Wijzigingen Officiële bron
Wet van 15 november 2000, houdende overgangsbepalingen met betrekking tot de Wet stedelijke vernieuwing (Invoeringswet Wet stedelijke vernieuwing)Invoeringswet Wet stedelijke vernieuwingWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de met betrekking tot de Wet stedelijke vernieuwing noodzakelijke overgangsbepalingen tot stand te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage15 november 2000BeatrixDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J. W. Remkesde dertigste november 2000De Minister van Justitie,A. H. Korthals

De programma's inzake stedelijke vernieuwing voor de jaren 2000 tot en met 2004, op basis waarvan Onze Minister met gemeenten als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet stedelijke vernieuwing bij zogenoemd stadsconvenant is overeengekomen dat investeringsbudget zal worden verleend, worden aangemerkt als ontwikkelingsprogramma's behoudens noodzakelijke wijzigingen daarin als gevolg van het bij of krachtens deze wet en de Wet stedelijke vernieuwing bepaalde.

Indien vóór de inwerkingtreding van deze wet bij provinciale verordening ingevolge artikel 145 van de Provinciewet regels zijn gegeven omtrent de wijze waarop de verdeling tussen de gemeenten van de middelen voor investeringsbudget wordt vastgesteld, berust die verordening na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 6, vierde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing.

Artikel 26 van de Wet stedelijke vernieuwing is, behoudens de tweede volzin van het eerste lid, niet van toepassing op het voor de eerste maal vaststellen van de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 13, tweede lid, en 19, eerste lid, van die wet.

Wijzigt de Woningwet.

Ten aanzien van op 31 december 1999 reeds verleende of vastgestelde financiële middelen of subsidies voor activiteiten in het kader van stedelijke vernieuwing uit 's Rijks kas op voet van of krachtens de artikelen 81, eerste lid, of 82, eerste lid, van de Woningwet, zoals die artikelleden op die dag luidden, blijft het bij of krachtens afdeling 5 van hoofdstuk V van de Woningwet bepaalde, zoals dat op die dag luidde, van toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing, voorzover bij of krachtens artikel 9 andere regels worden gegeven.

Wijzigt de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.

Ten aanzien van op 31 december 1999 reeds verleende of vastgestelde financiële middelen of subsidies voor activiteiten in het kader van stedelijke vernieuwing uit 's Rijks kas op voet van of krachtens de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing blijft het bij of krachtens die wet bepaalde, zoals dat op die dag luidde, van toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing, voorzover bij of krachtens artikel 14 andere regels worden gegeven.

Verordeningen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet berustten op artikel 41 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, blijven behoudens eerdere intrekking van kracht tot twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet.

Voorzover door Onze Minister toezeggingen zijn gedaan of afspraken zijn gemaakt, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, met betrekking tot het verstrekken van financiële middelen of subsidie ingevolge de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing aan een gemeente aan welke ingevolge die wet rechtstreeks door Onze Minister financiële middelen werden verleend en aan welke ingevolge de Wet stedelijke vernieuwing door de provincie investeringsbudget wordt verleend, gaan de uit die toezeggingen of afspraken voortvloeiende verplichtingen tot het verstrekken van financiële middelen aan die gemeente van Onze Minister over op de provincie. Onze Minister stelt de provincie daartoe op voet van artikel 5, derde lid, van de Wet stedelijke vernieuwing financiële middelen beschikbaar.

In afwijking van artikel 11 kan Onze Minister de op 1 januari 2005 nog in een stadsvernieuwingsfonds aanwezige gelden als bedoeld in artikel 41a, tweede lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, zoals dat artikel luidde op 31 december 1999, terugvorderen, voorzover op eerstgenoemd tijdstip voor die gelden geen verplichtingen als bedoeld in dat artikel zijn aangegaan. Na 1 januari 2005 vrijvallende gelden worden niet teruggevorderd.

Wijzigt de Wet bodembescherming.

Wijzigt de Wet geluidhinder.

Ten aanzien van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet verleende subsidies uit 's Rijks kas ingevolge de Wet geluidhinder voor maatregelen die met ingang van dat tijdstip genoemd zijn in artikel 126, tweede lid, van de Wet geluidhinder, blijft het bij of krachtens die wet bepaalde, zoals dat laatstelijk voor bedoeld tijdstip luidde, van toepassing.

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Wijzigt de Kaderwet bestuur in verandering.

Wijzigt de Wet stedelijke vernieuwing.

Deze wet en de Wet stedelijke vernieuwing treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst. Deze wet en de Wet stedelijke vernieuwing werken, met uitzondering van de artikelen 17 en 18 van deze wet, terug tot en met 1 januari 2000.

Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Wet stedelijke vernieuwing.