Wijzigingen Officiële bron
Regeling eisen verwerking CFK- en HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur 2000Regeling eisen verwerking CFK- en HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur 2000De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op de artikelen 3c, tweede lid, 3d, derde lid, en 3e van het Besluit verwijdering wit- en bruingoed;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J.P.Pronk

Bij het be- of verwerken van CFK- of HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur wordt de hoeveelheid restolie per compressorpot bepaald overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

Bij het be- of verwerken van CFK- of HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur wordt ontgast PUR-schuim dat voor hergebruik is bedoeld, geanalyseerd overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

De Regeling eisen verwerking CFK- en HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur (Stcrt. 1999, 56) wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit van 4 september 2000, houdende wijziging van het Besluit verwijdering wit- en bruingoed (verbreding rechtsgrondslag) (Stb. 2000, 377) in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen verwerking CFK- en HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur 2000.

PROTOCOL RESTOLIEBEPALING IN COMPRESSORPOTTEN

Het gehalte restolie in afgetapte compressorpotten wordt gravimetrisch bepaald door middel van het laten uitlekken van de potten. De opgevangen olie wordt vervolgens gewogen.

Frequentie monsterneming

Per bedrijf worden compressorpotten éénmaal per kwartaal bemonsterd en geanalyseerd op restolie.

Monstername en analyse gebeurt door een extern bedrijf.

Steekproefgrootte

Per keer wordt een a-selecte steekproef genomen van drie afgetapte compressorpotten (< 12 kg), uit de verzamelbak voor afgetapte potten.

Behandeling potten

Voor vervoer worden de leidingen van de geselecteerde potten dichtgeknepen en het boorgat wordt afgedicht met een stop. Het vervoer moet zodanig zijn dat er geen olie lekt tijdens vervoer.

Aanvangsgewicht

Het aanvangsgewicht wordt vóór het uitlekken gewogen. Het gewicht dient kleiner te zijn dan 12 kilo.

Omstandigheden

Het uitlekken dient onder gelijke omstandigheden uitgevoerd te worden, om verschillen te voorkomen. De potten dienen eerst te acclimatiseren bij een temperatuur van 18 °C (gedurende circa één etmaal), dit in verband met de viscositeit van olie.

Uitlekken

Voor het uitlekken wordt de stop verwijderd en worden de leidingen iets geopend, om onderdruk tegen te gaan. Vervolgens worden de potten zodanig geplaatst, op een opvangbak van bekend gewicht (0,1 gr nauwkeurig), dat het boorgat verticaal naar onder is gericht.

Na drie uur uitlekken worden de potten gecontroleerd. Indien dan geen olie is uitgelekt moet geconcludeerd worden dat het boorgat niet goed gepositioneerd is, waarna de ligging van de pot wordt gecorrigeerd.

Vervolgens laat men de pot nogmaals zes uur uitlekken.

Gemiddelde restolie per pot

De totaal uitgelekte hoeveelheid olie wordt gewogen, per pot, door middel van het terugwegen van de opvangbak (0,1 gr nauwkeurig). Vervolgens wordt de gemiddelde hoeveelheid restolie over de drie waarden berekend (gr/pot).

Eis

De verwerkingseis wordt overschreden indien: gemiddeld uitlekgewicht (gr/pot) > 15.

Overschrijding van de eis

Indien de eis wordt overschreden dient het bedrijf een tweede analyse te laten maken, ter controle. Indien ook hierbij de eis wordt overschreden, moet het bedrijf maatregelen nemen. Dit kunnen maatregelen zijn betreffende de gebruikte techniek of betreffende de werkmethoden.

De getroffen maatregelen moeten duidelijk worden vastgelegd, zodat ook deze achteraf te verifiëren zijn.

