de energie-infrastructuur.

Aanvragen kunnen uitsluitend worden ingediend door gemeenten. Voor subsidiëring komen projecten van ca. 350 tot 1000 woningen met een beoogde EPC waarde lager dan 1.0 in aanmerking.

De maximale subsidie per project bedraagt f 15 000,00.

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

Ad a. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast de praktische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard. Demonstratieprojecten kunnen worden ondersteund als de praktische en financieel/economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

Ad g. De ondersteuning van een project wordt mede beoordeeld op de mate van kennisoverdracht over het project.

Ad h. De planning moet er op gericht zijn dat het project vóór 1 januari 2001 is afgerond.

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Loreen bedraagt f 1 750 000,00 voor de onderdelen 1 en 2 tezamen, met dien verstande dat voor het onderdeel 2 maximaal f 150 000,00 beschikbaar is.

Aanvragen met betrekking tot het programma Loreen moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1999 tot en met 1 november 1999.

Nadere informatie is te verkrijgen bij:

Novem B.V.

Postbus 8242

3503 RE Utrecht

tel. 030 - 2393493

Het doel van het EBIT-programma is het leveren van een bijdrage aan de uitvoering van het energiebesparingsbeleid van de overheid in het verkeer en vervoer, zoals geformuleerd in de Energiebesparingsnota 1998.

Het programma richt zich op vraagreductie van (inefficiënt) wegtransport zonder economische groeibelemmering.

In het personen- en goederentransport komen voor subsidie in aanmerking projecten die een vraagreductie van het transport over de weg tot direct of indirect gevolg hebben, en als zodanig een bijdrage leveren aan de vermindering van het energieverbruik en daarmee aan de uitstoot van CO2. In het goederentransport kan hierbij gedacht worden aan projecten ter verbetering van de (keten)logistiek, logistieke dienstverlening, intermodaal vervoer en modal shift. In het personentransport kan gedacht worden aan projecten ter verbetering van vervoersmanagement, logistieke dienstverlening en de toepassing van ICT.

Projecten dienen een voorbeeldfunctie te vervullen. De voorkeur gaat uit naar projecten die worden uitgevoerd door partijen die deelnemen, of gaan deelnemen, aan MeerJarenAfspraken inzake het verminderen van het energiegebruik.

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

ad a. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

ad b. Bij de milieuverdienste wordt m.n. uitgegaan van de vermindering van de CO2 uitstoot.

ad d. Van belang is dat doublures bij haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten worden vermeden.

ad f. Bij de introductie van nieuwe vervoersconcepten is het van belang dat er in een vroeg stadium betrokkenheid is van de industrie of organisaties van eindgebruikers. De voorkeur wordt dan ook gegeven aan projecten met een wezenlijke betrokkenheid van de industrie of organisaties van eindgebruikers, zowel inhoudelijk als financieel.

ad g. Bij de beoordeling gaat de voorkeur uit naar projecten die worden ondernomen door samenwerkingsverbanden van industrie, afnemers, onderzoekinstellingen en ontwikkelbedrijven.

ad h. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen.

ad i. Een project wordt mede beoordeeld op basis van de mate waarin het toepasbaar is in de markt, en de mate waarin herhalingspotentieel met betrekking tot de betreffende toepassing aanwezig is.

ad j. Naast de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel, het organiseren van een workshop of het openstellen van een installatie voor bezoek van derden, wordt hierbij met name aandacht besteed aan de participatie van relevante partijen in het project.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen:

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Energiebesparing in Transport bedraagt f 1 500 000,00.

Aanvragen met betrekking tot het programma Energiebesparing in Transport moeten door Novem zijn ontvangen in de periode 19 maart 1999 tot en met 30 november 1999.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem

Postbus 8242

3503 RE Utrecht

Tel. 030-2393493

Het doel van het programma is het realiseren van energiebesparing in de industrie door de ontwikkeling en implementatie van nieuwe energiebesparende technologieën. Het programma richt zich op de realisering van een structurele jaarlijkse energiebesparing van 10 PJ in 2002.

Voorts heeft het programma als doel het ontsluiten van een energiebesparingspotentieel door onderzoek en ontwikkeling van doorbraaktechnologieën, waarbij het zich richt op het ontsluiten van een potentieel van 70 PJ in 2002.

