Ministeriële regeling · BWBR0010809

Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet 1999

Wijzigingen Officiële bron
Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet 1999Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet 1999De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 4, vierde lid, van richtlijn nr. 81/851/ EEG van de Raad van de Europese Unie van 28 september 1981 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L 317), alsmede op de artikelen 29 en 45 van de Diergeneesmiddelenwet;

Gezien de adviezen van de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde, het Productschap Diervoeder, de Nederlandse vereniging van viskwekers, de Productschappen Vee, Vlees en Eieren en de Vereniging van Fabrikanten en de Importeurs van Diergeneesmiddelen In Nederland;

Besluit:

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage29 oktober 1999De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, G.H.Faber

In deze regeling wordt verstaan onder:

wet:

Diergeneesmiddelenwet ;

beschikbaar:

geregistreerd en voorhanden op de Nederlandse markt;

indicatie:bijwerking:

reactie die schadelijk en ongewild is en die optreedt bij doses die normaal bij het dier voor preventie, voor het stellen van een diagnose, voor de behandeling van een ziekte, of voor de wijziging van een fysiologische functie worden gebruikt;

ondraaglijk lijden:

niet aflatende aandoening of pijn die het dier kennelijk veel ongemak toebrengt;

MRL:

maximumwaarde voor residuen;

Bureau Bijwerkingen Diergeneesmiddelen:

Bureau Bijwerkingen Diergeneesmiddelen, Postbus 10, 6700 AA Wageningen;

verordening (EEG) nr. 2377/90:

verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad van de Europese Unie van 26 juni 1990 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van genees-middelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEG L 224);

richtlijn nr. 2001/82/EG:

richtlijn nr. 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L 311).

Bij toepassing van middelen ingevolge de artikelen 2, 4 of 4a melden dierenartsen vermoedelijke bijwerkingen binnen 15 dagen nadat deze aan hen bekend zijn geworden aan het Bureau Bijwerkingen Diergeneesmiddelen.

De Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 2, tweede lid, vervalt met ingang van vijf jaar na de datum waarop deze regeling in werking is getreden.

Deze regeling kan worden aangehaald als: Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet 1999.

Lijst met werkzame substanties welke in afwijking van artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet, mogen worden toege-past onder de hieronder vermelde condities.