Monitoring via registatieformat

Per bedrijf worden minimaal vier analyseresultaten overgelegd per jaar (gemiddelde hoeveelheid restolie; gr/pot), via het registratieformat (zie bijlage 3 behorende bij artikel 3, eerste lid, van de Regeling eisen verwerking CFK- en HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur 2000).

PROTOCOL CFK-ANALYSE IN (ONTGAST) PUR-SCHUIM

Deze meting is van toepassing indien het ontgaste poly-urethaanschuim (PUR-schuim) is bestemd voor hergebruik.

Bepaling van het gehalte CFK 11 en CFK 12 in ontgast- en oud PUR-schuim door middel van purge en trap op kool, vloeistof-desorptie en analyse met gaschromatografie-massaspectrometrie.

Voor het opstellen van dit protocol is gebruik gemaakt van de volgende literatuur:

Via het registratieformulier (bijlage 3 behorende bij artikel 3, eerste lid, van de Regeling eisen verwerking CFK- en HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur 2000) dient een bedrijf de analyseresultaten over te leggen aan de VVAV die betrekking hebben op partijen PUR-schuim die zijn hergebruikt.

Voor elke partij ontgast PUR-schuim, bestemd voor hergebruik, dient een monster te worden genomen. Het nemen van een representatief monster gebeurt volgens de algemene richtlijnen voor monsterneming opgesteld door VROM/RIVM (NVN 5860 Afvalstoffen, bemonstering van afvalstoffen).

Dit protocol geeft een beschrijving van de bepaling van het gehalte CFK 11 en CFK 12 in PUR-schuim door oplossen van de PUR in zwavelzuur waarbij door middel van purge en trap de CFK's geadsorbeerd worden op actief kool. De actief kool wordt na desorptie met koolstofdisulfide geanalyseerd met gaschromatografie en massaspectrometrie.

Deze methode is van toepassing op PUR-schuim afkomstig uit koelkasten waarin het als isolatiemateriaal was aangebracht. De vorm waarin de PUR-schuim kan voorkomen is vast plaatmateriaal (oud PUR-schuim) of poedervormig materiaal wat overblijft na verkleining en ontgassing van het vaste plaatmateriaal bij de verwerking van de koelkasten (ontgast PUR-poeder).

De methode is bruikbaar vanaf een CFK-concentratie van 0,1 m/m%.

Er wordt gebruikgemaakt van een Purge en Trap opstelling volgens NEN 6401. Een bekende hoeveelheid PUR wordt verwarmd met zwavelzuur in een Purge en Trap opstelling. Na het oplossen van de PUR wordt gedurende 30 minuten stikstof doorgeleid. De met de stikstofstroom meegevoerde CFK's worden vervolgens geadsorbeerd op een actief koolbuis (800/200 mg).

De analyse van de actief kool wordt uitgevoerd door de kool te desorberen met een bekende hoeveelheid koolstofdisulfide. Na desorptie wordt een hoeveelheid van de koolstofdisulfide-oplossing geïnjecteerd in de gaschromatograaf waar de scheiding van de componenten plaatsvindt. Detectie van de componenten geschiedt met behulp van een massaspectrometer.

Gebruik alleen reagentia van analysekwaliteit. Zie voor gevaren die verbonden zijn aan het werken met chemicaliën, de desbetreffende Chemiekaart.

Voor het uitvoeren van de onderhavige methode zijn de volgende stoffen benodigd:

Monsterneming

Voor ontgast en poedervormig PUR dient een representatief deelmonster in bewerking te worden genomen.

Voor oud PUR (isolatieplaten uit koelkasten) wordt met behulp van een appelboor één of meerdere dwarsdoorsneden van een plaat PUR genomen. Er dient in verband met mogelijk afwijkende concentraties aan de randen van een plaat PUR géén dwarsdoorsnede uit de buitenste rand te worden genomen.

Monsterconservering

Bewaar de monsters in het donker bij 2-8 °C.