In het kader van het programma worden de ontwikkeling en implementatie van energiebesparende technologieën gestimuleerd, die reeds voor de industrie beschikbaar zijn of voor 2003 beschikbaar kunnen komen. De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen zijn onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten alsmede daarmee samenhangende haalbaarheids- en kennisoverdrachtprojecten en praktijkexperimenten, die hieraan een aantoonbare bijdrage leveren en die gericht zijn op de volgende aandachtsgebieden:

Voorts worden in het kader van het programma onderzoek en ontwikkeling gestimuleerd van technologieën, die een doorbraak in de industriële energiebesparing kunnen realiseren en die vóór 2010 voor de industrie beschikbaar kunnen komen. De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking kunnen komen zijn onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten alsmede daarmee samenhangende haalbaarheids- en kennisoverdrachtprojecten en praktijkexperimenten, die hieraan een aantoonbare en optimale bijdrage leveren en die gericht zijn op de volgende aandachtsgebieden:

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden.

ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen:

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma SPIRIT bedraagt f 12 500 000,00.

Aanvragen met betrekking tot het programma SPIRIT moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1999 tot en met 30 november 1999.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem

Postbus 8242

3503 RE Utrecht

Tel. 030-2393473

Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat in het jaar 2000 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik (exclusief grondstoffen) wordt bereikt ten opzichte van 1989, en in de periode 2000-2010 een jaarlijkse efficiencyverbetering van het energieverbruik (inclusief grondstoffen) van meer dan 2% wordt bereikt. Dit conform de doelstelling van de Energiebesparingsnota 1998.

Om de doelstelling te bereiken, is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name meerjarenafspraken (MJA’s), het programma SPIRIT, het programma Tendem (in voorbereiding) en het onderhavige programma. Het onderhavige programma is gericht op de chemische industrie, de aardolie-industrie en de olie- en gaswinning, en beoogt in deze bedrijfssectoren, waarmee meerjarenafspraken zijn gemaakt de doelstellingen van die meerjarenafspraken te realiseren.

Het programma is ingedeeld in twee onderdelen.

Dit onderdeel richt zich op de chemische industrie.

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, praktijkexperimenten, en kennisoverdrachtprojecten. Tevens kunnen onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op het meten en evalueren van demonstratie- en marktintroductieprojecten voor subsidie in aanmerking komen.

Deze projecten dienen gericht te zijn op:

Dit onderdeel richt zich op raffinaderijen, cokesfabrieken en olie- en gaswinning.

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, praktijkexperimenten en kennisoverdrachtprojecten. Tevens kunnen onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op het meten en evalueren van demonstratie- en marktintroductieprojecten voor subsidie in aanmerking komen. Deze projecten dienen gericht te zijn op:

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

ad d. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Voor de energieverdienste worden de projectkosten beoordeeld in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad e. Projecten worden mede beoordeeld op de bijdrage die ze leveren aan de realisering van de doelstelling van de meerjarenafspraak in de betreffende deelsector, en aan een eventueel vervolg van deze meerjarenafspraak na het jaar 2000.

ad f. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad g. Projecten die gedragen worden door een samenwerkingsverband waarin eindgebruikers deelnemen, verdienen voorkeur. Ook wordt positief beoordeeld de mate waarin de aanvrager deel wil nemen aan kennisoverdrachtactiviteiten, zoals het schrijven van artikelen, deelnemen aan symposia of openstellen van technologie voor derden.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven in de hiervoor genoemde bedrijfstakken. Tevens richt het programma zich op bedrijven of organisaties die invloed kunnen uitoefenen op het toekomstige energieverbruik in de hiervoor genoemde bedrijfstakken, zoals universiteiten, onderzoeksinstellingen, ingenieursbureaus en de apparatenindustrie.

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Chemische en Aardolie Industrie 1999 bedraagt f 3.650.000,00.

Aanvragen met betrekking tot het programma Chemische en Aardolie Industrie moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1999 tot en met 30 november 1999.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem

Postbus 17

6130 AA SITTARD

Tel. 046 - 4202334

Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat in het jaar 2000 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik (exclusief grondstoffen) wordt bereikt ten opzichte van 1989 en in de periode 2000-2010 een jaarlijkse efficiencyverbetering van het energieverbruik (inclusief grondstoffen) van meer dan 2% wordt bereikt. Dit conform de doelstelling van de Energiebesparingsnota 1998.

Om deze doelstelling te bereiken is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, zoals de meerjarenafspraken (MJA’s), het programma SPIRIT, het programma Tendem (in voorbereiding) en het onderhavige programma.

Het onderhavige programma is gericht op de bouwmaterialen-, keramiek- en glasindustrie en beoogt in deze bedrijfssectoren, waarmee meerjarenafspraken zijn gemaakt, de doelstellingen van die meerjarenafspraken te realiseren.

Voorop staat het belang dat te ondersteunen projecten bijdragen aan vernieuwingen die een aanmerkelijk effect op energiegebruik hebben, en daarmee bijdragen aan het behalen van de bovengenoemde doelstelling. Uit projecten voortkomende kennis moet een bredere toepassing kunnen vinden binnen de bouwmaterialen-, keramiek-, en glasindustrie.

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheidsprojecten, kennisoverdrachtprojecten en praktijkexperimenten. Tevens kunnen onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op het meten en evalueren van demonstratie- en marktintroductieprojecten voor subsidie in aanmerking komen.

Deze projecten dienen gericht te zijn op :

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

Ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan:

Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten.

ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad f. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de betreffende MJA en de behoefte in de betreffende sector aan de resultaten.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger scoren dan een referentie-techniek.

ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

Aan het programma kunnen met name bijdragen bedrijven uit de sectoren waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn of zullen worden en organisaties binnen deze sectoren en voorts:

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Bouwmaterialen-, Keramiek-, en Glasindustrie bedraagt f 1 850 000,00.

Aanvragen met betrekking tot het programma Bouwmaterialen-, Keramiek- en Glasindustrie moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1999 tot en met 30 november 1999.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem

Postbus 17

6130 AA SITTARD

Tel. 046-4202328

Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat in het jaar 2000 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik (exclusief grondstoffen) wordt bereikt ten opzichte van 1989 en in de periode 2000-2010 een jaarlijkse efficiencyverbetering van het energieverbruik (inclusief grondstoffen) van meer dan 2% wordt bereikt. Dit conform de doelstelling van de Energiebesparingsnota 1998.

Om deze doelstelling te bereiken is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, zoals de meerjarenafspraken (MJA’s), het programma SPIRIT, het programma Tendem (in voorbereiding) en het onderhavige programma.

Het programma is gericht op de voedings- en genotmiddelenindustrie en beoogt in deze bedrijfssectoren, waarmee meerjarenafspraken zijn gemaakt, de doelstellingen van die meerjarenafspraken te realiseren.

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheidsprojecten, kennisoverdrachtprojecten en praktijkexperimenten. Tevens kunnen onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op het meten en evalueren van demonstratie- en marktintroductieprojecten voor subsidie in aanmerking komen. De projecten dienen gericht te zijn op:

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

De milieuverdienste wordt kwalitatief beoordeeld.

ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan:

Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten.

ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad f. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de MJA en de behoefte in de betreffende deelsector aan de resultaten. Hieronder wordt ook begrepen een bijdrage die een project kan leveren aan een MJA na 2000, in een branche, die thans reeds een MJA tot en met 2000 heeft afgesloten.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke projectresultaat of product.

ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop en/of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

Aan het programma kunnen met name bijdragen bedrijven uit de sectoren in de voedings- en genotmiddelenindustrie waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn, organisaties binnen deze sectoren en voorts:

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Voedings- en Genotmiddelenindustrie bedraagt f 2 750 000,00.

Aanvragen met betrekking tot het programma Voedings- en Genotmiddelenindustrie moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1999 tot en met 1 november 1999.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem

Postbus 8242

3503 RE Utrecht

Tel. 030-2393473

Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat in het jaar 2000 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik (exclusief grondstoffen) wordt bereikt ten opzichte van 1989 en in de periode 2000-2010 een jaarlijkse efficiencyverbetering van het energieverbruik (inclusief grondstoffen) van meer dan 2% wordt bereikt. Dit conform de doelstelling van de Energiebesparingsnota 1998.