Monstervoorbehandeling

Als het ontgaste PUR vermengd is met andere materialen (bijvoorbeeld stukjes kunststof), dienen deze verwijderd te worden. Het overgebleven materiaal wordt voor de analyse gebruikt.

Er wordt gebruikgemaakt van een Purge en Trap opstelling volgens NEN 6401. Vooraf dient de stikstofflow met behulp van een flowmeter ingesteld te worden op 40 ml per minuut.

Temperatuur van de gebruikte opstelling dient gecontroleerd te worden op juistheid.

Monsters

Blanco

Standaard

Desorberen koolbuizen

Een koolbuis bestaat uit een eerste (800 mg) en een tweede compartiment (200 mg). Het tweede compartiment wordt geanalyseerd om eventuele doorslag van het eerste compartiment waar te nemen.

Werkwijze voor het desorberen van koolbuizen:

Opmerking: bij oud PUR dient het verkregen extract altijd (minimaal) 10 maal verdund te worden om binnen het lineaire meetgebied te blijven.

Bepaling met gaschromatografie

Instellingen gaschromatograaf:

Stel de gaschromatograaf zo in dat een optimale scheiding wordt verkregen.

Instellingen massaspectrometer:

Voordat kan worden overgegaan op de meting van extracten dient de massaspectrometer getuned te worden volgens het voorschrift van de leverancier. Dit voorschrift staat beschreven in de manuals die bij de apparatuur horen.

Identificatie

Bij de gebruikte methode wordt er in de S(elective)I(on)M(onitoring)-mode gemeten. Identificatie vindt plaats op basis van de intensiteitsverhouding target-ion en qualifier-ion en op relatieve retentietijd.

Het target-ion is het ion met de hoogste intensiteit van het massaspectrum, het qualifier-ion het ion met de één na hoogste intensiteit.

Voor de relatieve retentietijd van de component geldt dat deze niet meer dan 0,01 minuut afwijkt van dezelfde component in de kalibratiestandaard.

Voor de intensiteitsverhouding target/qualifier-ion geldt dat deze niet meer dan 20% mag afwijken van de verwachte verhouding.

Kwantificering vindt plaats op basis van het target-ion.

Kwantificering

Na meting van de kalibratiestandaard worden de selectieve massa's (target-ion) van de verschillende componenten (inclusief referentiestof) geïntegreerd.

Uit de oppervlakte en de concentratie wordt een responsfactor berekend:

waarin:

De berekening van de extract concentraties wordt gegeven door:

waarin:

Gehalte berekening monsters:

waarin:

Analyse tweede compartiment

Het tweede compartiment wordt geanalyseerd om eventuele doorslag van het eerste compartiment vast te stellen. Wanneer er in het tweede compartiment geen componenten worden aangetroffen is de analyse goed verlopen.

Wanneer er wel een component wordt aangetroffen dient de opwerking herhaald te worden met een verminderde (halve) inzet. Dit kan alleen wanneer monster-inhomogeniteit geen belangrijke rol speelt.

Afronding

Eis

De verwerkingseis wordt overschreden indien:

rest-CFK in ontgast PUR-schuim > 10 gr/kg of > 1 massa/massa%

Op basis van bevindingen uit methode evaluerend onderzoek moet rekening gehouden worden met onzekerheden in de meting van een representatief deelmonster met betrekking tot juistheid en spreiding. In onderstaande tabel wordt aangegeven wanneer het materiaal kan worden toegepast voor hergebruik en wanneer het materiaal afgekeurd wordt voor hergebruik.

Overschrijding van de eis

Indien de eis wordt overschreden, dient het bedrijf een tweede analyse te laten maken, ter controle. Indien ook hierbij de eis wordt overschreden, mag de partij ontgast PUR-schuim niet aangewend worden als secundaire grondstof (hergebruik). Indien het CFK-gehalte van de partij door middel van nabehandeling (verwarmen) tot onder de grenswaarde wordt gebracht, kan het PUR-schuim worden hergebruikt.