Om de doelstelling te bereiken, is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name meerjarenafspraken (MJA’s), het programma SPIRIT, het programma Tendem (in voorbereiding) en het onderhavige programma. Het onderhavige programma is gericht op de papier- en kartonindustrie, de textielindustrie, de grafische industrie, de basismetaalindustrie, de papierverwerkende industrie, de kunststofverwerkende industrie en de rubberverwerkende industrie, en beoogt in bovengenoemde bedrijfssectoren waarmee meerjarenafspraken zijn gemaakt dan wel -in de grafische industrie- een milieubeleidsovereenkomst met een energieparagraaf is gesloten, de doelstellingen van die meerjarenafspraken respectievelijk milieubeleidsovereenkomst te realiseren.

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, praktijkexperimenten en kennisoverdrachtprojecten. Tevens kunnen onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op het meten en evalueren van demonstratie- en marktintroductieprojecten voor subsidie in aanmerking komen. Deze projecten dienen te passen in:

De projecten dienen gericht te zijn op:

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

ad d. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad e. Projecten worden mede beoordeeld op de bijdrage die ze leveren aan de realisering van de doelstelling van de meerjarenafspraak in de betreffende deelsector en aan een eventueel vervolg van deze meerjarenafspraak na het jaar 2000.

ad f. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad g. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

ad h. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven behorende tot de papier- en kartonindustrie, de textielindustrie, de grafische industrie, de basismetaalindustrie, de papierverwerkende industrie, de kunststofverwerkende industrie en de rubberverwerkende industrie, waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn of zullen worden gemaakt, en voorts organisaties binnen deze bedrijfstakken of organisaties gericht op deze bedrijfstakken zoals:

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Overige Industrie bedraagt f 2 000 000,00.

Aanvragen met betrekking tot het programma Overige Industrie moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1999 tot en met 30 november 1999.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem

Postbus 8242

3503 RE Utrecht

Tel. 030-2393554

Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat in het jaar 2000 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik (exclusief grondstoffen) wordt bereikt ten opzichte van 1989 en in de periode 2000-2010 een jaarlijkse efficiencyverbetering van het energieverbruik (inclusief grondstoffen) van meer dan 2% wordt bereikt. Dit conform de doelstelling van de Energiebesparingsnota 1998. Verder zijn er integrale milieu taakstellingen (IMT’s) vastgelegd in milieuconvenanten voor enkele sectoren waar energie-efficiency verbetering een onderdeel van is.

Om deze doelstellingen te bereiken zijn voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, zoals de meerjarenafspraken (MJA’s), het programma SPIRIT, het programma Tendem (in voorbereiding) en het onderhavige programma.

Het programma is ingedeeld in twee onderdelen.

Dit onderdeel is gericht op:

Via meerjarenafspraken en milieuconvenanten zijn of worden met deze bedrijfstakken en bedrijven afspraken gemaakt over de wijze waarop de betreffende bedrijfstakken en bedrijven zullen bijdragen aan de bovengenoemde doelstelling.

Dit onderdeel beoogt in de bedrijfstakken en bedrijven waarmee meerjarenafspraken of milieuconvenanten zijn of worden gemaakt, de doelstellingen van die meerjarenafspraken en milieuconvenanten te realiseren.

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, kennisoverdrachtprojecten en praktijkexperimenten. Tevens kunnen onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op meten en evalueren van demonstratie- en marktintroductieprojecten voor subsidie in aanmerking komen. De projecten dienen gericht te zijn op:

Dit onderdeel is gericht op individuele industriële bedrijven en groepen van industriële bedrijven waarvoor geen meerjarenafspraak bestaat.

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids- en kennisoverdrachtprojecten, die niet passen binnen de Subsidieregeling voorlichting en doorlichting Schoner Produceren en de Subsidieregeling energie-efficiency en milieu-adviezen Schoner Produceren, en gericht zijn op het verbeteren van de proces efficiency in bedrijven, door onder andere het opstellen van energiebesparingsplannen, het invoeren van integrale energiezorg, procesintegratie en procesregelingen.

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie echter niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

ad d. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad e. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de betreffende MJA of het betreffende milieuconvenant en de behoefte in de betreffende sector aan de resultaten.

ad f. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad g. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investeringen en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

ad h. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van een installatie voor het bezoek van derden.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen:

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Lichte Industrie bedraagt f 1 700 000,00.

Aanvragen met betrekking tot het programma Lichte Industrie moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1999 tot en met 30 november 1999.

Het doel van het programma thermische zonne-energie is het leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling van thermische zonne-energie-opties die op termijn een substantiële bijdrage leveren aan een duurzame energievoorziening. Het uitgangspunt is de doelstelling voor thermische zonne-energie van 5 PJ in 2007, die in de Derde Energienota en het Actieprogramma Duurzame Energie in Opmars is vastgelegd. De nadruk ligt hierbij op de toepassing van zonneboilers, waarvoor de doelstelling is dat er in 2010 in totaal 400.000 zijn geplaatst.

Het programma is ingedeeld in vier onderdelen.

Op 26 januari 1999 is het Convenant Zonneboilers getekend door bedrijven in de zonneboilerindustrie en een aantal andere bedrijven, organisaties en instellingen. Een belangrijke doelstelling van het convenant is het zo snel mogelijk ontwikkelen van een zelfstandig opererende zonneboilermarkt die in staat is door te groeien naar 400.000 geïnstalleerde zonneboilers in het jaar 2010. In het programma kunnen in beginsel projecten worden ondersteund die aantoonbaar gericht zijn op het realiseren van deze doelstelling. Bedrijven in de zonneboilerindustrie die voor subsidie in aanmerking willen komen, dienen aan Novem een ondernemingsplan te overleggen waarin zij aangeven hoe ze de markt voor zonneboilers willen vergroten.

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

Deze onderdelen worden uitgevoerd in de vorm van oproepen voor het indienen van projectvoorstellen (tender). De aanvragen die aan de wettelijke voorschriften voldoen en passen binnen dit onderdeel, worden door Novem beoordeeld en gerangschikt. De aanvragen worden gerangschikt aan de hand van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van dit programma-onderdeel. Artikel 9, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma’s is van toepassing.

Naast de algemene beoordelingsaspecten zullen bij de beoordeling van aanvragen in het kader van deze onderdelen tevens worden betrokken de gevraagde subsidie per zonneboiler (hoe lager de gevraagde subsidie, hoe groter de bijdrage aan het programma) en het aantal te realiseren zonneboilers (hoe groter het project, hoe groter de bijdrage aan het programma).

Dit onderdeel richt zich op haalbaarheidsprojecten en kennisoverdrachtprojecten met als doelstelling realisatie van grootschalige nieuwbouwprojecten waarbij minimaal 250 woningen met een zonneboiler worden voorzien. De projecten dienen duidelijk gericht te zijn op het wegnemen van knelpunten tijdens en na de uitvoering. De projectkosten moeten hoger zijn dan f 25 000,00. De subsidie bedraagt maximaal 60% van de projectkosten tot een maximum van f 50 000,00.

Dit onderdeel richt zich op haalbaarheidsprojecten en kennisoverdrachtprojecten met als doelstelling de realisatie van grootschalige projecten in de bestaande bouw waarbij minimaal 100 woningen met een zonneboiler worden voorzien en waarbij het lokale vergunningenbeleid en de welstandseisen een punt van aandacht zijn. Bij het project dient een adviseur en dienen installateurs betrokken te zijn met aantoonbare ervaring op het gebied van zonneboilers. Verhuur- of leaseprojecten, hoogbouwtoepassingen en projecten gericht op de opzet van landelijke serviceorganisaties verdienen de voorkeur.

De projectkosten moeten hoger zijn dan f 25 000,00. De subsidie bedraagt maximaal 60% van de projectkosten tot een maximum van f 50 000,00.

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen, zijn:

De voornaamste soorten projecten die voor subsidie in aanmerking komen zijn marktintroductieprojecten, gericht op de grootschalige introductie van collectieve zon-thermische installaties in de bestaande woningbouw. De voorkeur gaat uit naar grootschalige projecten waarbij woningbouwcorporaties intensief betrokken zijn. Verder hebben projecten de voorkeur met bijzondere aandacht voor kennisoverdracht en publiciteit, zowel lokaal als landelijk, met name over de aspecten techniek, toepassing, samenwerking, marketing, en klantvoordelen. Tot slot hebben projecten de voorkeur met een aantoonbaar positief effect op standaardisering en op kwaliteit van de producten en diensten die voor het project worden aangewend.

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen, zijn:

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen zijn:

Degenen die het project uitvoeren dienen over voldoende basiskennis te beschikken op het gebied van zonneboilers.

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

ad a. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt naast de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard. Projecten van bedrijven in de zonneboilerindustrie zullen beoordeeld worden op basis van de door hen ingediende ondernemingsplannen.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad h. Bij zonneboilersystemen wordt de kostprijsreductie als criterium gehanteerd zoals deze wordt geformuleerd in het eerder genoemde Convenant Zonneboilers.

Bij andere thermische zonne-energie toepassingen wordt er belang aan gehecht dat het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger is dan bij de huidige technologie.

Aan de doelstellingen van onderdelen 2.a., 2.b en 5 kunnen met name bijdragen:

Aan de overige onderdelen van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven en instellingen die initiatieven wensen te nemen om thermische zonne-energiesystemen te ontwikkelen en/of toe te passen.

Hierbij gaat het vooral om:

1

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Thermische Zonne-energie 1999, met uitzondering van het onderdeel 3.b., bedraagt f 4.650.000,00, met dien verstande dat voor onderdeel 2.a. maximaal f 400.000,00, en voor onderdeel 2.b. maximaal f 400 000,00 beschikbaar is.

2

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 en 2000 ontvangen aanvragen met betrekking tot onderdeel 3.b. van het programma Thermische Zonne-energie 1999 bedraagt f 5.000.000,00.

Aanvragen m.b.t. onderdeel 2.a. (tender) moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 1 maart 1999 tot en met 31 mei 1999. Aanvragen m.b.t. onderdeel 2.b.(tender) moeten door Novem zijn ontvangen in de periode 1 september 1999 tot en met 1 november 1999. Aanvragen met betrekking tot onderdeel 5. moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 19 november 1999 tot en met 30 december 1999. Aanvragen met betrekking tot onderdeel 3.b. moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 23 december 1999 tot en met 31 januari 2000. Aanvragen m.b.t. de overige onderdelen moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 1 maart 1999 tot en met 1 november 1999.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem

Postbus 17

6130 AA Sittard

tel. 046 - 4202332

De doelstelling van het programma Warmtevoorziening is het bevorderen van de toepassing van Laag Temperatuur Afgiftesystemen ten behoeve van ruimteverwarming.

De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratieprojecten en kennisoverdrachtprojecten met betrekking tot een innovatief systeem waarvan de warmtebron gecombineerd moet zijn met een laag temperatuur afgiftesysteem ten behoeve van ruimteverwarming en bij voorkeur ten behoeve van tapwaterbereiding met behoud van het huidig comfort niveau. Onder een laag temperatuur systeem wordt hierbij verstaan een systeem, waarvan het gemiddelde van de aanvoer- en retourtemperatuur maximaal 55 °C bedraagt. Onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten dienen betrekking te hebben op metingen. Kennisoverdrachtprojecten dienen gericht te zijn op implementatie van de technieken.

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

ad a. De haalbaarheid van de projecten moet afdoende zijn aangetoond. Voor de beoordeling van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/ economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

ad c. Er wordt een schatting gemaakt van de uiteindelijke bereikbare penetratie van een maatregel, met de daarbij behorende mogelijke energiebesparing. Projecten met een zo laag mogelijke aanvoertemperatuur genieten de voorkeur.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen gemeenten, leveranciers van apparaten, energiedistributiebedrijven, adviesbureaus of een combinatie hiervan.

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Warmtevoorziening bedraagt f 220 000,00.

Aanvragen met betrekking tot het programma Warmtevoorziening moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1999 tot en met 30 november 1999.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem

Postbus 8242

3503 RE Utrecht

Tel 030 - 2393533

De doelstelling van het programma is de realisatie van duurzame bedrijventerreinen (DBT) door het bevorderen van samenwerking tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven op deze terreinen en overheden, gericht op de vermindering van het gebruik van fossiele energie in combinatie met vermindering van de milieubelasting, een efficiënter of meervoudig gebruik van de ruimte en het verbeteren van het (bedrijfs-)economisch resultaat.

Daarbij dienen optimalisatie van energie- en watervraag, grondstofverbruik, afvalstromen en personen- en goederenvervoer op de locatie in samenhang beschouwd te worden.

Het programma heeft betrekking op bestaande terreinen, uitbreidingen van bestaande terreinen en nieuwe terreinen. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen moet de omvang van een bedrijventerrein minimaal 15 ha zijn.

Onder bedrijventerreinen worden ook verstaan glastuinbouwgebieden.

Het programma is ingedeeld in drie onderdelen.

Dit onderdeel is gericht op het bevorderen van samenwerking tussen bedrijven onderling en met overheden op bovengenoemde bedrijventerreinen. De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten, gericht op totstandkoming en begeleiding van het samenwerkingsproces ten behoeve van het initiëren van duurzame projecten.

Dit onderdeel is gericht op het ontwikkelen van integrale plannen voor een duurzaam bedrijventerrein (masterplan). De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen zijn onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op het in kaart brengen van de optimalisatiemogelijkheden voor een bedrijventerrein.

Dit onderdeel is gericht op het uitwerken van in eerdere studies aangegeven optimalisatiemogelijkheden en oplossingen ten aanzien van de implementatie van DBT. De voornaamste soorten projecten die in 1999 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheids- en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op deze onderwerpen.

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

ad a. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt bekeken in hoeverre er gestreefd wordt naar het vormen van een samenwerkingsverband waarin een relevant deel van de bedrijven op het terrein vertegenwoordigd zal zijn. Indien er al sprake is van een samenwerkingsverband wordt bezien in hoeverre de samenwerking geformaliseerd is door bijvoorbeeld een intentieverklaring.

ad b. Onder direct betrokkenen worden in ieder geval begrepen de betreffende bedrijven (voor zover bekend) en de betrokken overheden. In ieder geval zal moeten worden aangetoond dat bedrijven bereid zijn tot het inbrengen van operationele deskundigheid.

ad c. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

Bij de beoordeling van de aanvraag wordt tevens rekening gehouden met de eventuele bijdrage door het project aan doelstellingen van Meerjarenafspraken Energie-efficiëncy en milieuconvenanten waar bedrijven op het terrein aan deelnemen.

ad d. Een project wordt mede beoordeeld op basis van het herhalingspotentieel van het specifieke project. Ook wordt rekening gehouden met de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het verlenen van medewerking aan het bezoek van derden.

ad e. Projecten zullen veelal een risico in zich dragen. De mate waarin de subsidie-aanvraag gericht is op het vaststellen van de slaagkans en het in kaart brengen van de risico’s van een project is van groot belang. De aanvraag dient daarbij betrekking te hebben op risico’s en mogelijkheden van technische, financieel/economische, organisatorische, juridische en bestuurlijke aard.

ad f. De projectkosten worden getoetst aan de mogelijke energieverdienste en milieuwinst. Hiertoe worden de projectkosten onder andere beoordeeld in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad h. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de planning van de realisatie van de verschillende locaties. Aanvragen die betrekking hebben op besluiten die spoedig genomen zullen worden hebben prioriteit boven aanvragen waarbij de besluitvorming op een later tijdstip zal plaatsvinden.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen (samenwerkende) bedrijven, gemeenten, provincies of projectontwikkelaars. Bij bestaande bedrijventerreinen dienen (samenwerkende) bedrijven in ieder geval bij het project betrokken zijn. Betrokken bedrijven, gemeenten of provincies kunnen ook een vertegenwoordiger aanwijzen die de aanvraag indient. Uit de aanvraag moet betrokkenheid van de bedrijven op het terrein, voor zover reeds bekend, duidelijk blijken.

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 1999 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Duurzame Bedrijventerreinen 1999 bedraagt f 6.500.000,00.

Aanvragen met betrekking tot het programma Duurzame Bedrijventerreinen 1999 moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1999 tot en met 1 november 1999.